Language of document : ECLI:EU:C:2013:777

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

28 november 2013 (*)

„Hogere voorziening – Toegang tot documenten van instellingen – Verordening (EG) nr. 1049/2001 – Uitzonderingen op recht van toegang – Artikel 4, lid 1, sub a, eerste en derde streepje – Openbare veiligheid – Internationale betrekkingen”

In de zaak C‑576/12 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 3 december 2012,

Ivan Jurašinović, wonende te Angers (Frankrijk), vertegenwoordigd door N. Amara-Lebret, avocate,

rekwirant,

andere partij in de procedure:

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door K. Pellinghelli en B. Driessen als gemachtigden,

verweerder in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: A. Tizzano (rapporteur), kamerpresident, A. Borg Barthet, E. Levits, M. Berger en S. Rodin, rechters,

advocaat-generaal: E. Sharpston,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Met zijn hogere voorziening verzoekt I. Jurašinović om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 3 oktober 2012, Jurašinović/Raad (T‑465/09; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht heeft verworpen zijn beroep strekkende tot nietigverklaring van de beschikking van de Raad van de Europese Unie van 21 september 2009 (hierna: „litigieuze beschikking”) waarbij gedeeltelijk toegang is verleend tot sommige rapporten van de waarnemers van de Europese Unie die van 1 augustus tot en met 31 augustus 1995 in de Republiek Kroatië, in de regio rond Knin, aanwezig waren (hierna: „rapporten”).

 Toepasselijke bepalingen

2        Artikel 2, lid 5, van verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145, blz. 43), luidt als volgt:

„Voor gevoelige documenten in de zin van artikel 9, lid 1, geldt overeenkomstig dat artikel een bijzondere behandeling.”

3        Artikel 4, lid 1, sub a, van deze verordening bepaalt:

„De instellingen weigeren de toegang tot een document wanneer de openbaarmaking ervan zou leiden tot ondermijning van de bescherming van:

a)      het openbaar belang, wat betreft:

–      de openbare veiligheid,

[...]

–      de internationale betrekkingen,

[...]”

4        Artikel 9 van deze verordening, met als opschrift „Behandeling van gevoelige documenten”, bepaalt in lid 1 ervan:

„Gevoelige documenten zijn documenten die afkomstig zijn van de instellingen of van de agentschappen hiervan, van lidstaten, van derde landen of van internationale organisaties, en die op grond van de regels van de betrokken instelling ter bescherming van wezenlijke belangen van de Europese Unie, of van één of meer van haar lidstaten, op de gebieden van artikel 4, lid 1, sub a, in het bijzonder openbare veiligheid, defensie en militaire aangelegenheden, als ‚TRÈS SECRET/TOP SECRET’, ‚SECRET’ of ‚CONFIDENTIEL’ zijn gerubriceerd.”

 Voorgeschiedenis van het geding

5        Bij brief van 4 mei 2009 heeft Jurašinović, zich baserend op zijn hoedanigheid van burger van de Unie met Franse nationaliteit, op basis van verordening nr. 1049/2001 de Raad verzocht hem de toegang te verlenen tot 205 rapporten en tot documenten met de referentie „ECMM RC Knin Log reports”. Deze documenten zijn opgesteld in het kader van een waarnemingsmissie in Kroatië die de Europese Gemeenschap tijdens de conflicten in voormalig Joegoslavië heeft uitgevoerd (hierna: „ECMM”).

6        De Raad heeft bij de litigieuze beschikking slechts de gedeeltelijke toegang tot acht rapporten verleend.

7        De Raad heeft zijn weigering om de documenten met de referentie „ECMM RC Knin Log reports” openbaar te maken, gerechtvaardigd met het argument dat hij niet over documenten met deze referentie beschikte.

8        Betreffende de andere rapporten waarvan om de overlegging was gevraagd, heeft de Raad als weigeringsgrond voor openbaarmaking de uitzonderingen van artikel 4, lid 1, sub a, eerste en derde streepje, van verordening nr. 1049/2001 aangevoerd.

