Language of document : ECLI:EU:C:2013:494

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

P. CRUZ VILLALÓN

van 18 juli 2013(1)

Zaak C‑218/12

Lokman Emrek

tegen

Vlado Sabranovic

[verzoek van het Landgericht Saarbrücken (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]

„Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Rechterlijke bevoegdheid in burgerlijke en handelszaken – Verordening (EG) nr. 44/2001 – Consumentenovereenkomsten – Artikel 15, lid 1, sub c – Op een andere lidstaat gerichte activiteit – Vereiste van causaal verband met de activiteiten van de ondernemer die zijn gericht op de lidstaat waar de consument woonplaats heeft – Gekwalificeerde aanwijzing – Agglomeratie”





1.        Na de arresten van het Hof, eerst in de zaak Pammer en Hotel Alpenhof(2) en later in de zaak Mühlleitner(3), leidt artikel 15, lid 1, sub c, van verordening (EG) nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken(4) nog steeds tot uitleggingsvragen. In het bijzonder wordt het Hof opnieuw gevraagd om uitsluitsel over de draagwijdte van de voorwaarde dat de ondernemer zijn activiteiten moet richten op de staat waar de consument woonplaats heeft om de bijzondere bevoegdheidsregel voor consumentenovereenkomsten te activeren. In casu wenst het Landgericht Saarbrücken te vernemen of dit aanknopingscriterium, als bijkomende en ongeschreven voorwaarde, vereist dat er een causaal verband bestaat tussen de op de lidstaat van woonplaats van de consument „gerichte” activiteit en de beslissing van deze laatste om de overeenkomst te sluiten.

2.        Het Landgericht Saarbrücken wenst tevens te vernemen of artikel 15, lid 1, sub c, van verordening nr. 44/2001 vereist dat de consumentenovereenkomst op afstand is gesloten. Deze vraag is echter een paar maanden na de indiening van het onderhavige prejudiciële verzoek beantwoord, en wel in het arrest Mühlleitner. Ik zal daarom uitsluitend de vraag betreffende het vereiste van het causaal verband behandelen.

I –    Toepasselijke bepalingen

3.        Artikel 15, lid 1, sub c, van verordening nr. 44/2001 voorziet in een bijzondere bevoegdheid voor consumentenovereenkomsten, die een afwijking inhoudt van de algemene bevoegdheid van het gerecht van de woonplaats van de verweerder wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

„1.      Voor overeenkomsten gesloten door een persoon, de consument, voor een gebruik dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd, wordt de bevoegdheid geregeld door deze afdeling, onverminderd artikel 4 en artikel 5, punt 5, wanneer:

[...]

c)      in alle andere gevallen, de overeenkomst is gesloten met een persoon die commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit in de lidstaat waar de consument woonplaats heeft, of dergelijke activiteiten met ongeacht welke middelen richt op die lidstaat, of op meerdere staten met inbegrip van die lidstaat, en de overeenkomst onder die activiteiten valt.

[...]”

II – Feiten en procesverloop voor de nationale rechter

4.        Sabranovic, verweerder in het hoofdgeding, exploiteert in de gemeente Spicheren (Frankrijk) een handel in tweedehands auto’s onder de handelsnaam „Vlado Automobiles Import-Export”. Blijkens het dossier maakte hij ten tijde van de feiten van het onderhavige geding gebruik van een website waarop het adres van zijn bedrijf was vermeld, met daarbij de telefoonnummers waarop hij bereikbaar was, zowel van zijn vaste lijn als van zijn fax en mobiele telefoons. Alle nummers hadden het Franse internationale kengetal, met uitzondering van een Duits mobiel telefoonnummer, dat met het Duitse internationale kengetal stond vermeld.

5.        Emrek, verzoeker in het hoofdgeding, was ten tijde van de feiten woonachtig in Saarbrücken (Duitsland). Op 13 september 2010 sloot hij met Sabranovic een koopovereenkomst voor een tweedehands auto, waarvoor hij zich bij verweerders bedrijf vervoegde nadat hij, naar hij verklaarde, niet via de website maar via kennissen van het bestaan van dat bedrijf op de hoogte was geraakt.

