Language of document : ECLI:EU:F:2013:196

ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE (voltallige zitting)

11 december 2013 (*)

„Openbare dienst – Ambtenaren – Pensioenen – Overdracht van in nationaal pensioenstelsel verworven pensioenrechten – Verordening houdende aanpassing van bijdragepercentage aan pensioenregeling van Unie – Aanpassing van actuariële waarden – Noodzaak om algemene uitvoeringsbepalingen vast te stellen – Toepassing in tijd van nieuwe algemene uitvoeringsbepalingen”

In zaak F‑117/11,

betreffende een beroep krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan,

Catherine Teughels, ambtenaar bij de Europese Commissie, wonende te Eppegem (België), vertegenwoordigd door L. Vogel, advocaat,

verzoekster,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Martin en J. Baquero Cruz als gemachtigden,

verweerster,

wijst

HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN (voltallige zitting),

samengesteld als volgt: S. Van Raepenbusch, president, M. I. Rofes i Pujol, kamerpresident, E. Perillo (rapporteur), R. Barents en K. Bradley, rechters,

griffier: J. Tomac, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 24 april 2013,

het navolgende

Arrest

1        Bij verzoekschrift, binnengekomen ter griffie van het Gerecht op 8 november 2011, heeft C. Teughels het onderhavige beroep ingesteld dat in wezen strekt tot nietigverklaring van enerzijds het besluit van de Europese Commissie van 24 mei 2011 tot vaststelling van het aantal in aanmerking te nemen pensioenjaren ingeval van overdracht van haar nationale pensioenrechten, en anderzijds het besluit van 28 juli 2011, waarbij de Commissie haar klacht heeft afgewezen die gericht was tegen besluit C(2011) 1278 van de Commissie van 3 maart 2011 betreffende de algemene uitvoeringsbepalingen van de artikelen 11 en 12 van bijlage VIII bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) betreffende de overdracht van pensioenrechten (hierna: „AUB 2011”).

 Toepasselijke bepalingen

2        Artikel 83 bis van het Statuut luidt:

„1. Het evenwicht van de pensioenregeling wordt gegarandeerd overeenkomstig de in bijlage XII [bij het Statuut] uiteengezette procedure.

[...]

3. Teneinde het evenwicht van de [pensioen]regeling te garanderen, stelt de Raad [van de Europese Unie] bij de vijfjaarlijkse actuariële raming overeenkomstig bijlage XII [bij het Statuut] het percentage van de bijdrage vast en bepaalt hij of de pensioengerechtigde leeftijd al dan niet moet worden gewijzigd.

4. De Commissie dient ieder jaar, overeenkomstig artikel 1, lid 2, van bijlage XII [bij het Statuut], bij de Raad een bijgewerkte versie van de actuariële raming in. Wanneer daaruit blijkt dat het geldende bijdragepercentage met 0,25 procentpunt of meer afwijkt van het bijdragepercentage dat nodig is om het actuariële evenwicht te garanderen, gaat de Raad na of het bijdragepercentage al dan niet overeenkomstig het bepaalde in bijlage XII [bij het Statuut] moet worden aangepast.

[...]”

3        Artikel 84 van het Statuut bepaalt:

„De pensioenregeling is nader uitgewerkt in bijlage VIII [bij het Statuut].”

4        Artikel 110, lid 1, van het Statuut luidt:

„De algemene bepalingen ter uitvoering van dit statuut worden door elke instelling vastgesteld na raadpleging van haar personeelscomité en na advies van het comité voor het statuut. [...]”

5        Vóór de inwerkingtreding van verordening (EG, Euratom) nr. 1324/2008 van de Raad van 18 december 2008 houdende aanpassing, met ingang van 1 juli 2008, van het pensioenbijdragepercentage van de ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (PB L 345, blz. 17), luidde artikel 8 van bijlage VIII bij het Statuut:

„Als actuariële tegenwaarde van het ouderdomspensioen geldt de kapitaalwaarde van de aan de ambtenaar toekomende uitkering, berekend op de grondslag van de in artikel 9 van bijlage XII [bij het Statuut] vermelde sterftetafels en tegen een rente van 3,5 % per jaar die kan worden herzien overeenkomstig het bepaalde in artikel 10 van bijlage XII [bij het Statuut].”

6        Artikel 2 van verordening nr. 1324/2008 stelt in dit verband vast:

„Met ingang van 1 januari 2009 bedraagt het in artikel 4, lid 1, en artikel 8 van bijlage VIII [bij] het Statuut [...] genoemde percentage [...] 3,1 %.”

7        Artikel 11, lid 1, van bijlage VIII bij het Statuut bepaalt:

„De ambtenaar die de dienst beëindigt om:

–        in dienst te treden van een overheidsorgaan of een nationale of internationale organisatie die met de Unie een overeenkomst ter zake heeft gesloten,

[...]

heeft het recht de tot het tijdstip waarop de overdracht plaatsvindt geactualiseerde actuariële tegenwaarde van zijn rechten op ouderdomspensioen bij de Unie te doen overschrijven naar het pensioenfonds van dat overheidsorgaan of die organisatie [...].”

8        Omgekeerd geldt krachtens lid 2 van artikel 11 van bijlage VIII bij het Statuut:

„De ambtenaar die in dienst van de Unie treedt na:

–        de dienst bij een overheidsorgaan, of bij een nationale of internationale organisatie te hebben beëindigd,

[...]

kan, na zijn aanstelling in vaste dienst, doch vóór het tijdstip waarop hij het recht op een ouderdomspensioen [...] verkrijgt, het kapitaal dat overeenkomt met de pensioenrechten die hij uit hoofde van bovengenoemde activiteiten heeft verworven, geactualiseerd tot op de dag waarop de overdracht plaatsvindt, aan de Unie doen betalen.

In dat geval bepaalt de instelling waarbij de ambtenaar werkzaam is, met inachtneming van het basissalaris, de leef[tijd] en de wisselkoers op het ogenblik dat om overdracht is verzocht, door middel van algemene uitvoeringsbepalingen het aantal pensioenjaren dat zij volgens de uniale pensioenregeling aanrekent uit hoofde van de vroegere diensttijd op basis van het overgeschreven kapitaal, verminderd met het bedrag dat overeenkomt met de herwaardering van het kapitaal tussen de datum van het verzoek om overdracht en de datum waarop de overdracht plaatsvindt.

Van deze mogelijkheid kan de ambtenaar per lidstaat en per pensioenfonds slechts éénmaal gebruik maken.”

9        Artikel 26, lid 4, van bijlage XIII bij het Statuut bepaalt:

„In de in de leden 2 en 3 van dit artikel bedoelde gevallen bepaalt de instelling waarbij de ambtenaar werkzaam is het aantal pensioenjaren dat zij volgens haar eigen regeling aanrekent, overeenkomstig de algemene [uitvoerings]bepalingen die zijn vastgesteld uit hoofde van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII [bij het Statuut] en met inachtneming van de bepalingen van de onderhavige bijlage.”

10      Bij besluit C(2004) 1588 van 28 april 2004, gepubliceerd in Mededelingen van de administratie nr. 60 van 9 juni 2004, heeft de Commissie de algemene uitvoeringsbepalingen van de artikelen 11 en 12 van bijlage VIII bij het Statuut betreffende de overdracht van pensioenrechten (hierna: „AUB 2004”) vastgesteld. In de AUB 2004 wordt verwezen naar twee tabellen met actuariële waarden die in twee bijlagen zijn opgenomen; bijlage 1 met de actuariële waarden (W1) voor de berekening van het bedrag van de over te dragen actuariële tegenwaarde overeenkomstig artikel 11, lid 1, en artikel 12 van bijlage VIII bij het Statuut, en bijlage 2 met de actuariële waarden (W2) voor de berekening van het aantal toe te kennen extra pensioenjaren overeenkomstig artikel 11, leden 2 en 3, van bijlage VIII bij het Statuut.

11      De actuariële waarden W1 en W2, die aan de hand van de leeftijd op de datum van de indiening van het verzoek en op basis van de parameters zoals vervat in bijlage XII bij het Statuut worden berekend, zijn identiek.

