Language of document : ECLI:EU:C:2013:821


ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

12 december 2013 (*)

„Milieu – Afvalstoffen – Begrip – Richtlijn 2006/12/EG – Overbrenging van afvalstoffen – Kennisgeving aan bevoegde nationale autoriteiten – Verordening (EEG) nr. 259/93 – Zich ontdoen, voornemen of verplichting zich te ontdoen van een stof of voorwerp”

In de gevoegde zaken C‑241/12 en C‑242/12,

betreffende verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Rechtbank te Rotterdam (Nederland) bij beslissingen van 11 mei 2012, ingekomen bij het Hof op 18 mei 2012, in de strafzaken tegen

Shell Nederland Verkoopmaatschappij BV (C‑241/12),

Belgian Shell NV (C‑242/12),

wijst

HET HOF (Eerste kamer)

samengesteld als volgt: A. Tizzano, kamerpresident, K. Lenaerts, vicepresident van het Hof, waarnemend rechter van de Eerste kamer, A. Borg Barthet (rapporteur), E. Levits en M. Berger, rechters,

advocaat-generaal: N. Jääskinen,

griffier: C. Strömholm, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 6 maart 2013,

gelet op de opmerkingen van:

–        Shell Nederland Verkoopmaatschappij BV en Belgian Shell NV, vertegenwoordigd door R. Fibbe et R. Laan, advocaten,

–        de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. de Ree en C. Wissels als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Alcover San Pedro, D. Düsterhaus en P.‑J. Loewenthal als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 juni 2013,

het navolgende

Arrest

1        De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van het begrip afvalstof in de zin van verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (PB L 30, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2557/2001 van de Commissie van 28 december 2001 (PB L 349, blz. 1; hierna: „verordening nr. 259/93”), en van verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PB L 190, blz. 1).

2        Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van twee strafzaken tegen respectievelijk Shell Nederland Verkoopmaatschappij BV en Belgian Shell NV (hierna gezamenlijk: „Shell”) wegens het vervoer van een partij Ultra Light Sulphur Diesel (ULSD) die ongewild vermengd was geraakt met methyl-tertiaire-butyl-ether (hierna: „betrokken partij”) van België naar Nederland.

 Toepasselijke bepalingen

 Verordening nr. 259/93

3        De zesde, negende en achttiende overweging van de considerans van verordening nr. 259/93 luiden:

„Overwegende dat het toezicht en de controle op de overbrenging van afvalstoffen zodanig moeten worden geregeld dat er rekening wordt gehouden met de noodzaak de kwaliteit van het milieu te behouden, te beschermen en te verbeteren;

[...]

Overwegende dat voor de overbrenging van afvalstoffen een voorafgaande kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten moet worden voorgeschreven, zodat deze naar behoren op de hoogte zijn van in het bijzonder de soort, de overbrenging en de verwijdering of de nuttige toepassing van de afvalstoffen en aldus alle maatregelen kunnen treffen die nodig zijn voor de bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu, waaronder de mogelijkheid gemotiveerde bezwaren tegen de overbrenging te maken;

[...]

Overwegende dat bij sluikhandel de persoon wiens gedrag de oorzaak van de sluikhandel is, de afvalstoffen moet terugnemen en/of deze op een andere, milieuhygiënisch verantwoorde wijze moet verwijderen of nuttig toepassen en dat anders de bevoegde autoriteiten op de plaats van verzending of van bestemming, al naargelang van het geval, zelf moeten ingrijpen”.

4        Volgens artikel 2 van verordening nr. 259/93 wordt verstaan onder:

„[...]

a)      afvalstoffen: de afvalstoffen die als zodanig zijn omschreven in richtlijn 75/442/EEG [van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (PB L 194, blz. 39)], artikel 1, sub a;

[...]

h)      ontvanger: de persoon of de onderneming naar wie respectievelijk waarnaar afvalstoffen worden overgebracht voor nuttige toepassing of verwijdering;

i)      verwijdering: de handelingen als zodanig omschreven in richtlijn 75/442/EEG, artikel 1, sub e;

[...]

k)      nuttige toepassing: de handelingen als zodanig omschreven in richtlijn 75/442/EEG, artikel 1, sub f”.