9        Meer in het bijzonder was de Raad van mening dat, allereerst, de vrijgave van alle rapporten de belangen van de Unie zou schaden aangezien daardoor niet enkel de internationale betrekkingen van de Unie en van haar lidstaten met de betrokken regio van Europa in gevaar zouden worden gebracht, maar ook de openbare veiligheid, en met name de veiligheid en de fysieke integriteit van de waarnemers, getuigen en andere informatiebronnen, van wie de identiteit en de beoordelingen door de openbaarmaking van de betrokken rapporten zouden worden onthuld.

10      Voorts heeft de Raad geoordeeld dat deze rapporten „zeer gevoelig bleven, ook al was er veertien jaar verstreken sinds de daarin weergegeven feiten”.

11      Ten slotte heeft de Raad, in antwoord op een argument van Jurašinović dat de gevraagde documenten reeds waren openbaargemaakt, erkend dat hij de betrokken documenten had overgelegd aan het door de Verenigde Naties opgerichte Internationaal Straftribunaal voor het voormalige Joegoslavië (hierna: „ICTY”) in het kader van de voor dit tribunaal aanhangige zaak Gotovina e.a. Deze overlegging was echter gebeurd onder toepassing van het beginsel van internationale samenwerking met een internationaal tribunaal en niet op basis van verordening nr. 1049/2001.

 Procesverloop bij het Gerecht en bestreden arrest

12      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 19 november 2009, heeft Jurašinović beroep tot nietigverklaring van de litigieuze beschikking ingesteld. Het Gerecht heeft alle drie de middelen waarop dit beroep was gebaseerd afgewezen.

13      In de eerste plaats heeft het Gerecht in de punten 42 en 43 van het betreden arrest het eerste middel van Jurašinović afgewezen. Volgens dit middel was de toegang tot de gevraagde documenten mogelijk op grond van de gestelde neutraliteit van de rapporten, voortvloeiende uit de omstandigheid dat de ECMM geen partij was bij het conflict in voormalig Joegoslavië. Het Gerecht heeft in het bijzonder geoordeeld dat deze omstandigheid, gesteld dat zij was aangetoond, irrelevant was voor de beantwoording van de vraag of de openbaarmaking van de rapporten de bescherming van het algemeen belang, wat de internationale betrekkingen betreft, al dan niet kon ondermijnen, aangezien de rapporten beoordelingen over en analyses van de politieke, militaire, en veiligheidssituatie in de Knin-zone in augustus 1995 bevatten. Bijgevolg zou de openbaarmaking van de inhoud van deze rapporten afbreuk hebben kunnen doen aan het beleid van de Unie om in deze regio van Europa vrede, stabiliteit en een duurzame regionale verzoening te bevorderen, en voorts een situatie hebben kunnen creëren die het vertrouwen van de westelijke Balkanlanden in het ten aanzien van de Unie begonnen integratieproces had kunnen doen afbrokkelen.

14      In de tweede plaats heeft het Gerecht, in de punten 50 en 51 van het bestreden arrest, het tweede middel van Jurašinović afgewezen, volgens hetwelk de rapporten hadden moeten worden openbaargemaakt aangezien zij niet vooraf als „gevoelig” in de zin van artikel 9 van verordening nr. 1049/2001 waren aangemerkt. Het Gerecht heeft in dit verband opgemerkt dat noch uit deze bepaling, noch uit artikel 4 van deze verordening voortvloeit dat het de betrokken instelling verboden is om, wanneer een dergelijke kwalificatie van een document ontbreekt, de toegang tot dit document te weigeren wegens het gevaar van ondermijning van de bescherming van het algemeen belang, wat de internationale betrekkingen betreft, indien het gevraagde document gevoelige gegevens zou bevatten.