6.        Nadien heeft Emrek bij het Amtsgericht Saarbrücken een vordering tegen Sabranovic ingesteld, strekkende tot nakoming van de in de koopovereenkomst van het voertuig opgenomen garantieverplichting. Het Amtsgericht verklaarde de vordering niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van zijn internationale bevoegdheid, waartoe het in aanmerking nam dat Sabranovic zijn beroepsactiviteit niet in de zin van artikel 15, lid 1, sub c, van verordening nr. 44/2001 op de woonstaat van de consument, dit wil zeggen Duitsland, had gericht.

7.        In het kader van het tegen de beslissing van het Amtsgericht Saarbrücken aanhangig gemaakte hoger beroep heeft het Landgericht Saarbrücken de behandeling van de zaak geschorst en een prejudicieel verzoek ingediend bij het Hof.

III – Prejudicieel verzoek en procesverloop voor het Hof

8.        Het prejudiciële verzoek van het Landgericht Saarbrücken is op 10 mei 2012 ingekomen ter griffie van het Hof en omvat de volgende vragen:

„1)      Wanneer de website van een ondernemer voldoet aan de voorwaarde van het ‚gericht’ zijn, is dan voor de toepassing van artikel 15, lid 1, sub c, van de EG-executieverordening als verdere, ongeschreven voorwaarde vereist dat de consument door de website van de ondernemer is aangezet tot het sluiten van de overeenkomst, dus dat er een causaal verband bestaat tussen de website en het sluiten van de overeenkomst?

2)      Indien de voorwaarde van het ‚gericht’ zijn in causaal verband moet staan tot het sluiten van de overeenkomst, is dan voor de toepassing van artikel 15, lid 1, sub c, van de EG-executieverordening bovendien vereist dat de overeenkomst door middel van technieken voor verkoop op afstand is gesloten?”

9.        Partijen in het hoofdgeding, de regeringen van de Franse Republiek, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg alsmede de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.

10.      Ter terechtzitting van 25 april 2013 hebben de vertegenwoordiger van Emrek, de gemachtigden van het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg alsmede de gemachtigde van de Commissie hun standpunten mondeling toegelicht.

IV – Opmerking vooraf over het voorwerp van de onderhavige prejudiciële procedure

11.      Het Landgericht Saarbrücken wenst te vernemen of artikel 15, lid 1, sub c, van verordening nr. 44/2001 twee ongeschreven voorwaarden stelt voor de activering van de bij deze bepaling voorziene bijzondere bevoegdheid inzake consumentenovereenkomsten: de eerste betreffende een causaal verband tussen de op de woonstaat van de consument „gerichte” activiteit van de ondernemer en de beslissing van de consument om de overeenkomst te sluiten, de tweede – complementair aan de eerste – bestaande in het vereiste dat de overeenkomst op afstand is gesloten.

12.      De vraag betreffende de eerste voorwaarde (causaal verband) is niet eerder bij het Hof aan de orde geweest, de tweede (sluiting van de overeenkomst op afstand) echter wel. Op 6 september 2012, dus slechts enkele maanden nadat het onderhavige prejudiciële verzoek werd ingediend, heeft het Hof zich in het arrest Mühlleitner uitdrukkelijk uitgesproken over de voorwaarde dat de overeenkomst op afstand is gesloten. In dat arrest, waarin het Hof een als impliciet in het arrest Pammer en Hotel Alpenhof te onderkennen rechtspraak heeft bevestigd, verklaarde het dat het sluiten van een consumentenovereenkomst op afstand slechts een „aanwijzing [is] dat de overeenkomst verband houdt” met de op de staat van woonplaats van de consument gerichte commerciële of beroepsactiviteit van de ondernemer of dienstverrichter(5), en concludeerde dat artikel 15, lid 1, sub c, van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat „het niet verlangt dat de overeenkomst tussen de consument en de ondernemer op afstand is gesloten”.(6)

13.      De duidelijkheid waarmee het Hof zich in de zaak Mühlleitner heeft uitgesproken, naast de omstandigheid dat die prejudiciële procedure een verzoek betrof om verduidelijking van het arrest Pammer en Hotel Alpenhof ter zake van de voorwaarde betreffende de sluiting van de overeenkomst op afstand, rechtvaardigt ten volle dat ik mij in de onderhavige procedure beperk tot het onderzoek van de enige nieuwe vraag van het Landgericht Saarbrücken: het vereiste dat de op de woonstaat van de consument gerichte activiteit in causaal verband staat met de beslissing van de consument om de overeenkomst te sluiten.