5        Titel II van verordening nr. 259/93, getiteld „Overbrenging van afvalstoffen tussen de lidstaten”, bevat een hoofdstuk A over de procedure die van toepassing is op de overbrenging van voor verwijdering bestemde afvalstoffen, waarvan artikel 3 van de verordening deel uitmaakt. Lid 1 van dit artikel luidt:

„Wanneer de kennisgever voornemens is voor verwijdering bestemde afvalstoffen van een lidstaat naar een andere lidstaat over te brengen en/of deze door een of meer andere lidstaten heen te voeren, zendt hij, onverminderd artikel 25, lid 2, en artikel 26, lid 2, een kennisgeving aan de bevoegde autoriteit van bestemming en een afschrift daarvan aan de bevoegde autoriteiten van verzending en van doorvoer, alsmede aan de ontvanger.”

6        Uit hoofde van artikel 5, lid 1, van deze verordening mag de overbrenging van voor verwijdering bestemde afvalstoffen slechts geschieden nadat de kennisgever daarvoor van de bevoegde autoriteit van bestemming een vergunning heeft verkregen.

7        Titel II, hoofdstuk B, van verordening nr. 259/93 ziet op de procedure die van toepassing is op de overbrenging van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen. Artikel 6 van deze verordening, dat deel uitmaakt van dit hoofdstuk, bepaalt in lid 1:

„Wanneer de kennisgever voornemens is in bijlage III genoemde, voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen van een lidstaat naar een andere lidstaat over te brengen en/of deze door een of meer andere lidstaten heen te voeren, zendt hij, onverminderd artikel 25, lid 2, en artikel 26, lid 2, een kennisgeving aan de bevoegde autoriteit van bestemming en een afschrift daarvan aan de bevoegde autoriteiten van verzending en van doorvoer, alsmede aan de ontvanger.”

8        Artikel 26, lid 1, van deze verordening bepaalt:

„Als sluikhandel wordt beschouwd elke overbrenging van afvalstoffen die:

a)      geschiedt zonder kennisgeving aan alle betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig deze verordening, of

b)      geschiedt zonder toestemming van de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig deze verordening,

[...]”

 Verordening nr. 1013/2006

9        Volgens artikel 2 van verordening nr. 1013/2006 moet onder afvalstoffen worden verstaan „afvalstoffen als omschreven in artikel 1, lid 1, sub a, van richtlijn 2006/12/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen (PB L 114, blz. 9)]”.

10      In artikel 61, lid 1, van deze verordening is het volgende bepaald:

„Verordening (EEG) nr. 259/93 en beschikking 94/774/EG worden ingetrokken met ingang van 12 juli 2007.”

11      Artikel 64, lid 1, van de verordening bepaalt:

„Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij wordt van toepassing vanaf 12 juli 2007.”

 Richtlijn 2006/12

12      De punten 2 tot en met 4 en 6 van de considerans van richtlijn 2006/12 luiden:

„(2)      Iedere regeling op het gebied van het afvalbeheer moet als voornaamste doelstelling hebben de gezondheid van de mens en het milieu te beschermen tegen de schadelijke invloeden veroorzaakt door het ophalen, het transport, de behandeling, de opslag en het storten van afvalstoffen.

(3)      Het is ter wille van een doeltreffender afvalbeheer in de Gemeenschap noodzakelijk de terminologie te harmoniseren en over een vaste definitie van afvalstoffen te beschikken.

(4)      Een doeltreffende en samenhangende regeling inzake verwijdering en nuttige toepassing van afvalstoffen zou, onder voorbehoud van bepaalde uitzonderingen, moeten worden toegepast op roerende goederen waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

[...]

(6)      De lidstaten moeten ter wille van een hoog niveau van milieubescherming [...] op verantwoorde wijze stappen nemen om te waarborgen dat afvalstoffen worden verwijderd en nuttig worden toegepast [...].”