15      In de derde plaats heeft het Gerecht, in de punten 55 tot en met 63 van het bestreden arrest, het derde middel van Jurašinović afgewezen. Volgens dit middel had de Raad, op basis van verordening nr. 1049/2001 en niet krachtens het – niet‑bestaande – beginsel van internationale samenwerking, de rapporten eerder in het kader van de zaak Gotovina e.a. aan het ICTY overgelegd. Het Gerecht heeft in dit verband opgemerkt dat alle archieven van de ECMM in de jaren 90 aan het ICTY zijn overgedragen om de aanklager bij het ICTY in staat te stellen de personen te vervolgen die worden verdacht van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht op het grondgebied van voormalig Joegoslavië vanaf 1991. Om diezelfde reden heeft de Raad in het kader van die zaak, overeenkomstig artikel 70 B van het Reglement van proces- en bewijsvoering van het ICTY, de aanklager 48 van de rapporten waarvoor Jurašinović om de toegang had verzocht, overgelegd. In ieder geval heeft het Gerecht vastgesteld dat het door Jurašinović ingestelde beroep tot nietigverklaring niet de rechtmatigheid betrof van het besluit van de Raad houdende toestemming tot overlegging van deze 48 rapporten. Bovendien wijst niets in het dossier erop dat de Raad Gotovina deze 48 rapporten heeft overgelegd naar aanleiding van een op basis van verordening nr. 1049/2001 ingediend verzoek om toegang.

 Conclusies van partijen

16      Jurašinović verzoekt het Hof:

–        het bestreden arrest te vernietigen en de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht of anders de bestreden beschikking nietig te verklaren,

–        de Raad te gelasten de toegang te verlenen tot alle gevraagde documenten, en

–        de Raad te veroordelen tot betaling van 8 000 EUR als proceskosten vermeerderd met rente tegen het tarief van de Europese Centrale Bank op de dag waarop het verzoekschrift is ingeschreven.

17      De Raad concludeert tot afwijzing van de hogere voorziening en tot verwijzing van Jurašinović in de kosten.

 Hogere voorziening

18      Tot staving van zijn hogere voorziening voert Jurašinović drie middelen aan.

 Eerste middel

 Argumenten van partijen

19      Met zijn eerste middel voert Jurašinović in wezen aan dat het Gerecht, doordat het over het beroep tot nietigverklaring uitspraak heeft gedaan zonder voorafgaand de betrokken documenten in te zien en te onderzoeken, niet de „eerlijkheid van het proces” heeft geëerbiedigd.

20      Volgens de Raad is dit middel allereerst kennelijk niet-ontvankelijk, aangezien Jurašinović niet de rechtsregel heeft aangeduid die zou zijn geschonden.

21      Bovendien betoogt de Raad dat hoe dan ook geen enkel voorschrift het Gerecht verplicht om, alvorens uitspraak te doen over een beroep tot nietigverklaring van een beschikking houdende weigering van toegang tot documenten waarvoor om de toegang is verzocht, hetzij de overlegging van deze documenten te vragen, hetzij deze documenten te onderzoeken. Volgens de Raad leggen immers noch de rechtspraak, noch de bepalingen van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht betreffende de maatregelen tot organisatie van de procesgang en maatregelen van instructie een dergelijke verplichting op en heeft het Gerecht in dit verband de mogelijkheid om de overlegging van deze documenten te vragen.

 Beoordeling door het Hof

22      Om te beginnen moet worden opgemerkt dat, anders dan de Raad aanvoert, uit de door Jurašinović aangevoerde argumenten blijkt dat hij duidelijk heeft gesteld dat het recht op een eerlijk proces is geschonden, met name omdat het Gerecht de gevraagde documenten niet heeft onderzocht. Het eerste middel is derhalve ontvankelijk.

23      Ten gronde moet worden nagegaan of, zoals Jurašinović beweert, het Gerecht verplicht was de overlegging van de gevraagde documenten te gelasten teneinde op het beroep tot nietigverklaring te beslissen.

24      In dit verband moet worden vastgesteld dat geen enkel procedurevoorschrift van het Gerecht een dergelijke verplichting oplegt.

25      Zoals de Raad terecht heeft opgemerkt, bepalen de voorschriften van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht betreffende de maatregelen tot organisatie van de procesgang en maatregelen van instructie, met name de artikelen 64, lid 3, sub d, 65, sub b, en 67, lid 3, ervan, immers enkel dat het Gerecht, in voorkomend geval, kennis kan nemen van een document waartoe het publiek de toegang is geweigerd door aan de betrokken instelling de overlegging van dit document te vragen.

