Language of document : ECLI:EU:C:2013:769

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

P. CRUZ VILLALÓN

van 26 november 2013 (1)

Zaak C‑421/12

Europese Commissie

tegen

Koninkrijk België

(Door de Commissie tegen het Koninkrijk België ingesteld beroep wegens niet-nakoming)

„Niet-nakoming – Bescherming van de consument – Oneerlijke handelspraktijken – Richtlijn 2005/29/EG – Uitsluiting van beoefenaren van vrije beroepen, tandartsen en fysiotherapeuten – Nationale wettelijke regeling betreffende de aankondiging van prijsverlagingen – Nationale wettelijke regeling die bepaalde vormen van ambulante handel beperkt of verbiedt – Hoger niveau van bescherming – Volledige harmonisatie”





1.        In het kader van een niet-nakomingsprocedure wegens de vermeende gebrekkige omzetting van richtlijn 2005/29(2) („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) krijgt het Hof de gelegenheid om zich uit te spreken over de in artikel 3, lid 5, van deze richtlijn vervatte overgangsregeling op grond waarvan de lidstaten gedurende een bepaalde periode en onder bepaalde voorwaarden nationale bepalingen op het gebied van consumentenbescherming kunnen toepassen „die strenger of prescriptiever zijn” dan de bepalingen van richtlijn 2005/29.

I –    Toepasselijke bepalingen

A –    Unierecht

1.      Richtlijn 2005/29

2.        Volgens punt 6 van de considerans van richtlijn 2005/29 „wordt de wetgeving van de lidstaten betreffende oneerlijke handelspraktijken, waaronder oneerlijke reclame, die de economische belangen van de consumenten rechtstreeks en aldus de economische belangen van legitieme concurrenten onrechtstreeks schaden, bij deze richtlijn geharmoniseerd. [...] Deze richtlijn is niet van toepassing of van invloed op de nationale wetten betreffende oneerlijke handelspraktijken die alleen de economische belangen van concurrenten schaden of betrekking hebben op transacties tussen handelaren; met volledige inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel behouden de lidstaten de mogelijkheid dergelijke praktijken aan banden te leggen, overeenkomstig de communautaire wetgeving, indien zij zulks wensen. Deze richtlijn is evenmin van toepassing of van invloed op de bepalingen van richtlijn 84/450/EEG aangaande reclame die misleidend is voor ondernemingen, maar niet voor consumenten, en aangaande vergelijkende reclame. [...]”

3.        In punt 14 van de considerans van deze richtlijn wordt aangegeven dat „[h]et [...] wenselijk [is] dat onder misleidende handelspraktijken die praktijken worden verstaan waarbij de consument wordt bedrogen en hem wordt belet een geïnformeerde en dus efficiënte keuze te maken, inclusief misleidende reclame. Overeenkomstig de wetten en praktijken van lidstaten met betrekking tot misleidende reclame, worden misleidende praktijken in de richtlijn onderverdeeld in misleidende handelingen en misleidende omissies. Met betrekking tot omissies wordt in deze richtlijn een beperkte hoeveelheid essentiële informatie bepaald die de consument nodig heeft om een geïnformeerd besluit te nemen over een transactie. [...]”

4.        Volgens punt 15 van de considerans „[wordt] [w]anneer de communautaire wetgeving met betrekking tot commerciële communicatie, reclame en marketing de vereiste informatie voorschrijft, [...] die informatie in het kader van deze richtlijn als essentieel beschouwd. De lidstaten kunnen informatieverplichtingen handhaven of toevoegen die rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking hebben op het verbintenissenrecht, wanneer zulks mogelijk is op grond van de minimumbepalingen in de bestaande communautaire rechtsinstrumenten. In bijlage II staat een niet-limitatieve lijst van dergelijke informatieverplichtingen in het acquis. Gegeven de bij deze richtlijn ingevoerde volledige harmonisatie wordt alleen de uit hoofde van communautaire wetgeving vereiste informatie als essentieel beschouwd voor de toepassing van artikel 7, lid 5, van deze richtlijn. Het niet geven van informatie die door de lidstaten is vereist boven de minimumclausules in het communautaire recht is geen omissie in de zin van deze richtlijn. De lidstaten kunnen daarentegen, indien zulks krachtens de minimumclausules in het gemeenschapsrecht mogelijk is, overeenkomstig het gemeenschapsrecht strengere bepalingen handhaven dan wel invoeren om een hoger niveau van bescherming van de individuele contractuele rechten van consumenten te verzekeren.”

5.        Luidens punt 17 van de considerans tot slot „[is het] [m]et het oog op een grotere rechtszekerheid [...] wenselijk te bepalen welke handelspraktijken in alle omstandigheden oneerlijk zijn. Bijlage I bevat daarom een uitputtende lijst van deze praktijken. Alleen deze handelspraktijken worden verondersteld oneerlijk te zijn zonder een individuele toetsing aan het bepaalde in de artikelen 5 tot en met 9. De lijst mag alleen worden aangepast door herziening van deze richtlijn.”

6.        Volgens artikel 1 van richtlijn 2005/29 „[is] [h]et doel van deze richtlijn [...] om bij te dragen aan de goede werking van de interne markt en om een hoog niveau van consumentenbescherming tot stand te brengen door de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake oneerlijke handelspraktijken die de economische belangen van de consumenten schaden, te harmoniseren”.

7.        Artikel 2 van de richtlijn bevat een aantal definities, waarvan de volgende van belang zijn voor de onderhavige procedure:

„b)      handelaar: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die die handelspraktijken verricht die onder deze richtlijn vallen en die betrekking hebben op zijn bedrijfs‑ of beroepsactiviteit, alsook degene die in naam van of voor rekenschap van hem optreedt;

[...]

d)      handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten [...]: iedere handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten”.

8.        Artikel 3 van richtlijn 2005/29, „Toepassingsgebied”, luidt als volgt:

„1.      Deze richtlijn is van toepassing op oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten, zoals omschreven in artikel 5, vóór, gedurende en na een commerciële transactie met betrekking tot een product.

2.      Deze richtlijn laat het verbintenissenrecht en, in het bijzonder, de regels betreffende de geldigheid, de opstelling en de rechtsgevolgen van contracten onverlet.

[...]

4.      In geval van strijdigheid tussen de bepalingen van deze richtlijn en andere communautaire voorschriften betreffende specifieke aspecten van oneerlijke handelspraktijken, prevaleren laatstgenoemde voorschriften en zijn deze van toepassing op deze specifieke aspecten.

5.      De lidstaten kunnen gedurende een periode van zes jaar, te rekenen vanaf 12.06.2007 op het bij deze richtlijn geharmoniseerde gebied nationale bepalingen blijven toepassen die strenger of prescriptiever zijn dan de bepalingen van deze richtlijn en die uitvoering geven aan richtlijnen die clausules voor minimale harmonisatie bevatten. Deze maatregelen moeten onontbeerlijk zijn om een toereikende bescherming van de consumenten tegen oneerlijke handelspraktijken te waarborgen en evenredig zijn met dit doel. De in artikel 18 bedoelde toetsing kan, in voorkomend geval, gepaard gaan met de indiening van een voorstel om deze afwijking voor een beperkte periode te verlengen.

6.      De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van de nationale bepalingen die uit hoofde van lid 5 worden toegepast.

[...]”

