Language of document : ECLI:EU:C:2013:342

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

30 mei 2013 (*)

„Asiel – Verordening (EG) nr. 343/2003 – Bepaling welke lidstaat verantwoordelijk is voor behandeling van door derdelander bij een van de lidstaten ingediend asielverzoek – Artikel 3, lid 2 – Beoordelingsruimte van lidstaten – Rol van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen – Verplichting voor lidstaten om deze instantie om zienswijze te verzoeken – Geen”

In zaak C‑528/11,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Administrativen sad Sofia-grad (Bulgarije) bij beslissing van 12 oktober 2011, ingekomen bij het Hof op 18 oktober 2011, in de procedure

Zuheyr Frayeh Halaf

tegen

Darzhavna agentsia za bezhantsite pri Ministerskia savet,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: L. Bay Larsen (rapporteur), kamerpresident, J. Malenovský, U. Lõhmus, M. Safjan en A. Prechal, rechters,

advocaat-generaal: N. Wahl,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en N. Graf Vitzthum als gemachtigden,

–        de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door F. Urbani Neri, avvocato dello Stato,

–        de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door J. Langer en C. Wissels als gemachtigden,

–        de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door C. Murrell als gemachtigde, bijgestaan door R. Palmer, barrister,

–        de Zwitserse regering, vertegenwoordigd door D. Klingele als gemachtigde,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Condou-Durande en V. Savov als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, lid 2, van verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB L 50, blz. 1; hierna: „verordening”) en van de artikelen 18, 41 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Z. F. Halaf, Iraaks onderdaan, en het Darzhavna agentsia za bezhantsite pri Ministerskia savet (nationaal agentschap voor vluchtelingen bij de ministerraad, hierna: „DAB”) over het besluit van deze instantie om voor Halaf geen procedure tot verlening van de vluchtelingenstatus in te leiden en om toestemming te verlenen voor zijn overdracht aan Griekenland.

 Toepasselijke bepalingen

 Verdrag van Genève

3        Het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 [Recueil des traités des Nations unies, vol. 189, blz. 150, nr. 2545 (1954); hierna: „Verdrag van Genève”], is in werking getreden op 22 april 1954.

4        Alle lidstaten zijn partij bij het Verdrag van Genève, alsook de Republiek IJsland, het Vorstendom Liechtenstein, het Koninkrijk Noorwegen en de Zwitserse Bondsstaat. De Europese Unie is geen partij bij het Verdrag van Genève, maar artikel 78, lid 1, VWEU en artikel 18 van het Handvest verwijzen naar dit verdrag.

5        In de preambule van dit verdrag is vastgesteld dat de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor Vluchtelingen (UNHCR) belast is met het toezicht op de toepassing van internationale verdragen welke voorzien in de bescherming van vluchtelingen en is erkend dat de doeltreffende coördinatie van de maatregelen welke worden genomen om dit vraagstuk op te lossen, zal afhangen van de samenwerking van de staten met de UNHCR.

6        Artikel 35, lid 1, van dit verdrag luidt als volgt:

„De Verdragsluitende Staten verbinden zich om met [de UNHCR], of elke andere organisatie van de Verenigde Naties die [hem] mocht opvolgen, samen te werken in de uitoefening van zijn functie en [zij] zullen in het bijzonder zijn taak om toe te zien op de toepassing van de bepalingen van dit Verdrag vergemakkelijken.”

 Unierecht

 Verordening

7        Punt 12 van de considerans van de verordening preciseert dat wat de behandeling van personen betreft die onder deze verordening vallen, de lidstaten zijn gebonden aan hun verplichtingen op grond van instrumenten van internationaal recht waarbij zij partij zijn.

8        Artikel 2 van de verordening bepaalt onder meer:

„Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

[...]

c)      ‚asielverzoek’: een verzoek van een onderdaan van een derde land dat kan worden opgevat als een verzoek om verlening van internationale bescherming door een lidstaat krachtens het Verdrag van Genève. Elk verzoek om internationale bescherming wordt als een asielverzoek beschouwd, tenzij de onderdaan van een derde land uitdrukkelijk vraagt om een andere vorm van bescherming waarvoor een afzonderlijk verzoek kan worden ingediend;

[...]”

9        In artikel 3, leden 1 en 2, van de verordening is bepaald:

„1.      De lidstaten behandelen elk asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van hen wordt ingediend, hetzij aan de grens hetzij op hun grondgebied. Een asielverzoek wordt door een enkele lidstaat behandeld, namelijk de lidstaat die volgens de in hoofdstuk III genoemde criteria verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek.

