Language of document : ECLI:EU:C:2013:493

ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)

18 juli 2013 (*)

„Landbouw – Stelsel van invoercertificaten – Verordening (EG) nr. 1291/2000 – Artikel 35, lid 4, sub c – Zekerheden gesteld bij aanvraag van certificaten – Invoercertificaat – Te late overlegging van bewijs van gebruik – Sanctie – Berekening verbeurd bedrag – Verordening (EG) nr. 958/2003 – Tariefcontingenten”

In zaak C‑211/12,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Corte d’appello di Roma (Italië) bij beslissing van 26 maart 2012, ingekomen bij het Hof op 3 mei 2012, in de procedure

Martini SpA

tegen

Ministero delle Attività produttive,

wijst

HET HOF (Negende kamer),

samengesteld als volgt: J. Malenovský, kamerpresident, U. Lõhmus (rapporteur) en A. Prechal, rechters,

advocaat-generaal: N. Wahl,

griffier: A. Impellizzeri, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 21 maart 2013,

gelet op de opmerkingen van:

–        Martini SpA, vertegenwoordigd door F. Capelli en M. Valcada, avvocati,

–        de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door F. Varrone, avvocato dello Stato,

–        de Griekse regering, vertegenwoordigd door X. A. Basakou als gemachtigde,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Rossi en B.‑R. Killmann als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 35 van verordening (EG) nr. 1291/2000 van de Commissie van 9 juni 2000 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer‑ en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten (PB L 152, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 325/2003 van de Commissie van 20 februari 2003 (PB L 47, blz. 21; hierna: „verordening nr. 1291/2000”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Martini SpA (hierna: „Martini”) en het Ministero delle Attività produttive (hierna: „Ministero”) over het bedrag van de sanctie voor een te late overlegging van het bewijs van gebruik van een invoercertificaat.

 Toepasselijke bepalingen

 Verordening nr. 1291/2000

3        Verordening nr. 1291/2000 is ingetrokken en vervangen door verordening (EG) nr. 376/2008 van de Commissie van 23 april 2008 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer‑ en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten (PB L 114, blz. 3). Gelet op het tijdstip waarop de feiten in het hoofdgeding hebben plaatsgevonden, blijft het onderhavige geschil evenwel aan verordening nr. 1291/2000 onderworpen. De punten 10 en 12 van de considerans daarvan luidden:

„(10) In de communautaire verordeningen waarbij de [invoer-, uitvoer‑ en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten] zijn ingesteld, is bepaald dat deze certificaten slechts worden afgegeven indien een zekerheid wordt gesteld als garantie dat de verplichting tot in‑ of uitvoer tijdens de geldigheidsduur van het certificaat zal worden nagekomen. Bepaald dient te worden op welk tijdstip de verplichting tot in‑ of uitvoer is nagekomen.

[...]

(12)      Invoercertificaten worden soms gebruikt voor het beheer van kwantitatieve invoerregelingen. Dat beheer is slechts mogelijk indien binnen een betrekkelijk korte termijn bekend is welke invoer op basis van de afgegeven certificaten heeft plaatsgevonden. Het bewijs van het gebruik van de certificaten wordt dan niet in het kader van een goed administratief beheer gevraagd, maar speelt een essentiële rol in het beheer van deze kwantitatieve regelingen. Dit bewijs wordt geleverd door overlegging van exemplaar nr. 1 van het certificaat en, in voorkomend geval, door overlegging van de uittreksels. Het is mogelijk dit bewijs binnen een betrekkelijk korte termijn te leveren. Bijgevolg dient te worden voorzien in een dergelijke termijn, die van toepassing is in de gevallen waarin de communautaire voorschriften betreffende voor het beheer van kwantitatieve invoerregelingen gebruikte certificaten ernaar verwijzen.”

4        Artikel 35 van deze verordening bevat de regels voor de wijze van vrijgave van de zekerheden en bepaalt onder meer de voorwaarden waaronder de zekerheid wordt verbeurd en het te verbeuren aandeel ervan. Lid 2 van dit artikel luidde:

„Onverminderd de artikelen 40, 41 en 49 wordt, wanneer de verplichting tot invoer, onderscheidenlijk tot uitvoer, niet is nagekomen, de zekerheid verbeurd voor een hoeveelheid die gelijk is aan het verschil tussen:

a)      95 % van de in het certificaat vermelde hoeveelheid, en

b)      de daadwerkelijk ingevoerde, respectievelijk uitgevoerde, hoeveelheid.