9.        Volgens artikel 4 van richtlijn 2005/29 „[mogen] [d]e lidstaten [...] geen beperkingen opleggen aan het vrij verrichten van diensten of aan het vrije verkeer van goederen om redenen die vallen binnen het bij deze richtlijn geharmoniseerde gebied”.

10.      Artikel 5 van richtlijn 2005/29, „Verbod op oneerlijke handelspraktijken”, bepaalt:

„1.      Oneerlijke handelspraktijken zijn verboden.

2.      Een handelspraktijk is oneerlijk wanneer zij:

a)      in strijd is met de vereisten van professionele toewijding,

en

b)      het economische gedrag van de gemiddelde consument die zij bereikt of op wie zij gericht is of, indien zij op een bepaalde groep consumenten gericht is, het economisch gedrag van het gemiddelde lid van deze groep, met betrekking tot het product wezenlijk verstoort of kan verstoren.

[...]

4.      Meer in het bijzonder zijn handelspraktijken oneerlijk die:

a)      misleidend zijn in de zin van de artikelen 6 en 7,

of

b)      agressief zijn in de zin van de artikelen 8 en 9.

5.      Bijlage I bevat de lijst van handelspraktijken die onder alle omstandigheden als oneerlijk worden beschouwd. Deze lijst is van toepassing in alle lidstaten en mag alleen worden aangepast door wijziging van deze richtlijn.”

11.      Artikel 6 van richtlijn 2005/29, „Misleidende handelingen”, bepaalt:

„1.      Als misleidend wordt beschouwd een handelspraktijk die gepaard gaat met onjuiste informatie en derhalve op onwaarheden berust of, zelfs als de informatie feitelijk correct is, de gemiddelde consument op enigerlei wijze, inclusief door de algemene presentatie, bedriegt of kan bedriegen ten aanzien van een of meer van de volgende elementen, en de gemiddelde consument er zowel in het ene als in het andere geval toe brengt of kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen:

[...]

d)      de prijs of de wijze waarop de prijs wordt berekend, of het bestaan van een specifiek prijsvoordeel;

[...]”

2.      Richtlijn 85/577(3)

12.      Volgens artikel 1, lid 1, van richtlijn 85/577 „[is] [d]eze richtlijn [...] van toepassing op overeenkomsten die tussen een handelaar die goederen levert of diensten verricht, en een consument worden gesloten:

–        tijdens een door de handelaar buiten zijn verkoopruimten georganiseerde excursie, ofwel

–        tijdens een bezoek van de handelaar

i)      ten huize van deze consument of van een andere consument;

ii)      ter plaatse waar de consument werkzaam is,

indien het bezoek niet op uitdrukkelijk verzoek van de consument plaatsvindt”.

13.      Volgens artikel 8 van richtlijn 85/577 „[belet] [d]eze richtlijn [...] niet dat de lidstaten gunstiger bepalingen vaststellen of handhaven met het oog op de bescherming van de consument op het gebied dat door deze richtlijn wordt bestreken”.

3.      Richtlijn 98/6(4)

14.      Volgens artikel 1 van richtlijn 98/6 „[is het] [d]oel van deze richtlijn [...] te voorzien in de aanduiding van de verkoopprijs en de prijs per meeteenheid van de producten die een verkoper aan de consument aanbiedt, teneinde de voorlichting aan de consument te verbeteren en een prijsvergelijking te vergemakkelijken”.

15.      Artikel 10 van richtlijn 98/6 bepaalt dat „[d]eze richtlijn [...], onverminderd de verdragsverplichtingen, voor de lidstaten geen beletsel [vormt] om bepalingen aan te nemen of te handhaven die uit het oogpunt van consumentenvoorlichting en prijsvergelijking gunstiger zijn”.

B –    Nationaal recht

16.      De Wet van 5 juni 2007 tot wijziging van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, waarin richtlijn 2005/29 is omgezet(5), gelezen in samenhang met de Wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming(6), sluit beoefenaren van vrije beroepen alsmede tandartsen en fysiotherapeuten uit van haar werkingssfeer.

17.      Het Belgische Grondwettelijk Hof heeft bij arrest nr. 55/2011 van 6 april 2011, en nogmaals bij arrest nr. 192/2011 van 15 december 2011, een aantal bepalingen van de wet van 6 april 2010 ongrondwettig verklaard voor zover beoefenaren van vrije beroepen alsmede tandartsen en fysiotherapeuten daarin van de werkingssfeer van de wet werden uitgesloten.

18.      De Wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen(7) bevat in artikel 4 een definitie van misleidende reclame en een verbod op dergelijke reclame in vrije beroepen.

19.      Artikel 43, § 2, en artikel 51, § 3, van de wet van 14 juli 1991 bepaalden dat verkopers geen prijsverminderingen bij de opruiming mochten aankondigen indien deze niet reëel waren ten opzichte van de prijzen die werden aangerekend gedurende de maand onmiddellijk voorafgaand aan de datum vanaf welke de verminderde prijzen werden toegepast.

20.      Overeenkomstig de artikelen 20 tot en met 23 en 29 van de wet van 6 april 2010 kunnen producten slechts als afgeprijsd worden beschouwd indien de gevraagde prijs minder bedraagt dan de referentieprijs, zijnde de laagste prijs die de onderneming voor die producten tijdens die maand heeft gevraagd.

21.      De Wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante en kermisactiviteiten(8), zoals gewijzigd bij de wet van 4 juli 2005(9), bepaalt dat het uitoefenen van ambulante activiteiten ten huize van consumenten is toegelaten voor zover deze activiteiten een totale waarde van minder dan 250 EUR per consument hebben. Volgens artikel 5 van het Koninklijk besluit van 24 september 2006 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante activiteiten(10) kunnen onder meer geneesmiddelen, geneeskrachtige planten en bereidingen op basis ervan alsook ieder ander product dat de verandering van de gezondheidstoestand beoogt, medische en orthopedische apparaten, corrigerende glazen en hun monturen, edele metalen en edelstenen, parels, en wapens en munitie niet het voorwerp uitmaken van een ambulante activiteit.

II – Precontentieuze procedure

22.      Nadat zij verschillende informele contacten met de Belgische autoriteiten had gehad, stelde de Commissie op 2 februari 2009 het Koninkrijk België in gebreke wegens onjuiste omzetting van richtlijn 2005/29. Bij brieven van 3 juni en 24 juni 2009 kondigden de Belgische autoriteiten een aantal wetswijzigingen aan om de door de Commissie aan de orde gestelde problemen op te lossen. Met dat doel werd de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming vastgesteld, welke wet per 12 mei 2010 in werking trad.

23.      Bij met redenen omkleed advies van 15 maart 2011 deelde de Commissie de Belgische autoriteiten mee dat de wet van 6 april 2010 geen oplossing bood voor vier van de niet-nakomingsgronden die in de ingebrekestelling van 2 februari 2009 waren genoemd.

24.      Aangezien de tekortkomingen die in drie van de gronden voor de ingebrekestelling van 2 februari 2009 aan de orde waren gesteld, met de door de Belgische autoriteiten bij brief van 11 mei 2011 gegeven uitleg volgens haar niet werden weggenomen, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.