26      Overigens moet in dit verband daaraan worden toegevoegd dat de rechtmatigheid van een beschikking tot weigering van de toegang tot documenten, zoals aan de orde in de onderhavige zaak, in beginsel moet worden beoordeeld op basis van de gronden waarop die beschikking is vastgesteld en niet zozeer louter op basis van de inhoud van de gevraagde documenten.

27      Het is ongetwijfeld juist dat wanneer de verzoeker de rechtmatigheid ter discussie stelt van een beschikking waarbij hem de toegang tot een document is geweigerd op basis van een van de uitzonderingen van artikel 4 van verordening nr. 1049/2001, door te betogen dat de door de betrokken instelling aangevoerde uitzondering niet op het gevraagde document toepasselijk was, het Gerecht, met inachtneming van de rechterlijke bescherming van verzoeker, de overlegging van dit document dient te gelasten en het dient te onderzoeken. Alleen wanneer het Gerecht dit document zelf heeft ingezien, zal het immers in staat zijn in concreto te beoordelen of deze instelling op grond van de aangevoerde uitzondering de toegang tot dit document geldig mocht weigeren, en, bijgevolg, de rechtmatigheid te beoordelen van een beschikking houdende weigering van toegang tot dit document (zie in die zin arrest van 21 juni 2012, IFAW Internationaler Tierschutz-Fonds/Commissie, C‑135/11 P, punt 75).

28      Zoals blijkt uit met name de punten 18 en 29 van het bestreden arrest heeft Jurašinović in eerste aanleg echter niet betoogd dat de uitzonderingen van artikel 4, lid 1, sub a, eerste en derde streepje, van verordening nr. 1049/2001 niet op de betrokken documenten van toepassing waren, maar heeft hij enkel de gegrondheid betwist van de argumenten die de Raad in de litigieuze beschikking heeft aangevoerd om aan te tonen dat de openbaarmaking van deze documenten de door deze uitzonderingen beschermde belangen zou ondermijnen.

29      Gesteld kan echter niet worden dat het Gerecht, ter beoordeling van de rechtmatigheid van de redenen voor de weigering van toegang tot een document die zijn aangevoerd door een instelling op basis van een uitzondering waarvan de toepasselijkheid niet ter discussie staat, verplicht zou zijn systematisch te gelasten dat het document waartoe om de toegang is verzocht integraal wordt overgelegd.

30      Het Gerecht kan immers in de uitoefening van de discretionaire bevoegdheid waarover het bij de beoordeling van bewijselementen beschikt, beslissen of het in een concreet geval noodzakelijk is dat dit document aan hem wordt overgelegd om te onderzoeken of de redenen op grond waarvan een instelling de toegang tot dit document heeft geweigerd, gegrond zijn.

31      Derhalve moet het eerste middel ongegrond worden verklaard.

 Tweede middel

 Argumenten van partijen

32      Met zijn tweede middel voert Jurašinović allereerst aan dat het Gerecht, door te oordelen dat de Raad de toegang tot de gevraagde documenten kon weigeren omdat deze documenten „gevoelige gegevens” bevatten, ook al waren deze documenten vooraf niet als „gevoelige documenten” in de zin van artikel 9, lid 1, van verordening nr. 1049/2001 aangemerkt, deze bepaling en artikel 4, lid 1, van deze verordening heeft geschonden. Een dergelijke uitlegging breidt de werkingssfeer van dat artikel 9, lid 1, immers uit tot buiten hetgeen in de bewoordingen ervan is voorzien, en verleent voorts de instellingen een discretionair recht om de toegang te weigeren tot ieder document door het achteraf, en niet vanaf het ontstaan ervan, als „gevoelig” aan te merken.