12      Bij besluit van 3 maart 2011 heeft de Commissie de AUB 2004 ingetrokken en de AUB 2011 vastgesteld die in Mededelingen van de administratie nr. 17 van 28 maart 2011 zijn gepubliceerd.

13      De AUB 2011 zijn op 1 april 2011 in werking getreden en artikel 9 ervan bepaalt:

„Deze algemene uitvoeringsbepalingen [...] treden in werking op de eerste dag van de maand die volgt op de bekendmaking ervan in de [Mededelingen van de administratie].

Hiermee worden de [AUB 2004] ingetrokken en vervangen.

De [AUB 2004] blijven echter van toepassing op de overdrachten krachtens artikel 11, lid 1, en artikel 12 van bijlage VIII bij het Statuut ingeval de dienstbetrekking vóór [1 januari] 2009 is beëindigd. Zij blijven ook van toepassing op de dossiers van personeelsleden, wier verzoek om overdracht krachtens artikel 11, leden 2 en 3, van bijlage VIII bij het Statuut vóór [1 januari] 2009 is ingeschreven.

De omzettingsfactoren [...], zoals opgenomen in bijlage 1, gelden vanaf [1 januari] 2009. Zij worden van rechtswege aangepast ingeval van herziening van het in artikel 8 van bijlage VIII bij het Statuut genoemde rentepercentage.”

14      In tegenstelling tot de AUB 2004 bevat bijlage 1 bij de AUB 2011 slechts één tabel met actuariële waarden die voortaan „omzettingsfactoren” heten en waarmee zowel het bedrag van de over te dragen actuariële tegenwaarde als het aantal extra pensioenjaren wordt berekend. Deze omzettingsfactoren die ook aan de hand van de leeftijd op de datum van de indiening van het verzoek en op basis van de parameters in bijlage XII bij het Statuut worden berekend, zijn hoger dan de actuariële waarden W1 en W2 die in de bijlagen 1 en 2 bij de AUB 2004 worden vermeld.

 Aan het geding ten grondslag liggende feiten

15      Verzoekster, ambtenaar bij de Commissie, heeft op 3 november 2009 verzocht om overdracht van de pensioenrechten die zij vóór haar indiensttreding bij de Commissie bij de Rijksdienst voor pensioenen in België had verworven (hierna: „verzoek om overdracht”).

16      Bij mededeling aan verzoekster van 29 juni 2010 (hierna: „eerste voorstel voor extra pensioenjaren”) heeft de bevoegde dienst van de Commissie, in dit geval de sectie „Overdrachten” van de eenheid „Pensioenen” van het Bureau „Beheer en afwikkeling van individuele rechten” (PMO) (hierna: „PMO 4”), het aantal pensioenjaren dat in de pensioenregeling van de Unie in aanmerking moet worden genomen in verband met de overdracht van de door verzoekster in België verworven rechten, vastgesteld op 22 jaar, 1 maand en 6 dagen. Het resterende kapitaal, groot 12 531,41 EUR, dat niet in statutaire pensioenjaren kon worden omgezet, moest aan verzoekster worden uitbetaald bij de definitieve overdracht van haar pensioenrechten. Het eerste voorstel voor extra pensioenjaren gaf ook aan dat, indien de algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 11 van bijlage VIII bij het Statuut werden gewijzigd, het toegekende aantal pensioenjaren niet zou worden aangepast. Verzoekster beschikte over een termijn van twee maanden om het eerste voorstel voor extra pensioenjaren te aanvaarden of af te wijzen.

17      Verzoekster heeft gevraagd om een nadere specificatie van het eerste voorstel voor extra pensioenjaren, waarna e-mails zijn uitgewisseld.

18      Inmiddels hebben de diensten van de Commissie bij mededeling aan het personeel van 5 mei 2010 (hierna: „mededeling van 5 mei 2010”) gepreciseerd dat „de herziene [algemene uitvoeringsbepalingen] in werking [traden] op de eerste dag van de maand die volgt op de bekendmaking ervan in de [Mededelingen van de administratie]” en dat „op alle verzoeken om overdracht die voor de datum van inwerkingtreding [van de nieuwe algemene uitvoeringsbepalingen] waren ingeschreven, de [AUB 2004] van toepassing [bleven]”.

19      Overigens had de directeur-generaal van het directoraat-generaal „Personeelszaken en Veiligheid” van de Commissie bij mededeling van 25 mei 2010 aan haar secretaris-generaal en drie directeuren-generaal aangegeven dat hij „ten behoeve van een grotere transparantie van het stelsel van overdracht van pensioenrechten en meer rechtszekerheid [had] besloten tot een gewijzigde versie van de [algemene uitvoeringsbepalingen] waarin geen terugwerkende kracht meer is opgenomen”.

20      Ook heeft de Commissie in een mededeling aan het personeel, gepubliceerd in de Mededelingen van de administratie van 30 juli 2010 (hierna: „mededeling van 30 juli 2010”) aangegeven dat „[d]e herziene [algemene uitvoeringsmaatregelen] in werking [traden] op de eerste dag van de maand die volgt op de bekendmaking ervan in de [Mededelingen van de administratie]” en dat „op alle verzoeken om overdracht die voor de datum van inwerkingtreding [van de toekomstige algemene uitvoeringsbepalingen] waren ingeschreven, de [AUB 2004] van toepassing [bleven]”. De mededeling van 30 juli 2010 vermeldde specifiek dat de herziening van de AUB 2004 betrekking had op de overdracht van bij de Unie verworven rechten aan een nationaal pensioenstelsel en op de overdracht van in een lidstaat verworven rechten aan het pensioenstelsel van de Unie.

21      Bij e-mail van 20 augustus 2010 heeft het PMO 4, op verzoek van verzoekster, de termijn om over het eerste voorstel voor extra pensioenjaren een beslissing te nemen verlengd tot 30 september 2010. Verzoekster heeft het eerste voorstel voor extra pensioenjaren formeel noch aanvaard noch afgewezen.

22      In een mededeling aan het personeel van 17 september 2010 (hierna: „mededeling van 17 september 2010”) heeft de Commissie vastgesteld dat „vooruitlopend op de nieuwe algemene uitvoeringsmaatregelen [...] van de artikelen 11 en 12 van bijlage VIII bij het [s]tatuut” er „zeer veel” ambtenaren verzoeken om overdracht van hun pensioenrechten hadden ingediend en dat aldus sinds 1 januari 2010 „meer dan 10 000 verzoeken” door het PMO 4 waren ingeschreven. De mededeling van 17 september 2010 preciseerde echter dat „niettegenstaande een ongelukkige mededeling van onder meer de administratie in mei 2010, de nieuwe [algemene uitvoeringsmaatregelen] en in het bijzonder de nieuwe actuariële waarden ten uitvoer moesten worden gelegd volgens de in het statuut bepaalde voorschriften en met name volgens verordening [...] nr. 1324/2008 [...]. Bijgevolg [moesten de nieuwe algemene uitvoeringsmaatregelen] noodzakelijkerwijs van toepassing zijn op alle overdrachten [van in een lidstaat verworven rechten aan het pensioenstelsel van de Unie] waarvan het verzoek vanaf 1 januari 2009 [was] ingediend en op alle overdrachten [van het door een ambtenaar in de Unie verworven kapitaal van pensioenrechten aan een nationaal pensioenstelsel] die vanaf die datum plaatsvonden”. Ten slotte [zou] volgens de mededeling van 17 september 2010 „[h]et geringe aantal overdrachten waarvoor reeds een voorstel tot overdracht of een betaling van kapitaal door het oorspronkelijke pensioenfonds [was] gedaan, conform worden behandeld. De betrokken collegae [zouden] zo spoedig mogelijk persoonlijk per brief op de hoogte worden gesteld van de wijze waarop hun overdracht [werd] afgewikkeld.”

23      Na de mededeling van 17 september 2010, heeft het PMO 4 verzoekster per e-mail van 28 september 2010 laten weten dat de Commissie „het aan haar gedane voorstel [moest] herzien” in het kader van de toepassing van de toekomstige algemene uitvoeringsbepalingen „die met terugwerkende kracht in werking [traden] op 1 januari 2009”.

