Language of document : ECLI:EU:C:2013:597

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

26 september 2013 (*)

„Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Verordening (EG) nr. 44/2001 – Artikel 34, punten 3 en 4 – Erkenning van in een andere lidstaat gegeven beslissing – Situatie waarin die beslissing onverenigbaar is met andere beslissing die eerder in dezelfde lidstaat is gegeven tussen dezelfde partijen in geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust”

In zaak C‑157/12,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesgerichtshof (Duitsland) bij beslissing van 8 maart 2012, ingekomen bij het Hof op 30 maart 2012, in de procedure

Salzgitter Mannesmann Handel GmbH

tegen

SC Laminorul SA,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: L. Bay Larsen, kamerpresident, J. Malenovský, U. Lõhmus, M. Safjan (rapporteur) en A. Prechal, rechters,

advocaat-generaal: N. Wahl,

griffier: A. Impellizzeri, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 14 maart 2013,

gelet op de opmerkingen van:

–        Salzgitter Mannesmann Handel GmbH, vertegenwoordigd door C. von Carlowitz, O. Kranz, C. Müller en T. Rossbach, Rechtsanwälte,

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller, T. Henze en J. Kemper als gemachtigden,

–        de Spaanse regering, vertegenwoordigd door S. Centeno Huerta als gemachtigde,

–        de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door S. Varone, avvocato dello stato,

–        de Roemeense regering, vertegenwoordigd door R. Giurescu en A. Voicu als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door W. Bogensberger en A.‑M. Rouchaud-Joët als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 mei 2013,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing heeft betrekking op de uitlegging van artikel 34, punt 4, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Salzgitter Mannesmann Handel GmbH (hierna: „Salzgitter”) en SC Laminorul SA (hierna: „Laminorul”) betreffende een verzoek om een verklaring van uitvoerbaarheid in Duitsland van een beslissing van een Roemeense rechter waarbij Salzgitter is veroordeeld tot betaling van het bedrag van 188 330 EUR aan Laminorul.

 Toepasselijke bepalingen

 Verordening nr. 44/2001

3        De punten 2 en 15 tot en met 17 van de considerans van verordening nr. 44/2001 luiden als volgt:

(2)      Sommige verschillen in de nationale regels inzake de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning van beslissingen bemoeilijken de goede werking van de interne markt. Bepalingen die de eenvormigheid van de regels inzake jurisdictiegeschillen in burgerlijke en handelszaken mogelijk maken alsook de vereenvoudiging van de formaliteiten met het oog op een snelle en eenvoudige erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissingen van de lidstaten waarvoor deze verordening verbindend is, zijn onontbeerlijk.

[...]

(15)      Met het oog op een harmonische rechtsbedeling in de [Europese Unie] moeten parallel lopende processen zo veel mogelijk worden beperkt en moet worden voorkomen dat in twee lidstaten onverenigbare beslissingen worden gegeven. Er moet een duidelijke en afdoende regeling zijn om problemen op het gebied van aanhangigheid en samenhang op te lossen [...].

(16)      Op grond van het wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling is het gewettigd de in een lidstaat gegeven beslissingen van rechtswege te erkennen zonder dat daarvoor, behoudens bij betwisting, nog een procedure moet worden gevolgd.

(17)      Eveneens op grond van dit wederzijds vertrouwen moet de procedure om een in een lidstaat gegeven beslissing in een andere lidstaat uitvoerbaar te verklaren, doeltreffend en snel zijn. De verklaring van uitvoerbaarheid van een beslissing moet daarom vrijwel automatisch, zonder dat het gerecht ambtshalve een van de in deze verordening genoemde gronden voor niet-uitvoering kan aanvoeren, worden afgegeven, na een eenvoudige formele controle van de overgelegde documenten.”

4        Artikel 32 van deze verordening bepaalt:

„Onder beslissing in de zin van deze verordening wordt verstaan, elke door een gerecht van een lidstaat gegeven beslissing, ongeacht de daaraan gegeven benaming [...]”.

5        Artikel 33, lid 1, van deze verordening bevat de volgende bepaling:

„De in een verdragsluitende staat gegeven beslissingen worden in de overige verdragsluitende staten erkend zonder vorm van proces.”

6        In artikel 34, punten 3 en 4, van voormelde verordening wordt bepaald:

„Een beslissing wordt niet erkend indien:

[...]

3.      de beslissing onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen in de aangezochte lidstaat gegeven beslissing;

4.      de beslissing onverenigbaar is met een beslissing die vroeger in een andere lidstaat of in een derde land tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits deze laatste beslissing voldoet aan de voorwaarden voor erkenning in de aangezochte lidstaat.”