V –    Analyse

14.      Met betrekking tot de eerste vraag, namelijk of de consument op zodanige wijze moet zijn „aangezet” dat er sprake is van een causaal verband tussen de commerciële activiteit en de beslissing om de overeenkomst te sluiten, hebben partijen in het hoofdgeding alsmede de regeringen van de interveniërende staten en de Commissie uiteenlopende standpunten verdedigd.

15.      Sabranovic en de Belgische en de Luxemburgse regering stellen dat de Duitse rechterlijke instanties in casu onbevoegd zijn, aangezien niet is voldaan aan de als inherent aan artikel 15, lid 1, sub c, van verordening nr. 44/2001 te beschouwen voorwaarde van het causaal verband. In grote lijnen menen zij dat zonder die voorwaarde de algemene regel van het gerecht van de woonplaats van de verweerder wordt omgekeerd en een onevenredige last wordt opgelegd aan ondernemers en dienstverrichters, die in elke lidstaat van de Unie zouden kunnen worden opgeroepen louter omdat zij een website hebben en een overeenkomst sluiten met een in een andere lidstaat woonachtige consument. Met name de Belgische en de Luxemburgse regering wijzen op de gevolgen van een al te consumentgerichte uitlegging voor het midden- en kleinbedrijf in lidstaten waar grensoverschrijdende handel aan de orde van de dag is.

16.      Emrek, hierin gesteund door de Franse regering en de Commissie, betwist daarentegen het bestaan van een dergelijke voorwaarde en betoogt dat de Duitse rechterlijke instanties bevoegd zijn. Zij voeren daartoe de in het arrest Pammer en Hotel Alpenhof geformuleerde indicatieve criteria aan, waardoor de rechter zich moet laten leiden voor zijn oordeel of een activiteit was gericht op de lidstaat waar de consument woonplaats heeft. Zowel in dit arrest als in het arrest Mühlleitner zou het Hof hebben gewezen op het belang van deze factoren als „aanwijzingen” dat de activiteit was gericht op de staat van de consument, maar in geen geval als voorwaarden waaraan dwingend moet zijn voldaan. Deze uitlegging zou berusten op de doelstelling van de artikelen 15 en 16 van verordening nr. 44/2001 en de ontstaansgeschiedenis ervan.

17.      Wanneer wij thans de rechtspraak ter zake bezien, moet er om te beginnen op worden gewezen dat het Hof zowel in het arrest Pammer en Hotel Alpenhof als in het arrest Mühlleitner heeft bevestigd dat het begrip „activiteit gericht op” de lidstaat van woonplaats van de consument autonoom moet worden uitgelegd en een bijkomende voorwaarde vormt naast de overige voorwaarden van artikel 15, lid 1, sub c, van verordening nr. 44/2001.(7) Op basis van een analyse van de bepaling in haar geheel, maar mede gelet op haar eerdere formuleringen alsmede op de ontstaansgeschiedenis, heeft het Hof verklaard dat het enige gedrag dat relevant is voor de activering van het bijzondere forum voor consumentenzaken het gedrag is van de verkoper of leverancier van de zaak of van de dienstverrichter.(8) Het gedrag van de consument, dat in de oude redactie van het inmiddels vervallen artikel 13 van het Executieverdrag in aanmerking werd genomen, heeft zijn prominente plaats volledig ingeruimd voor het gedrag van de ondernemer.(9)

18.      Voorts heeft het Hof zich ook uitgesproken tegen een uitsluitend op de subjectieve wil van de ondernemer gebaseerd uitleggingscriterium.(10) Zomin als het gedrag van de consument een doorslaggevend criterium is voor de bevoegdheid van het forum, zomin is dat in het geval van de ondernemer diens uiteindelijk beoogde doel. Het Hof heeft er aldus veeleer voor gekozen een niet-uitputtende reeks objectieve criteria te formuleren, die de rechter voldoende aanwijzingen kunnen verschaffen om tot het oordeel te komen dat een activiteit op de woonstaat van de consument was gericht.(11