2.      In afwijking van lid 1 kan elke lidstaat een bij hem ingediend asielverzoek van een onderdaan van een derde land behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht. In dat geval wordt deze lidstaat de verantwoordelijke lidstaat in de zin van deze verordening en neemt hij de daaruit voortvloeiende verplichtingen op zich. [...]”

10      Ter bepaling van de „verantwoordelijke lidstaat” in de zin van artikel 3, lid 1, van de verordening bevatten de artikelen 6 tot en met 14 van hoofdstuk III van deze verordening een lijst van objectieve criteria, die in een bepaalde volgorde moeten worden getoetst.

11      Artikel 15 van de verordening, enig artikel van hoofdstuk IV ervan, met als opschrift „Humanitaire clausule”, bepaalt:

„1.      Iedere lidstaat kan, ook wanneer hij met toepassing van de in deze verordening vastgestelde criteria niet verantwoordelijk is voor de behandeling, gezinsleden en andere afhankelijke familieleden herenigen op humanitaire gronden, in het bijzonder op grond van familiebanden of op culturele gronden. [...]

2.      Wanneer de ene betrokkene afhankelijk is van de hulp van de andere wegens een zwangerschap, een pasgeboren kind, een ernstige ziekte, een zware handicap of hoge leeftijd, zorgen de lidstaten er normaliter voor dat de asielzoeker kan blijven bij of wordt herenigd met een familielid dat zich op het grondgebied van een van de lidstaten bevindt, op voorwaarde dat er in het land van herkomst familiebanden bestonden.

[...]”

12      Hoofdstuk V van de verordening, met als opschrift „Overname en terugname”, bevat onder meer artikel 16, waarvan het eerste lid luidt als volgt:

„De lidstaat die krachtens deze verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek, is verplicht:

[...]

c)      een asielzoeker wiens verzoek in behandeling is en die zich ophoudt in een andere lidstaat zonder daarvoor toestemming te hebben gekregen, volgens de in artikel 20 bepaalde voorwaarden terug te nemen;

[...]”

13      Artikel 20 van de verordening bepaalt:

„1.      De in artikel 4, lid 5, en artikel 16, lid 1, sub c, d en e, bedoelde terugname van asielzoekers geschiedt overeenkomstig de volgende bepalingen:

[...]

b)      De voor terugname aangezochte lidstaat is verplicht de gegevens te verifiëren en op het verzoek te antwoorden, en wel zo spoedig mogelijk en onder geen beding later dan één maand nadat het aan hem is voorgelegd. Wanneer het verzoek is gebaseerd op uit het Eurodac-systeem verkregen gegevens, wordt deze termijn teruggebracht tot twee weken.

c)      Indien de om terugname verzochte lidstaat niet reageert binnen de sub b genoemde termijn van één maand of twee weken, wordt hij geacht in te stemmen met terugname van de asielzoeker.

[...]”

 Richtlijn 2005/85/EG

14      Punt 29 van de considerans van richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus (PB L 326, blz. 13), preciseert dat deze richtlijn geen betrekking heeft op procedures die onder de verordening vallen.

15      Artikel 8, lid 2, van deze richtlijn bepaalt:

„De lidstaten zien erop toe dat de beslissingen van de beslissingsautoriteit zijn gebaseerd op een deugdelijk onderzoek. Daartoe zorgen de lidstaten ervoor dat:

[...]

b)      er nauwkeurige en actuele informatie wordt verzameld uit verschillende bronnen, zoals informatie van de UNHCR, over de algemene situatie in de landen van oorsprong van asielzoekers en, waar nodig, in de landen van doorreis, en dat het personeel dat de asielverzoeken behandelt en daarover beslist, over deze informatie kan beschikken;

[...]”

16      Artikel 21 van deze richtlijn, met als opschrift „De rol van de UNHCR”, bepaalt:

„1.      De lidstaten zorgen ervoor dat de UNHCR:

[...]

c)      bij de uitoefening van zijn toezichthoudende taak in het kader van artikel 35 van het Verdrag van Genève, in elke fase van de procedure aan de bevoegde autoriteiten zijn zienswijze kan geven in verband met individuele asielverzoeken.

[...]”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

17      Halaf is Iraaks onderdaan en heeft op 1 juni 2010 in Bulgarije een asielverzoek ingediend.

18      Aangezien uit een verificatie in het Eurodac-systeem bleek dat hij op 6 augustus 2008 in Griekenland reeds een asielverzoek had ingediend, heeft het DAB op 6 juli 2010 de Griekse autoriteiten verzocht hem overeenkomstig artikel 16, lid 1, sub c, van de verordening terug te nemen.