7        In artikel 38, lid 1, van verordening nr. 44/2001 is bepaald:

„De beslissingen die in een lidstaat gegeven zijn en daar uitvoerbaar zijn, kunnen in een andere lidstaat ten uitvoer worden gelegd, nadat zij aldaar, ten verzoeke van iedere belanghebbende partij, uitvoerbaar zijn verklaard.”

8        Artikel 41 van dezelfde verordening luidt als volgt:

„De beslissing wordt uitvoerbaar verklaard zodra de formaliteiten [...] vervuld zijn, zonder toetsing uit hoofde van de artikelen 34 en 35. De partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, wordt in deze stand van de procedure niet gehoord.”

9        Artikel 43 van die verordening bepaalt:

„1.      Elke partij kan een rechtsmiddel instellen tegen de beslissing op het verzoek om een verklaring van uitvoerbaarheid.

[...]

3.      Het rechtsmiddel wordt volgens de regels van de procedure op tegenspraak behandeld.

[...]”

10      Artikel 45 van deze verordening luidt als volgt:

„1.      De verklaring van uitvoerbaarheid wordt door het gerecht dat oordeelt over een rechtsmiddel, bedoeld in de artikelen 43 of 44, slechts op een van de in de artikelen 34 en 35 genoemde gronden geweigerd of ingetrokken. [...]

2.      In geen geval wordt overgegaan tot een onderzoek van de juistheid van de in den vreemde gegeven beslissing.”

11      Artikel 46, lid 1, van die verordening bepaalt:

„Het gerecht dat oordeelt over een rechtsmiddel, bedoeld in de artikelen 43 en 44, kan op verzoek van de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, zijn uitspraak aanhouden indien tegen de in den vreemde gegeven beslissing in de lidstaat van herkomst een gewoon rechtsmiddel is ingesteld of indien de termijn daarvoor nog niet is verstreken; in dit laatste geval kan het gerecht een termijn stellen waarbinnen het rechtsmiddel moet worden ingesteld.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

12      Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat Laminorul, gevestigd in Roemenië, voor het Tribunal Brăila (gerecht van eerste aanleg te Brăila, Roemenië) tegen Salzgitter, gevestigd in Duitsland, een vordering tot betaling wegens de levering van staalproducten heeft ingediend.

13      Salzgitter heeft aangevoerd dat deze vordering niet tegen haar had moeten worden gericht, maar tegen de daadwerkelijke contractpartij van Laminorul, te weten Salzgitter Mannesmann Stahlhandel GmbH (voorheen genaamd Salzgitter Stahlhandel GmbH). Op deze grond heeft het Tribunal Brăila de vordering van Laminorul bij in gewijsde gegane beslissing van 31 januari 2008 (hierna: „eerste beslissing”) afgewezen.

14      Korte tijd later heeft Laminorul een nieuwe vordering bij hetzelfde gerecht ingediend, gericht tegen Salzgitter en gebaseerd op dezelfde feiten. De dagvaarding werd evenwel uitgebracht tegen de voormalige gemachtigde van Salzgitter, die, volgens de verklaring van Salzgitter, alleen voor het beroep waarop de eerste beslissing is gegeven gevolmachtigd was. Daar niemand verscheen voor Salzgitter op de zitting van het Tribunal Brăila op 6 maart 2008, heeft dit gerecht Salzgitter bij verstek veroordeeld tot betaling van 188 330 EUR aan Laminorul (hierna: „tweede beslissing”).

15      Salzgitter heeft vernietiging van de tweede beslissing gevorderd op grond dat zij niet geldig was gedagvaard. Deze vordering is bij beslissing van 8 mei 2008 afgewezen op grond dat Salzgitter had nagelaten de vereiste gerechtskostenzegels te deponeren.

16      De tweede beslissing is door het Landgericht Düsseldorf (Duitsland) bij beschikking van 21 november 2008 uitvoerbaar verklaard. Salzgitter heeft tegen die beschikking beroep ingesteld bij het Oberlandesgericht Düsseldorf.

17      Tegelijkertijd heeft Salzgitter in Roemenië beroep tot vernietiging van de tweede beslissing ingesteld en daarbij wederom aangevoerd dat zij niet was opgeroepen te verschijnen. Dit beroep is bij beslissing van 19 februari 2009 niet-ontvankelijk verklaard.

18      Daarnaast heeft zij een nieuwe vordering tot vernietiging ingediend met een beroep op de rechtskracht van de eerste beslissing. De Curtea de Apel Galaţi (hof van beroep te Galati, Roemenië) heeft die vordering bij vonnis van 8 mei 2009 afgewezen omdat zij te laat was ingediend, een beslissing welke door de Înalta Curte de Casaţie şi Justiţie (hoogste rechter in Roemenië) bij arrest van 13 november 2009 is bevestigd.