24      Op 17 december 2010 heeft verzoekster krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht ingediend tegen de mededeling van 17 september 2010. Deze klacht is op 12 april 2011 afgewezen op grond dat de mededeling van 17 september 2010 geen bezwarende handeling bevatte.

25      Nadat de AUB 2011 waren vastgesteld heeft het PMO 4 verzoekster op 24 mei 2011 een tweede voorstel voor extra pensioenjaren toegezonden (hierna: „tweede voorstel voor extra pensioenjaren”) met als toelichting dat dit nieuwe voorstel het eerste voorstel voor extra pensioenjaren „intr[ok] en ver[ving]”. Volgens het tweede voorstel voor extra pensioenjaren waren de in het eerste voorstel voor extra pensioenjaren gebruikte omzettingsfactoren „achterhaald” en „misten deze sinds 1 januari 2009 rechtsgrondslag”, aangezien op diezelfde datum het in verordening nr. 1324/2008 vastgestelde rentepercentage in werking was getreden. Dit rentepercentage was namelijk een van de elementen die moesten worden gebruikt bij de berekening van de factoren voor de omzetting van eerder verworven pensioenrechten in extra statutaire pensioenjaren. Daarom moest het eerste voorstel voor extra pensioenjaren „als onbestaand worden beschouwd”. Volgens de in de AUB 2011 vastgestelde omzettingsfactoren was het aldus opnieuw berekende aantal extra pensioenjaren 17 jaar en 7 maanden.

26      Op 3 juni 2011 heeft verzoekster uit hoofde van artikel 90, lid 2, van het Statuut, een klacht ingediend tegen de AUB 2011 en meer in het bijzonder tegen artikel 9 ervan, aangezien deze bepaling volgens haar inbreuk maakte op het verbod van terugwerkende kracht.

27      Bij besluit van 28 juli 2011, medegedeeld aan verzoeksters raadsman op 29 juli 2011, heeft het tot aanstelling bevoegde gezag (hierna: „TABG”) de klacht afgewezen (hierna: „besluit tot afwijzing van de klacht”), na te hebben aangegeven dat „ongeacht de vraag of de AUB [2011] aangemerkt [konden] worden als een bezwarende handeling, het [tweede] voorstel [voor extra pensioenjaren] [...] als een bezwarende handeling [werd] beschouwd” en dat „het tweede voorstel voor extra pensioenjaren derhalve „het voorwerp was van het onderhavige besluit”.

 Procesverloop en conclusies van partijen

28      Bij afzonderlijke akte, ingediend ter griffie van het Gerecht op 4 januari 2012, heeft de Commissie krachtens artikel 78 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en het Gerecht verzocht om uitspraak te doen zonder op de zaak ten principale in te gaan.

29      Bij akte, binnengekomen ter griffie van het Gerecht op 27 januari 2012, heeft verzoekster opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid van de Commissie ingediend.

30      Bij brief van 25 mei 2012 heeft de griffie van het Gerecht partijen medegedeeld dat het Gerecht had besloten de exceptie van niet-ontvankelijkheid te voegen met de zaak ten gronde.

31      Verzoekster vraagt het Gerecht:

–        het besluit tot afwijzing van de klacht nietig te verklaren;

–        voor zover noodzakelijk, het tweede voorstel voor extra pensioenjaren nietig te verklaren;

–        „zo nodig overeenkomstig artikel 277 [VWEU]”, de AUB 2011 nietig te verklaren en meer in het bijzonder artikel 9 ervan;

–        verweerster te verwijzen in de kosten.

32      De Commissie vraagt het Gerecht:

–        het beroep niet-ontvankelijk en in elk geval ongegrond te verklaren;

–        verzoekster te verwijzen in de kosten.

33      Bij brief van 28 januari 2013 heeft het Gerecht in het kader van maatregelen tot organisatie van de procesgang partijen verzocht bepaalde punten in hun stukken te preciseren en een aantal documenten over te leggen. Partijen hebben aan die maatregelen gevolg gegeven overeenkomstig de aanwijzingen van het Gerecht.

34      De zaak, die oorspronkelijk aan de Derde kamer van het Gerecht was toegewezen, is naar de voltallige zitting van het Gerecht verwezen, waarover partijen zijn geïnformeerd bij brief van de griffie van 7 februari 2013, waarin werd opgeroepen tot de terechtzitting en het rapport ter voorbereiding van de terechtzitting werd toegezonden.

 In rechte

 Voorwerp van het beroep

35      Met de eerste vordering vraagt verzoekster om nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van de klacht.

36      Het Gerecht brengt op dit punt in herinnering dat de vordering tot nietigverklaring die formeel is gericht tegen het besluit tot afwijzing van een klacht, wanneer dat besluit geen zelfstandige inhoud heeft, tot gevolg heeft dat bij het Gerecht beroep wordt ingesteld tegen de handeling waartegen de klacht is ingediend (arrest Hof van 17 januari 1989, Vainker/Parlement, 293/87, punt 8).

37      In casu heeft het TABG de klacht van 3 juni 2011, die weliswaar tegen de AUB 2011 was gericht, uitgelegd alsof deze alleen gericht was tegen het tweede voorstel voor extra pensioenjaren, hetgeen verzoekster voor het Gerecht niet heeft betwist.

38      Het besluit tot afwijzing van de klacht bevestigt echter het tweede voorstel voor extra pensioenjaren. Daarom moet de vordering tegen het besluit tot afwijzing van de klacht worden geacht te zijn gericht tegen het tweede voorstel voor extra pensioenjaren, dat overigens het voorwerp is van de tweede vordering.

39      Met de derde vordering vraagt verzoekster om nietigverklaring „voor zover dat noodzakelijk is, [...] zo nodig overeenkomstig artikel 277 [VWEU]”, van de AUB 2011 en meer in het bijzonder van artikel 9 ervan.

40      Blijkens de verwijzing naar artikel 277 VWEU en de overwegingen van het verzoekschrift werpt verzoekster met haar derde vordering in wezen de exceptie van onwettigheid op van artikel 9 van de AUB 2011, een handeling van algemene strekking; een exceptie die, indien deze gegrond zou zijn, in casu alleen maar kan leiden tot de nietigverklaring van het tweede voorstel voor extra pensioenjaren, dat juist het voorwerp is van de tweede vordering.

41      Gelet op het voorgaande dient alleen de vordering tot nietigverklaring van het tweede voorstel voor extra pensioenjaren te worden onderzocht.

 Exceptie van niet-ontvankelijkheid

 Argumenten van partijen

42      De Commissie acht het beroep niet-ontvankelijk, omdat het gericht is tegen het tweede voorstel voor extra pensioenjaren, dat geen bezwarende handeling was.

43      Volgens de Commissie omvat de administratieve procedure betreffende de behandeling van de verzoeken om overdracht van de in een nationaal pensioenstelsel verworven pensioenrechten verschillende fasen. Het voorstel voor extra pensioenjaren zou slechts een van de fasen van die procedure zijn.

44      De toekenning van de extra pensioenjaren in het aan de betrokkene gedane voorstel zou pas definitief worden, nadat de bedragen die met het geactualiseerde kapitaal van de eerder verworven pensioenrechten overeenkomen, daadwerkelijk door de betrokken nationale of internationale pensioenfondsen zijn overgeschreven op de bankrekening van de Commissie, zodat het aan de ambtenaar medegedeelde toekenningsbesluit na incassering van het overgedragen kapitaal de enige handeling was die voor de ambtenaar die een verzoek om overdracht had ingediend, bezwarend was.

45      Gelet hierop was het tweede voorstel voor extra pensioenjaren een voorbereidende handeling, die uitsluitend ertoe strekte om het uiteindelijke toekenningsbesluit voor te bereiden.

46      Ter terechtzitting heeft de Commissie ook aangevoerd dat de pensioenrechten van de ambtenaar door het voorstel voor extra pensioenjaren geen concrete vorm hebben aangenomen, a fortiori, wanneer dit voorstel door de betrokkene niet is aanvaard, en dat tussen de vaststelling van dat voorstel en het besluit dat de procedure afsluit, het bedrag van het overgedragen kapitaal en bijgevolg het aantal extra pensioenjaren dat in aanmerking moet worden genomen, zou kunnen veranderen. De Commissie baseert zich op dit punt op artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut, dat bepaalt dat de betrokken instelling „op basis van het overgedragen kapitaal” het aantal pensioenjaren bepaalt dat zij volgens de pensioenregeling van de Unie in aanmerking neemt uit hoofde van de periode van eerdere werkzaamheden.