III – Beroep van de Commissie

25.      Met haar beroep stelt de Commissie drie tekortkomingen door het Koninkrijk België aan de orde.

26.      De eerste tekortkoming ziet op de uitsluiting van bepaalde beroepen van de werkingssfeer van richtlijn 2005/29, die van toepassing is op de handelspraktijken van alle beroepsbeoefenaren, ongeacht hun juridische status of de sector waarin zij werkzaam zijn. De omstandigheid dat beoefenaren van vrije beroepen, tandartsen en fysiotherapeuten uitdrukkelijk zijn uitgesloten van de werkingssfeer van de wet van 5 juni 2007, waarin richtlijn 2005/29 in het Belgische recht is omgezet, is volgens de Commissie in strijd met artikel 3 juncto artikel 2, sub b, van deze richtlijn. Deze tekortkoming is niet verholpen door de wet van 6 april 2010.

27.      Dat de bepalingen van de wet van 6 april 2010 waarin die beroepen worden uitgesloten van de werkingssfeer van de wet, door het Belgische Grondwettelijk Hof op 6 april 2011 ongrondwettig zijn verklaard, neemt de gestelde tekortkoming volgens de Commissie niet weg, aangezien de bepalingen alleen kunnen worden vernietigd indien een beroep tot vernietiging wordt ingesteld, welk beroep pas zou plaatsvinden na het verstrijken van de in de precontentieuze procedure aan de Belgische autoriteiten gestelde termijn om de vermeende tekortkoming te verhelpen.

28.      De tweede tekortkoming betreft de Belgische wettelijke regeling omtrent de aankondiging van prijsverlagingen. De Commissie stelt dat met artikel 43, § 2, van de wet van 14 juli 1991 en de artikelen 20, 21 en 29 van de wet van 6 april 2010 de consument een strengere bescherming geniet dan die welke geldt krachtens richtlijn 2005/29, waarin de oneerlijke handelspraktijken volledig zijn geharmoniseerd.

29.      De derde tekortkoming heeft betrekking op het verbod op bepaalde vormen van ambulante handel. De Commissie merkt op dat artikel 4, § 1, derde lid, van de wet van 25 juni 1993, zoals vervangen door artikel 7 van de wet van 4 juli 2005, afgezien van bepaalde uitzonderingen colportage verbiedt, terwijl artikel 5, eerste lid, van het koninklijk besluit van 24 september 2006 verbiedt dat bepaalde producten via de ambulante handel worden verkocht. Richtlijn 2005/29 bevat echter geen dergelijke verbodsbepalingen en verzet zich dan ook tegen de betrokken nationale regeling, aangezien de daardoor tot stand gebrachte harmonisatie volledig is.

30.      De Commissie verzoekt het Hof dus vast te stellen dat het Koninkrijk België niet heeft voldaan aan artikel 3 juncto artikel 2, sub b en d, en artikel 4 van richtlijn 2005/29, en daarnaast het Koninkrijk België te verwijzen in de kosten.

IV – Procesverloop voor het Hof

31.      Het Koninkrijk België heeft in zijn verweerschrift gesteld dat het eerste middel niet-ontvankelijk is omdat de Commissie geen rekening heeft gehouden met de van kracht zijnde wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen en niet heeft aangegeven op welk punt deze wet niet voldoet aan richtlijn 2005/29. Ten gronde erkent het Koninkrijk België dat bepaalde beroepen zijn uitgesloten van de werkingssfeer van de wet waarin de richtlijn is omgezet, maar wijst het erop dat deze uitsluiting volgens het Grondwettelijk Hof ongrondwettig is en dat op 6 september 2012 een beroep tot vernietiging is ingesteld dat er mogelijk toe leidt dat de ongrondwettig verklaarde wettelijke bepalingen met terugwerkende kracht worden vernietigd. Het Koninkrijk België betoogt dat die bepalingen in elk geval niet kunnen worden toegepast omdat zij ongrondwettig zijn, zodat de tekortkoming bij het verstrijken van de door de Commissie gestelde termijn reeds was verholpen.

32.      In repliek betoogt de Commissie dat de wet van 2 augustus 2002 door het Koninkrijk België voor het eerst is aangevoerd in zijn verweerschrift en inderdaad een verbod op misleidende reclame in vrije beroepen bevat, doch strekt tot omzetting van richtlijn 84/450(11) en niet van richtlijn 2005/29. Beide richtlijnen kunnen weliswaar betrekking hebben op dezelfde praktijken, maar beogen andere doelen, zoals blijkt uit punt 6 van de considerans van richtlijn 2005/29. Derhalve dienen de lidstaten richtlijn 2005/29 om te zetten, zodat ook misleidende reclame op het onder deze richtlijn vallende gebied wordt bestreken. Met betrekking tot het door het Koninkrijk België gevoerde verweer over de vraag of ten gronde sprake is van deze eerste tekortkoming, voert de Commissie aan dat de Belgische autoriteiten thans stellen dat de omstandigheid dat de bepalingen ongrondwettig zijn verklaard voldoende is om de toepassing ervan ongedaan te maken, terwijl zij in de precontentieuze fase stelden dat de toepassing van de ongrondwettige bepalingen slechts met terugwerkende kracht ongedaan kon worden gemaakt indien een eventueel beroep tot vernietiging wordt toegewezen. De Commissie meent hoe dan ook dat vanwege de rechtszekerheid van de consument niet kan worden aangenomen dat de omstandigheid dat de bepalingen ongrondwettig zijn verklaard, reeds voldoende is om uit te sluiten dat de litigieuze wettelijke bepalingen nog worden toegepast in het nationale recht, nu het feit dat er voor de definitieve schrapping van de ongrondwettige bepalingen mogelijk nieuwe uitspraken nodig zijn, een onzekerheid schept die onaanvaardbaar is.

33.      Het Koninkrijk België voert in dupliek aan dat de Commissie niet ontkent dat artikel 4 van de wet van 2 augustus 2002 misleidende reclame in vrije beroepen regelt en dus correspondeert met artikel 2, sub d, van richtlijn 2005/29, zodat het om een gedeeltelijke omzetting van deze richtlijn gaat. Doordat de Commissie in haar ingebrekestelling geen rekening heeft gehouden met die wet, is het middel volgens het Koninkrijk België niet-ontvankelijk. Voorts bieden de arresten van het Grondwettelijk Hof waarin is vastgesteld dat de bepalingen ongrondwettig zijn, naar mening van de Belgische autoriteiten voldoende zekerheid aangezien zij tot gevolg hebben dat vrije beroepen binnen de werkingssfeer van de wet van 5 juni 2007 vallen.

34.      Wat de tweede tekortkoming betreft, betoogt het Koninkrijk België dat de wet van 6 april 2010 niet meer voorschrijft dat de als afgeprijsd aangekondigde prijs doorlopend is toegepast gedurende de maand vóór de aankondiging van de prijsverlaging. Daarnaast voorziet richtlijn 2005/29 weliswaar in volledige harmonisatie, maar bevat zij geen bepalingen die het mogelijk maken om de op de aankondigingen van prijsverlagingen betrekking hebbende economische realiteit vast te stellen. Verder is richtlijn 98/6 niet gewijzigd bij richtlijn 2005/29, en kunnen de lidstaten krachtens artikel 10 daarvan gunstigere bepalingen over consumentenvoorlichting en prijsvergelijking aannemen of handhaven. Ten slotte stelt het Koninkrijk België dat het recht op voorlichting van de consument volgens het Hof een beginsel is, zodat de betrokken wettelijke regeling moet worden getoetst aan artikel 28 VWEU om te bepalen of zij om dwingende redenen gerechtvaardigd is en evenredig is aan het beoogde doel.