13      Artikel 1 van deze richtlijn bepaalt:

„1.      In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a)      ,afvalstof’: elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen;

b)      ,producent’: elke persoon wiens activiteit afvalstoffen heeft voortgebracht (‚eerste producent’) en/of elke persoon die voorbehandelingen, vermengingen of andere bewerkingen heeft verricht die leiden tot wijziging in de aard of de samenstelling van die afvalstoffen;

c)      ,houder’: de producent van de afvalstoffen of de natuurlijke of rechtspersoon die de afvalstoffen in bezit heeft;

[...]

e)      ‚verwijdering’: alle in bijlage II A bedoelde handelingen;

f)      ‚nuttige toepassing’: alle in bijlage II B bedoelde handelingen;

[...]

2.      Voor de toepassing van lid 1, sub a, stelt de Commissie volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde procedure een lijst op van de afvalstoffen die tot de categorieën van bijlage I behoren. Deze lijst wordt periodiek opnieuw bezien en zo nodig volgens dezelfde procedure gewijzigd.”

14      Artikel 4 van deze richtlijn luidt:

„1.      De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de nuttige toepassing of de verwijdering van de afvalstoffen plaatsvindt zonder gevaar voor de gezondheid van de mens en zonder dat procedés of methoden worden aangewend die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben [...].

2.      De lidstaten nemen de nodige maatregelen om het onbeheerd achterlaten of het ongecontroleerd lozen of verwijderen van afvalstoffen te verbieden.”

15      In artikel 8 van deze richtlijn is bepaald:

„De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat iedere houder van afvalstoffen:

a)      deze afgeeft aan een particuliere of openbare ophaler of een onderneming die de in bijlage II A of II B bedoelde handelingen verricht,

of

b)      zelf zorg draagt voor de nuttige toepassing of de verwijdering van de afvalstoffen in overeenstemming met de bepalingen van deze richtlijn.”

16      Artikel 20 van richtlijn 2006/12 bepaalt:

„Richtlijn 75/442/EEG wordt ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage III, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in intern recht van de aldaar genoemde richtlijnen.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage IV.”

17      Overeenkomstig artikel 21 is richtlijn 2006/12 in werking getreden op 17 mei 2006.

18      In bijlage I bij deze richtlijn worden de volgende categorieën afvalstoffen opgesomd:

„[...]

Q2      Producten die niet aan de normen voldoen

[...]

Q4      Stoffen die per ongeluk zijn geloosd, weggelekt en dergelijke. Hieronder vallen ook stoffen en materialen die als gevolg van dergelijke incidenten zijn verontreinigd

[...]

Q7      Stoffen die onbruikbaar zijn geworden (bijvoorbeeld verontreinigde zuren, verontreinigde oplosmiddelen, uitgewerkte hardingszouten enz.)

[...]

Q14      Producten die voor de houder niet of niet meer bruikbaar zijn (bijvoorbeeld artikelen die zijn afgedankt door landbouw, huishoudens, kantoren, winkels, bedrijven enz.)

[...]

Q16      Alle stoffen, materialen of producten die niet onder de hierboven vermelde categorieën vallen.”

19      Bijlage II B bij deze richtlijn bevat de volgende lijst van handelingen voor nuttige toepassing:

„R 1      Hoofdgebruik als brandstof of een andere wijze van energieopwekking

R 2      Terugwinning van oplosmiddelen

R 3      Recycling/terugwinning van organische stoffen die niet als oplosmiddel worden gebruikt (met inbegrip van compostbemesting en bemesting met andere biologisch omgezette stoffen)

R 4      Recycling/terugwinning van metalen en metaalverbindingen

R 5      Recycling/terugwinning van andere anorganische stoffen

R 6      Terugwinning van zuren of basen

R 7      Terugwinning van bestanddelen die worden gebruikt om vervuiling tegen te gaan

R 8      Terugwinning van bestanddelen uit katalysatoren

R 9      Herraffinage van olie en ander hergebruik van olie

R 10      Uitrijden voor landbouwkundige of ecologische verbetering

R 11      Gebruik van afvalstoffen die bij een van de onder R 1 tot en met R 10 genoemde behandelingen vrijkomen

R 12      Uitwisseling van afvalstoffen voor een van de onder R 1 tot en met R 11 genoemde behandelingen

R 13      Opslag van afvalstoffen bestemd voor een van de onder R 1 tot en met R 12 genoemde behandelingen (met uitsluiting van voorlopige opslag voorafgaande aan inzameling op de plaats van productie)”.