47      Verzoekster meent daarentegen dat, volgens de rechtspraak, een voorstel voor extra pensioenjaren een bezwarende handeling is, ongeacht of deze door de betrokken ambtenaar al dan niet is aanvaard.

 Beoordeling door het Gerecht

48      Om te beginnen wil het stelsel van overdracht van pensioenrechten, zoals voorzien in artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut, door een coördinatie van de nationale pensioenregelingen en de pensioenregeling van de Unie mogelijk te maken, de overgang van nationale dienstbetrekkingen, bij de overheid of in de particuliere sector, en ook internationale dienstbetrekkingen naar de administratie van de Unie vergemakkelijken en aldus de Unie de beste keuzemogelijkheden verzekeren van gekwalificeerd personeel dat reeds over passende beroepservaring beschikt (beschikking Hof van 9 juli 2010, Ricci, C‑286/09 en C‑287/09, punt 28, en aldaar aangehaalde rechtspraak).

49      In dit verband was het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen in het bijzonder van oordeel dat de voorstellen voor extra pensioenjaren die aan de ambtenaar ter goedkeuring worden voorgelegd „besluiten” zijn die twee gevolgen hebben, enerzijds dat de betrokken ambtenaar in de oorspronkelijke rechtsorde het bedrag van de door hem in de nationale pensioenregeling verworven rechten behoudt, en anderzijds dat in de rechtsorde van de Unie wordt verzekerd dat die rechten, mits aan een aantal aanvullende voorwaarden is voldaan, in de pensioenregeling van de Unie in aanmerking zullen worden genomen (arrest Gerecht van eerste aanleg van 18 december 2008, België en Commissie/Genette, T‑90/07 P en T‑99/07 P, punt 91, en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50      Het Gerecht was ook reeds van oordeel dat de voorstellen voor extra pensioenjaren een eenzijdige handeling vormen waarvoor geen andere maatregel van de bevoegde instelling nodig is en die voor de betrokken ambtenaar bezwarend is. Indien dit niet zo was, zou een dergelijke handeling als zodanig niet in rechte kunnen worden betwist, of zou althans daartegen alleen een klacht kunnen worden ingediend of beroep kunnen worden ingesteld na vaststelling van een later op een niet nader bepaalde datum te nemen besluit, dat afkomstig is van een andere instantie dan het TABG. Deze zienswijze zou noch het recht van ambtenaren op een effectieve rechterlijke bescherming waarborgen noch de met de termijnvoorschriften samenhangende eisen van rechtszekerheid in het Statuut naleven (beschikking Gerecht van 10 oktober 2007, Pouzol/Rekenkamer, F‑17/07, punten 52 en 53).

51      Ten slotte is deze rechtspraak ook bevestigd in het arrest van het Gerecht van 11 december 2012, Cocchi en Falcione/Commissie (F‑122/10, waartegen thans hogere voorziening is ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie, zaak T‑103/13 P, punten 37‑39), waarin het Gerecht van oordeel was dat het voorstel voor extra pensioenjaren een voor de betrokken ambtenaar bezwarende handeling was.

52      Uiteindelijk blijkt uit de in de punten 49 tot en met 51 van dit arrest aangehaalde rechtspraak dat het voorstel voor extra pensioenjaren dat de bevoegde diensten van de Commissie ter goedkeuring aan de ambtenaar voorleggen in het kader van de verschillende fasen omvattende administratieve procedure van overdracht van pensioenrechten, zoals die hierboven is beschreven, een eenzijdige handeling is, die uit het procedurele kader ervan kan worden gelicht en wordt vastgesteld op grond van een gebonden, ex lege aan de instelling verleende bevoegdheid, aangezien die bevoegdheid rechtstreeks voortvloeit uit het individuele recht dat artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut ambtenaren en functionarissen bij hun indiensttreding bij de Unie uitdrukkelijk toekent.

53      De uitoefening van deze gebonden bevoegdheid verplicht de Commissie immers om een voorstel voor extra pensioenjaren op te stellen dat gebaseerd is op alle relevante gegevens die zij van de betrokken nationale of internationale instanties in het specifieke kader van een nauwe coördinatie en een loyale samenwerking tussen die instanties en haar diensten moet verkrijgen. Een dergelijk voorstel voor extra pensioenjaren kan derhalve niet worden beschouwd als blijk van een „louter voornemen” van de diensten van de instelling om de betrokken ambtenaar te informeren, in afwachting van de daadwerkelijke ontvangst van zijn instemming en, vervolgens, van het kapitaal dat de toekenning van de extra jaren mogelijk maakt. Integendeel, dit voorstel vormt de noodzakelijke verbintenis van de instelling om correct te werk te gaan bij de daadwerkelijke uitvoering van het recht van de ambtenaar op overdracht van pensioenrechten, welk recht die laatste heeft uitgeoefend door zijn verzoek om overdracht in te dienen. De overdracht van het geactualiseerde kapitaal aan de pensioenregeling van de Unie vormt op zich de uitvoering van een afzonderlijke op de nationale en internationale instanties rustende verplichting die noodzakelijk is om de gehele procedure aangaande de overdracht van pensioenrechten aan de pensioenregeling van de Unie tot een goed einde te brengen.

54      Op grond van de gebonden bevoegdheid bij de uitvoering van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut is de Commissie ook verplicht om alle noodzakelijke zorgvuldigheid te betrachten om de ambtenaar die een verzoek tot toepassing van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut heeft ingediend, in staat te stellen met volledige kennis van zaken te kunnen instemmen met het voorstel voor extra pensioenjaren, zowel waar het gaat om de vereiste berekeningsfactoren voor de vaststelling van het aantal in aanmerking te nemen statutaire pensioenjaren als waar het gaat om de voorschriften die „op het ogenblik dat om overdracht is verzocht” de wijze van deze berekening regelen, zoals de letter van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut aangeeft. Deze bepaling voorziet er immers in dat de instelling waarbij de ambtenaar werkzaam is, met inachtneming van het basissalaris, de leeftijd en de wisselkoers op het ogenblik dat om overdracht is verzocht, door middel van algemene uitvoeringsbepalingen „het [door haar in aanmerking te nemen] aantal pensioenjaren” „bepaalt”.

55      Gelet op het voorgaande is een voorstel voor extra pensioenjaren een handeling die bezwarend is voor de ambtenaar die om overdracht van zijn pensioenrechten heeft verzocht.

56      Deze conclusie wordt ook bevestigd door de navolgende overwegingen.

57      In de eerste plaats bepaalt artikel 8 van de AUB 2011, dat daarmee een eerdere in de bepalingen van de voorstellen voor extra pensioenjaren neergelegde praktijk bevestigt, voortaan uitdrukkelijk dat wanneer de ambtenaar eenmaal met het aan hem ter goedkeuring voorgelegde voorstel voor extra pensioenjaren heeft ingestemd, deze instemming „onherroepelijk” is. De onherroepelijkheid van de door de ambtenaar gegeven instemming is evenwel slechts gerechtvaardigd, indien de Commissie harerzijds de betrokkene een voorstel heeft gedaan waarvan de inhoud met alle vereiste zorgvuldigheid is berekend en voorgelegd, en dat de Commissie in die zin bindt dat zij de overdrachtsprocedure op die grondslag moet voortzetten, indien de betrokkene met het voorstel instemt.

58      In de tweede plaats wordt het voorstel voor extra pensioenjaren in beginsel opgesteld volgens dezelfde berekeningswijze als die welke wordt gebruikt op het tijdstip dat het gehele door de oorspronkelijke nationale of internationale pensioeninstellingen definitief overgedragen kapitaal bij het pensioenstelsel van de Unie binnenkomt.