19.      Hierbij moet worden aangetekend dat dit indicatieve criteria zijn en dat het aan de nationale rechter staat na te gaan welke de doelstellingen en gevolgen zijn van de commerciële strategie van de ondernemer of dienstverrichter.(12) Het Hof heeft tot dusver geen van deze criteria willen aanwijzen als doorslaggevende voorwaarde of criterium. Het heeft dit bevestigd met betrekking tot de op afstand gesloten overeenkomsten, die volgens het arrest Mühlleitner geen essentiële voorwaarde vormen voor activering van het bijzondere forum. Het Hof heeft echter ook uitgesloten dat de loutere toegankelijkheid tot het web een doorslaggevend criterium kan vormen voor een op een andere lidstaat gerichte activiteit. De loutere toegankelijkheid is op zich niet doorslaggevend; er dient te worden geoordeeld op basis van de inhoud zelf van de website en steeds in relatie met de overige criteria die de specifieke bestemming of bestemmingen van het commerciële of professionele aanbod kunnen objectiveren.(13

20.      Ten slotte – het moet op dit punt onder de aandacht worden gebracht – wordt zowel in verordening nr. 44/2001 als in de rechtspraak van het Hof de nadruk gelegd op het belang dat de aanknopingscriteria voor een bevoegd forum voorzienbaar zijn. Punt 11 van de considerans van de verordening beklemtoont dat „[d]e bevoegdheidsregels [...] in hoge mate voorspelbaar [moeten] zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder”, zodat wanneer van deze regel wordt afgeweken de desbetreffende criteria een hoge mate van rechtszekerheid moeten verschaffen, zoals het Hof herhaaldelijk heeft bevestigd.(14

21.      Wat nu de vraag betreft naar het bestaan van een vereiste van causaal verband tussen de op de woonstaat van de consument gerichte commerciële of beroepsactiviteit en de beslissing van de consument om de overeenkomst te sluiten, merk ik reeds thans op dat een dergelijk vereiste bij de huidige stand van het recht moeilijk valt af te leiden uit de bewoordingen van artikel 15, lid 1, sub c, van verordening nr. 44/2001 of uit de doelstellingen of de ontstaansgeschiedenis ervan.

22.      Met betrekking tot de bewoordingen van de bepaling heeft het Hof, zoals ik reeds heb uiteengezet, benadrukt dat moet worden beoordeeld of is voldaan aan de in artikel 15, lid 1, sub c, genoemde voorwaarden en of deze ook volstaan voor het activeren van de bijzondere bevoegdheidsregel. Toevoeging van een impliciete en aanvullende, bovendien op het gedrag van de consument gebaseerde voorwaarde zou een op een solide grondslag gestoelde uitleggingsarbeid vereisen. En zoals ik hierna zal uiteenzetten, zijn dergelijke criteria ook niet af te leiden uit de door de Uniewetgever nagestreefde doelstellingen.

23.      Artikel 15, lid 1, sub c, van verordening nr. 44/2001 beoogt geen omkering van de regel inzake het algemeen bevoegde forum van de woonplaats van de verweerder, maar herstel, op het vlak van de internationale rechterlijke bevoegdheid, van het evenwicht van een in beginsel onevenwichtige contractuele relatie.(15) Daartoe heeft de wetgever een op de uitsluitende voldoening van drie voorwaarden gebaseerde regel ingevoerd, die alle drie voor de ondernemer gelden (bestaan van een commerciële of beroepsactiviteit, op de woonstaat of woonstaten van de consument gerichte activiteit, in het kader van die activiteiten gesloten overeenkomst). Juist omdat het om limitatieve voorwaarden ging, moeten de criteria aan de hand waarvan moet worden vastgesteld of een activiteit op een andere staat is gericht, zijn gebaseerd op een combinatie van factoren die geen van alle op zich doorslaggevend zijn. Met andere woorden: de wetgever heeft de voorwaarden waaraan absoluut moet zijn voldaan voor de bevoegdheid van het forum, op strikte wijze opgesomd, maar vervolgens de rechterlijke instanties een zekere ruimte voor uitlegging gelaten, met name met betrekking tot de op internet geadverteerde activiteiten.