19      Aangezien de rechtswegen in Roemenië waren uitgeput, werd de geschorste exequaturprocedure in Duitsland hervat. Het beroep van Salzgitter tegen de beschikking van het Landgericht Düsseldorf is bij uitspraak van het Oberlandesgericht Düsseldorf van 28 juni 2010 ongegrond verklaard. Daarop heeft Salzgitter tegen die uitspraak beroep ingesteld bij het Bundesgerichtshof.

20      Het Bundesgerichtshof heeft de behandeling geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Heeft artikel 34, punt 4, van [verordening nr. 44/2001] ook betrekking op onverenigbare beslissingen die in dezelfde lidstaat (staat van herkomst) zijn gegeven?”

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

21      Met zijn vraag wenst het verwijzende gerecht te vernemen of artikel 34, punt 4, van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat het mede door gerechten van één lidstaat gegeven onverenigbare beslissingen omvat.

22      Om deze vraag te beantwoorden moet bij de uitlegging van artikel 34, punt 2, van verordening nr. 44/2001 niet alleen worden gelet op de bewoordingen van die bepaling, maar ook op het systeem van die verordening en de doelstellingen die zij nastreeft (zie arrest van 6 september 2012, Trade Agency, C‑619/10, punt 27).

23      Aangaande het bij deze verordening ingevoerde systeem moet worden opgemerkt dat de gronden waarop tenuitvoerlegging kan worden geweigerd een duidelijk afgebakende functie hebben in de structuur van deze verordening, die, zoals de advocaat-generaal in punt 35 van zijn conclusie opmerkt, een volledig stelsel van internationale bevoegdheid en erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen behelst.

24      Om te beginnen moet bij de uitlegging van de betekenis en de inhoud van de in verordening nr. 44/2001 neergelegde gronden voor niet-tenuitvoerlegging van in een andere lidstaat gegeven beslissingen rekening worden gehouden met het verband tussen die gronden en de regels van deze verordening betreffende samenhang, die, aldus punt 15 van de considerans van de verordening, parallel lopende processen zoveel mogelijk moeten beperken en moeten voorkomen dat in twee lidstaten onverenigbare beslissingen worden gegeven.

25      Voorts volgt uit punt 17 van de considerans van verordening nr. 44/2001 dat de procedure om in de aangezochte lidstaat een in een andere lidstaat gegeven beslissing uitvoerbaar te verklaren, zich slechts moet uitstrekken tot een eenvoudige formele controle van de documenten die vereist zijn voor exequaturverlening in de aangezochte lidstaat.

26      Naar aanleiding van de indiening van het verzoek bedoeld in artikel 38, lid 1, van verordening nr. 44/2001 mogen de autoriteiten van de aangezochte lidstaat, zoals blijkt uit artikel 41 van deze verordening, in een eerste fase van de procedure alleen nagaan of die formaliteiten voor de afgifte van de uitvoerbaarverklaring van die beslissing vervuld zijn (zie arrest Trade Agency, punt 29).

27      Overeenkomstig artikel 43 van verordening nr. 44/2001 kan tegen de uitvoerbaarverklaring van een beslissing die is gegeven in een andere lidstaat dan de aangezochte lidstaat in een tweede fase van de procedure beroep worden ingesteld. De gronden die voor de betwisting kunnen worden aangevoerd worden uitdrukkelijk en limitatief opgesomd in de artikelen 34 en 35 van verordening nr. 44/2001, waarnaar artikel 45 van deze laatste verwijst (zie in die zin arrest Trade Agency, punt 31).

28      Die lijst is uitputtend en de vermeldingen ervan moeten restrictief worden uitgelegd, daar zij een beletsel vormen voor de verwezenlijking van een van de fundamentele doelstellingen van verordening nr. 44/2001, die ertoe strekt het vrije verkeer van rechterlijke beslissingen te vergemakkelijken door te voorzien in een eenvoudige en snelle exequaturprocedure (zie in die zin arresten van 28 april 2009, Apostolides, C‑420/07, Jurispr. blz. I‑3571, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 13 oktober 2011, Prism Investments, C‑139/10, Jurispr. blz. I‑9511, punt 33).

29      Wat meer in het bijzonder de niet-tenuitvoerlegging wegens onverenigbaarheid van twee beslissingen betreft, blijkt uit artikel 34, punt 4, van verordening nr. 44/2001, gelezen in het licht van het begrip „beslissing” in de zin van artikel 32 van die verordening, zoals de advocaat-generaal in punt 42 van zijn conclusie opmerkt, dat dit artikel 34, punt 4, aldus moet worden begrepen dat „[e]en [door een gerecht van een lidstaat gegeven] beslissing [...] niet [wordt] erkend indien [...] de beslissing onverenigbaar is met een beslissing die vroeger in een andere lidstaat of in een derde land [...] is gegeven”.