59      Hetgeen in voorkomend geval hoogstens kan veranderen tussen de datum van het voorstel voor extra pensioenjaren en de datum dat het definitief overgedragen kapitaal wordt ontvangen, is de hoogte van het betrokken bedrag, aangezien het bedrag van het over te dragen kapitaal, geactualiseerd op de datum van het verzoek om overdracht, kan afwijken van het bedrag van het kapitaal op de datum van de daadwerkelijke overdracht, in verband met wijzigingen van bijvoorbeeld wisselkoersen. Maar ook in dat laatste geval, dat overigens slechts betrekking kan hebben op kapitaalsoverdrachten die in andere valuta dan de Euro worden uitgedrukt, worden deze beide waarden op dezelfde wijze berekend.

60      In de derde plaats is de stelling van de Commissie dat alleen het na ontvangst van het desbetreffende overgedragen kapitaal vastgestelde toekenningsbesluit voor de betrokken ambtenaar bezwarend zou zijn, duidelijk in strijd met de doelstelling van de administratieve procedure betreffende de overdracht van pensioenrechten. Die procedure strekt er juist toe om het voor de betrokken ambtenaar mogelijk te maken met volledige kennis van zaken en voordat het kapitaal dat overeenkomt met al zijn bijdragen definitief wordt overgedragen aan het pensioenstelsel van de Unie, te beslissen of het voor hem voordeliger is dat hij zijn eerdere pensioenrechten samenvoegt met die welke hij als ambtenaar van de Unie verwerft dan wel of hij die rechten in de nationale rechtsorde behoudt (zie reeds aangehaald arrest België en Commissie/Genette, punt 91). De stelling van de Commissie zou de betrokken ambtenaar namelijk verplichten om pas op te komen tegen de wijze waarop de diensten van de Commissie het aantal extra pensioenjaren waarop hij recht heeft hebben berekend, nadat de oorspronkelijke nationale of internationale pensioenfondsen het kapitaal definitief aan de Commissie hebben overgedragen, waardoor in praktijk juist de essentie teloor zou gaan van het door artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut aan de ambtenaar verleende recht om te kiezen om zijn pensioenrechten over te dragen dan wel deze rechten in de oorspronkelijke nationale of internationale pensioenfondsen te behouden.

61      Ten slotte en in de vierde plaats kan niet worden gesteld dat, zoals de Commissie doet, de voorstellen voor extra pensioenjaren slechts voorbereidende handelingen zijn, omdat het aantal pensioenjaren volgens artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut „op basis van het overgeschreven kapitaal” moet worden berekend.

62      Op dit punt blijkt immers om te beginnen uit de bewoordingen van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut dat de betrokken instelling eerst het aantal pensioenjaren „met inachtneming van het basissalaris, de leef[tijd] en de wisselkoers op het ogenblik dat om overdracht is verzocht, door middel van algemene uitvoeringsbepalingen” „bepaalt”, en vervolgens het aldus bepaalde aantal pensioenjaren volgens de pensioenregeling van de Unie in aanmerking neemt „op basis van het overgeschreven kapitaal”.

63      Deze bewoordingen vinden bevestiging in de formulering van artikel 7 van de AUB 2004 en van artikel 7 van de AUB 2011. In lid 1 van deze twee artikelen wordt namelijk bepaald dat het aantal in aanmerking te nemen pensioenjaren wordt berekend „op grond van het over te dragen bedrag dat overeenkomt met de verworven rechten [...], verminderd met het bedrag dat overeenkomt met de herwaardering van het kapitaal tussen de datum van inschrijving van het verzoek om overdracht en de datum waarop de overdracht plaatsvindt”.

64      In lid 2 van artikel 7 van zowel de AUB 2004 als de AUB 2011 wordt gespecificeerd dat het aantal in aanmerking te nemen pensioenjaren „vervolgens wordt berekend [...] op grond van het overgedragen bedrag”, overeenkomstig de wiskundige formule in het eerste streepje van datzelfde lid.

65      Blijkens bovengenoemde bepalingen worden de voorstellen voor extra pensioenjaren derhalve berekend op basis van het over te dragen bedrag op de datum van inschrijving van het verzoek, zoals dat door de bevoegde nationale of internationale instanties aan de diensten van de Commissie wordt medegedeeld, verminderd met, zo nodig, het bedrag dat overeenkomt met de herwaardering van het kapitaal tussen de datum van de inschrijving van het verzoek om overdracht en de datum waarop de overdracht daadwerkelijk plaatsvindt, aangezien dit financiële verschil namelijk niet ten laste van de pensioenregeling van de Unie behoort te komen.

66      Uit al het bovenstaande volgt dat het tweede voorstel voor extra pensioenjaren een bezwarende handeling is en de vordering tot nietigverklaring derhalve ontvankelijk is. Derhalve dient de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid te worden afgewezen.

 Ten gronde

67      Ter ondersteuning van haar vordering tot nietigverklaring tegen het tweede voorstel voor extra pensioenjaren voert verzoekster één enkel middel aan: „schending van artikel 11[,] lid 2[,] van bijlage VIII bij het Statuut [en] van artikel 26[,] lid 4[,] van bijlage XIII bij het Statuut, schending van verworven rechten, het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van terugwerkende kracht, [en] kennelijke onjuiste beoordeling”.

 Argumenten van partijen

68      Verzoekster stelt dat de Commissie, wanneer zij de actuariële waarden die van toepassing zijn op verzoeken om overdracht van in een lidstaat verworven pensioenrechten aan de pensioenregeling van de Unie (hierna: „overdracht ,inʼ”) wil wijzigen, op grond van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut verplicht is om eerst nieuwe algemene uitvoeringsbepalingen vast te stellen. De Commissie zou echter pas op 3 maart 2011 nieuwe algemene uitvoeringsbepalingen hebben vastgesteld. De AUB 2004, die vóór die datum van kracht waren, waren dus de enige voorschriften die op het verzoek om overdracht van toepassing waren.

69      De inwerkingtreding van verordening nr. 1324/2008 op 1 januari 2009 zou geen invloed hebben op de percentages die bij de berekening van het aantal extra pensioenjaren moeten worden toegepast. Bij die verordening was het rentepercentage zoals neergelegd in artikel 8 van bijlage VIII bij het Statuut, immers gewijzigd, welk rentepercentage uitsluitend zou worden gebruikt bij een overdracht van de actuariële tegenwaarde, te weten het kapitaal van de pensioenrechten die door een ambtenaar bij de Unie zijn verworven, aan een nationale pensioenregeling (hierna: „overdracht ,outʼ”), en dus niet zou gelden bij een overdracht „in”.

70      Overigens zou geen enkele bepaling van het Statuut of van verordening nr. 1324/2008 ertoe verplichten om het in die verordening vastgestelde rentepercentage onmiddellijk en van rechtswege toe te passen bij de berekening van het aantal extra pensioenjaren ingeval van een overdracht „in”.

71      Volgens verzoekster kon op grond van de vijfjaarlijkse actuariële raming uit hoofde van artikel 83 bis, lid 3, van het Statuut, bij verordening nr. 1324/2008 het bijdragepercentage aan de pensioenregeling van de Unie en het in de bepalingen vastgestelde rentepercentage zoals neergelegd in artikel 2 van diezelfde verordening, slechts beperkt worden aangepast. Door die maatregelen had de Raad derhalve al zijn door artikel 83 bis van het Statuut toegekende prerogatieven „uitgeput”. De Raad zou niet het recht hebben enig besluit te nemen dat van invloed is op de berekening als bedoeld in artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut.

72      Bovendien zou de door de Raad besloten wijziging van het rentepercentage niet verplicht gelijktijdig van toepassing kunnen zijn op alle actuariële berekeningen.

73      Verzoekster voert ook aan dat haar rechten op de datum van het verzoek om overdracht, dat wil zeggen op 3 november 2009, concrete vorm hebben aangenomen en derhalve overeenkomstig de AUB 2004 die op die datum als enige van kracht waren, hadden moeten worden vastgesteld.

74      Ten slotte meent verzoekster dat de toepassing met terugwerkende kracht van de AUB 2011 „onverwacht” was. In de mededeling van de directeur-generaal van het directoraat-generaal „Personeelszaken en Veiligheid” van 25 mei 2010 en de mededeling van 30 juli 2010 werd aangekondigd dat de nieuwe regels niet met terugwerkende kracht zouden worden toegepast.