24.      Het voorgaande zou moeten volstaan om, met de Franse Republiek en de Commissie, te concluderen dat artikel 15, lid 1, sub c, van verordening nr. 44/2001 niet vereist dat is voldaan aan een „ongeschreven” voorwaarde betreffende het causaal verband tussen de activiteit en de beslissing van de consument om de overeenkomst te sluiten. Een dergelijke voorwaarde zou een ernstige onbalans teweegbrengen in een toch al precaire afweging van de Uniewetgever, naast een wijziging van de tot dusver door het Hof aan deze bepaling gegeven uitlegging.(16

25.      Bovendien zou een dergelijk causaliteitsvereiste, zoals de Commissie ter terechtzitting heeft benadrukt, bewijsproblemen opleveren. Wanneer het volstaat dat de consument stelt dat hij voor zijn beslissing om de overeenkomst te sluiten een website heeft geraadpleegd en een aansluitend telefoontje heeft gepleegd met het bedrijf, is dan de loutere verklaring van de consument toereikend of moet hij aantonen dat hij die raadpleging daadwerkelijk heeft verricht? In het eerste geval zou de bepaling van het forum in handen zijn van de consument, die slechts hoeft te stellen dat hij naar aanleiding van de activiteit van de handelaar tot zijn beslissing is gekomen om de overeenkomst te sluiten. In het tweede geval zou dat kunnen uitlopen op een probatio diabolica die het bijzondere forum van de artikelen 15 en 16 van verordening nr. 44/2001 volledig buitenspel zou zetten.(17)

26.      Een andere, maar met de vorige vraag verband houdende vraag is of dat causale verband irrelevant is – wat niet het geval is. Ook indien het causaal verband geen voorwaarde is, kan het immers wel als een aanwijzing dienen, die de rechter kan betrekken in zijn oordeel over de vraag of de activiteit daadwerkelijk op die staat is gericht. Het is bovendien, zoals ik hierna zal uiteenzetten, zelfs een gekwalificeerde aanwijzing, omdat het, wanneer het in het concrete geval kan worden vastgesteld, een doorslaggevend beoordelingselement is voor de toepasselijkheid van de bijzondere bevoegdheidsregel voor consumentenzaken.

27.      Wanneer daadwerkelijk sprake is geweest van een op een andere lidstaat gerichte activiteit, zal dat causaal verband normaliter aanwezig zijn, al zal het niet altijd even eenvoudig zijn het bewijs ervan te leveren. Het probleem in casu is dat ons als een vaststaand feit wordt gepresenteerd dat dat causaal verband, zoals wij reeds in de uiteenzetting van de feiten hebben gezien, er niet is geweest.

28.      Onder verwijzing, niet naar het causaal verband, maar naar de eventuele voorafgaande sluiting van een overeenkomst op afstand, heb ik in mijn recente conclusie in de zaak Mühlleitner uiteengezet dat „[d]e verwijzing naar de overeenkomst op afstand” – in het arrest Pammer en Hotel Alpenhof – „dient om het belang aan te geven dat er een voorafgaande en voorbereidende precontractuele activiteit via internet moet zijn geweest, die van haar kant is gebaseerd op een informatie die via internet is gericht op het ruimtelijke gebied waar de consument zijn woonplaats heeft”.(18

29.      Daarmee heb ik bovenal het potentiële belang willen benadrukken van de omstandigheid dat er „een voorafgaande en voorbereidende precontractuele activiteit” moet zijn geweest, die, hoewel zij niet als een noodzakelijke voorwaarde hoeft te gelden, doorgaans het gevolg is van „een informatie die via internet is gericht op het ruimtelijke gebied waar de consument zijn woonplaats heeft”. Tegelijkertijd wilde ik aangeven dat de via internet gerichte informatie aan de oorsprong ligt, zo niet van de overeenkomst, dan toch in ieder geval van een voorbereidende activiteit daarvan.

30.      Met andere woorden, ik bedoelde daarmee niet te zeggen dat een voorafgaande en voorbereidende precontractuele activiteit, evenmin als de voorafgaande sluiting van een overeenkomst, een aanvullende voorwaarde moest zijn voor de activering van het bijzondere forum, zomin als ik daarmee beweerde dat het bestaan van een causaal verband dat zou zijn. Het ging er mij om het bijzondere belang, en uiteindelijk de kracht, van dit soort aanwijzingen te laten uitkomen.

31.      Meer vanuit de praktijk bezien, zal een voorafgaande en voorbereidende precontractuele activiteit, zoals het eventuele bestaan van een gebleken causaal verband, zonder dat het tot een impliciete voorwaarde wordt naast die welke uitdrukkelijk zijn voorzien in artikel 15, lid 1, sub c, van verordening nr. 44/2001, in hoge mate de taak van de nationale rechter vergemakkelijken bij het beantwoorden van de vraag of een economische activiteit op een bepaalde lidstaat is gericht. En omgekeerd, maar als logisch gevolg, zal het ontbreken van deze omstandigheid in dezelfde mate de taak van de nationale rechter bemoeilijken, die het ontbreken van die omstandigheid in de regel zal moeten compenseren met het vinden van een of meer omstandigheden die er even duidelijk blijk van geven dat de activiteit op de betrokken lidstaat was gericht.