19      Daar niet binnen de in artikel 20, lid 1, sub b, tweede zin, van de verordening vastgestelde termijn van twee weken op dit verzoek was geantwoord, nam het DAB op basis van artikel 20, lid 1, sub c, van de verordening aan dat de Helleense Republiek met de terugname van Halaf had ingestemd.

20      Bij besluit van 21 juli 2010 heeft het DAB bijgevolg geweigerd om voor Halaf een procedure voor de toekenning van de vluchtelingenstatus in te leiden en heeft het toestemming gegeven voor zijn overdracht aan Griekenland.

21      Op 1 december 2010 heeft Halaf bij de verwijzende rechter beroep tot nietigverklaring ingesteld tegen dit besluit en hem verzocht het DAB te gelasten een procedure tot toekenning van de vluchtelingenstatus in te leiden. Tot staving van dit beroep heeft Halaf onder meer aangevoerd dat de UNHCR de Europese regeringen heeft opgeroepen asielzoekers niet langer naar Griekenland terug te sturen.

22      De verwijzende rechter vraagt zich af of artikel 3, lid 2, van de verordening in een dergelijke context kan worden toegepast indien rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat er in het geval van Halaf geen omstandigheden zijn die toepassing van artikel 15 van de verordening rechtvaardigen.

23      In die omstandigheden heeft de Administrativen sad Sofia-grad bij beslissing van 12 oktober 2011 de behandeling van de zaak geschorst en het Hof om een prejudiciële beslissing verzocht over zes vragen.

24      Bij brief van 21 december 2011 heeft de griffie van het Hof de verwijzende rechter het arrest van 21 december 2011, N. S. e.a. (C‑411/10 en C‑493/10, Jurispr. blz. I-13905), gezonden met het verzoek te laten weten of hij, gelet op dat arrest, zijn verzoek om een prejudiciële beslissing wenste te handhaven.

25      Bij beslissing van 24 januari 2012, ingekomen bij het Hof op 25 januari 2012, heeft de Administrativen sad Sofia-grad zijn eerste en derde vraag ingetrokken en enkel de volgende vier vragen gehandhaafd:

„1)      Moet artikel 3, lid 2, van [de] verordening [...] aldus worden uitgelegd dat dit toestaat dat een lidstaat de verantwoordelijkheid voor de behandeling van een asielverzoek overneemt, wanneer bij de asielzoeker geen sprake is van persoonlijke omstandigheden die de toepassing van de humanitaire clausule in artikel 15 van [de] verordening rechtvaardigen, en wanneer de krachtens artikel 3, lid 1, van de verordening verantwoordelijke lidstaat niet heeft geantwoord op het terugnameverzoek krachtens artikel 20, lid 1, van [de] verordening, in aanmerking genomen dat deze verordening geen bepalingen over de inachtneming van het solidariteitsbeginsel in artikel 80 VWEU bevat?

2)      Welke inhoud heeft het recht op asiel krachtens artikel 18 van het [Handvest] juncto artikel 53 van dit Handvest en de definitie in artikel 2, sub c, en punt 12 van de considerans van [de] verordening?

3)      Moet artikel 3, lid 2, van [de] verordening [...] juncto de krachtens artikel 78, lid 1, VWEU bestaande verplichting om volkenrechtelijke instrumenten op asielgebied in acht te nemen, aldus worden uitgelegd dat de lidstaten gehouden zijn om in procedures voor de bepaling van de krachtens de verordening verantwoordelijke lidstaat, de UNHCR om een zienswijze te verzoeken, wanneer in de documenten van deze instantie feiten en conclusies worden aangevoerd waaruit blijkt dat de krachtens artikel 3, lid 1, van [de] verordening [...] verantwoordelijke lidstaat Unierechtelijke asielvoorschriften schendt?

[4)]      Indien [deze derde] vraag bevestigend wordt beantwoord, [...] [wordt dan], wanneer niet om een dergelijke zienswijze van de UNHCR wordt gevraagd, [...] de procedure voor de bepaling van de krachtens artikel 3 van [de] verordening verantwoordelijke lidstaat wezenlijk geschonden en worden daardoor het recht op behoorlijk bestuur en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, neergelegd in de artikelen 41 en 47 van het [Handvest], geschonden, dit tevens rekening houdend met artikel 21 van richtlijn [2005/85], dat de UNHCR het recht toekent om een zienswijze te geven bij de behandeling van individuele asielverzoeken?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Ontvankelijkheid

26      De regering van het Verenigd Koninkrijk betoogt, zonder uitdrukkelijk een exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen, dat de prejudiciële vragen theoretisch zijn.