35.      De Commissie stelt in repliek dat richtlijn 98/6 geen betrekking heeft op consumentenvoorlichting over prijsverlagingen en evenmin ziet op alle prijsgerelateerde aspecten van consumentenvoorlichting. Met richtlijn 2005/29 wil de Uniewetgever verhinderen dat de lidstaten bepaalde handelspraktijken verbieden omdat de beroepsbeoefenaar niet heeft voldaan aan bepaalde informatieverplichtingen die krachtens het nationale recht op hem rusten. De Belgische wettelijke regeling heeft evenwel tot gevolg dat geen prijsverlagingen mogen worden aangekondigd tenzij wordt voldaan aan de daarin opgenomen strenge voorwaarden, ook al kunnen dergelijke praktijken niet worden aangemerkt als misleidend of oneerlijk in de zin van richtlijn 2005/29 wanneer zij per geval worden beoordeeld. De Commissie is het verder niet eens met het op artikel 28 VWEU gebaseerde betoog van de Belgische autoriteiten.

36.      In dupliek betoogt het Koninkrijk België dat als het standpunt van de Commissie zou worden gevolgd, er met betrekking tot prijsverlagingen een beoordeling per geval zou zijn geboden, waardoor de nationale rechter veel verschillende criteria zou moeten hanteren om te oordelen of een aankondiging een oneerlijke praktijk oplevert, hetgeen in strijd zou zijn met het door richtlijn 98/6 beoogde doel betreffende prijsvergelijking.

37.      Aangaande de derde tekortkoming stelt het Koninkrijk België dat artikel 5, eerste lid, van het koninklijk besluit van 24 september 2006 en artikel 7 van de wet van 4 juli 2005 onder richtlijn 85/577 vallen en door die richtlijn toegestane strengere nationale bepalingen zijn. Volgens het Koninkrijk België is het betoog van de Commissie omtrent het feit dat eraan voorbij is gegaan dat de in richtlijn 2005/29 opgenomen harmonisatie totaal is, dus ongegrond. Overigens kwam deze richtlijn boven op de reeds geldende Uniebepalingen betreffende consumentenbescherming zonder dat sprake was van een wijziging of beperking van de reikwijdte van richtlijn 85/577, waarvan de werkingssfeer complementair is aan die van richtlijn 2005/29. Tot slot wordt aangevoerd dat de nationale maatregelen de maatregelen tot omzetting van richtlijn 2011/83 betreffen die het Koninkrijk België uiterlijk op 13 december 2013 dient vast te stellen.

38.      Het Koninkrijk België verzoekt het Hof dan ook het eerste middel van het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, het beroep voor het overige ongegrond te verklaren en de Commissie te verwijzen in de kosten.

V –    Beoordeling

A –    Eerste middel van het beroep

1.      Ontvankelijkheid van het middel

39.      Zoals reeds gezegd meent de Commissie dat de omstandigheid dat beoefenaren van vrije beroepen, tandartsen en fysiotherapeuten expliciet zijn uitgesloten van de werkingssfeer van de wet van 6 april 2010, waarin richtlijn 2005/29 in het Belgische recht is omgezet, in strijd is met artikel 3 juncto artikel 2, sub b, van deze richtlijn.

40.      Volgens het Koninkrijk België daarentegen is dit eerste middel niet-ontvankelijk omdat de Commissie geen rekening heeft gehouden met de wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen en niet heeft aangegeven op welk punt deze wet niet voldoet aan richtlijn 2005/29.

41.      Ten aanzien van dit niet-ontvankelijkheidsbezwaar merkt de Commissie op dat het Koninkrijk België de wet van 2 augustus 2002 voor het eerst in zijn verweerschrift heeft vermeld. Zij erkent weliswaar dat daarin sprake is van een verbod op misleidende reclame in vrije beroepen, maar voert aan dat die wet strekt tot omzetting van richtlijn 84/450 en niet van richtlijn 2005/29. Volgens haar beogen beide richtlijnen andere doelen en betreft de onderhavige procedure de onjuiste omzetting van richtlijn 2005/29. Het Koninkrijk België stelt daar tegenover dat artikel 4 van de wet van 2 augustus 2002 misleidende reclame in vrije beroepen regelt en dus correspondeert met artikel 2, sub d, van richtlijn 2005/29, zodat het om een gedeeltelijke omzetting van deze richtlijn gaat.

42.      Mijns inziens is dit eerste middel ontvankelijk.

43.      Blijkens punt 1 van de op 2 februari 2009 aan het Koninkrijk België gerichte ingebrekestelling heeft de Commissie erop gewezen dat de wet van 5 juni 2007, waarin richtlijn 2005/29 is omgezet, vrije beroepen uitzondert van haar werkingssfeer en dat dit „wordt bevestigd door het bestaan van een aparte wet voor vrije beroepen, de wet van 2 augustus 2002 [...], die niet is gewijzigd ter omzetting van [richtlijn 2005/29]”. De Commissie heeft vervolgens, zonder door het Koninkrijk België te worden weersproken, aangegeven dat de Belgische autoriteiten in hun eerdere correspondentie „die situatie [hadden] erkend” en hadden meegedeeld dat zij die wet zouden wijzigen. De wet van 6 april 2010 is in feite juist vastgesteld om aan de ingebrekestelling van de Commissie te voldoen, ook al wordt de voor vrije beroepen geldende uitzondering daarin gehandhaafd.

44.      Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat de Commissie niet verplicht was om er langer bij stil te staan dat de wet van 2 augustus 2002 mogelijk tot gevolg had dat er werd voldaan aan de uit richtlijn 2005/29 voortvloeiende verplichtingen wat de niet-uitsluiting van vrije beroepen betreft, aangezien de Belgische autoriteiten meteen het standpunt van de Commissie hebben geaccepteerd dat de wet van 2 augustus 2002 de uitsluiting in de wet van 5 juni 2007 bevestigde.

2.      Gegrondheid van het middel

45.      Het Koninkrijk België erkent dat bepaalde beroepen zijn uitgesloten van de werkingssfeer van de wet waarin richtlijn 2005/29 is omgezet, maar stelt dat deze niet-nakoming van de richtlijn is weggenomen doordat de bepalingen van de wet van 6 april 2010 waarin die uitsluiting was vervat, ongrondwettig zijn verklaard.

46.      Opgemerkt zij dat de termijn die de Commissie in haar met redenen omkleed advies van 15 maart 2011 aan de Belgische autoriteiten heeft gesteld om de maatregelen te treffen die nodig zijn om te voldoen aan de uit richtlijn 2005/29 voortvloeiende verplichtingen, is verstreken op 15 mei 2011.

47.      Aangezien artikel 2, 1° en 2°, en artikel 3, § 2, van de wet van 6 april 2010 ongrondwettig zijn verklaard bij arrest van het Grondwettelijk Hof van 6 april 2011, betogen de Belgische autoriteiten schijnbaar terecht dat de gestelde tekortkoming reeds was verholpen bij het verstrijken van de termijn die door de Commissie in haar met redenen omkleed advies was gesteld (15 mei 2011).

48.      In het Belgische recht heeft een ongrondwettigverklaring evenwel niet tot gevolg dat kan worden uitgesloten dat de bepalingen waarop een dergelijke uitspraak betrekking heeft, later worden toegepast. Zoals de Belgische autoriteiten zelf hebben toegegeven, moet na de ongrondwettigverklaring in beginsel een beroep tot vernietiging worden toegewezen, zodat de ongrondwettig verklaarde bepalingen met terugwerkende kracht uit het nationale recht worden „geschrapt”.