32.      Die doelstelling ligt overigens ook ten grondslag aan de gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de Commissie ter zake van de artikelen 15 en 73 van verordening nr. 44/2001. Zoals bekend spreekt deze verklaring zich niet uit over het causaal verband, maar wel over de betekenis die aan bepaalde aanwijzingen toekomt, zoals bijvoorbeeld het feit dat de overeenkomst op afstand is gesloten.(19) De vermelding hiervan dient slechts ter illustratie en sluit niet uit – veeleer het tegenovergestelde – dat er andere, zelfs bijzonder gekwalificeerde aanwijzingen voor de vaststelling van een op een andere lidstaat „gerichte” activiteit kunnen zijn.

33.      In deze zin wijst de feitelijke situatie in de onderhavige zaak mijns inziens op de aanwezigheid van een mogelijke omstandigheid die door haar duidelijkheid en mits op de juiste wijze gewaardeerd door de nationale rechter, zowel het ontbreken van een overeenkomst op afstand als van een voorafgaande voorbereidende activiteit alsmede het ogenschijnlijk ontbreken van een causaal verband tussen een specifieke commerciële strategie en het sluiten van de overeenkomst kan compenseren.

34.      Het bedrijf van Sabranovic blijkt namelijk gevestigd in een Franse gemeente die in een sterk met de stadskern van Saarbrücken verbonden agglomeratie is gelegen. Zoals de vertegenwoordiger van Emrek ter terechtzitting heeft bevestigd, wonen de inwoners van de gemeente Spicheren met die van de gemeente Saarbrücken samen in een nagenoeg gemeenschappelijke ruimte, waarin de stadsontwikkeling van beide gemeenten deze zozeer met elkaar heeft verweven dat er in sommige wijken sprake is van een niet door de grens tussen beide landen onderbroken continuïteit van het verstedelijkte gebied.

35.      In dergelijke omstandigheden kan het feit dat een ondernemer die in een van deze twee gemeenten goederen en/of diensten aanbiedt, juist door de plaats waar de activiteit is gelokaliseerd, gelijkstaan aan een aanbod dat onvermijdelijk op een andere lidstaat is gericht, namelijk de naburige lidstaat waarvan de gemeenten tot één groot stadsgebied behoren en aldus een agglomeratie vormen.(20) Hiermee bedoel ik dat soms, door de bijzondere omstandigheid dat twee lidstaten in één stedelijke ruimte in elkaar overvloeien, de activiteiten van alle marktdeelnemers vanzelfsprekend en spontaan niet alleen zijn gericht op de inwoners van de staat waar de ondernemer of dienstverrichter is gevestigd, maar ook op de inwoners van de aangrenzende staat. In een ruimtelijk gebied waarin men zich praktisch niet meer realiseert dat men een grens passeert, kan moeilijk worden gesteld dat de activiteit van de handelaren in dat gebied niet op het in de naburige lidstaat gelegen deel van de agglomeratie is gericht.

36.      Die conclusie brengt ook geen bovenmatige last mee voor de ondernemer of dienstverrichter. Het gaat immers om een marktdeelnemer die zich binnen een stedelijke ruimte beweegt, al wordt die dan gevormd door twee lidstaten. Naar alle waarschijnlijkheid spreekt hij de taal van de buurstaat, wanneer daar althans een andere taal wordt gesproken. In de onderhavige zaak wordt in beide lidstaten inderdaad een verschillende taal gesproken, maar dat is blijkens het dossier kennelijk geen sta-in-de-weg voor Sabranovic om zijn klanten op zijn website een Duits mobiel telefoonnummer aan te bieden, hetgeen erop duidt dat hij Duits spreekt met Duitstalige klanten, van wie het merendeel vermoedelijk in Saarbrücken woont.