 Hoofdgedingen en prejudiciële vragen

20      Op 3 september 2006 heeft Shell in Nederland Ultra Light Sulphur Diesel (hierna: „ULSD”) in een tankschip verladen voor levering aan een in België gevestigde klant (hierna: „Belgische klant”).

21      Toen de betrokken partij aan deze klant was geleverd, is gebleken dat de tanks op het moment van laden resten van methyl-tertiaire-butyl-ether bevatten, waarmee de ULSD vermengd is geraakt.

22      Omdat het vlampunt van deze partij te laag was voor verkoop als dieselbrandstof, het oorspronkelijk beoogde doel, en de koper het mengsel op grond van zijn milieuvergunning niet mocht opslaan, is de partij geretourneerd aan Shell, die haar naar Nederland heeft vervoerd.

23      Voor de Rechtbank te Rotterdam betoogt het Openbaar Ministerie dat het product in kwestie ten tijde van de overbrenging van België naar Nederland gekwalificeerd diende te worden als afvalstof en dat Shell zich, door niet de kennisgevingsprocedure van artikel 15 van verordening nr. 259/93 te volgen, schuldig heeft gemaakt aan sluikhandel in de zin van artikel 26, lid 1, van deze verordening.

24      Shell betoogt daarentegen dat de partij niet kon worden gekwalificeerd als afvalstof.

25      Van oordeel dat voor de beslechting van de bij haar aanhangige gedingen de uitlegging van het begrip afvalstof in de zin van de verordeningen nr. 259/93 en nr. 1013/2006 noodzakelijk is, heeft de Rechtbank te Rotterdam de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Moet een partij diesel worden aangemerkt als een afvalstof in de zin van de [verordeningen nrs. 259/93 en 1013/2006], in de volgende omstandigheden:

a)      de partij bestaat uit [ULSD], die ongewild vermengd is geraakt met Methyl Tertiary Butyl Ether;

b)      de partij blijkt na levering aan een koper – door de vermenging – niet aan de tussen de koper en verkoper overeengekomen specificaties te voldoen (het is daarmee: ,off-spec’);

c)      de partij wordt – na reclame door de koper – uit hoofde van de koopovereenkomst teruggenomen door de verkoper en deze betaalt de koopprijs terug;

d)      de verkoper heeft de intentie om de partij – al dan niet na vermenging met een ander product – weer op de markt te brengen.

2)      Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend is:

a)      is er een moment aan te wijzen in bovengenoemde feitelijke omstandigheden vanaf hetwelk dit het geval is?;

b)      verandert de status van de partij naar niet-afvalproduct op enig moment tussen de aflevering aan de koper en een nieuwe menging door of namens de verkoper, en zo ja, op welk moment?

3)      Is het voor het antwoord op vraag l van belang:

a)      of de partij op dezelfde wijze gebruikt kon worden als brandstof als pure ULSD, maar door zijn lagere vlampunt niet meer voldeed aan (veiligheids)eisen;

b)      of de partij door de nieuwe samenstelling door de koper niet mocht worden opgeslagen onder een milieuvergunning;

c)      of de partij door de koper niet gebruikt kon worden voor het doel waarvoor deze was aangekocht, namelijk verkoop als dieselbrandstof aan de pomp;

d)      of de wil van de koper wel of niet op teruggave aan de verkoper onder de koopovereenkomst was gericht;

e)      of de wil van de verkoper inderdaad was gericht op terugname van de partij met het oog op bewerking door menging en terugbrengen op de markt;