75      De Commissie repliceert dat verordening nr. 1324/2008 artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut weliswaar niet kon wijzigen, omdat in deze bepaling niet het voor de berekening van de actuariële tegenwaarde te gebruiken rentepercentage wordt genoemd, maar dat de algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut omzettingsfactoren gebruiken die „rechtstreeks gekoppeld waren aan het in artikel 8 van bijlage VIII [bij het Statuut] bepaalde percentage”.

76      Volgens de Commissie zou de wijziging van het rentepercentage in artikel 8 van bijlage VIII bij het Statuut, die op 1 januari 2009 is vastgesteld door de inwerkingtreding van verordening nr. 1324/2008, derhalve „noodzakelijkerwijs” ertoe hebben geleid dat op diezelfde datum de omzettingsfactoren werden gewijzigd. De in de AUB 2004 neergelegde omzettingsfactoren zijn dan ook „achterhaald” en misten op 1 januari 2009 rechtsgrondslag, en wel ongeacht enige formele en contextuele intrekking van de AUB 2004.

 Beoordeling door het Gerecht

77      Om te beginnen wordt de grief betreffende de kennelijke onjuiste beoordeling op geen enkele wijze onderbouwd, nu hiervoor geen argument wordt aangevoerd. Op grond van artikel 35, lid 1, sub e, van het Reglement voor de procesvoering moet deze grief daarom worden afgewezen.

78      In het kader van haar enige middel werpt verzoekster de exceptie van onwettigheid op van artikel 9, derde alinea, laatste zin, en artikel 9, vierde alinea, eerste zin, van de AUB 2011. Volgens verzoekster voorzien deze bepalingen van de AUB 2011 erin dat de omzettingsfactoren van bijlage 1 bij de AUB 2011, die overeenkomstig verordening nr. 1324/2008 zijn vastgesteld, vanaf 1 januari 2009, de datum van inwerkingtreding van die verordening, van toepassing zijn, hoewel op die datum bijlage 2 bij de AUB 2004, die in andere, vanaf 1 mei 2004 geldende omzettingsfactoren voorzag, formeel niet was gewijzigd. Verzoekster betoogt dat een dergelijke formele wijziging krachtens artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut noodzakelijk was en dat de toepassing met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2009 van de nieuwe omzettingsfactoren zoals voorzien in bijlage 1 bij de AUB 2011, ook op de dossiers van ambtenaren en functionarissen wier verzoek om een overdracht „in” vóór die datum was ingediend, in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van terugwerkende kracht.

79      Om artikel 9, derde en vierde alinea, van de AUB 2011 rechtens te rechtvaardigen voert de Commissie in wezen aan dat de AUB 2004 als gevolg van artikel 2 van verordening nr. 1324/2008 niet langer geldig waren en automatisch rechtsgrondslag misten wat betreft de berekeningswijze van het aantal in aanmerking te nemen pensioenjaren.

–       Invloed van verordening nr. 1324/2008 op de AUB 2004

80      Blijkens de formulering van artikel 2 van verordening nr. 1324/2008 heeft deze verordening waar het gaat om ambtenaren en andere personeelsleden van de Unie slechts twee oogmerken.

81      Ten eerste moet bij artikel 4, lid 1, van bijlage VIII bij het Statuut het percentage worden vastgesteld dat van toepassing is op de berekening van pensioenrechten van een ambtenaar die weer in dienst treedt bij de Unie na hierbij een voorafgaande dienstperiode te hebben vervuld. Dit oogmerk lijkt in casu meteen al irrelevant.

82      Ten tweede dient het percentage te worden vastgesteld op grond waarvan de „actuariële tegenwaarde” van het ouderdomspensioen moet worden bepaald. Dit begrip wordt echter in artikel 11, lid 1, van bijlage VIII bij het Statuut voor een overdracht „out” gebruikt, en niet in artikel 11, lid 2, van dezelfde bijlage voor een overdracht „in”.

83      Artikel 11 van bijlage VIII bij het Statuut maakt immers een duidelijk onderscheid tussen enerzijds een overdracht „out” (lid 1) en anderzijds een overdracht „in” (lid 2).

84      Bij een overdracht „out” heeft de betrokken ambtenaar volgens artikel 11, lid 1, van bijlage VIII bij het Statuut het recht om „de tot het tijdstip waarop de overdracht plaatsvindt geactualiseerde actuariële tegenwaarde van [...] rechten op ouderdomspensioen bij de Unie te doen overschrijven”. Daarentegen wordt in lid 2 van ditzelfde artikel bij een overdracht „in” bepaald dat de betrokken ambtenaar „het kapitaal dat overeenkomt met de pensioenrechten die hij [in een nationale of internationale pensioenregeling waarbij hij eerder was aangesloten] heeft verworven, geactualiseerd tot op de dag waarop de overdracht plaatsvindt”, aan de Unie kan doen uitbetalen. Wanneer het om een overdracht „out” gaat, is de overgedragen geldsom de „actuariële tegenwaarde” van de bij de Unie verworven rechten, terwijl ingeval van een overdracht „in” de overgedragen geldsom het „geactualiseerde kapitaal” is, te weten een geldsom die feitelijk overeenkomt met de pensioenrechten die zijn verworven uit hoofde van de vroegere activiteiten van de betrokken ambtenaar in de desbetreffende nationale of internationale pensioenregeling, geactualiseerd op grond van artikel 11, lid 2, eerste alinea, van bijlage VIII bij het Statuut tot op de dag waarop de overdracht daadwerkelijk plaatsvindt (zie in die zin, arrest Hof van 5 december 2013, Časta, C‑166/12, punt 26).

85      De „actuariële tegenwaarde”, zoals bedoeld in lid 1 van artikel 11 van bijlage VIII bij het Statuut en het „geactualiseerde kapitaal”, zoals bedoeld in lid 2 van datzelfde artikel, zijn echter twee verschillende rechtsbegrippen met ieder een eigen regeling.

86      De „actuariële tegenwaarde” is in de bepalingen van het Statuut een autonoom begrip dat kenmerkend is voor de pensioenregeling van de Unie. Het wordt in artikel 8 van bijlage VIII bij het Statuut omschreven als „de kapitaalwaarde van de aan de ambtenaar toekomende uitkering [van het ouderdomspensioen], berekend op de grondslag van de in artikel 9 van bijlage XII [bij het Statuut] vermelde sterftetafels en tegen een rente van 3,1 % per jaar die kan worden herzien overeenkomstig het bepaalde in artikel 10 van bijlage XII [bij het Statuut]”. De laatste herziening van het in artikel 8 van bijlage VIII bij het Statuut bedoelde rentepercentage vond krachtens artikel 10 van bijlage XII bij het Statuut juist bij verordening nr. 1324/2008 plaats, die het rentepercentage van 3,5 % naar 3,1 % heeft teruggebracht.

87      Het „geactualiseerde kapitaal” wordt daarentegen niet omschreven in het Statuut, dat evenmin vermeldt op welke wijze dit kapitaal moet worden berekend, aangezien de berekening ervan en de wijze waarop die berekening wordt getoetst, volgens vaste rechtspraak onder de uitsluitende bevoegdheid van de betrokken nationale en internationale instanties vallen (reeds aangehaald arrest België en Commissie/Genette, punten 56 en 57, en aldaar aangehaalde rechtspraak).

88      De Commissie blijft niettemin bij haar zienswijze dat de actuariële tegenwaarde ook een „wijze” van berekening is die als zodanig niet enkel moet worden gebruikt bij een overdracht „out”, wanneer geldsommen vanuit de fondsen van de pensioenregeling van de Unie bij de fondsen van een pensioenregeling van een lidstaat of een internationale organisatie binnenkomen, maar ook, in het omgekeerde geval, bij een overdracht „in”, wanneer geldsommen bij de fondsen van de pensioenregeling van de Unie binnenkomen.