Wanneer het certificaat per dier is afgegeven, wordt de uitkomst van de berekening van het bovenbedoelde percentage van 95 % in voorkomend geval afgerond op het naaste lagere gehele getal aan dieren.

Indien evenwel de in‑ of uitgevoerde hoeveelheid minder dan 5 % van de in het certificaat vermelde hoeveelheid bedraagt, wordt de zekerheid volledig verbeurd.

[...]”

5        Lid 4 van artikel 35, over onder meer de gevolgen van te late overlegging van het bewijs van gebruik van het certificaat, luidde als volgt:

„a)      Het in artikel 33, lid 1, sub a en b, bedoelde bewijs van het gebruik van het certificaat moet, behoudens overmacht, binnen twee maanden na afloop van de geldigheidsduur van het certificaat worden geleverd.

[...]

b)      De verbeurd te verklaren zekerheid voor de hoeveelheden waarvoor het bewijs in verband met een uitvoercertificaat met vaststelling vooraf van de restitutie niet is geleverd binnen de sub a, eerste streepje, genoemde termijn, wordt, verminderd met [verschillende percentages afhankelijk van de vertraging bij de overlegging van het bewijs, berekend per maand na de na de laatste dag van de geldigheidsduur van het certificaat];

c)      In de andere dan de sub b bedoelde gevallen is de verbeurd te verklaren zekerheid voor de hoeveelheden waarvoor het bewijs niet is geleverd binnen de sub a genoemde termijn, maar wel uiterlijk in de vierentwintigste maand na de laatste dag van de geldigheidsduur van het certificaat, gelijk aan 15 % van het bedrag dat definitief zou zijn verbeurd indien de producten niet waren ingevoerd of uitgevoerd; indien voor een bepaald product certificaten zijn afgegeven waarin verschillende zekerheidstarieven zijn vastgesteld, wordt, om het bedrag te berekenen dat verbeurd dient te worden verklaard, het laagste tarief genomen dat bij in-, respectievelijk bij uitvoer gold.

[...]”

 Verordening (EG) nr. 1162/95

6        Artikel 10 van verordening (EG) nr. 1162/95 van de Commissie van 23 mei 1995 houdende bijzondere uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer‑ en uitvoercertificaten in de sector granen en rijst (PB L 117, blz. 2), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2333/2002 van de Commissie van 23 december 2002 (PB L 349, blz. 24; hierna: „verordening nr. 1162/95”) bepaalt:

„De zekerheid voor certificaten voor de in artikel 1 van verordening (EEG) nr. 1766/92 [van de Raad van 30 juni 1992 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (PB L 181, blz. 21)] bedoelde producten bedraagt:

a)      1 EUR per ton als het gaat om invoercertificaten waarvoor het bepaalde in artikel 10, lid 4, vierde streepje, van verordening (EEG) nr. 1766/92 niet van toepassing is [...]”.

 Verordening (EG) nr. 958/2003

7        Verordening (EG) nr. 958/2003 van de Commissie van 3 juni 2003 tot vaststelling van toepassingsbepalingen voor besluit 2003/286/EG van de Raad wat betreft de concessies in de vorm van communautaire tariefcontingenten voor bepaalde graanproducten van oorsprong uit de Republiek Bulgarije, en tot wijziging van verordening (EG) nr. 2809/2000 (PB L 136, blz. 3) is ingetrokken bij verordening (EG) nr. 1996/2006 van de Commissie van 22 december 2006 tot aanpassing van verscheidene verordeningen betreffende de graan‑ en de rijstmarkt in verband met de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie (PB L 398, blz. 1). Gelet op de datum van de feiten in het hoofdgeding blijft de onderhavige zaak echter onderworpen aan verordening nr. 958/2003.

8        Punt 6 van de considerans van verordening nr. 958/2003 luidde:

„Met het oog op een doeltreffend beheer van de contingenten moet de zekerheid voor de invoercertificaten, in afwijking van artikel 10 van verordening (EG) nr. 1162/95 [...], worden vastgesteld op een relatief hoog niveau.”