f)      of de partij wel of niet hersteld kan worden, hetzij in de originele beoogde staat, hetzij tot een product dat verhandelbaar is tegen een prijs die de marktwaarde van de oorspronkelijke partij ULSD benadert;

g)      of die herstelhandeling een gebruikelijk productieproces is;

h)      of de marktwaarde van de partij in de staat waarin het zich bevindt op het moment dat het wordt teruggenomen door de verkoper, (nagenoeg) overeenkomt met de prijs van een product dat wel aan de overeengekomen specificaties voldoet;

i)      of de teruggenomen partij in de staat waarin het zich bevindt op het moment dat het wordt teruggenomen, zonder bewerking op de markt kan worden verkocht;

j)      of de handel in producten zoals de partij gebruikelijk is en in het handelsverkeer niet als handel in afvalstoffen wordt beschouwd.”

26      Bij beschikking van de president van het Hof van 2 juli 2012 zijn de zaken C‑241/12 en C‑242/12 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en voor het arrest.

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

27      Met zijn prejudiciële vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de Rechtbank te Rotterdam in wezen te vernemen of een partij diesel die bij het laden in een tankschip onbedoeld vermengd is geraakt met een andere stof, moet worden aangemerkt als een afvalstof in de zin van de verordeningen nr. 259/93 en nr. 1013/2006, indien na levering aan de koper is gebleken dat de diesel niet voldeed aan de overeengekomen kenmerken noch – wegens het te lage vlampunt – aan de veiligheidseisen, en door de nieuwe samenstelling niet kon worden opgeslagen door de koper op grond van zijn milieuvergunning of conform zijn bestemming als brandstof voor dieselmotoren aan de pomp kon worden verkocht, zodat de diesel na reclame door de koper aan de verkoper is geretourneerd, die voornemens is hem na vermenging met een ander product weer op de markt te brengen.

28      Om te beginnen moet erop worden gewezen dat verordening nr. 1013/2006, waarvan de verwijzende rechter om uitlegging heeft verzocht, ratione temporis niet van toepassing is op de hoofdgedingen, aangezien de betrokken partij in de loop van september 2006 in het schip met bestemming Nederland is geladen, zoals blijkt uit het dossier.

29      In dat verband volstaat het op te merken dat verordening nr. 1013/2006 krachtens artikel 64, lid 1, ervan van toepassing is geworden met ingang van 12 juli 2007, de datum waarop overigens verordening nr. 259/93 is ingetrokken, zoals artikel 61, lid 1, bepaalt.

30      Dientengevolge moeten de prejudiciële vragen worden onderzocht in het licht van de relevante bepalingen van verordening nr. 259/93.

31      Zoals blijkt uit de zesde overweging van de considerans van verordening nr. 259/93 strekt deze ertoe het toezicht en de controle op de overbrenging van afvalstoffen zodanig te regelen dat rekening wordt gehouden met de noodzaak de kwaliteit van het milieu te behouden, te beschermen en te verbeteren.

32      Inzonderheid blijkt uit de artikelen 3, lid 1, en 6, lid 1, van verordening nr. 259/93, gelezen in samenhang met de negende overweging van de considerans van die verordening, dat voor de overbrenging van voor verwijdering of nuttige toepassing bestemde afvalstoffen van een lidstaat naar een andere lidstaat en/of de doorvoer door een of meer andere lidstaten een voorafgaande kennisgeving moet worden gegeven aan de bevoegde autoriteiten, zodat zij de maatregelen kunnen treffen die nodig zijn voor de bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu.

33      In die context wenst de verwijzende rechter te vernemen of de betrokken partij onder het begrip afvalstof in de zin van die verordening valt, om vast te stellen of Shell gehouden was, met toepassing van die bepalingen, de Nederlandse autoriteiten in kennis te stellen van de overbrenging van deze partij van België naar Nederland.

34      Volgens artikel 2, sub a, van verordening nr. 259/93, gelezen in samenhang met artikel 20 van richtlijn 2006/12, wordt onder afvalstof verstaan, een stof die of voorwerp dat als zodanig is omschreven in artikel 1, lid 1, sub a, van deze richtlijn, te weten „elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I [van deze richtlijn] genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen”.