89      Als berekeningswijze zou de actuariële tegenwaarde volgens de Commissie dus op beide gevallen van overdracht van ouderdomspensioenrechten van toepassing zijn. Op dit punt benadrukt zij dat artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut sinds de hervorming van het Statuut in 2004 voor de betrokken nationale overheden een nieuwe voorwaarde stelt, namelijk dat het kapitaal dat overeenkomt met alle bijdragen die door de in dienst van de Unie getreden ambtenaar zijn betaald, geactualiseerd is „tot het tijdstip waarop de overdracht plaatsvindt”. Aangezien deze nieuwe voorwaarde in het Statuut is opgenomen, zouden de betrokken nationale overheden, aldus de Commissie, hierdoor verplicht zijn om het kapitaal te actualiseren volgens de in het Statuut aangegeven parameters, waaronder het rentepercentage, zoals laatstelijk gewijzigd bij verordening nr. 1324/2008.

90      De stelling van de Commissie is juridisch evenwel niet gerechtvaardigd.

91      Blijkens de rechtspraak omvat de regeling voor de overdracht „in” namelijk twee aparte administratieve fasen. In de eerste fase wordt het geactualiseerde kapitaal vastgesteld door de nationale of internationale instanties die belast zijn met het beheer van het pensioenstelsel waarbij de betrokkene vóór zijn indiensttreding bij de Unie was aangesloten. Deze gehele fase behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van de bevoegde nationale of internationale instanties. In de tweede fase wordt daarentegen het aldus door de oorspronkelijke nationale of internationale instanties vastgestelde geactualiseerde kapitaal door de betrokken instelling van de Unie omgezet in dienstjaren die in het pensioenstelsel van de Unie in aanmerking moeten worden genomen, en wel op basis van de specifieke regels van de pensioenregeling van de Unie, waaronder ook de voorschriften in de algemene uitvoeringsbepalingen die elke instelling voor een overdracht „in” moet vaststellen (zie in die zin reeds aangehaald arrest België en Commissie/Genette, punten 56 en 57).

92      Beide besluiten, het eerste betreffende de vaststelling van het geactualiseerde kapitaal en het tweede betreffende de omzetting van dit vermogen in pensioenjaren, worden derhalve door een verschillende rechtsorde beheerst en zijn elk aan de in hun respectieve rechtsorde voorziene rechterlijke toetsing onderworpen (arrest Gerecht van eerste aanleg van 18 maart 2004, Lindorfer/Raad, T‑204/01, punten 28‑31).

93      De omstandigheid dat artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut sinds de hervorming van het Statuut in 2004 bepaalt dat de nationale of internationale instanties tot het tijdstip van de daadwerkelijke overdracht het kapitaal dat overeenkomt met alle bijdragen die door de in dienst van de Unie getreden ambtenaar of functionaris zijn betaald, moeten actualiseren, bevat weliswaar een verplichting voor die instanties, maar dat impliceert niet dat, indien zulks niet uitdrukkelijk is bepaald, die actualisering moet geschieden op de wijze die is vastgesteld voor een overdracht „out”. Zoals het Hof van oordeel was in de punten 25 en 26 van het reeds aangehaalde arrest Časta, staat het de lidstaten daarentegen vrij om hetzij de methode van de „actuariële tegenwaarde” toe te passen, hetzij de methode van de „afkoopsom”, hetzij andere methodes.

94      Voor, in de eerste plaats, de berekening door de bevoegde nationale of internationale instanties van het geactualiseerde kapitaal met het oog op een overdracht „in”, geldt derhalve dat dit kapitaal wordt vastgesteld op grond van het toepasselijke nationale recht en op de wijze neergelegd in dit recht of, wanneer het een internationale organisatie betreft, door haar eigen regels, en niet op grond van artikel 8 van bijlage VIII bij het Statuut en volgens het in die bepaling vastgestelde rentepercentage. Dat heeft overigens het Gerecht van eerste aanleg in punt 57 van het reeds aangehaalde arrest België en Commissie/Genette gepreciseerd toen het heeft overwogen dat in geval van een overdracht „in”, het besluit betreffende de berekening van het bedrag van de over te dragen pensioenrechten wordt beheerst door de bevoegde nationale rechtsorde en alleen aan de toetsing van de nationale rechter is onderworpen (zie in die zin reeds aangehaald arrest Časta, punt 24).

95      Artikel 2 van verordening nr. 1324/2008 behoort derhalve buiten beschouwing te blijven bij de berekening van het kapitaal dat overeenkomt met de door de ambtenaar of functionaris vóór zijn indiensttreding bij de Unie verworven pensioenrechten, en dit artikel dient niet verplicht in aanmerking te worden genomen door de betrokken nationale of internationale instanties wanneer zij overgaan tot de actualisering van het door hen over te dragen kapitaal.

96      Aangaande in de tweede plaats, de berekening door de diensten van de betrokken instelling van het aantal extra pensioenjaren die in de pensioenregeling van de Unie in aanmerking moeten worden genomen, welke berekening blijkens de punten 85 tot en met 87 van dit arrest verschilt van die van het geactualiseerde kapitaal, moet worden vastgesteld dat noch artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut betreffende een overdracht „in”, noch enige andere bepaling van het Statuut uitdrukkelijk voorziet in de verplichting om op de berekening van het aantal extra pensioenjaren in de pensioenregeling van de Unie het rentepercentage van artikel 8 van die bijlage toe te passen. De stelling van de Commissie dat de omzettingsfactoren, ingeval van een overdracht „in” „rechtstreeks gekoppeld” zijn aan het rentepercentage in artikel 8 van bijlage VIII bij het Statuut, berust derhalve op geen enkele bepaling van het Statuut.

97      Bovendien kan de Raad niet door middel van een uitvoeringsverordening die op grond van artikel 83 bis van het Statuut wordt vastgesteld, de werkingssfeer van artikel 11, lid 2, tweede alinea, van bijlage VIII bij het Statuut beperken door de autonomie in twijfel te trekken die de wetgever van de Unie in die bepaling aan de instellingen heeft toegekend door hun de bevoegdheid te geven om door middel van algemene uitvoeringsbepalingen het aantal extra pensioenjaren bij een overdracht „in” te bepalen.

98      In het kader van de berekening van het aantal pensioenjaren dat in aanmerking moet worden genomen op basis van het kapitaal dat overeenkomt met de daadwerkelijk aan de pensioenregeling van Unie overgedragen bijdragen, verwijst artikel 7, lid 2, van de AUB 2004 weliswaar naar de actuariële waarden W2 in de tabel van bijlage 2 bij de AUB 2004, die zelfs krachtens die bijlage „op basis van de parameters neergelegd in bijlage XII bij het Statuut zijn berekend”. Tot die parameters behoort het in artikel 8 van bijlage VIII bij het Statuut vastgestelde percentage.

99      Bijlage 2 van de AUB 2004 vermeldt echter de actuariële waarden zoals die op de grondslag van met name het in artikel 8 van bijlage VIII bij het Statuut genoemde percentage van 3,5 % zijn berekend, en wel vóór de wijziging van dat percentage bij verordening nr. 1324/2008. Juist deze waarden zijn bij de opstelling van de eerste aan verzoekers voorgelegde voorstellen voor extra pensioenjaren door de Commissie in aanmerking genomen, hoewel artikel 8 van bijlage VIII bij het Statuut inmiddels bij verordening nr. 1324/2008 was gewijzigd.

100    In deze omstandigheden diende de Commissie in het kader van de uitvoering van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut en in het bijzonder voor de actualisering van de omzettingsfactoren ingeval van een overdracht „in”, gelet op het nieuwe percentage van 3,1 % in artikel 8 van bijlage VIII bij het Statuut, na de inwerkingtreding van verordening nr. 1324/2008 de AUB 2004 te wijzigen en een nieuwe tabel voor de actuariële waarden vast te stellen, overeenkomstig artikel 11, lid 2, dat voor zijn uitvoering naar algemene uitvoeringsbepalingen verwijst, en overeenkomstig het rechtszekerheidsbeginsel. Dat is overigens precies wat de Commissie heeft gedaan door de AUB 2011 vast te stellen waarvan de bijlage nieuwe actuariële waarden bevat, die in deze laatste algemene uitvoeringsbepalingen „omzettingsfactoren” voor de berekening van de extra pensioenjaren heten.