33      Bovendien is een dergelijke extensieve uitlegging van artikel 9, lid 1, van verordening nr. 1049/2001 volgens Jurašinović nog minder gerechtvaardigd wanneer, zoals in casu, de betrokken instelling om redenen van bescherming van internationale betrekkingen, de toegang weigert tot documenten die niet in de zin van deze bepaling als gevoelig zijn aangemerkt. Deze bepaling verwijst immers enkel naar de „openbare veiligheid, defensie en militaire aangelegenheden”, en niet naar de bescherming van internationale betrekkingen.

34      Ten slotte is volgens Jurašinović de omstandigheid dat de gevraagde documenten zijn opgesteld vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 1049/2001 niet ter zake dienend, aangezien de Raad de – in casu niet gebruikte – mogelijkheid had om de documenten na hun vaststelling als „gevoelig” in de zin van artikel 9, lid 1, te aan te merken.

35      In dit verband brengt de Raad allereerst hiertegen in dat de argumenten van Jurašinović op een kennelijk onjuiste premisse berusten, aangezien de litigieuze beschikking uitsluitend was gebaseerd op artikel 4, lid 1, sub a, eerste en derde streepje, van verordening nr. 1049/2001, en niet op artikel 9 ervan. Bovendien dateren de betrokken documenten van vóór de vaststelling van verordening nr. 1049/2001 en konden zij om die reden niet als „gevoelig” in de zin van dat artikel 9, lid 1, worden aangemerkt.

36      Voorts betoogt de Raad dat de redenering van Jurašinović het begrip „gevoelig document”, omschreven in artikel 9, lid 1, van verordening nr. 1049/2001, verwart met het door het Gerecht gebruikte begrip „gevoelig gegeven”. Het eerste begrip heeft immers betrekking op documenten die overeenkomstig deze bepaling als „CONFIDENTIEL”, „SECRET” of „TRÈS SECRET” zijn gerubriceerd, terwijl het tweede begrip betrekking heeft op informatie waarvan de openbaarmaking de bescherming van het algemeen belang, wat de internationale betrekkingen betreft, kan ondermijnen.

37      Ten slotte merkt de Raad op dat de door Jurašinović voorgestelde lezing van de betrokken bepalingen de uitzondering betreffende de internationale betrekkingen, bedoeld in artikel 4 van verordening nr. 1049/2001, onwerkzaam zou maken, aangezien zij impliceert dat deze uitzondering alleen zou kunnen worden ingeroepen wanneer artikel 9 van deze verordening van toepassing is, terwijl dit artikel niet verwijst naar de bescherming van de internationale betrekkingen van de Unie.

 Beoordeling door het Hof

38      Allereerst moet worden vastgesteld dat uit de punten 7 en 43 van het bestreden arrest blijkt dat de litigieuze beschikking uitsluitend op basis van artikel 4, lid 1, sub a, eerste en derde streepje, van verordening nr. 1049/2001 is vastgesteld, met name omdat de rapporten gevoelige gegevens bevatten die de bescherming van het algemeen belang, wat de openbare veiligheid en de internationale betrekkingen betreft, hadden kunnen ondermijnen. De Raad heeft deze rapporten dus niet aan het specifieke regime voor gevoelige documenten van artikel 9 van verordening nr. 1049/2001 onderworpen.

39      Volgens Jurašinović had de Raad zich echter slechts op de uitzonderingen op dat artikel 4 kunnen beroepen om de toegang tot de rapporten te weigeren indien hij deze rapporten vooraf en overeenkomstig artikel 9, lid 1, van verordening nr. 1049/2001 als „TRÈS SECRET/TOP SECRET”, „SECRET” of „CONFIDENTIEL” had gerubriceerd.

40      Deze uitlegging van de artikelen 4 en 9 van verordening nr. 1049/2001 kan niet worden aanvaard.

41      In dit verband moet allereerst worden opgemerkt dat, zoals het Gerecht in punt 51 van het bestreden arrest op goede gronden heeft geoordeeld, noch uit artikel 4, noch uit artikel 9 van verordening nr. 1049/2001 volgt dat het feit dat een document niet vooraf overeenkomstig artikel 9, lid 1, als een gevoelig document is aangemerkt, een instelling zou verbieden de toegang tot een document op basis van artikel 4 te weigeren.

