Language of document : ECLI:EU:C:2013:788

BESCHIKKING VAN HET HOF (Tiende kamer)

14 november 2013 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – EEG-Executieverdrag – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Verordening (EG) nr. 44/2001– Artikel 5, punt 1, sub b – Rechterlijke bevoegdheid – Bijzondere bevoegdheden – Verbintenissen uit overeenkomst – Begrip ‚verstrekking van diensten’ – Overeenkomst betreffende opslag van goederen”

In zaak C‑469/12,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Handelsgericht Wien (Oostenrijk) bij beslissing van 17 september 2012, ingekomen bij het Hof op 22 oktober 2012, in de procedure

Krejci Lager & Umschlagbetriebs GmbH

tegen

Olbrich Transport und Logistik GmbH,

HET HOF (Tiende kamer),

samengesteld als volgt: M. Juhász, kamerpresident, A. Rosas (rapporteur) en D. Šváby, rechters,

advocaat-generaal: E. Sharpston,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Krejci Lager & Umschlagsbetriebs GmbH, vertegenwoordigd door M. Stögerer, Rechtsanwalt,

–        de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door C. Pesendorfer als gemachtigde,

–        de Griekse regering, vertegenwoordigd door S. Chala en L. Kotroni als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Wilderspin en W. Bogensberger als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om overeenkomstig artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof uitspraak te doen bij met redenen omklede beschikking,

de navolgende

Beschikking

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 5, punt 1, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Krejci Lager & Umschlagbetriebs GmbH (hierna: „Krejci Lager”), een vennootschap naar Oostenrijks recht, en Olbrich Transport und Logistik GmbH (hierna: „Olbrich Transport”), een vennootschap naar Duits recht, over de betaling van de prijs die wordt gevorderd voor de opslag van goederen op een terrein te Wenen (Oostenrijk).

 Toepasselijke bepalingen

 Executieverdrag

3        Artikel 5, punt 1, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij het Verdrag van 29 november 1996 inzake de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden (PB 1997, C 15, blz. 1; Verdrag van Brussel, hierna: „Executieverdrag”), luidt als volgt:

„De verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat, kan in een andere verdragsluitende staat voor de navolgende gerechten worden opgeroepen:

1)      ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd [...]”.

 Verordening nr. 44/2001

4        In punt 11 van de considerans van verordening nr. 44/2001 is overwogen:

„De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder; de bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt. [...]”

5        Punt 12 van de considerans van verordening nr. 44/2001 preciseert:

„Naast de woonplaats van de verweerder moeten er alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken.”

6        Punt 19 van de considerans van verordening nr. 44/2001 luidt:

„De continuïteit tussen het [Executieverdrag] en deze verordening moet gewaarborgd worden. Daartoe zijn overgangsbepalingen nodig. Deze continuïteit moet ook voor de uitlegging van het [Executieverdrag] door het Hof [...] gelden [...].”

7        De bevoegdheidsregels waarin verordening nr. 44/2001 voorziet, zijn opgenomen in hoofdstuk II ervan, bevattende de artikelen 2 tot en met 31.

8        In afdeling 1 van dit hoofdstuk II, met als opschrift „Algemene bepalingen”, luidt artikel 2, lid 1, van verordening nr. 44/2001 als volgt:

„Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.”

9        Artikel 3, lid 1, van verordening nr. 44/2001 bepaalt:

„Degenen die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats hebben, kunnen slechts voor het gerecht van een andere lidstaat worden opgeroepen krachtens de in de afdelingen 2 tot en met 7 van dit hoofdstuk gegeven regels.”

10      Artikel 5 van verordening nr. 44/2001, dat behoort tot afdeling 2 van het voornoemde hoofdstuk II, met als opschrift „Bijzondere bevoegdheid”, luidt als volgt:

„Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

1.      a)      ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;

b)      voor de toepassing van deze bepaling en tenzij anders is overeengekomen, is de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt:

–        voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken, de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden;

–        voor de verstrekking van diensten, de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden;

c)      punt a) is van toepassing indien punt b) niet van toepassing is; [...]”.

11      In afdeling 6 van het datzelfde hoofdstuk II, met als opschrift „Exclusieve bevoegdheid” bepaalt artikel 22 van verordening nr. 44/2001 het volgende:

„Ongeacht de woonplaats zijn bij uitsluiting bevoegd:

1.      ten aanzien van zakelijke rechten op en huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen: de gerechten van de verdragsluitende staat waar het onroerend goed gelegen is.

[...]”

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

12      Krejci Lager, gevestigd te Wenen (Oostenrijk), heeft een vordering ingesteld bij het Bezirksgericht für Handelssachen Wien (districtsrechtbank voor handelszaken te Wenen), waarbij zij Olbrich Transport, gevestigd te Gornau (Duitsland), om betaling van de opslag van goederen op aan haar toebehorende terreinen te Wenen heeft verzocht. Het betrokken bedrag betreft de periode van de veertigste tot de tweeënvijftigste kalenderweek van 2008. De opslag van de goederen is door verzoekster in het hoofdgeding voor een bedrag van 325 EUR in rekening gebracht.