9        Artikel 1, lid 2, van deze verordening bepaalde:

„Bij invoer van maïs [...] van oorsprong uit de Republiek Bulgarije, waarvoor in het kader van het tariefcontingent [...] een nulrecht bij invoer geldt [...], moet een overeenkomstig onderhavige verordening afgegeven invoercertificaat worden overgelegd.”

10      Artikel 1 bis van die verordening bepaalde:

„Een marktdeelnemer mag slechts één enkele vraag voor een invoercertificaat per betrokken periode [...] indienen. Wanneer een marktdeelnemer meer dan één aanvraag indient, worden al zijn aanvragen afgewezen en worden de bij het indienen van de aanvragen gestelde zekerheden verbeurd ten gunste van de betrokken lidstaat.”

11      Artikel 8 van deze verordening bepaalde dat de „zekerheid met betrekking tot de in deze verordening bedoelde invoercertificaten [...] 30 EUR per ton” bedraagt.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

12      Martini was houder van een certificaat, afgegeven op 15 september 2003 door de bevoegde Italiaanse autoriteit, voor de invoer uit Bulgarije van 7 000 ton maïs tegen nulrecht. Krachtens artikel 8 van verordening nr. 958/2003 heeft deze vennootschap een zekerheid van 30 EUR per ton product gesteld als garantie voor haar invoerverplichtingen.

13      Afgezien van deze verplichtingen, waarvan de nakoming niet wordt betwist, was Martini gehouden uiterlijk twee maanden na de laatste dag van de geldigheidsduur van het certificaat het bewijs van gebruik van haar certificaat over te leggen voor de vrijgave van de zekerheid. Bij decreet van 17 februari 2004 heeft het Ministero een bedrag van 31 500 EUR, gelijk aan 15 % van deze zekerheid, verbeurd verklaard omdat Martini de gestelde termijn niet in acht had genomen.

14      Op 20 februari 2004 heeft Martini bezwaar gemaakt tegen dit decreet. Zij betwistte dat het bedrag van de daadwerkelijk gestelde zekerheid voor de betrokken invoer moest worden gebruikt als parameter voor de berekening van het te verbeuren bedrag. Zij stelt dat het te verbeuren bedrag voor te late overlegging van het bewijs van gebruik van het invoercertificaat overeenkomstig artikel 35, lid 4, sub c, van verordening nr. 1291/2000 niet moet worden berekend aan de hand van het zekerheidstarief van 30 EUR per ton ingevoerd product, het tarief voor de zekerheid die in casu is gesteld, maar aan de hand van het tarief van 1 EUR per ton, dat uit hoofde van artikel 10 van verordening nr. 1162/95 in het algemeen wordt toegepast op certificaten voor de invoer van maïs uit derde landen.

15      Op 8 maart 2004 heeft het Ministero het decreet bevestigd. Niettemin heeft het op voorstel van Martini het directoraat-generaal Landbouw van de Europese Commissie om een advies over de uitlegging van artikel 35, lid 4, sub c, van verordening nr. 1291/2000 verzocht. Uit het antwoord van de Commissie van 20 april 2004 blijkt dat het laatste onderdeel van deze bepaling enkel kan worden toegepast in geval van een tweede invoercertificaat met een ander zekerheidstarief dat kan worden gebruikt voor de invoer, tegen dezelfde voorwaarden, van het betrokken product. In het licht van dit antwoord heeft het Ministero de inhoud van zijn decreet bevestigd en de zekerheid verbeurd verklaard.

16      Bij brief van 21 mei 2004 heeft Martini het Ministero ervan in kennis gesteld dat zij voldeed aan de voorwaarden voor toepassing van de in artikel 35, lid 4, sub c, van verordening nr. 1291/2000 bedoelde derogatie, aangezien zij tevens houder was van een invoercertificaat voor dezelfde periode en hetzelfde type product afkomstig uit een ander derde land dan Bulgarije, waarvoor een zekerheid van 1 EUR per ton was vereist. Dientengevolge heeft zij het Ministero nogmaals verzocht, het verbeurd te verklaren bedrag te berekenen aan de hand van het normale zekerheidstarief dat op de betrokken markt wordt toegepast.

17      Het Ministero was niettemin van mening dat het andere certificaat niet voldeed aan de voorwaarden voor toepassing van de derogatie omdat het niet was afgegeven op grond van verordening nr. 958/2003 en geen betrekking had op de invoer van maïs uit Bulgarije. Derhalve heeft het Ministero op 22 juni 2004 zijn decreet nogmaals bevestigd.