42      Bovendien hebben deze bepalingen verschillende doelstellingen.

43      Zoals ook blijkt uit artikel 2, lid 5, van verordening nr. 1049/2001, beoogt, enerzijds, artikel 9 van deze verordening immers slechts te voorzien in een bijzondere behandeling – met name door de personen die zijn belast met het behandelen van de verzoeken om de toegang tot de documenten van de instellingen – van de documenten die als gevoelig zijn aangemerkt en op grond van de regels van de betrokken instelling ter bescherming van de wezenlijke belangen van de Unie of van één of meer van haar lidstaten op de gebieden omschreven in artikel 4, lid 1, sub a, van verordening nr. 1049/2001, als „TRÈS SECRET/TOP SECRET”, „SECRET” of „CONFIDENTIEL” zijn gerubriceerd.

44      Anderzijds machtigt artikel 4 van verordening nr. 1049/2001, waarin uitzonderingen worden gemaakt op het bij artikel 1 van deze verordening aan het publiek toegekende recht van toegang tot de documenten van de instellingen, de instellingen om de toegang tot een document te weigeren teneinde te vermijden dat door de openbaarmaking ervan een van de door dit artikel 4 beschermde belangen wordt ondermijnd (zie in die zin arresten van 1 februari 2007, Sison/Raad, C‑266/05 P, Jurispr. blz. I‑1233, punt 62, en 17 oktober 2013, Raad/Access Info Europe, C‑280/11 P, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45      Volgens vaste rechtspraak, ten slotte, dient de betrokken instelling, wanneer zij de toegang weigert tot een document waarvan haar om openbaarmaking is verzocht, in beginsel aan te geven op welke wijze de toegang tot dat document concreet en daadwerkelijk het belang zou kunnen ondermijnen dat wordt beschermd door een in artikel 4 van verordening nr. 1049/2001 vermelde uitzondering waarop de instelling zich beroept. Voorts moet het risico van een dergelijke ondermijning redelijkerwijs voorzienbaar en niet louter hypothetisch zijn (arrest van 21 juli 2011, Zweden/MyTravel en Commissie, C‑506/08 P, Jurispr. blz. I‑6237, punt 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

46      In deze context kan de omstandigheid dat een instelling van mening is dat een document gevoelig is in de zin van artikel 9 van verordening nr. 1049/2001, met als gevolg dat de verzoeken om de toegang tot dit document aan de bijzondere behandeling van deze bepaling dienen te worden onderworpen, op zich niet rechtvaardigen dat de uitzonderingen van artikel 4, lid 1, sub a, van verordening nr. 1049/2001 op dit document worden toegepast.

47      Op dezelfde wijze kan, omgekeerd, op grond van de enkele omstandigheid dat een document niet als „gevoelig” in de zin van dat artikel 9 is aangemerkt, niet de toepassing worden uitgesloten van de uitzonderingen van artikel 4, lid 1, sub a, van verordening nr. 1049/2001, zonder dat laatstgenoemde bepaling haar nuttige werking wordt ontnomen.

48      Bijgevolg moet het tweede middel ongegrond worden verklaard.

 Derde middel

 Argumenten van partijen

49      Met zijn derde middel verwijt Jurašinović het Gerecht in wezen op een aantal punten blijk te hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de afwijzing van het argument dat de Raad hem ten onrechte de toegang tot de rapporten had geweigerd, terwijl de Raad deze rapporten reeds op basis van verordening nr. 1049/2001 aan derden had overgelegd, in casu aan de aanklager bij het ICTY en aan de verdediging van Gotovina.

50      In de eerste plaats betoogt Jurašinović dat de rapporten niet op basis van een vermeend, maar niet-bestaand beginsel van internationale samenwerking met een internationaal tribunaal zijn overgelegd, maar onder toepassing van verordening nr. 1049/2001. In die omstandigheden kon de Raad andere derden, zoals Jurašinović, niet de toegang weigeren tot documenten die hij reeds aan Gotovina had overgelegd. Een dergelijke weigering discrimineert immers tussen Jurašinović en Gotovina, die beiden burgers van de Unie zijn.