37.      In het geval van een agglomeratie zoals die in casu mogelijk aan de orde is, komt het risico dat de ondernemer of dienstverrichter voor de rechterlijke instanties van de aangrenzende staat wordt gedaagd mij ook niet als een onevenredige last voor die een commerciële activiteit als die van Sabranovic ontmoedigt. Bovendien kan in de bijzondere bevoegdheidsregel van de artikelen 15 en 16 van verordening nr. 44/2001 een stimulans worden gezien voor de consumenten van een gemeente om overeenkomsten te sluiten met handelaren in de stedelijke omgeving, aangezien zij daarbij de zekerheid hebben te kunnen kiezen tussen de in artikel 16 van verordening nr. 44/2001 genoemde fora.

38.      Ten slotte zal het forum dat uit een situatie als hier beschreven voortvloeit, bepaald niet onvoorzienbaar hoeven te zijn voor de ondernemer. Zoals ik eerder zei, moet de ondernemer die zijn activiteiten ontplooit in een ruimte die op een bijzondere wijze is geïntegreerd in een door twee lidstaten gevormd geheel, zich er volledig van bewust zijn dat een belangrijk deel, zelfs het merendeel, van zijn klanten woonachtig kan zijn in de aangrenzende lidstaat.

39.      Samenvattend meen ik derhalve dat artikel 15, lid 1, sub c, van verordening nr. 44/20011 aldus moet worden uitgelegd dat het geen causaal verband vereist tussen de op de woonstaat van de consument gerichte commerciële of beroepsactiviteit en de beslissing van die consument om de overeenkomst te sluiten.

40.      Het causaal verband vormt echter wel een gekwalificeerde aanwijzing bij de beantwoording van de vraag of de ondernemersactiviteit op een bepaalde lidstaat is gericht. Voor de vaststelling dat de ondernemersactiviteit op een andere lidstaat is gericht, moet de gebleken afwezigheid van een gekwalificeerde aanwijzing zoals het causaal verband, in de regel worden gecompenseerd door de aanwezigheid van een of meer andere aanwijzingen met vergelijkbare zeggingskracht.

41.      Tot slot is bij de uitlegging van artikel 15, lid 1, sub c, van verordening nr. 44/2001 mijns inziens de omstandigheid relevant, dat een commerciële of beroepsactiviteit wordt ontplooid in een agglomeratie, een punt dat de nationale rechter nader zal moeten bezien. Deze ruimtelijke context kan worden gezien als een gekwalificeerde aanwijzing, dat een activiteit op een bepaalde lidstaat is gericht.

VI – Conclusie

42.      Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de door het Landgericht Saarbrücken voorgelegde prejudiciële vraag als volgt te beantwoorden:

„1)      Artikel 15, lid 1, sub c, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet aldus worden uitgelegd dat het niet als impliciete en bijkomende voorwaarde, naast de uitdrukkelijk in deze bepaling voorziene voorwaarden, vereist dat er een causaal verband bestaat tussen de op de lidstaat van woonplaats van de consument gerichte commerciële of beroepsactiviteit en de beslissing van de consument om de overeenkomst te sluiten. Het causaal verband vormt echter wel een gekwalificeerde aanwijzing bij de beantwoording van de vraag of de ondernemersactiviteit op een bepaalde lidstaat is gericht.

2)      Voor de vaststelling dat de ondernemersactiviteit op een andere lidstaat is gericht, moet de gebleken afwezigheid van een gekwalificeerde aanwijzing zoals het causaal verband, in de regel worden gecompenseerd door de aanwezigheid van een of meer andere aanwijzingen met vergelijkbare zeggingskracht. Is er sprake van een agglomeratie, hetgeen de nationale rechter zal moeten vaststellen, dan kan daarin een gekwalificeerde aanwijzing worden gezien, dat een activiteit op een bepaalde lidstaat is gericht.”


1 – Oorspronkelijke taal: Spaans.


2 – Arrest van 7 december 2010, Pammer en Hotel Alpenhof (C‑585/08 en C‑144/09, Jurispr. blz. I‑12527).


3 – Arrest van 6 september 2012, Mühlleitner (C‑190/11).


4 – Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 (PB 2001, L 12, blz. 1).


5 – Arrest Mühlleitner, reeds aangehaald, punt 44.


6 –      Ibid., punt 45.


7 – Reeds aangehaalde arresten Pammer en Hotel Alpenhof (punt 55), en Mühlleitner (punt 28).


8 – Reeds aangehaalde arresten Pammer en Hotel Alpenhof (punt 60), en Mühlleitner (punt 39).