18      Nadat het beroep dat Martini bij het Tribunale di Roma tegen dit decreet had ingesteld, bij vonnis van 14 januari 2008 was afgewezen, is zij in hoger beroep gegaan bij de Corte d’appello di Roma. Deze rechter was van oordeel dat de betrokken regels voor meerderlei uitleg vatbaar waren.

19      Daarop heeft de Corte d’appello di Roma de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Moet artikel 35 van verordening [...] nr. 1291/2000 [...] aldus worden uitgelegd dat de daarin neergelegde sanctie, te weten verbeurdverklaring van de gehele zekerheid die marktdeelnemers uit de Gemeenschap dienen te stellen als zij een invoer‑ of uitvoercertificaat hebben verkregen voor een product dat onder de gemeenschappelijke marktordening voor granen valt, in wezen ertoe strekt deze marktdeelnemers af te houden van niet-nakoming van een op hen rustende hoofdverplichting (zoals de daadwerkelijke in‑ of uitvoer van de in het certificaat bedoelde granen) met betrekking tot de transactie waarvoor zij het certificaat hebben verkregen en de bijbehorende zekerheid hebben gesteld?

2)      Moeten de bepalingen van artikel 35, lid 4, van verordening [...] nr. 1291/2000, voor zover zij de termijnen en de wijze van vrijgave vaststellen van de zekerheid die bij de afgifte van een invoercertificaat is gesteld, aldus worden uitgelegd dat de hoogte van de sanctie in geval van niet-nakoming van een bijkomende verplichting, met name te late overlegging van het bewijs van invoer (en dus te late indiening van het verzoek om vrijgave van de gestelde zekerheid), moet worden vastgesteld ongeacht het bedrag van de bijzondere zekerheid die geheel verbeurd moet worden verklaard in geval van niet-nakoming van een hoofdverplichting met betrekking tot dezelfde invoertransactie, maar aan de hand van de normale zekerheid die van toepassing is op de invoer van soortgelijke producten in de referentieperiode in het algemeen?

3)      Moet artikel 35, lid 4, sub c, van verordening [...] nr. 1291/2000 [...], waar het bepaalt dat ‚indien voor een bepaald product certificaten zijn afgegeven waarin verschillende zekerheidstarieven zijn vastgesteld, [...] om het bedrag te berekenen dat verbeurd dient te worden verklaard, het [laagste] tarief [wordt] genomen dat bij invoer [...] gold’, aldus worden uitgelegd dat de sanctie voor de overschrijding van de termijn voor de overlegging van het bewijs van invoer in de Europese Gemeenschap, ingeval een partij granen correct is ingevoerd door een marktdeelnemer uit de Gemeenschap, moet worden berekend aan de hand van het laagste tarief dat gold in de periode waarin het product is ingevoerd, ongeacht of aan de bijzondere voorwaarden inzake het invoerrecht is voldaan (zoals gesteld door Martini) dan wel enkel wanneer aan die bijzondere voorwaarden is voldaan (zoals gesteld door de Italiaanse Staat)?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste vraag

20      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 35 van verordening nr. 1291/2000 aldus moet worden uitgelegd dat de in die bepaling bedoelde zekerheid bedoeld is om te waarborgen dat de invoerverplichting wordt nagekomen.

21      In dat verband moet worden opgemerkt dat het – aldus punt 10 van de considerans van verordening nr. 1291/2000 – een van de doelstellingen van een dergelijke zekerheid is, te waarborgen dat de verplichting tot invoer van de betrokken producten tijdens de geldigheidsduur van het invoercertificaat wordt nagekomen.

22      Zoals blijkt uit de bewoordingen van artikel 35, lid 4, van deze verordening dient deze zekerheid er niettemin tevens toe, te waarborgen dat het bewijs van gebruik van het certificaat binnen een bepaalde termijn wordt overgelegd. Zoals bevestigd wordt door punt 12 van de considerans van deze verordening worden invoercertificaten soms gebruikt voor het beheer van kwantitatieve invoerregelingen, waarvoor binnen een betrekkelijk korte termijn bekend moet zijn welke invoer op basis van de afgegeven certificaten heeft plaatsgevonden. De in artikel 35 van verordening nr. 1291/2000 bedoelde zekerheid draagt dus ook bij tot de doelstelling van het beheer van de kwantitatieve invoerregelingen.