35      De restcategorie Q16 in bijlage I bij richtlijn 2006/12, die „[a]lle stoffen, materialen of producten die niet onder de [eerder] vermelde categorieën vallen” omvat, wijst erop dat de lijst categorieën van afvalstoffen in bijlage I vooral voorbeelden ter illustratie geeft. Hetzelfde geldt voor de lijst van afvalstoffen die tot de categorieën van bijlage I behoren, die de Commissie met toepassing van artikel 1, lid 2, van deze richtlijn heeft opgesteld.

36      Niettemin vormt het feit dat een stof of een voorwerp tot een of meer categorieën afvalstoffen behoort – afgezien van categorie Q16 – een eerste aanwijzing voor de kwalificatie daarvan als afvalstof in de zin van artikel 1, lid 1, sub a, van richtlijn 2006/12.

37      Volgens vaste rechtspraak hangt de kwalificatie als afvalstof evenwel vooral af van het gedrag van de houder en van de betekenis van de uitdrukking „zich ontdoen van” (zie in die zin arresten van 24 juni 2008, Commune de Mesquer, C‑188/07, Jurispr. blz. I‑4501, punt 53, en 18 december 2007, Commissie/Italië, C‑263/05, Jurispr. blz. I‑11745, punt 32).

38      Met betrekking tot de uitdrukking „zich ontdoen van” vloeit tevens uit deze rechtspraak voort dat bij de uitlegging van deze uitdrukking rekening moet worden gehouden met de doelstelling van richtlijn 2006/12, te weten, volgens punt 2 van de considerans ervan, de bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu tegen de schadelijke gevolgen veroorzaakt door het ophalen, het transport, de behandeling, de opslag en het storten van afvalstoffen, en dat zij moet worden uitgelegd in het licht van artikel 191, lid 2, VWEU, dat bepaalt dat de Europese Unie in haar milieubeleid naar een hoog niveau van bescherming streeft en dat dit beleid onder meer berust op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen. Daaruit volgt dat de uitdrukking „zich ontdoen van”, en dus het begrip afvalstof in de zin van artikel 1, lid 1, sub a, van richtlijn 2006/12, niet restrictief mag worden uitgelegd (zie in die zin arrest Commune de Mesquer, reeds aangehaald, punten 38 en 39).

39      Uit richtlijn 2006/12 blijkt dat de uitdrukking „zich ontdoen van” zowel de verwijdering als de nuttige toepassing van een stof of een voorwerp in de zin van artikel 1, lid 1, sub e en f, van deze richtlijn omvat (zie in die zin arrest van 18 december 1997, Inter-Environnement Wallonie, C‑129/96, Jurispr. blz. I‑7411, punt 27).

40      Meer bepaald moet de vraag of werkelijk sprake is van een afvalstof in de zin van richtlijn 2006/12 worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden, rekening houdend met de doelstelling van deze richtlijn en in dier voege dat geen afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid ervan (zie arresten van 15 juni 2000, ARCO Chemie Nederland e.a., C‑418/97 en C‑419/97, Jurispr. blz. I‑4475, punten 73, 88 en 97, en 18 april 2002, Palin Granit en Vehmassalon kansanterveystyön kuntayhtymän hallitus, C‑9/00, Jurispr. blz. I‑3533, punt 24, en arrest Commissie/Italië, reeds aangehaald, punt 41).

41      Bepaalde omstandigheden kunnen een aanwijzing zijn voor een handeling, een voornemen of een verplichting om zich te ontdoen van een stof of voorwerp in de zin van artikel 1, lid 1, sub a, van richtlijn 2006/12.