13      Het Bezirksgericht für Handelssachen Wien heeft verklaard dat het geen internationale bevoegdheid had om de zaak af te doen en heeft de vordering afgewezen. Deze rechterlijke instantie was van oordeel dat de betrokken vordering overeenkomstig artikel 5, punt 1, van verordening nr. 44/2001 voor het gerecht van de plaats van uitvoering van de litigieuze verbintenis moest worden ingeleid. Tot deze verbintenis behoorde volgens haar de contractuele verplichting tot betaling van de prijs van de opslag van de goederen, waarvoor een geldsom is verschuldigd en welke vordering voortvloeit uit het recht waarop de eis is gebaseerd.

14      Volgens deze rechter in eerste aanleg moeten geldschulden zoals die in het hoofdgeding naar Oostenrijks recht worden aangemerkt als „brengschulden” („Schickschulden”), die in de woonplaats van de schuldenaar moeten worden betaald. Derhalve zou „de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, [...] moet worden uitgevoerd” in de zin van artikel 5, punt 1, sub a, van verordening nr. 44/2001, in Duitsland zijn gelegen, zodat de Oostenrijkse gerechten niet bevoegd zijn om het geschil in het hoofdgeding af te doen.

15      Verzoekster in het hoofdgeding heeft beroep tegen deze beslissing ingesteld bij het Handelsgericht Wien, waarbij zij betoogt dat artikel 5, punt 1, sub a, van verordening nr. 44/2001 niet van toepassing was op de feiten in het hoofdgeding. Volgens haar vormt de overeenkomst betreffende de opslag van goederen een overeenkomst tot verstrekking van diensten. De plaats van uitvoering van een dergelijke verbintenis is volgens artikel 5, punt 1, sub b, van verordening nr. 44/2001 de plaats waar de dienst is verstrekt. Verweerster in het hoofdgeding is volgens de verwijzingsbeslissing daarentegen van mening dat de overeenkomst betreffende de opslag van goederen geen dienstverrichting maar wel een beschikbaarstelling van opslagruimten impliceert.

16      De verwijzende rechter wijst erop dat hij in een procedure waar het voorwerp van het geding minder dan 5 000 EUR bedraagt, uitspraak doet in laatste aanleg. Volgens hem is het antwoord op de vraag van uitlegging van het Unierecht echter niet zo duidelijk dat deze vraag buiten alle redelijke twijfel kan worden beantwoord.

17      In die omstandigheden heeft het Handelsgericht Wien de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de hiernavolgende vraag:

„Is een overeenkomst over de opslag van goederen een overeenkomst die een ‚verstrekking van diensten’ betreft in de zin van artikel 5, [punt] 1, sub b, van verordening [...] nr. 44/2001 [...]?”

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

18      Wanneer het antwoord op een gestelde prejudiciële vraag duidelijk uit de rechtspraak kan worden afgeleid of daarover redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan, kan het Hof overeenkomstig artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof in elke stand van het geding op voorstel van de rechter- rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, beslissen om uitspraak te doen bij met redenen omklede beschikking. Volgens het Hof kan deze bepaling worden toegepast in de onderhavige zaak.

19      De verwijzende rechter wenst in wezen te vernemen of artikel 5, punt 1, sub b, tweede streepje, van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat een overeenkomst betreffende de opslag van goederen een overeenkomst tot verstrekking van diensten in de zin van deze bepaling is.

20      Vooraf zij eraan herinnerd dat artikel 5, punt 1, van verordening nr. 44/2001 een regel houdende een bijzondere bevoegdheid voor verbintenissen uit overeenkomst bevat. De toekenning van die bijzondere bevoegdheid, die ter keuze staat van de eiser en waarmee de algemene regel dat het gerecht van de woonplaats van de verweerder bevoegd is, wordt aangevuld, is ingegeven door het feit dat in sommige specifieke gevallen een nauwe band bestaat tussen een geschil en het gerecht dat in voorkomend geval kennis daarvan moet nemen (zie in die zin arrest van 9 juli 2009, Rehder, C‑204/08, Jurispr. blz. I‑6073, punt 32).

21      Onderstreept moet worden dat de eiser zich volgens de rechtspraak van het Hof tot het gerecht van de plaats van uitvoering van de verbintenis kan wenden, ook wanneer de totstandkoming van de overeenkomst die aan de vordering ten grondslag ligt, tussen partijen in geschil is (zie, met betrekking tot het Executieverdrag, arrest van 4 maart 1982, Effer, 38/81, Jurispr. blz. 825, punt 8).