49.      In punt 17 van zijn verweerschrift in de onderhavige procedure stelt het Koninkrijk België dat na de ongrondwettigverklaring „de ongrondwettige bepaling blijft voortbestaan in het recht, maar [...] niet [kan] worden toegepast door de Belgische rechtbanken en hoven”. Dit strookt echter niet altijd met de realiteit aangezien, zoals de Belgische autoriteiten zelf erkennen, de bij arrest van 6 april 2011 ongrondwettig verklaarde bepalingen later opnieuw ongrondwettig werden verklaard op 15 december 2011. Voorts is er, zoals het Koninkrijk België heeft aangegeven, nog een beroep tot vernietiging van de in 2011 ongrondwettig verklaarde bepalingen aanhangig bij het Grondwettelijk Hof, waaruit blijkt dat in het Belgische recht niet met zekerheid kan worden uitgesloten dat de ongrondwettig verklaarde bepalingen nog worden toegepast, zolang er geen beroep tot vernietiging wordt toegewezen.

50.      Het is juist dat de door de Belgische rechter gehanteerde praktijk kan leiden, zoals het Koninkrijk België stelt, tot een situatie waarin in geval van formele ongrondwettigverklaring de facto zonder meer kan worden uitgesloten dat de betrokken bepaling nog wordt toegepast. Evenwel blijkt uit de omstandigheden in de onderhavige procedure dat dit niet noodzakelijkerwijs het geval hoeft te zijn. Er is dus enige aanleiding om aan te nemen dat de juridische status van de ongrondwettig verklaarde bepalingen een onzekerheid met zich meebrengt die zich niet verdraagt met de rechtszekerheid die is vereist bij de beoordeling van de vraag of het nationale recht volkomen voldoet aan de vereisten met betrekking tot de omzetting van een richtlijn binnen de gestelde termijn.

51.      Net als de Commissie, meen ik dat in dit verband moet worden gekeken naar de door het Hof in het arrest van 10 mei 2001, Commissie/Nederland(12), ontwikkelde rechtspraak dat „een nationale rechtspraak, gesteld al dat zij constant is, waarin bepalingen van intern recht worden uitgelegd op een wijze die wordt geacht aan de eisen van een richtlijn te voldoen, niet de helderheid en nauwkeurigheid kan hebben die met het oog op de rechtszekerheid noodzakelijk zijn”, hetgeen „in het bijzonder [geldt] op het gebied van de consumentenbescherming”. De verwijzing naar „een nationale rechtspraak” kan mijns inziens vanzelfsprekend worden uitgebreid tot de nationale wettelijke regeling die de gevolgen van de ongrondwettigverklaring regelt, wanneer ten aanzien van die regeling, zoals de Belgische autoriteiten hebben erkend, het voorbehoud moet worden gemaakt, hoewel dit in de praktijk niet erg waarschijnlijk is, dat zich gevallen voordoen waarin een ongrondwettig verklaarde bepaling wordt toegepast. Een dergelijke onzekerheid kan alleen op aanvaardbare wijze worden weggenomen door de met het Unierecht onverenigbare bepaling volledig en radicaal te verwijderen, hetgeen niet op afdoende wijze wordt gegarandeerd met de in het nationale recht geldende regeling die ziet op de ongrondwettigheid.

52.      Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat het eerste door de Commissie aangevoerde middel van de niet-nakomingsprocedure gegrond is.

B –    Tweede middel van het beroep

53.      De Commissie betoogt dat met de Belgische wettelijke regeling de consument wat aankondigingen van prijsverlagingen betreft een strengere bescherming geniet dan die welke krachtens richtlijn 2005/29 geldt, terwijl er geen reden is om strengere nationale maatregelen te nemen, ook niet om consumenten een hoger niveau van bescherming te bieden, aangezien oneerlijke handelspraktijken in deze richtlijn volledig zijn geharmoniseerd.

54.      Het Koninkrijk België betwist niet dat zijn wettelijke regeling consumenten een hoger niveau van bescherming biedt dan die welke krachtens richtlijn 2005/29 geldt, maar stelt dat dit is toegestaan op grond van richtlijn 98/6, die van toepassing bleef toen de door de Commissie in haar met redenen omkleed advies gestelde termijn verstreek.

55.      Het Hof heeft reeds verklaard dat aankondigingen van prijsverlagingen handelspraktijken zijn in de zin van artikel 2, sub d, van richtlijn 2005/29(13), waarin handelspraktijken „bijzonder ruim”(14) worden gedefinieerd als „iedere handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten”.

56.      Het staat dus vast dat artikel 43, § 2, van de wet van 14 juli 1991 en de artikelen 20, 21 en 29 van de wet van 6 april 2010 betrekking hebben op onder richtlijn 2005/29 vallende activiteiten.

57.      De Belgische autoriteiten zijn het met de Commissie eens dat richtlijn 2005/29 weliswaar, in de woorden van het Hof, „op communautair niveau een volledige harmonisatie van de regels inzake oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten tot stand [brengt]”(15), maar wijzen erop dat deze richtlijn niettegenstaande die volledige harmonisatie „geen specifieke en geharmoniseerde regels bevat die het mogelijk maken om de op de aankondigingen van prijsverlagingen betrekking hebbende economische realiteit vast te stellen”(16), zodat de Belgische wetgever zich op richtlijn 98/6 betreffende de bescherming van de consument inzake de prijsaanduiding van producten heeft beroepen om deze lacune op te vullen.

58.      Volgens mij gaat de zienswijze van de Belgische autoriteiten echter uit van een onjuiste veronderstelling. Ondanks haar titel heeft richtlijn 98/6 niet echt tot doel, wat het weergeven van prijzen betreft, om de consument in het algemeen te beschermen, maar wel om in het bijzonder bescherming te bieden tegen de problemen die voortvloeien uit het feit dat de prijzen van producten worden weergegeven door naar andere meeteenheden te verwijzen.

59.      Zoals aangegeven in punt 5 van de considerans van richtlijn 98/6, „[is] het aanbrengen van een verband tussen de aanduiding van de prijs per meeteenheid van de producten en de voorverpakking ervan in vooraf vastgestelde hoeveelheden of inhouden die met de op communautair niveau vastgestelde reeksen overeenstemmen, [immers] uiterst ingewikkeld [...] gebleken”, zodat „het [...] in het belang van de consument nodig is hiervan af te zien ten gunste van een nieuw vereenvoudigd mechanisme, zonder dat dit de regeling betreffende de normalisatie van de verpakkingen aantast”. Dit nieuwe mechanisme berust blijkens punt 6 van de considerans van de richtlijn op „de verplichting tot aanduiding van de verkoopprijs en de prijs per meeteenheid[, welke verplichting] een aanzienlijke bijdrage levert tot een betere voorlichting van de consumenten, aangezien zulks de consument op de eenvoudigste wijze optimale mogelijkheden biedt om de prijs van de producten te beoordelen en te vergelijken, zodat hij op basis van eenvoudige vergelijkingen weloverwogen keuzes kan maken”.

60.      Met richtlijn 98/6 wilde de Uniewetgever dus „zorgen voor een homogene en doorzichtige voorlichting”(17) met betrekking tot het kwantificeren van producten door middel van een uniform meetsysteem als basis voor de berekening van de productprijzen.