42      Om te beginnen verdient bijzondere aandacht dat het voorwerp of de stof in kwestie voor de houder ervan geen nut heeft of meer heeft, zodat dit voorwerp of deze stof een last is waarvan deze zich wil ontdoen (zie in die zin arrest Palin Granit en Vehmassalon kansanterveystyön kuntayhtymän hallitus, reeds aangehaald, punt 37). Als dat het geval is, bestaat er een risico dat de houder zich van het voorwerp of de stof in zijn bezit ontdoet op een manier die nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben, bijvoorbeeld door de stof of het voorwerp onbeheerd achter te laten of ongecontroleerd te lozen of te verwijderen. Dergelijke voorwerpen of stoffen vallen onder het begrip afvalstof in de zin van richtlijn 2006/12 en zijn derhalve onderworpen aan de bepalingen van deze richtlijn, hetgeen meebrengt dat de nuttige toepassing of verwijdering ervan overeenkomstig artikel 4 van deze richtlijn moet plaatsvinden zonder gevaar voor de gezondheid van de mens en zonder dat procedés of methoden worden aangewend die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

43      Met betrekking tot een eventuele verplichting zich van de betrokken partij te ontdoen in de zin van artikel 1, lid 1, sub a, van richtlijn 2006/12 moet er in de eerste plaats op worden gewezen dat er a priori geen absolute verplichting is om deze partij te verwijderen, aangezien deze niet bestaat uit een verboden of illegale stof die, of gespecificeerd risicomateriaal dat, de houder moet verwijderen (zie naar analogie arrest van 1 maart 2007, KVZ retec, C‑176/05, Jurispr. blz. I‑1721, punt 59). Zoals naar voren komt uit de verwijzingsbeslissing kon de partij immers zonder bewerking, in de staat waarin zij zich op het moment van teruggave aan Shell bevond, op de markt worden verkocht.

44      In haar schriftelijke opmerkingen heeft de Commissie niettemin betoogd dat de betrokken partij, daar zij enerzijds ongeschikt was voor het gebruik waarvoor de Belgische klant haar had bestemd en deze anderzijds de partij wegens haar te lage vlampunt niet mocht opslaan, voor deze klant een last was waarvan hij voornemens was zich te ontdoen of zich moest ontdoen.

45      Deze omstandigheden volstaan op zichzelf echter niet om te concluderen dat de partij een afvalstof in de zin van artikel 1, lid 1, sub a, van richtlijn 2006/12 was. Eerst moet immers worden nagegaan of de Belgische klant, door de partij aan Shell te retourneren omdat zij niet aan de overeengekomen kenmerken voldeed, zich daadwerkelijk ervan heeft ontdaan in de zin van artikel 1, lid 1, sub a, van richtlijn 2006/12.

46      In dat verband is de omstandigheid dat de Belgische klant de non-conforme ULSD aan Shell heeft geretourneerd met het oog op terugbetaling van de aankoopprijs krachtens de koopovereenkomst, van bijzonder belang. Een klant die aldus handelt, kan niet worden beschouwd als een persoon die voornemens was de betrokken partij te verwijderen of er een nuttige toepassing voor te vinden, en derhalve heeft hij er zich niet van ontdaan in de zin van artikel 1, lid 1, sub a, van richtlijn 2006/12. In omstandigheden als in de hoofdgedingen is het risico dat de houder zich van deze partij ontdoet op een manier die nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben, bovendien laag. Dat geldt temeer indien de stof of het voorwerp in kwestie een niet onaanzienlijke marktwaarde heeft, zoals in deze zaken.

47      In die omstandigheden moet enkel nog worden vastgesteld of Shell voornemens was zich te ontdoen van de betrokken partij op het moment dat aan het licht is gekomen dat de partij niet aan de specificaties voldeed. Vóór dat moment kan een dergelijk voornemen niet aan Shell worden toegeschreven, omdat zij zich er toen niet van bewust was dat zij houdster was van een stof die niet overeenstemde met de bepalingen in de overeenkomst met de Belgische klant.