23      Op de eerste vraag moet derhalve worden geantwoord dat artikel 35 van verordening nr. 1291/2000 aldus moet worden uitgelegd dat de in deze bepaling bedoelde zekerheid er niet alleen toe dient om te waarborgen dat de invoerverplichting wordt nagekomen, maar ook om te waarborgen dat het bewijs van gebruik van het certificaat binnen een bepaalde termijn wordt overgelegd.

 Tweede en derde vraag

24      Met zijn tweede en zijn derde vraag, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 35, lid 4, sub c, van verordening nr. 1291/2000 aldus moet worden uitgelegd dat het te verbeuren bedrag in geval van te late overlegging van het bewijs van invoer voor de hoeveelheden waarvoor het bewijs niet binnen de in punt a van dat lid gestelde termijn is overgelegd, moet worden berekend aan de hand van een zekerheidstarief dat daadwerkelijk is toegepast bij de aanvraag van het certificaat of de certificaten voor deze invoertransactie. De verwijzende rechter vraagt zich af of bij een dergelijke uitlegging betekenis kan toekomen aan de omstandigheid dat de zekerheid voor het ingevoerde product is gesteld aan de hand van een hoger tarief dan van toepassing was op andere invoertransacties van hetzelfde type product, nu het ingevoerde product was vrijgesteld van invoerrechten.

25      Vooraf moet worden benadrukt dat de bewoordingen van artikel 35, lid 4, sub c, van verordening nr. 1291/2000 duidelijk aangeven dat de sanctie voor te late overlegging van het bewijs van invoer in het algemeen gelijk is aan 15 % van het bedrag van de gestelde zekerheid dat definitief zou zijn verbeurd indien de producten niet waren ingevoerd. Daaruit volgt dat deze sanctie in beginsel moet worden berekend aan de hand van het zekerheidstarief dat daadwerkelijk is toegepast bij de aanvraag van het invoercertificaat voor de invoertransactie waarvoor het bewijs niet binnen de gestelde termijn is overgelegd.

26      Artikel 35, lid 4, sub c, van verordening nr. 1291/2000 bepaalt in zijn laatste onderdeel echter ook dat, indien voor een bepaald product certificaten zijn afgegeven waarin verschillende zekerheidstarieven zijn vastgesteld, voor de berekening van het te verbeuren bedrag het laagste tarief wordt genomen dat bij invoer gold.

27      Van belang is dat deze certificaten tegelijkertijd van toepassing zijn op eenzelfde ingevoerde hoeveelheid. De bewoordingen van het laatste onderdeel van artikel 35, lid 4, sub c, van verordening nr. 1291/2000, inzonderheid de zinsnede „het laagste tarief [...] bij in[...]voer” sluiten uit dat voor de berekening van de sanctie die in die bepaling in het vooruitzicht wordt gesteld, een zekerheidstarief in aanmerking wordt genomen dat niet concreet van toepassing is op de betrokken invoertransactie (dat wil zeggen, is gebruikt voor een certificaat dat daadwerkelijk de ingevoerde hoeveelheden dekt), en dat ongeacht of een dergelijk zekerheidstarief kan worden gezien als een „normaal tarief” voor het betrokken type product.

28      Een dergelijke uitlegging vindt overigens steun in de omstandigheid dat de bijzondere regel in het laatste onderdeel van artikel 35, lid 4, sub c, van verordening nr. 1291/2000, zoals de Commissie heeft opgemerkt, kan worden verklaard doordat de ingevoerde hoeveelheden inwisselbaar zijn en het moeilijk is een bepaald certificaat met een bepaalde hoeveelheid in verband te brengen. Zonder deze bijzondere regel riskeert een bevoegde autoriteit voor een vertraging een sanctie op te leggen aan de hand van het hoogste in plaats van het laagste tarief bij hoeveelheden waarop certificaten met verschillende zekerheidstarieven van toepassing zijn.

29      Deze bijzondere regel vindt dus uitsluitend toepassing indien de importeur bij de bevoegde autoriteit tegelijkertijd verschillende certificaten inroept waarin verschillende zekerheidstarieven zijn vastgesteld voor het geheel van een handeling die betrekking heeft op hetzelfde product van dezelfde herkomst.