61.      In lijn daarmee bepaalt artikel 1 van richtlijn 98/6 dat deze richtlijn ertoe strekt „te voorzien in de aanduiding van de verkoopprijs en de prijs per meeteenheid van de producten die een verkoper aan de consument aanbiedt, teneinde de voorlichting aan de consument te verbeteren en een prijsvergelijking te vergemakkelijken”.(18) Alle materiële bepalingen van die richtlijn zien op de verkoopprijs en de prijs per meeteenheid.(19

62.      Richtlijn 98/6 bevat dus niets dat lijkt op „specifieke en geharmoniseerde regels die het mogelijk maken om de op de aankondigingen van prijsverlagingen betrekking hebbende economische realiteit vast te stellen”, om de reeds genoemde woorden van de Belgische autoriteiten te gebruiken. Artikel 10 van die richtlijn kan dan ook niet als grondslag dienen voor de vaststelling door de lidstaten van bepalingen die de op prijsverlagingen betrekking hebbende economische realiteit waarborgen.

63.      Volgens artikel 10 van richtlijn 98/6 „[vormt] [d]eze richtlijn [...], onverminderd de verdragsverplichtingen, voor de lidstaten geen beletsel om bepalingen aan te nemen of te handhaven die uit het oogpunt van consumentenvoorlichting en prijsvergelijking gunstiger zijn”. Dergelijke gunstigere bepalingen kunnen echter uiteraard alleen betrekking hebben op het door richtlijn 98/6 bestreken gebied, namelijk de voorlichting van consumenten over de maatstaven die als referentie dienen voor de berekening van productprijzen, zodat het gemakkelijker is om prijzen te vergelijken, niet op basis van eerdere prijzen maar op basis van verschillende meetsystemen.

64.      De aan consumenten te verstrekken informatie over „prijsverlagingen” kan dus niet worden geacht onder richtlijn 98/6 te vallen, en valt dus ook niet onder de mogelijkheid die de lidstaten in artikel 10 van die richtlijn wordt geboden.

65.      Voorts is er in artikel 3 van richtlijn 2005/29 inderdaad sprake van een aantal gevallen waarin andere voorschriften kunnen prevaleren boven haar bepalingen. Het kan daarbij gaan om communautaire voorschriften of voorschriften van de lidstaten.

66.      Meer in het bijzonder bepaalt artikel 3, lid 2, dat richtlijn 2005/29 „het verbintenissenrecht en, in het bijzonder, de regels betreffende de geldigheid, de opstelling en de rechtsgevolgen van contracten onverlet [laat]”. Mijns inziens heeft de aan de orde zijnde nationale regeling duidelijk geen betrekking op het voor overeenkomsten geldende recht, maar wel op de vraag onder welke voorwaarden een aanbod aan het publiek kan worden gedaan om een overeenkomst te sluiten, dat wil zeggen om een door het verbintenissenrecht beheerste rechtshandeling te verrichten.

67.      Daarnaast bepaalt artikel 3, lid 4, van richtlijn 2005/29 dat „[i]n geval van strijdigheid tussen de bepalingen van deze richtlijn en andere communautaire voorschriften betreffende specifieke aspecten van oneerlijke handelspraktijken, [...] laatstgenoemde voorschriften [prevaleren] en [...] deze van toepassing [zijn] op deze specifieke aspecten”. Ook dit verandert niets aan voornoemde conclusie, aangezien de door de Belgische autoriteiten aangevoerde richtlijn 98/6 om de reeds genoemde redenen en vanwege haar doel niet kan worden aangemerkt als een regeling betreffende „specifieke aspecten van oneerlijke handelspraktijken”.

68.      Ten slotte maakt artikel 3, lid 5, het mogelijk dat „[d]e lidstaten [...] gedurende een periode van zes jaar, te rekenen vanaf 12.06.2007 op het bij deze richtlijn geharmoniseerde gebied nationale bepalingen [kunnen] blijven toepassen die strenger of prescriptiever zijn dan de bepalingen van deze richtlijn en die uitvoering geven aan richtlijnen die clausules voor minimale harmonisatie bevatten”. Daar zijn twee voorwaarden aan verbonden. Ten eerste moeten dergelijke nationale maatregelen „onontbeerlijk zijn om een toereikende bescherming van de consumenten tegen oneerlijke handelspraktijken te waarborgen en evenredig zijn met dit doel”. Ten tweede moeten de lidstaten volgens artikel 3, lid 6, „de Commissie onverwijld in kennis [stellen] van de nationale bepalingen die uit hoofde van lid 5 worden toegepast”.

69.      In artikel 3, lid 5, van richtlijn 2005/29 wordt niet aangegeven welke „richtlijnen [...] clausules voor minimale harmonisatie bevatten” en gedurende een periode van zes jaar toegepast mogen blijven worden door middel van strengere nationale bepalingen. Voor uitleggingsdoeleinden kan het nuttig zijn om te verwijzen naar punt 45 van de toelichting bij het door de Commissie ingediende voorstel(20), volgens hetwelk „[i]ndien in een sectorale richtlijn alleen bepaalde aspecten van handelspraktijken worden gereguleerd, bijvoorbeeld de inhoud van de vereiste informatie, [...] de kaderrichtlijn op andere aspecten van toepassing [kan] zijn, bijvoorbeeld indien de door de sectorale wetgeving vereiste informatie op misleidende wijze wordt gepresenteerd. De richtlijn vormt bijgevolg een aanvulling op zowel bestaande als toekomstige wetgeving, zoals de voorgestelde verordening betreffende verkoopbevordering, de richtlijn betreffende consumentenkrediet en de richtlijn betreffende e‑handel”.

70.      Richtlijn 98/6 bepaalt „de inhoud van de vereiste informatie” wat prijzen betreft, maar niet, zoals reeds gezegd, wat verlaagde prijzen betreft, op welk onderwerp de in de onderhavige procedure aan de orde zijnde nationale regeling betrekking heeft. Deze regeling valt dus niet onder artikel 3, lid 5, van richtlijn 2005/29 en mag niet meer worden toegepast nadat de termijn voor de omzetting naar nationaal recht van deze richtlijn is verstreken.

71.      Daaruit kan dus alleen maar volgen dat sprake is van onverkorte gelding van het verbod in artikel 4 van richtlijn 2005/29, „dat de lidstaten uitdrukkelijk verbiedt, strengere nationale maatregelen vast te stellen of te behouden, zelfs wanneer deze maatregelen een hoger niveau van consumentenbescherming beogen te verzekeren”(21).

72.      Zoals de Commissie betoogt, kunnen aankondigingen van prijsverlagingen die niet voldoen aan voorwaarden als die welke in de Belgische wettelijke regeling zijn opgenomen, dus slechts indien er in een concreet geval sprake is van de in de artikelen 5 tot en met 9 van richtlijn 2005/29 genoemde situaties, als oneerlijk worden aangemerkt aangezien dergelijke handelspraktijken niet in bijlage I bij deze richtlijn staan vermeld.

73.      De op grond van de Belgische wettelijke regeling geldende voorwaarden voor aankondigingen van prijsverlagingen kunnen ertoe leiden dat het nationale recht aankondigingen verbiedt die geen oneerlijke of misleidende handelspraktijken opleveren in de zin van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2005/29, volgens hetwelk „[a]ls misleidend wordt beschouwd een handelspraktijk die gepaard gaat met onjuiste informatie en derhalve op onwaarheden berust of, zelfs als de informatie feitelijk correct is, de gemiddelde consument op enigerlei wijze, inclusief door de algemene presentatie, bedriegt of kan bedriegen ten aanzien van een of meer van de volgende elementen, en de gemiddelde consument er zowel in het ene als in het andere geval toe brengt of kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen: [...] d) de prijs of de wijze waarop de prijs wordt berekend, of het bestaan van een specifiek prijsvoordeel”.

