Language of document : ECLI:EU:F:2012:17

BESCHIKKING VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE
(Derde kamer)

13 februari 2012

Zaak F‑123/11

Antonio Ayres de Abreu

tegen

Europees Economisch en Sociaal Comité

„Openbare dienst – Kennelijke niet-ontvankelijkheid – Vertegenwoordiging door advocaat – Verzoekende partij met hoedanigheid van advocaat – Onmogelijkheid van vertegenwoordiging van verzoekende partij door advocaat die geen derde is”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarbij Ayres de Abreu met name vraagt om nietigverklaring van het besluit van 27 april 2011 waarbij het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) heeft besloten om hem ambtshalve verlof te verlenen.

Beslissing:      Het beroep wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Verzoeker zal zijn eigen kosten dragen.

Samenvatting

Procedure – Inleidend verzoekschrift – Vormvereisten – Verzoekschrift ingediend zonder tussenkomst van advocaat – Verzoeker met hoedanigheid van advocaat en bevoegd om op te treden voor nationale rechterlijke instantie – Geen invloed – Niet-ontvankelijkheid

(Statuut van het Hof van Justitie, art. 19, derde en vierde alinea, en 21, eerste alinea; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, art. 34, lid 1, eerste alinea, en 36)

Uit artikel 19, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie, en met name uit het woord „vertegenwoordigd”, alsmede uit artikel 34, lid 1, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken blijkt dat een partij in de zin van dat artikel voor de instelling van een beroep bij dat Gerecht gebruik moet maken van de diensten van een derde die bevoegd moet zijn om op te treden voor een rechterlijke instantie van een lidstaat of van een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en dat bij het Gerecht enkel beroep kan worden ingesteld door middel van een door die derde ondertekend verzoekschrift. Daar noch in het Statuut van het Hof noch in het Reglement voor de procesvoering enige afwijking van of uitzondering op die verplichting is voorzien, kan voor de instelling van een beroep niet worden volstaan met een door de verzoeker zelf ondertekend verzoekschrift, ook al is deze een advocaat die bevoegd is om op te treden voor een nationale rechterlijke instantie.

Een dergelijke onregelmatigheid behoort niet tot de onregelmatigheden die kunnen worden geregulariseerd op grond van artikel 36 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, zodat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk wordt.

(cf. punten 11‑13, 16 en 17)

Referentie:

Hof: 5 december 1996, Lopes/Hof van Justitie, C‑174/96 P, punten 8, 10 en 11; 27 november 2007, Diy-Mar Insaat Sanayi ve Ticaret en Akar/Commissie, C‑163/07 P, punten 25 en 26

Gerecht van eerste aanleg: 13 januari 2005, Sulvida/Commissie, T‑184/04, punten 4 en 8

Gerecht voor ambtenarenzaken: 30 oktober 2008, Ortega Serrano/Commissie, F‑48/08, in hogere voorziening bevestigd bij beschikking van het Gerecht van de Europese Unie van 9 maart 2010, Ortega Serrano/Commissie, T‑583/08 P