27      Zij is immers van mening dat uit het reeds aangehaalde arrest N. S. e.a. blijkt dat de overdracht van een asielzoeker naar Griekenland een reëel gevaar inhoudt dat artikel 4 van het Handvest wordt geschonden en dat de bevoegde Bulgaarse autoriteiten dus op basis van dit arrest thans in staat moeten zijn te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek.

28      In dit verband zij eraan herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van de zaak, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn beslissing te beoordelen als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van Unierecht, is het Hof dus in beginsel verplicht daarop te antwoorden (arresten van 10 maart 2009, Hartlauer, C‑169/07, Jurispr. blz. I‑1721, punt 24, en 19 juli 2012, Garkalns, C‑470/11, punt 17).

29      Daaruit volgt dat op de vragen betreffende het Unierecht een vermoeden van relevantie rust. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen over een prejudiciële vraag van een nationale rechter wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord op de gestelde vragen te geven (arresten van 1 juni 2010, Blanco Pérez en Chao Gómez, C‑570/07 en C‑571/07, Jurispr. blz. I‑4629, punt 36, en 5 juli 2012, Geistbeck, C‑509/10, punt 48).

30      Vastgesteld moet worden dat de verwijzende rechter om een prejudiciële beslissing heeft verzocht over vragen betreffende de uitlegging van Unierechtelijke voorschriften. Uit de enkele omstandigheid dat het Hof bepaalde van deze voorschriften reeds in het arrest N. S. e.a. heeft uitgelegd, volgt niet dat deze vragen voortaan theoretisch of hypothetisch zijn.

31      In deze omstandigheden blijkt niet duidelijk dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding. Het argument van de regering van het Verenigd Koninkrijk volstaat dus niet om het in punt 29 van het onderhavige arrest aangehaalde vermoeden van relevantie te weerleggen.

32      Bijgevolg dienen de door de verwijzende rechter gestelde vragen ontvankelijk te worden verklaard.

 Eerste vraag

33      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 2, van de verordening aldus moet worden uitgelegd dat een lidstaat die volgens de criteria van hoofdstuk III van de verordening niet verantwoordelijk is, op grond van die bepaling een asielverzoek kan behandelen ofschoon er geen omstandigheden zijn die de toepassing van de humanitaire clausule van artikel 15 van de verordening rechtvaardigen, gegeven het feit dat de krachtens voornoemde criteria verantwoordelijke lidstaat niet heeft geantwoord op een verzoek tot terugname van de betrokken asielzoeker.

34      In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat artikel 3, lid 1, van de verordening bepaalt dat een asielverzoek door een enkele lidstaat wordt behandeld, namelijk door de lidstaat die volgens de criteria van hoofdstuk III van de verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek.

35      Artikel 3, lid 2, van de verordening bepaalt echter uitdrukkelijk dat in afwijking van lid 1 van dat artikel elke lidstaat een bij hem ingediend asielverzoek van een onderdaan van een derde land kan behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

36      Uit de bewoordingen zelf van artikel 3, lid 2, van de verordening blijkt dus duidelijk dat aan de uitoefening van deze bevoegdheid geen bijzondere voorwaarden zijn verbonden.

37      Deze conclusie vindt overigens steun in de voorbereidende werkzaamheden voor de verordening. Het voorstel van de Commissie [COM(2001) 447 definitief] dat tot deze verordening heeft geleid, preciseert immers dat de in artikel 3, lid 2, van de verordening vervatte regel is ingevoerd opdat iedere lidstaat zelfstandig uit politieke, humanitaire of praktische overwegingen kan besluiten een asielverzoek te behandelen, ook al is deze lidstaat volgens de criteria van de verordening niet de verantwoordelijke lidstaat.

38      Gelet op de omvang van de beoordelingsruimte waarover elke lidstaat aldus beschikt, heeft het antwoord op de vraag of de krachtens de criteria van hoofdstuk III verantwoordelijke lidstaat al dan niet op een verzoek tot terugname van een asielzoeker heeft geantwoord, bijgevolg geen gevolgen voor de mogelijkheid voor een andere lidstaat om op basis van artikel 3, lid 2, van de verordening een asielverzoek te behandelen.

39      Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 3, lid 2, van de verordening aldus moet worden uitgelegd dat een lidstaat die volgens de criteria van hoofdstuk III van de verordening niet verantwoordelijk is, op grond van deze bepaling een asielverzoek kan behandelen, ook al zijn er geen omstandigheden die de toepassing van de humanitaire clausule van artikel 15 van de verordening rechtvaardigen. Hiervoor is niet vereist dat de krachtens deze criteria verantwoordelijke lidstaat niet heeft geantwoord op een verzoek tot terugname van de betrokken asielzoeker.