74.      Aankondigingen van prijsverlagingen kunnen dus, ongeacht of zij al dan niet voldoen aan de Belgische wettelijke regeling, enkel worden geacht in strijd te zijn met het Unierecht indien zij in een concreet geval onder de aan de hand van de criteria in de artikelen 5 tot en met 9 van richtlijn 2005/29 omschreven oneerlijke praktijken vallen.

75.      Ten aanzien van het betoog van de Belgische autoriteiten dat de strengere nationale wettelijke regeling uiteindelijk haar rechtvaardiging vindt in het recht op informatie, moet er in navolging van de Commissie op worden gewezen dat, zoals in punt 15 van de considerans van richtlijn 2005/29 wordt aangegeven, alleen de vereiste informatie die „met betrekking tot commerciële communicatie, reclame en marketing” door het Unierecht is voorgeschreven „[...] in het kader van deze richtlijn als essentieel [wordt] beschouwd. De lidstaten kunnen informatieverplichtingen handhaven of toevoegen die rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking hebben op het verbintenissenrecht, wanneer zulks mogelijk is op grond van de minimumbepalingen in de bestaande communautaire rechtsinstrumenten. [...] Gegeven de bij deze richtlijn ingevoerde volledige harmonisatie wordt alleen de uit hoofde van communautaire wetgeving vereiste informatie als essentieel beschouwd voor de toepassing van artikel 7, lid 5, van deze richtlijn. Het niet geven van informatie die door de lidstaten is vereist boven de minimumclausules in het communautaire recht is geen omissie in de zin van deze richtlijn.” Het is juist dat punt 15 van de considerans vervolgens luidt dat „[d]e lidstaten [...], indien zulks krachtens de minimumclausules in het gemeenschapsrecht mogelijk is, overeenkomstig het gemeenschapsrecht strengere bepalingen [kunnen] handhaven dan wel invoeren om een hoger niveau van bescherming van de individuele contractuele rechten van consumenten te verzekeren”. Evenwel biedt richtlijn 98/6 mijns inziens in casu geen grondslag voor de aan de orde zijnde strengere wettelijke regeling, zoals ik reeds heb aangegeven.

76.      Richtlijn 2005/29 staat dan ook niet toe dat er in beginsel een verbod geldt op aankondigingen van prijsverlagingen die niet voldoen aan een nationale regeling als die welke in geding is. Een dergelijk verbod zou enkel zijn toegestaan indien er in bijlage I bij richtlijn 2005/29 sprake was geweest van zulke aankondigingen, hetgeen niet het geval is. Een verbod is dus alleen per geval mogelijk, voor zover toepassing van de in de artikelen 5 tot en met 9 van deze richtlijn genoemde criteria dit nodig maakt.

77.      Ik ben derhalve van mening dat het Koninkrijk België niet heeft voldaan aan artikel 4 van richtlijn 2005/29 aangezien artikel 43, § 2, van de wet van 14 juli 1991 en de artikelen 20, 21 en 29 van de wet van 6 april 2010 de consument een strengere en striktere bescherming bieden dan die welke krachtens deze richtlijn geldt.

C –    Derde middel van het beroep

78.      De derde door de Commissie aangevoerde tekortkoming betreft het verbod op colportage in artikel 4, § 1, derde lid, van de wet van 25 juni 1993, zoals vervangen door artikel 7 van de wet van 4 juli 2005, en het in artikel 5, eerste lid, van het koninklijk besluit van 24 september 2006 opgenomen verbod dat bepaalde producten via de ambulante handel worden verkocht. Net als bij de hiervoor onderzochte tweede tekortkoming voert de Commissie ook in dit geval aan dat richtlijn 2005/29 geen dergelijke verbodsbepalingen bevat en zich dus tegen die nationale bepalingen verzet, aangezien de daardoor tot stand gebrachte harmonisatie volledig is.

79.      Ambulante handel is duidelijk een handelspraktijk in de zin van artikel 2, sub d, van richtlijn 2005/29. Het staat naar mijn mening ook vast dat richtlijn 85/577 betreffende de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten, waarvan artikel 8 voorziet in de mogelijkheid dat „de lidstaten gunstiger bepalingen vaststellen of handhaven met het oog op de bescherming van de consument op het gebied dat door deze richtlijn wordt bestreken”, een geschikte grondslag biedt voor de strengere nationale regeling die in het Koninkrijk België van kracht is.

80.      De vraag is of dit door richtlijn 85/577 toegestane hogere niveau van bescherming ook verenigbaar is met richtlijn 2005/29, nu de praktijken waar de betrokken nationale regeling betrekking op heeft, niet behoren tot de in bijlage I bij richtlijn 2005/29 genoemde praktijken die in elk geval oneerlijk zijn.

81.      Het antwoord moet in beginsel worden gezocht in artikel 3, lid 5, van richtlijn 2005/29, dat, zoals vermeld, bepaalt dat „[d]e lidstaten [...] gedurende een periode van zes jaar, te rekenen vanaf 12.06.2007 op het bij deze richtlijn geharmoniseerde gebied nationale bepalingen [kunnen] blijven toepassen die strenger of prescriptiever zijn dan de bepalingen van deze richtlijn en die uitvoering geven aan richtlijnen die clausules voor minimale harmonisatie bevatten. Deze maatregelen moeten onontbeerlijk zijn om een toereikende bescherming van de consumenten tegen oneerlijke handelspraktijken te waarborgen en evenredig zijn met dit doel.” Bovendien moeten de lidstaten overeenkomstig artikel 3, lid 6, „de Commissie onverwijld in kennis [stellen] van de nationale bepalingen die uit hoofde van lid 5 worden toegepast”.

82.      Op grond van richtlijn 2005/29 is er dus een overgangssituatie mogelijk waarin de lidstaten strengere of striktere maatregelen kunnen nemen mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. In de eerste plaats moeten die maatregelen uitvoering geven aan bepaalde richtlijnen. In de tweede plaats moet het gaan om maatregelen die onontbeerlijk zijn om consumenten te beschermen tegen oneerlijke praktijken en evenredig zijn aan het bereiken van dit doel. In de derde plaats moet de Commissie onverwijld in kennis worden gesteld van dergelijke maatregelen.

83.      In de onderhavige zaak werd zowel het verbod op bepaalde vormen van ambulante handel als het verbod dat bepaalde producten via de ambulante handel worden verkocht, ingevoerd door nationaal recht dat is vastgesteld na de inwerkingtreding van richtlijn 2005/29 en vóór 12 juni 2013, de datum waarop de overgangsperiode van artikel 3, lid 5, van richtlijn 2005/29 verstreek.

84.      Meteen rijst de vraag of artikel 3, lid 5, van richtlijn 2005/29 uitsluitend betrekking heeft op strengere nationale regels die reeds werden toegepast toen richtlijn 2005/29 in werking trad, aangezien de woorden „kunnen [...] blijven toepassen” erop lijken te wijzen dat daarna geen dergelijke regels meer konden worden vastgesteld.