22      Wanneer de litigieuze overeenkomst als meest kenmerkende contractuele prestatie de koop en verkoop van roerende lichamelijke of de verstrekking van diensten tot voorwerp heeft, bepaalt artikel 5, punt 1, sub b, van verordening nr. 44/2001 dat een persoon die woonplaats op het grondgebied van een lidstaat heeft, op basis van deze overeenkomst voor het gerecht van de plaats van een andere lidstaat kan worden opgeroepen, namelijk daar waar die hoofdverbintenis van deze is uitgevoerd of had moeten worden uitgevoerd. Wat de plaats van uitvoering van de verbintenissen uit overeenkomsten tot verstrekking van diensten betreft, omschrijft artikel 5, punt 1, sub b, eerste streepje, van verordening nr. 44/2001 dit aanknopingspunt dan ook op autonome wijze, teneinde de doelstellingen van eenvormigheid van de regels inzake rechterlijke bevoegdheid en voorspelbaarheid te bevorderen (zie in die zin arrest Rehder, reeds aangehaald, punten 33 en 36, alsook arrest van 11 maart 2010, Wood Floor Solutions Andreas Domberger, C‑19/09, Jurispr. blz. I‑2121, punten 23 en 26).

23      Uit de door de verwijzende rechter aan het Hof overgelegde informatie blijkt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst betrekking heeft op de opslag van goederen. Deze rechter geeft inzonderheid aan dat hij het probleem van zijn internationale bevoegdheid dient op te lossen in een situatie waarin de waren van verweerster in het hoofdgeding, een onderneming naar Duits recht, op een terrein in Oostenrijk zijn opgeslagen.

24      Om vast te stellen of een dergelijke situatie onder artikel 5, punt 1, sub b, tweede streepje, van verordening nr. 44/2001 valt, moet worden bepaald of de opslag van goederen een „verstrekking van diensten” in de zin van deze bepaling vormt.

25      Vastgesteld moet worden dat dit het geval is.

26      In herinnering moet immers worden geroepen dat het begrip diensten van artikel 5, punt 1, sub b, tweede streepje, van verordening nr. 44/2001 op zijn minst inhoudt dat de partij die deze diensten verstrekt, tegen vergoeding een bepaalde activiteit verricht (arrest van 23 april 2009, Falco Privatstiftung en Rabitsch, C‑533/07, Jurispr. blz. I‑3327, punt 29).

27      Zoals de Oostenrijkse en de Griekse regering alsook de Europese Commissie in hun schriftelijke opmerkingen aanvoeren, moet er dienaangaande op worden gewezen dat het voornaamste bestanddeel van een opslagovereenkomst erin bestaat dat degene die de opslag van de goederen verricht, zich ertoe verbindt deze goederen voor rekening van de andere contractpartij op te slaan. Deze verbintenis impliceert dus een bepaalde activiteit die minstens bestaat uit de inontvangstneming van de waren, de bewaring ervan op een veilige plaats en de teruggave ervan in behoorlijke staat aan de andere contractpartij.

28      Betreffende het argument dat de betrokken overeenkomst louter ziet op de huur en verhuur van ruimten, moet erop worden gewezen dat in een procedure volgens artikel 267 VWEU, die op een duidelijke scheiding van de taken van de nationale rechterlijke instanties en het Hof berust, elke beoordeling van de feiten tot de bevoegdheid van de nationale rechter behoort. In het bijzonder is het Hof uitsluitend bevoegd, zich op basis van de door de nationale rechterlijke instantie omschreven feiten over de uitlegging of de geldigheid van een rechtsvoorschrift van de Unie uit te spreken (arresten van 8 mei 2008, Danske Svineproducenter, C‑491/06, Jurispr. blz. I‑3339, punt 23, en 10 november 2011, X en X BV, C‑319/10 en C‑320/10, punt 29).

29      Uit de in de verwijzingsbeslissing verstrekte informatie blijkt dat de betrokken overeenkomst niet de verhuur van lokalen maar wel de opslag van goederen tot voorwerp heeft. Afgezien van het feit dat het niet aan het Hof staat om deze feitelijke vaststelling ter discussie te stellen, moet worden gepreciseerd dat de rechterlijke bevoegdheid betreffende het eerstgenoemde type overeenkomst hoe dan ook wordt geregeld door artikel 22, punt 1, van verordening nr. 44/2001, betreffende de exclusieve bevoegdheid voor huur en verhuur van onroerende goederen (zie, met betrekking tot het Executieverdrag, arrest van 15 januari 1985, Rösler, 241/83, Jurispr. blz. 99, punt 24, alsook arrest van 26 februari 1992, Hacker, C‑280/90, Jurispr. blz. I‑1111, punt 10), volgens welke bepaling de gerechten van de lidstaat waar het onroerend goed gelegen is, bij uitsluiting bevoegd zijn.

30      Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 5, punt 1, sub b, tweede streepje, van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat een overeenkomst betreffende de opslag van goederen zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, een „overeenkomst tot verstrekking van diensten” in de zin van deze bepaling is.

 Kosten

31      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tiende kamer) verklaart voor recht:

Artikel 5, punt 1, sub b, tweede streepje, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet aldus worden uitgelegd dat een overeenkomst betreffende de opslag van goederen zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, een „overeenkomst tot verstrekking van diensten” in de zin van deze bepaling is.

ondertekeningen


* Procestaal: Duits.