101    Hieraan moet nog worden toegevoegd dat artikel 8 van bijlage VIII bij het Statuut, in de versie zoals die na de inwerkingtreding van verordening nr. 1324/2008 is gewijzigd, slechts van toepassing kan zijn op overdrachten „in” door middel van algemene uitvoeringsbepalingen die de instellingen overeenkomstig artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut moeten vaststellen. In casu vloeit de toepassing van artikel 8 voort uit de verwijzing naar de „parameters, neergelegd in bijlage XII bij het Statuut”, welke zijn vermeld in het opschrift van bijlage 2 bij de AUB 2004, en wel voor zover de artikelen 1, lid 2, 10, lid 2, en 12 van die bijlage XII zelf verwijzen naar het in artikel 8 van bijlage VIII bij het Statuut aangegeven percentage. Het opschrift van bijlage 2 bij de AUB 2004 verklaart de berekeningswijze die de Commissie heeft gekozen krachtens haar door artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut verleende uitvoeringsbevoegdheden, en kan enkel dienen als uitlegging van de normatieve bepaling in de tabel van actuariële waarden (zie met betrekking tot de normatieve waarde van het opschrift van een artikel van een richtlijn, arrest Hof van 3 april 2003, Hoffmann, C‑144/00, punten 37‑40). Bovendien kunnen dergelijke cascadeverwijzingen, die daarbij zeer ontoegankelijk zijn, geen voorrang hebben op expliciete gegevens in de tabel van de betrokken actuariële waarden zonder het rechtszekerheidsbeginsel te schenden.

102    Kortom, het argument van de Commissie dat de berekeningswijze van de actuariële tegenwaarde, zoals neergelegd in artikel 8 van bijlage VIII bij het Statuut, noodzakelijkerwijs ook moest worden gebruikt voor de vaststelling van het geactualiseerde kapitaal, en zelfs ook voor het aantal extra pensioenjaren, zoals voorzien in artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut, strookt niet met de bewoordingen van laatstgenoemde bepaling en met de wil van de wetgever van de Unie die immers in het Statuut een duidelijk onderscheid heeft willen handhaven tussen de twee gevallen waarin pensioenrechten worden overgedragen (de overdracht „in” en de overdracht „out”), en derhalve ook tussen de begrippen geactualiseerd kapitaal en actuariële tegenwaarde.

103    Gelet op een en ander is de stelling van de Commissie dat de AUB 2004 wegens verordening nr. 1324/2008 niet langer geldig waren en automatisch rechtsgrondslag misten voor de berekeningswijze van het aantal extra pensioenjaren, rechtens onjuist, aangezien de argumenten voor die stelling zowel de werkingssfeer van die verordening als artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut miskennen.

104    Daarom moet worden onderzocht of de Commissie de nieuwe omzettingsfactoren in bijlage 1 bij de AUB 2011 mocht toepassen op verzoeken om overdracht die vóór de inwerkingtreding van de AUB 2011 op 1 april 2011 waren ingediend.

–       Toepassing met terugwerkende kracht van de omzettingsfactoren in bijlage 1 bij de AUB 2011

105    Om te beginnen zij eraan herinnerd dat een nieuwe regel volgens een algemeen erkend beginsel, behoudens uitzondering, onmiddellijk van toepassing is op toekomstige situaties alsmede op de toekomstige gevolgen van situaties die, zonder evenwel volledig te zijn gevormd, onder de oude regeling zijn ontstaan (arrest Gerecht van 13 juni 2012, Guittet/Commissie, F‑31/10, punt 47, en aldaar aangehaalde rechtspraak).

106    Derhalve moet worden nagegaan of verzoekster op het tijdstip van inwerkingtreding van de nieuwe, in de AUB 2011 neergelegde omzettingsfactoren, dat wil zeggen op 1 april 2011, zich in een situatie bevond die volledig was gevormd en ontstaan onder de AUB 2004. Alleen in dat geval kan daadwerkelijk worden erkend dat de in de AUB 2011 neergelegde omzettingsfactoren met terugwerkende kracht op verzoekster zijn toegepast. Alsdan moeten de door verzoekster aangevoerde exceptie van onwettigheid en, meer bepaald, de rechtmatigheid van de toepassing met terugwerkende kracht van de in de AUB 2011 neergelegde omzettingsfactoren worden getoetst aan de beginselen van rechtszekerheid en eerbiediging van het gewettigd vertrouwen (zie in die zin reeds aangehaald arrest Guittet/Commissie, punt 48).

107    In casu zou de situatie van een ambtenaar of functionaris die een verzoek om een overdracht „in” heeft gedaan, alleen volledig onder de in de bijlage bij de AUB 2004 neergelegde actuariële waarden W2 zijn gevormd, indien vaststaat dat de betrokkene uiterlijk aan het einde van de dag vóór de datum van inwerkingtreding van de nieuwe, in de AUB 2011 neergelegde omzettingsfactoren, dat wil zeggen op 31 maart 2011, het aan hem op grond van de AUB 2004 gedane voorstel voor extra pensioenjaren had aanvaard.

108    In het onderhavige geval heeft verzoekster, zoals in punt 21 van dit arrest in herinnering is gebracht, het eerste voorstel voor extra pensioenjaren formeel noch aanvaard noch afgewezen. Haar situatie aangaande haar recht op een overdracht „in” die onder de AUB 2004 was ontstaan, was dus niet volledig onder de AUB 2004 gevormd op het tijdstip dat de AUB 2011 in werking traden, zodat die laatste bepalingen in casu niet met terugwerkende kracht zijn toegepast.

109    Gelet hierop kan verzoekster zich evenmin beroepen op een verworven recht dan wel op de niet-naleving van de voorwaarden voor het intrekken van administratieve handelingen (zie reeds aangehaald arrest Cocchi en Falcione, punten 42 en 43).

110    Uit al het bovenstaande volgt dat de vordering tot nietigverklaring van het tweede voorstel voor extra pensioenjaren ongegrond moet worden verklaard.

111    Het onderhavige beroep moet dan ook worden verworpen.

 Kosten

112    Volgens artikel 87, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij, onverminderd de overige bepalingen van het achtste hoofdstuk van de tweede titel van dat Reglement, in de kosten verwezen voor zover dit is gevorderd. Op grond van artikel 87, lid 2 kan het Gerecht, wanneer de billijkheid dit vergt, beslissen dat een in het ongelijk gestelde partij slechts ten dele in de kosten wordt verwezen of zelfs niet in de kosten dient te worden verwezen.

113    Uit de hierboven uiteengezette rechtsoverwegingen volgt dat verzoekster in het ongelijk is gesteld. Opgemerkt dient evenwel te worden dat het optreden van de Commissie bij verzoekster volstrekt legitieme vragen en twijfel heeft kunnen oproepen. In de eerste plaats heeft de Commissie immers in het besluit tot afwijzing van de klacht uit eigen beweging toegegeven dat het tweede voorstel voor extra pensioenjaren als een bezwarende handeling werd beschouwd. Weliswaar was de Commissie in het kader van dit beroep gerechtigd een exceptie van onwettigheid op te werpen, waarbij het Gerecht werd gevraagd om niet op de zaak ten principale in te gaan, maar toch heeft zij in tegenovergestelde zin betoogd dat het voorstel voor extra pensioenjaren „kennelijk” geen bezwarende handeling was. Voorts heeft de Commissie drie keer aangegeven, namelijk in het eerste voorstel voor extra pensioenjaren en in de mededelingen van 5 mei en 30 juli 2010 dat de AUB 2004 op verzoeken om overdracht die vóór de datum van in werkingtreding van AUB 2011 waren ingeschreven, van toepassing waren. Bovendien wordt in deze mededelingen niet vermeld hoe relevant de aanvaarding van de voorstellen voor extra pensioenjaren door de betrokken ambtenaren en functionarissen in die context kon zijn. Daar de omstandigheden in casu derhalve de toepassing van de bepalingen van artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering rechtvaardigen, moet worden geoordeeld dat de Commissie, naast haar eigen kosten, verzoeksters kosten zal dragen.

HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN (voltallige zitting),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het beroep wordt verworpen.

2)      De Europese Commissie zal haar eigen kosten dragen en wordt verwezen in de kosten van C. Teughels.

Van Raepenbusch

Rofes i Pujol

Perillo

Barents

 

      Bradley

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 11 december 2013.

De griffier

 

      De president

W. Hakenberg

 

      S. Van Raepenbusch


* Procestaal: Frans.