30      De situatie waarop dat artikel 34, punt 4, doelt is dus de situatie waarin de onverenigbare beslissingen afkomstig zijn uit twee verschillende staten.

31      Deze uitlegging vindt steun in het beginsel van wederzijds vertrouwen, dat ten grondslag ligt aan het bij verordening nr. 44/2001 ingevoerde stelsel van erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen die afkomstig zijn uit een andere lidstaat.

32      Zoals blijkt uit de punten 16 en 17 van de considerans van die verordening, berust dit stelsel van erkenning en tenuitvoerlegging op het wederzijdse vertrouwen in de rechtsbedeling binnen de Unie, dat niet alleen verlangt dat in een lidstaat gegeven rechterlijke beslissingen in een andere lidstaat van rechtswege worden erkend, maar ook dat de procedure om die beslissingen in die laatste lidstaat uitvoerbaar te verklaren, doeltreffend en snel is (zie arrest Trade Agency, punt 40).

33      De goede werking van dit op het wederzijdse vertrouwen berustende stelsel impliceert dat de gerechten van de lidstaat van herkomst bevoegd blijven om, in het kader van de rechtswegen die in de rechtsorde van die lidstaat openstaan, de regelmatigheid van de ten uitvoer te leggen beslissing te beoordelen – terwijl de gerechten van de aangezochte lidstaat daartoe in beginsel niet bevoegd zijn – en dat het definitieve resultaat van de verificatie van de regelmatigheid van die beslissing niet meer aan de orde kan worden gesteld.

34      In die context kan op grond van artikel 46, lid 1, van verordening nr. 44/2001 de uitspraak worden aangehouden indien tegen de buitenlandse beslissing in de lidstaat van herkomst een gewoon rechtsmiddel is ingesteld of nog kan worden ingesteld.

35      Het is immers aan de justitiabele om de rechtsmiddelen in te stellen die zijn voorzien in het recht van de lidstaat waarin de procedure loopt, hetgeen Salzgitter overigens heeft getracht te doen in het kader van procedure in het hoofdgeding. De justitiabele kan daarentegen de gronden voor niet-tenuitvoerlegging van in een andere lidstaat gegeven beslissingen niet inroepen om de uitkomst van bedoelde rechtsmiddelen aan de orde te stellen.

36      De uitlegging van artikel 34, punt 4, van deze verordening volgens welke deze bepaling mede ziet op conflicten tussen twee beslissingen die afkomstig zijn uit eenzelfde lidstaat, is onverenigbaar met het in punt 31 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte beginsel van wederzijds vertrouwen. Bij die uitlegging zouden de gerechten van de aangezochte lidstaat hun eigen beoordeling immers in de plaats kunnen stellen van die van de gerechten van de lidstaat van herkomst.

37      Wanneer een beslissing na afronding van de procedure in de lidstaat van herkomst definitief is geworden, zou niet-tenuitvoerlegging ervan op grond dat zij onverenigbaar is met een andere, in dezelfde lidstaat gegeven beslissing, vergelijkbaar zijn met een onderzoek van de juistheid van de beslissing waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, hetgeen artikel 45, lid 2, van verordening nr. 44/2001 uitdrukkelijk uitsluit.

38      Indien de mogelijkheid van een dergelijk onderzoek van de juistheid bestond, zou dit de facto neerkomen op een aanvullend rechtsmiddel tegen een beslissing die in de lidstaat van herkomst definitief is geworden. In dit verband staat vast dat, zoals de advocaat-generaal in punt 31 van zijn conclusie heeft opgemerkt, de in verordening nr. 44/2001 vastgelegde gronden voor niet-tenuitvoerlegging geen aanvullende rechtsmiddelen tegen nationale beslissingen die definitief zijn geworden in het leven roepen.

39      Aangezien tot slot, zoals uit de in punt 28 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak blijkt, de lijst van gronden voor niet-tenuitvoerlegging uitputtend is, moeten die gronden restrictief worden uitgelegd en kunnen zij dus, anders dan Salzgitter en de Duitse regering betogen, niet worden uitgelegd naar analogie in die zin dat mede gedoeld wordt op beslissingen afkomstig uit eenzelfde lidstaat.

40      Gelet op het voorgaande moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 34, punt 4, van verordening nr. 44/2001 door gerechten van eenzelfde lidstaat gegeven onverenigbare beslissingen niet omvat.

 Kosten

41      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 34, punt 4, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet aldus worden uitgelegd dat het door gerechten van eenzelfde lidstaat gegeven onverenigbare beslissingen niet omvat.

ondertekeningen


* Procestaal: Duits.