Language of document : ECLI:EU:F:2011:179

BESCHIKKING VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
(Tweede kamer)

8 november 2011

Zaak F‑92/09 DEP

U

tegen

Europees Parlement

„Procedure – Begroting van kosten – Besluit tot afwijzing van klacht –Kortgedingprocedure”

Betreft: Verzoek om begroting van kosten krachtens artikel 92, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering.

Beslissing:      Het bedrag van de door de verzoekende partij bij het Parlement in te vorderen kosten wordt vastgesteld op 23 670 EUR, vermeerderd met vertragingsrente vanaf de dag van betekening van deze beschikking en tot de dag van betaling, tegen de rentevoet die de Europese Centrale Bank voor die periode voor de basisherfinancieringstransacties heeft vastgesteld, vermeerderd met twee punten.

Samenvatting

1.      Procedure – Kosten – Begroting – Invorderbare kosten – Begrip – Door partijen gemaakte noodzakelijke kosten

(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, art. 91, sub b)

2.      Procedure – Kosten – Begroting – In aanmerking te nemen factoren

(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, art. 91, sub b)

3.      Procedure – Kosten – Begroting – Invorderbare kosten – Door partijen gemaakte noodzakelijke kosten

(Art. 278 VWEU en 279 VWEU; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, art. 91, sub b)

4.      Procedure – Kosten – Begroting – Invorderbare kosten – Door partijen gemaakte noodzakelijke kosten

(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, art. 91, sub b; Ambtenarenstatuut, art. 91, lid 4)

5.      Procedure – Kosten – Begroting – Invorderbare kosten – Begrip – Kosten die partijen vóór instelling van beroep hebben gemaakt – Daarvan uitgesloten

(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, art. 91, sub b)

6.      Procedure – Invorderbare kosten – Kosten gemaakt in het kader van procedure voor begroting van kosten – Afdoening zonder beslissing

(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, art. 86 en 92)

7.      Procedure – Kosten – Begroting – Vertragingsrente

1.      Uit artikel 91, sub b, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken volgt dat alleen de kosten die enerzijds in verband met de procedure voor het Gerecht zijn gemaakt, en anderzijds daartoe noodzakelijk zijn, invorderbaar zijn. Het staat overigens aan de verzoeker om de stukken over te leggen op grond waarvan kan worden aangetoond dat de kosten waarvan hij vergoeding vordert, daadwerkelijk zijn gemaakt.

(cf. punt 37)

2.      Het is niet aan de Unierechter om de door de partijen aan hun eigen advocaten verschuldigde honoraria vast te stellen, maar om te bepalen tot welk bedrag die vergoedingen kunnen worden teruggevorderd van de partij die in de kosten is verwezen. De Unierechter behoeft bij zijn beslissing op een verzoek om begroting van de kosten geen rekening te houden met een nationaal tarief van advocatenhonoraria of met een eventuele overeenkomst dienaangaande tussen de belanghebbende partij en haar gemachtigden of raadslieden.

Aangezien een tariefregeling in het Unierecht ontbreekt, beoordeelt de rechter de gegevens van de zaak vrijelijk, daarbij rekening houdend met het voorwerp en de aard van het geschil, het belang ervan voor het Unierecht, de moeilijkheid van de zaak, de hoeveelheid werk die de gemachtigden of de raadslieden aan de contentieuze procedure kunnen hebben gehad en het economisch belang van het geschil voor de partijen.

(cf. punten 38 en 39)

3.      Het is toegestaan om de door partijen aan hun advocaten verschuldigde honoraria die betrekking hebben op de periode na de mondelinge behandeling, niet in aanmerking te nemen als invorderbare kosten. Dit geldt met name voor honoraria die betrekking hebben op de analyse van arresten en de voorbereiding van hogere voorzieningen. Uit artikel 278 VWEU en artikel 279 VWEU volgt echter dat een kortgedingprocedure tot doel heeft, een voorlopige situatie te regelen in het kader van een procedure ten gronde en in afwachting van een beslissing daarover. Bovendien vloeit de noodzaak om in de procedure ten gronde rekening te houden met de kosten van de analyse van een beschikking in kort geding voort uit het feit dat het niet om afzonderlijke en van elkaar losstaande procedures gaat, aangezien zij betrekking hebben op dezelfde zaak, zodat zij wezenlijke elementen gemeen hebben.

(cf. punt 46)

Referentie:

Gerecht van de Europese Unie: 31 maart 2011, Tetra Laval/Commissie, T‑5/02 DEP en T‑80/02 DEP, punt 77

4.       Een prestatie bestaande in de lezing van het besluit tot afwijzing van de klacht heeft, wat de invorderbare kosten betreft, a priori betrekking op de precontentieuze fase van de procedure ten gronde. Is de procedure voor het Gerecht voor ambtenarenzaken bij wijze van uitzondering echter ingeleid op basis van artikel 91, lid 4, van het Statuut, dat wil zeggen onmiddellijk na de indiening van de klacht en zonder het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag daarover af te wachten, dan is het voor de voortzetting van de procedure ten gronde noodzakelijk dat de verzoekende partij kennisneemt van dat in de loop van het geding genomen besluit en de gevolgen daarvan inschat.

(cf. punt 47)

5.      Advocaatkosten die betrekking hebben op periodes gedurende welke geen enkele proceshandeling is geregistreerd moeten eveneens worden uitgesloten als zijnde niet noodzakelijk voor de procedure.

(cf. punt 48)

Referentie:

Hof: 6 januari 2004, Mulder e.a./Raad en Commissie, C‑104/89 DEP, punt 47; Willeme/Commissie, reeds aangehaald, punt 37

Gerecht van de Europese Unie: 21 december 2010, Le Levant 015 e.a./Commissie, T‑34/02 DEP, punt 33

6.      Artikel 92 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken betreffende het geschil over de kosten bepaalt in tegenstelling tot artikel 86 van dat Reglement niet dat ten aanzien van de proceskosten wordt beslist in het arrest of de beschikking waardoor een einde aan het geding komt. Indien de Unierechter op grond van artikel 92 van het Reglement voor de procesvoering uitspraak deed over het geschil over de kosten van een hoofdprocedure en, afzonderlijk, over de nieuwe kosten die in het kader van dat geschil over de kosten zijn ontstaan, zou later immers eventueel een nieuw geschil over nieuwe kosten aanhangig kunnen worden gemaakt. Er behoeft dus niet afzonderlijk uitspraak te worden gedaan over de kosten en honoraria die voor de procedure inzake de begroting van kosten voor het Gerecht zijn gemaakt. Bij de vaststelling van de invorderbare kosten moet de Unierechter echter rekening houden met alle omstandigheden van de zaak tot het moment waarop de beschikking inzake de begroting van kosten wordt gegeven.

(cf. punten 63‑65)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: 26 april 2010, Schönberger/Parlement, F‑7/08 DEP, punten 45‑47

7.      Op grond van artikel 92 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken behoren het geschil over de verplichting om vertragingsrente te betalen over een verwijzing in de kosten door dat Gerecht en de vaststelling van de toepasselijke rentevoet, tot de uitsluitende bevoegdheid van het Gerecht.

(cf. punt 67)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: 10 november 2009, X/Parlement, F‑147/08 DEP, punt 35