85.      Ik meen dat artikel 3, lid 5, inderdaad slechts ziet op nationale regels die bij de inwerkingtreding van richtlijn 2005/29 reeds van toepassing waren. Hoe het ook zij, de beslissende factor in de onderhavige zaak is echter niet zozeer of de strengere nationale regels al dan niet werden toegepast bij die inwerkingtreding, maar wel of deze regels al dan niet konden worden vastgesteld om uitvoering te geven aan richtlijnen die clausules voor minimale harmonisatie bevatten in de zin van artikel 3, lid 5.

86.      In deze bepaling is immers sprake van „nationale bepalingen [...] die strenger of prescriptiever zijn dan de bepalingen van deze richtlijn en die uitvoering geven aan richtlijnen die clausules voor minimale harmonisatie bevatten”. Indien op grond van die richtlijnen daarna nog strengere regels kunnen worden vastgesteld, kunnen die regels ook krachtens artikel 3, lid 5, van richtlijn 2005/29 van toepassing worden geacht.

87.      Voorts voorziet artikel 8 van richtlijn 85/577 in de mogelijkheid dat de lidstaten strengere bepalingen „vaststellen of handhaven”(22), zodat er volgens mij moet worden geconcludeerd dat de omstandigheid dat die bepalingen mogelijk na de inwerkingtreding van richtlijn 2005/29 zijn vastgesteld, irrelevant is.

88.      Vervolgens zou in beginsel thans moeten worden nagegaan of de betrokken nationale bepalingen overeenkomstig artikel 3, lid 5, van richtlijn 2005/29 „onontbeerlijk zijn om een toereikende bescherming van de consumenten tegen oneerlijke handelspraktijken te waarborgen en evenredig zijn met dit doel”.

89.      Ik meen evenwel dat deze twee punten niet behoeven te worden onderzocht aangezien vaststaat dat hoe dan ook niet is voldaan aan de in artikel 3, lid 6, van richtlijn 2005/29 neergelegde verplichting dat de lidstaten „de Commissie onverwijld in kennis [stellen] van de nationale bepalingen die uit hoofde van lid 5 worden toegepast”.

90.      De Belgische autoriteiten hebben de strengere regels van artikel 4, § 1, derde lid, van de wet van 25 juni 1993, zoals vervangen door artikel 7 van de wet van 4 juli 2005, en artikel 5, eerste lid, van het koninklijk besluit van 24 september 2006 niet „onverwijld” meegedeeld. Het lijkt mij dan ook duidelijk dat de in artikel 3, lid 5, van richtlijn 2005/29 opgenomen tijdelijke afwijking in dit geval niet van toepassing is, zodat moet worden geconcludeerd dat ten aanzien van het Koninkrijk België sprake is van de in dit verband door de Commissie gestelde tekortkoming.

91.      Overeenkomstig artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering moet het Koninkrijk België in de kosten worden verwezen aangezien alle middelen van het beroep gegrond zijn.

VI – Conclusie

92.      Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging te beslissen als volgt:

„1)      Het Koninkrijk België heeft, door beoefenaren van vrije beroepen alsmede tandartsen en fysiotherapeuten uit te zonderen van de werkingssfeer van de wet van 5 juni 2007, waarin richtlijn 2005/29 is omgezet, niet voldaan aan artikel 3 juncto artikel 2, sub b en d, van richtlijn 2005/29.

2)      Het Koninkrijk België heeft, door in artikel 43, § 2, van de wet van 14 juli 1991 en in de artikelen 20, 21 en 29 van de wet van 6 april 2010 te voorzien in een strengere of stringentere bescherming dan die welke krachtens richtlijn 2005/29 geldt, niet voldaan aan artikel 4 van richtlijn 2005/29.

3)      Het Koninkrijk België heeft, door in artikel 4, § 1, derde lid, van de wet van 25 juni 1993, zoals vervangen door artikel 7 van de wet van 4 juli 2005, bepaalde colportage te verbieden en door in artikel 5, eerste lid, van het koninklijk besluit van 24 september 2006 te verbieden dat bepaalde producten via de ambulante handel worden verkocht, niet voldaan aan artikel 4 van richtlijn 2005/29.

4)      Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten.”


1 – Oorspronkelijke taal: Spaans.


2 –      Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 149, blz. 22).


3 – Richtlijn 85/577/EEG van de Raad van 20 december 1985 betreffende de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten (PB L 372, blz. 31).


4 – Richtlijn 98/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende de bescherming van de consument inzake de prijsaanduiding van aan de consument aangeboden producten (PB L 80, blz. 27).


5 –      Belgisch Staatsblad van 21 juni 2007, nr. 2007011259, blz. 34272.


6 – Belgisch Staatsblad van 12 april 2010, nr. 2010011166, blz. 20803.


7 – Belgisch Staatsblad van 20 november 2002, nr. 2002009820, blz. 51704.


8 – Belgisch Staatsblad van 30 september 1993, nr. 199301806, blz. 21526.


9 – Belgisch Staatsblad van 25 augustus 2005, nr. 2005011312, blz. 36965.


10 – Belgisch Staatsblad van 29 september 2006, nr. 2006022950, blz. 50488.


11 – Richtlijn 84/450/EEG van de Raad van 10 september 1984 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake misleidende reclame (PB L 250, blz. 17).


12 – Zaak C‑144/99 (Jurispr. blz. I‑3541), punt 21.


13 –      Dit is uitdrukkelijk bevestigd in de beschikking van 15 december 2011, Inno (C‑126/11), punt 30, onder verwijzing naar de rechtspraak die is ontwikkeld in de arresten van 14 januari 2010, Plus Warenhandelsgesellschaft (C‑304/08, Jurispr. blz. I‑217), en 9 november 2010, Mediaprint Zeitungs‑ und Zeitschriftenverlag (C‑540/08, Jurispr. blz. I‑10909).


14 – Arrest Plus Warenhandelsgesellschaft, reeds aangehaald, punt 36.


15 – Arrest Plus Warenhandelsgesellschaft, punt 41.


16 – Punt 36 van het verweerschrift.


17 –      Punt 12 van de considerans van richtlijn 98/6.


18 – In artikel 2 van de richtlijn wordt „verkoopprijs” gedefinieerd als „de uiteindelijke prijs voor een eenheid van het product of een gegeven hoeveelheid van het product [...]”, en „prijs per meeteenheid” als „de uiteindelijke prijs [...] voor een kilogram, een liter, een meter, een vierkante meter of een kubieke meter van het product of van een andere enkelvoudige meeteenheid die algemeen en gewoonlijk in de betrokken lidstaat bij de verkoop van bepaalde producten wordt gebruikt”. Onder „los verkocht product” ten slotte wordt volgens deze bepaling verstaan „een product dat niet vooraf wordt verpakt en in tegenwoordigheid van de consument wordt gemeten of gewogen”.


19 – Aanduiding van beide prijzen voor alle producten die een verkoper aan de consument aanbiedt (artikel 3), vereiste dat beide prijzen ondubbelzinnig en duidelijk zijn en dat de prijs per meeteenheid betrekking heeft op een overeenkomstig de nationale en communautaire bepalingen aangegeven hoeveelheid (artikel 4), en mogelijke vrijstellingen (artikel 5).


20 –      COM(2003) 356 definitief, 2003/0134 (COD).


21 –      Arrest Plus Warenhandelsgesellschaft, punt 50.


22 –      Cursivering van mij.