48      In dat verband staat het aan de verwijzende rechter, die moet nagaan of de houder van het voorwerp of de stof in kwestie daadwerkelijk voornemens was zich ervan te ontdoen, alle omstandigheden van het geval in aanmerking te nemen. Daarbij moet hij de doelstelling van richtlijn 2006/12 voor ogen houden, namelijk ervoor zorgen dat de nuttige toepassing of de verwijdering van de afvalstoffen plaatsvindt zonder gevaar voor de gezondheid van de mens en zonder dat procedés of methoden worden aangewend die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

49      De door de verwijzende rechter genoemde omstandigheden dat, enerzijds, de betrokken partij zonder bewerking, in de staat waarin zij zich op het moment van teruggave door de Belgische klant aan Shell bevond, op de markt kon worden verkocht, en anderzijds, de marktwaarde van de betrokken partij nagenoeg overeenkomt met de prijs van een product dat wel aan de overeengekomen specificaties voldoet, lijken weliswaar de opvatting te weerleggen dat de partij een last was waarvan Shell probeerde zich te ontdoen, maar deze omstandigheden kunnen niet doorslaggevend zijn, aangezien zij niet aan het licht brengen wat de ware intentie van Shell was.

50      Overigens moet eraan worden herinnerd dat het begrip afvalstof volgens vaste rechtspraak niet aldus moet worden opgevat dat het stoffen of voorwerpen uitsluit die een commerciële waarde hebben of voor economisch hergebruik geschikt zijn (zie in die zin arrest Palin Granit en Vehmassalon kansanterveystyön kuntayhtymän hallitus, reeds aangehaald, punt 29).

51      De omstandigheid dat de handel in producten zoals de betrokken partij in het algemeen niet als handel in afvalstoffen wordt beschouwd, vormt weliswaar een nadere aanwijzing dat deze partij geen afvalstof is, maar laat evenmin toe uit te sluiten dat Shell voornemens was zich ervan te ontdoen.

52      Daarentegen is de omstandigheid dat Shell de betrokken partij heeft teruggenomen met het oog op bewerking door menging en terugbrengen op de markt in casu van doorslaggevend belang.

53      Het is immers geenszins gerechtvaardigd om goederen, stoffen of producten die de houder, ongeacht enige nuttige toepassing, onder gunstige omstandigheden wil exploiteren of verhandelen, te onderwerpen aan de bepalingen van richtlijn 2006/12, die beogen ervoor te zorgen dat de nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen plaatsvindt zonder gevaar voor de gezondheid van de mens en zonder dat procedés of methoden worden aangewend die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In het licht van de verplichting het begrip afvalstof ruim uit te leggen, moet deze redenering evenwel worden beperkt tot situaties waarin het hergebruik van het goed of de stof in kwestie niet slechts mogelijk, maar zeker is, zonder dat vooraf een van de in bijlage II B bij richtlijn 2006/12 bedoelde procedés voor de nuttige toepassing van afvalstoffen hoeft te worden benut, hetgeen ter beoordeling van de verwijzende rechter staat (zie naar analogie arrest Palin Granit en Vehmassalon kansanterveystyön kuntayhtymän hallitus, punt 36, en arrest van 11 september 2003, AvestaPolarit Chrome, C‑114/01, Jurispr. blz. I‑8725, punt 36).

54      Gelet op het voorgaande moet op de vragen worden geantwoord dat artikel 2, sub a, van verordening nr. 259/93 aldus moet worden uitgelegd dat, in een situatie als die in de hoofdgedingen, een partij diesel die onbedoeld vermengd is geraakt met een andere stof niet onder het begrip afvalstof in de zin van deze bepaling valt, mits de houder ervan daadwerkelijk voornemens is deze met een ander product vermengde partij terug te brengen op de markt, hetgeen ter beoordeling van de verwijzende rechter staat.

 Kosten

55      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

Artikel 2, sub a, van verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2557/2001 van de Commissie van 28 december 2001, moet aldus worden uitgelegd dat, in een situatie als die in de hoofdgedingen, een partij diesel die onbedoeld vermengd is geraakt met een andere stof niet onder het begrip afvalstof in de zin van deze bepaling valt, mits de houder ervan daadwerkelijk voornemens is deze met een ander product vermengde partij terug te brengen op de markt, hetgeen ter beoordeling van de verwijzende rechter staat.

ondertekeningen


* Procestaal: Nederlands.