51      In antwoord op deze argumenten betoogt de Raad dat Jurašinović de toegang van het publiek tot de documenten van de instellingen verwart met de bevoorrechte toegang tot deze documenten. Enkel de eerste soort toegang wordt door verordening nr. 1049/2001 geregeld en heeft een erga‑omneswerking. Wanneer daarentegen op basis van een andere rechtsgrond dan verordening nr. 1049/2001 de toegang tot een document wordt verleend, gaat het om een bevoorrechte toegang en betreft die slechts de begunstigde. De Raad preciseert dat de overlegging van de betrokken documenten aan de aanklager bij het ICTY en aan de verdediging van Gotovina tot het tweede soort toegang behoort en past binnen de doelstellingen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie, waartoe eveneens de bevordering van de internationale samenwerking behoort.

52      In de tweede plaats betwist Jurašinović de vaststelling van het Gerecht dat de betrokken documenten aan de aanklager bij het ICTY en aan de verdediging van Gotovina zijn overgelegd op basis van artikel 70 B van het Reglement van proces‑ en bewijsvoering van het ICTY, aangezien deze vaststelling louter, en met uitsluiting van elk ander bewijselement, is gebaseerd op de toelichtingen van de Raad in zijn verweerschrift en ter terechtzitting. Voorts komt Jurašinović op tegen de vaststelling van het Gerecht dat de volledige archieven van de ECMM tijdens de jaren 90 aan het ICTY zijn gezonden om de aanklager bij het ICTY in staat te stellen de personen te vervolgen die worden verdacht van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht op het grondgebied van voormalig Joegoslavië vanaf 1991, terwijl de vertegenwoordigster van de Raad niet in staat was om ter terechtzitting de precieze datum te geven waarop de documenten aan het ICTY zouden zijn gezonden.

53      De Raad betoogt dat de vraag of artikel 70 B van het Reglement van proces- en bewijsvoering van het ICTY de rechtsgrond vormde voor de overlegging van de betrokken documenten, vanuit het oogpunt van het recht van de Unie irrelevant is. In de onderhavige zaak moet immers worden bepaald of verordening nr. 1049/2001 of de voordien geldende regeling van het Unierecht, namelijk het besluit 93/731/EG van de Raad van 20 december 1993 betreffende toegang van het publiek tot documenten van de Raad (PB L 340, blz. 43), de rechtsgrond vormde voor de overlegging van de betrokken documenten aan de aanklager bij het ICTY en aan de verdediging van Gotovina. Volgens de Raad was dat niet het geval, aangezien de betrokken documenten waren overgelegd in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie.

54      In de derde plaats betoogt Jurašinović dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de litigieuze beschikking niet minstens gedeeltelijk nietig te verklaren op grond dat 48 rapporten daadwerkelijk aan de verdediging van Gotovina zijn overgelegd.

55      De Raad voert in dit verband aan dat deze 48 rapporten niet openbaar waren.

56      In de vierde en laatste plaats betoogt Jurašinović dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting doordat het een brief van 30 mei 2007, waarin Gotovina de Raad op basis van verordening nr. 1049/2001 om de toegang tot de rapporten had verzocht, niet in aanmerking heeft genomen omdat deze brief niet was overgelegd in het kader van zaak T‑465/09 die tot het bestreden arrest heeft geleid. In dit verband voert Jurašinović aan dat hij slechts kennis van deze brief heeft genomen nadat het onderzoek in deze zaak was afgesloten, waardoor hij dit document niet kon overleggen, temeer daar het Gerecht zijn repliek had afgewezen omdat hij die te laat had ingediend. Diezelfde brief is echter neergelegd in het kader van zaak T‑63/10, die heeft geleid tot het arrest van het Gerecht van 3 oktober 2012, Jurašinović/Raad, waarin dezelfde partijen tegenover elkaar stonden voor dezelfde rechtsprekende formatie. Het Gerecht had bijgevolg niet geldig aan het bestaan van deze brief kunnen twijfelen.