9 – Reeds aangehaalde arresten Pammer en Hotel Alpenhof (punt 56), en Mühlleitner (punt 38).


10 – Arrest Pammer en Hotel Alpenhof, reeds aangehaald, punt 80.


11 – Arrest Pammer en Hotel Alpenhof, reeds aangehaald, punten 81‑93.


12 –      Ibid.


13 – Reeds aangehaalde arresten Pammer en Hotel Alpenhof (punten 75 en 76), en Mühlleitner (punt 44).


14 – Zie onder meer arresten van 12 mei 2011, BVG (C‑144/10, Jurispr. blz. I‑3961, punt 33), en 25 oktober 2011, e-Date en Martinez en Martinez (C‑509/09 en C‑161/10, Jurispr. blz. I-10269, punt 50).


15 – Zie in dit verband Magnus, U. en Mankowski, P., European Commentaries on Private International Law, Brussels I Regulation, 2e druk., Sellier, München, 2012, blz. 546 e.v.; De Clavière, B., „Confirmation de la protection du consommateur actif par les règles de compétence spéciales issues du règlement 44/2001”, Revue Lamy droit des affaires, 2012, nr. 77, blz. 48 e.v.; De Miguel Asensio, P., Derecho Privado de Internet, Ed. Civitas (Thomson Reuters), Madrid, 4e druk, 2011, blz. 963 e.v.; Tassone, S., „Il regolamento Bruxelles I e l'interpretazione del suo ambito di applicazione: un altro passo della Corte di giustizia sul cammino della tutela dei diritti del consumatore”, Giurisprudenza di merito, 2013, blz. 104 e.v., en Brkan, M., „Arrêt Mühlleitner: vers une protection renforcée des consommateurs dans l'U.E.”, Revue européenne de droit de la consommation, 2013, blz. 113 e.v.


16 – Tot deze vaststelling komen ook Virgós Soriano, M. en Garcimartín, F., Derecho Procesal Civil Internacional. Litigación internacional, Civitas, 2e druk, 2007, blz. 171. Advocaat-generaal Darmon kwam met betrekking tot artikel 13 van het Executieverdrag tot dezelfde conclusie, zij het in een geval waarin het verspreidingsmedium niet het internet maar een traditionele reclamedrager was. Zie zijn conclusie in de zaak Shearson Lehman Hutton (C‑89/91, arrest van 19 januari 1993, Jurispr. blz. I‑139, punten 82‑85).


17 – Zie over de bewijsproblemen van de aanvullende ongeschreven voorwaarde van het causaal verband, Leible, S. en Müller, M., „Keine internationale Zuständigkeit deutscher Gerichte bei Maklertätigkeit eines griechischen Rechtsanwalts”, EuZW 2009, blz. 29.


18 – Conclusie in de zaak Mühlleitner, punt 38.


19 – De Franse versie van de verklaring verwijst naar deze omstandigheid als een noodzakelijke voorwaarde („encore faut-il que ce site Internet invite à la conclusion de contrats à distance et qu’un contrat ait effectivement été conclu à distance”, cursivering van mij), terwijl de Engelse het louter als een in aanmerking te nemen gegeven behandelt („although a factor will be that this Internet site solicits the conclusion of distance contracts and that a contract has actually been concluded at a distance, cursivering van mij). De Belgische regering heeft er bij het Hof op aangedrongen de Franse versie te volgen, waaraan zij verschillende gevolgen verbindt, zowel met betrekking tot de voorwaarde van een causaal verband als tot de voorwaarde dat de overeenkomst op afstand is gesloten. Zoals ik echter in mijn conclusie in de zaak Mühlleitner heb uiteengezet, moet de gemeenschappelijke verklaring mijns inziens, althans op dit specifieke punt, als niet beslissend worden beschouwd, ook al verwijst verordening (EG) nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst er uitdrukkelijk naar. Het Hof lijkt tot dezelfde conclusie te zijn gekomen in het arrest Mühlleitner, aangezien het dit punt van de gemeenschappelijke verklaring bij de uitlegging van artikel 15, lid 1, sub c, van verordening nr. 44/2001 buiten beschouwing heeft gelaten.


20 – F. Zoido e.a., Diccionario de Urbanismo. Geografía Urbana y Ordenación del Territorio, Cátedra, 2013, blz. 37 en 106.