30      In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat meerdere certificaten waarin verschillende zekerheidstarieven zijn vastgesteld, van toepassing zijn op de invoer van een bepaald product in de zin van het laatste onderdeel van artikel 35, lid 4, sub c, van verordening nr. 1291/2000, indien de importeur bij de bevoegde autoriteit tegelijkertijd verschillende certificaten inroept waarin verschillende zekerheidstarieven zijn vastgesteld voor het geheel van een handeling die betrekking heeft op hetzelfde product van dezelfde herkomst en de bevoegde autoriteit concreet in staat is deze verschillende tarieven op een ingevoerde hoeveelheid toe te passen.

31      Met betrekking tot het hoofdgeding moet worden opgemerkt dat uit het dossier dat aan het Hof is overgelegd niet blijkt dat Martini verschillende certificaten heeft overgelegd waarin verschillende zekerheidstarieven voor de invoer van maïs uit Bulgarije waren vastgesteld, hetgeen ter beoordeling aan de verwijzende rechter staat. Mocht dit het geval zijn, dan is de bijzondere regel in het laatste onderdeel van artikel 35, lid 4, sub c, van verordening nr. 1291/2000 niet van toepassing op de omstandigheden van het hoofdgeding.

32      Zelfs indien deze bijzondere regel wel van toepassing is op de omstandigheden van het hoofdgeding, op grond dat de verwijzende rechter vaststelt dat Martini daadwerkelijk meerdere certificaten heeft overgelegd waarin verschillende zekerheidstarieven zijn vastgesteld voor de invoer van de maïs die in het hoofdgeding aan de orde is, dan ziet de zinsnede „laagste tarief [...] bij in[...]voer” in de zin van het laatste onderdeel van artikel 35, lid 4, sub c, van verordening nr. 1291/2000, in het licht van de algemene strekking van deze zinsnede, tevens op een situatie waarin het zekerheidstarief dat bij de afgifte van een certificaat tegen vol tarief is toegepast, lager is dan het toepasselijke tarief bij de afgifte van een certificaat tegen nultarief in het kader van een preferentiële regeling, zoals de regeling die bij verordening nr. 958/2003 is ingesteld.

33      Gelet op het voorgaande moet op de tweede en de derde vraag worden geantwoord dat artikel 35, lid 4, sub c, van verordening nr. 1291/2000 aldus moet worden uitgelegd dat het te verbeuren bedrag in geval van te late overlegging van het bewijs van invoer voor de hoeveelheden waarvoor het bewijs niet binnen de in artikel 35, lid 4, sub a, van deze verordening gestelde termijn is overgelegd, moet worden berekend aan de hand van een zekerheidstarief dat daadwerkelijk is toegepast bij de aanvraag van het certificaat of de certificaten voor deze invoertransactie. Voor deze uitlegging komt geen betekenis toe aan de omstandigheid dat de zekerheid voor het ingevoerde product is gesteld aan de hand van een hoger tarief dan van toepassing was op andere invoertransacties van hetzelfde type product, nu het ingevoerde product was vrijgesteld van invoerrechten.

 Kosten

34      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 35 van verordening (EG) nr. 1291/2000 van de Commissie van 9 juni 2000 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer‑ en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 325/2003 van de Commissie van 20 februari 2003, moet aldus worden uitgelegd dat de in deze bepaling bedoelde zekerheid er niet alleen toe dient om te waarborgen dat de invoerverplichting wordt nagekomen, maar ook om te waarborgen dat het bewijs van gebruik van het certificaat binnen een bepaalde termijn wordt overgelegd.

2)      Artikel 35, lid 4, sub c, van verordening nr. 1291/2000, zoals gewijzigd bij verordening nr. 325/2003, moet aldus worden uitgelegd dat het te verbeuren bedrag in geval van te late overlegging van het bewijs van invoer voor de hoeveelheden waarvoor het bewijs niet binnen de in artikel 35, lid 4, sub a, van deze verordening gestelde termijn is overgelegd, moet worden berekend aan de hand van een zekerheidstarief dat daadwerkelijk is toegepast bij de aanvraag van het certificaat of de certificaten voor deze invoertransactie. Voor deze uitlegging komt geen betekenis toe aan de omstandigheid dat de zekerheid voor het ingevoerde product is gesteld aan de hand van een hoger tarief dan van toepassing was op andere invoertransacties van hetzelfde type product, nu het ingevoerde product was vrijgesteld van invoerrechten.

ondertekeningen


* Procestaal: Italiaans.