 Tweede vraag

40      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen welke inhoud het recht op asiel heeft krachtens artikel 18 van het Handvest gelezen in samenhang met artikel 53 ervan en met de definitie die is opgenomen in artikel 2, sub c, en punt 12 van de considerans van de verordening.

41      Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat deze tweede vraag is gebaseerd op de veronderstelling dat – ingeval de humanitaire clausule van artikel 15 van de verordening niet kan worden toegepast – een lidstaat een asielverzoek slechts op basis van artikel 3, lid 2, van de verordening kan behandelen indien is aangetoond dat de lidstaat die krachtens de criteria van hoofdstuk III van de verordening verantwoordelijk is, het door artikel 18 van het Handvest aan asielzoekers gewaarborgde recht niet eerbiedigt.

42      Aangezien uit het antwoord op de eerste vraag echter reeds blijkt dat er geen bijzondere voorwaarden zijn verbonden aan de uitoefening door de lidstaten van de in artikel 3, lid 2, van de verordening bedoelde bevoegdheid, behoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.

 Derde vraag

43      Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de lidstaat waarin de asielzoeker zich bevindt, bij het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat de UNHCR om een zienswijze moet verzoeken wanneer uit documenten van deze instantie blijkt dat de volgens de criteria van hoofdstuk III van de verordening verantwoordelijke lidstaat de Unierechtelijke asielvoorschriften schendt.

44      Vooraf dient in herinnering te worden gebracht dat de documenten van de UNHCR deel uitmaken van de instrumenten op grond waarvan de lidstaten een beoordeling kunnen maken van de werking van het asielstelsel in de lidstaat die volgens de criteria van hoofdstuk III van de verordening verantwoordelijk is, en kunnen inschatten welke risico’s een asielzoeker daadwerkelijk loopt indien hij aan deze lidstaat wordt overgedragen (zie in die zin arrest N. S. e.a., reeds aangehaald, punten 90 en 91). In het kader van deze beoordeling zijn deze documenten bijzonder relevant, gelet op de rol die het Verdrag van Genève, dat in acht moet worden genomen bij de uitlegging van de Unierechtelijke asielvoorschriften, aan de UNHCR toekent (zie in die zin arrest N. S. e.a., reeds aangehaald, punt 75, en arrest van 19 december 2012, Abed El Karem El Kott e.a., C‑364/11, punt 43).

45      Hoewel de artikelen 8, lid 2, sub b, en 21 van richtlijn 2005/85 voorzien in verschillende samenwerkingsvormen tussen de UNHCR en de lidstaten wanneer laatstgenoemden een asielverzoek behandelen, gelden deze regels, zoals punt 29 van de considerans van richtlijn 2005/85 preciseert, niet voor de door de verordening geregelde procedure om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is.

46      In dit verband moet worden gepreciseerd dat niets belet dat een lidstaat de UNHCR verzoekt zijn zienswijze te geven indien deze lidstaat dit gepast acht, met name in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding.

47      Gelet op een en ander moet op de derde vraag worden geantwoord dat de lidstaat waarin de asielzoeker zich bevindt, in de procedure om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is de UNHCR niet hoeft te verzoeken zijn zienswijze te geven wanneer uit documenten van deze instantie blijkt dat de volgens de criteria van hoofdstuk III van de verordening verantwoordelijke lidstaat de Unierechtelijke asielvoorschriften schendt.

 Vierde vraag

48      Gelet op het antwoord op de derde vraag behoeft de vierde vraag niet te worden beantwoord.

 Kosten

49      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 3, lid 2, van verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend, moet aldus worden uitgelegd dat een lidstaat die volgens de criteria van hoofdstuk III van deze verordening niet verantwoordelijk is, op grond van deze bepaling een asielverzoek kan behandelen, ook al zijn er geen omstandigheden die de toepassing van de humanitaire clausule van artikel 15 van deze verordening rechtvaardigen. Hiervoor is niet vereist dat de krachtens deze criteria verantwoordelijke lidstaat niet heeft geantwoord op een verzoek tot terugname van de betrokken asielzoeker.

2)      De lidstaat waarin de asielzoeker zich bevindt, hoeft in de procedure om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen niet te verzoeken zijn zienswijze te geven wanneer uit documenten van deze instantie blijkt dat de volgens de criteria van hoofdstuk III van verordening nr. 343/2003 verantwoordelijke lidstaat de Unierechtelijke asielvoorschriften schendt.

ondertekeningen


* Procestaal: Bulgaars.