57      In dit verband brengt de Raad hiertegen in dat het verzoek waarnaar Jurašinović verwijst niet was ingediend op basis van verordening nr. 1049/2001, aangezien het een verzoek om een bevoorrechte toegang vormde. De Raad betoogt dat hij dit verzoek in ieder geval niet heeft behandeld alsof het onder verordening nr. 1049/2001 viel en voorts dat de documenten niet rechtstreeks naar de verdediging van Gotovina zijn verstuurd.

 Beoordeling door het Hof

58      Ter beantwoording van deze argumenten volstaat het vast te stellen dat – zelfs gesteld dat, zoals Jurašinović aanvoert, het verlenen van de toegang tot een document aan een verzoeker op basis van verordening nr. 1049/2001 tot gevolg heeft dat datzelfde document moet worden overgelegd aan elke andere verzoeker die verzoekt om de toegang tot dat document – uit het bestreden arrest blijkt dat Jurašinović niet heeft aangetoond dat de verdediging van Gotovina en de aanklager bij het ICTY de toegang tot de rapporten is verleend op basis van verordening nr. 1049/2001.

59      Zoals immers blijkt uit punt 63 van het bestreden arrest, heeft Jurašinović zich in dit verband ter terechtzitting enkel op een brief van 30 mei 2007 beroepen, waarin Gotovina of zijn raadslieden de Raad om de toegang tot de rapporten zouden hebben verzocht. Deze brief is in de onderhavige zaak echter niet overgelegd.

60      Bijgevolg heeft het Gerecht niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door deze brief niet in aanmerking te nemen.

61      Ten eerste erkent Jurašinović immers dat hij de brief van 30 mei 2007 niet heeft overgelegd in de zaak die tot het bestreden arrest heeft geleid. In dit verband legt hij enkel uit waarom hij dit bewijselement niet heeft overgelegd, namelijk omdat het Gerecht zijn repliek, die hij te laat had ingediend, niet had aanvaard en omdat het onderzoek was afgesloten.

62      Ten tweede volstaat het op te merken dat, voor zover Jurašinović aanvoert dat het Gerecht niet onkundig kon zijn van het bestaan van deze brief aangezien deze zich in ieder geval in het dossier van zaak T‑63/10 bevond, het Gerecht de gegrondheid van een middel niet kan beoordelen op basis van bewijselementen die niet in het kader van de betrokken zaak overeenkomstig de toepasselijke procedureregels zijn ingediend.

63      Aangaande de andere argumenten tot staving van het onderhavige middel, volstaat de vaststelling dat zij berusten op de veronderstelling dat de verdediging van Gotovina en de aanklager bij het ICTY op basis van verordening nr. 1049/2001 toegang hebben gekregen tot de rapporten.

64      Om de in de punten 58 tot en met 62 van het onderhavige arrest vermelde redenen is Jurašinović er echter niet in geslaagd om aan te tonen dat deze veronderstelling juist is. Bijgevolg moeten deze argumenten worden afgewezen.

65      Overigens moet worden opgemerkt dat, zoals het Gerecht in punt 57 van het bestreden arrest op goede gronden heeft benadrukt, de rechtsgrondslag op basis waarvan aan Gotovina in het kader van zijn proces voor het ICTY de rapporten zijn overgelegd, niet de rechtmatigheid van de litigieuze beschikking ter discussie kan stellen, aangezien niet is aangetoond dat verordening nr. 1049/2001 daarvoor de rechtsgrondslag vormde.

66      Gelet op een en ander dient ook het derde middel ongegrond te worden verklaard en dient dus de hogere voorziening in zijn geheel te worden afgewezen.

 Kosten

67      Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat krachtens artikel 184, lid 1, van dit reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd.

68      Aangezien Jurašinović in het ongelijk is gesteld, dient hij overeenkomstig de vordering van de Raad te worden verwezen in de kosten.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart:

1)      De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)      Ivan Jurašinović wordt verwezen in de kosten.

ondertekeningen


* Procestaal: Frans.