Language of document : ECLI:EU:F:2012:65

ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Tweede kamer)

16 mei 2012

Zaak F‑61/10

AF

tegen

Europese Commissie

„Openbare dienst – Ambtenaren – Verzoek om bijstand – Psychisch geweld en discriminatoire behandeling – Beoordelingsfout”

Betreft: Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarbij AF vraagt om nietigverklaring van het besluit van de Commissie tot afwijzing van zijn verzoek om bijstand wegens psychisch geweld en schadevergoeding alsmede om veroordeling van de Commissie tot betaling van een schadevergoeding.

Beslissing: Het beroep wordt verworpen. Verzoeker zal alle kosten dragen.

Samenvatting

1.      Ambtenaren – Op administratie rustende bijstandsplicht – Werkingssfeer – Draagwijdte – Rechterlijke toetsing – Grenzen

(Ambtenarenstatuut, art. 24)

2.      Ambtenaren – Psychisch geweld – Begrip – Gedraging bedoeld om betrokkene in diskrediet te brengen of zijn werkomstandigheden aan te tasten – Vereiste van herhaalde gedraging – Vereiste van opzettelijke gedraging – Draagwijdte – Geen vereiste van boos opzet van geweldpleger

(Ambtenarenstatuut, art. 12 bis, lid 3)

3.      Ambtenaren – Psychisch geweld – Begrip – Toewijzing aan ambtenaar van extra taken waardoor hij te veel werk krijgt – Daaronder begrepen – Voorwaarde

(Ambtenarenstatuut, art. 12 bis, lid 3)

1.      Artikel 24 van het Statuut beoogt de ambtenaren van de Unie te beschermen tegen elke vorm van geweld of een vernederende behandeling, niet alleen door derden, maar eveneens door hun hiërarchieke meerderen of hun collega’s.

Wanneer de administratie wordt geconfronteerd met een incident dat in een ordelijke, serene ambtelijke sfeer geen pas geeft, moet zij ingevolge de in dat artikel voorziene bijstandsplicht met de nodige energie en met de door de omstandigheden van het concrete geval geëiste spoed en zorg optreden teneinde de feiten te achterhalen en er, met kennis van zaken, passende consequenties aan te verbinden. Hiertoe volstaat het dat de ambtenaar die om de bescherming van zijn instelling vraagt een begin van bewijs levert dat de aanvallen waarvan hij het slachtoffer stelt te zijn, echt zijn. Is dit het geval dan dient de betrokken instelling de geschikte maatregelen te nemen, en met name een onderzoek in te stellen teneinde in samenwerking met de klager de feiten vast te stellen die aan de klacht ten grondslag liggen.

De controle van de Unierechter over de door de administratie getroffen maatregelen beperkt zich tot de vraag of de betrokken instelling binnen redelijke grenzen is gebleven en haar beoordelingsbevoegdheid niet kennelijk onjuist heeft gebruikt.

(cf. punten 70‑72)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 25 oktober 2007, Lo Giudice/Commissie, T‑154/05, punten 135‑137, en aangehaalde rechtspraak

2.      Artikel 12 bis, lid 3, van het Statuut definieert psychisch geweld als „onbehoorlijk gedrag” dat kan worden aangetoond wanneer is voldaan aan twee cumulatieve voorwaarden. De eerste voorwaarde houdt verband met het bestaan van gedragingen, woorden, handelingen, gebaren of geschriften die zich „gedurende lange tijd herhaaldelijk of systematisch” voordoen en „opzettelijk” zijn. De tweede voorwaarde, die (in de Franse versie) van de eerste wordt onderscheiden door het voegwoord „en”, vereist dat deze gedragingen, woorden, handelingen, gebaren of geschriften „de persoonlijkheid, de waardigheid of de fysieke of de psychische integriteit van de betrokkene kunnen aantasten”. Aangezien het adjectief „opzettelijk” betrekking heeft op de eerste voorwaarde, en niet op de tweede, kan er een dubbele conclusie worden getrokken. Enerzijds moeten de in artikel 12 bis, lid 3, van het Statuut vermelde gedragingen, woorden, handelingen, gebaren of geschriften bewust geschieden, hetgeen toevallige handelingen uitsluit van de werkingssfeer van deze bepaling. Anderzijds is het daarentegen niet vereist dat deze gedragingen, woorden, handelingen, gebaren of geschriften de bedoeling hebben om de persoonlijkheid, de waardigheid of de fysieke of de psychische integriteit van een persoon aan te tasten. Met andere woorden: er kan sprake zijn van psychisch geweld in de zin van artikel 12 bis, lid 3, van het Statuut zonder dat de geweldpleger met zijn handelingen de bedoeling had om het slachtoffer in diskrediet te brengen of om zijn werkomstandigheden met opzet aan te tasten. Het volstaat reeds dat zijn handelingen, wanneer zij bewust werden verricht, objectief dergelijke gevolgen hadden.

De kwalificatie van geweld hangt af van de voorwaarde dat het geweld objectief voldoende reëel is in die zin dat een onpartijdig en redelijk toeschouwer, die met een normale gevoeligheid is begiftigd en in dezelfde omstandigheden is geplaatst, het zou aanmerken als buitensporig en laakbaar.

(cf. punten 88‑91)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: 9 december 2008, Q/Commissie, F‑52/05, punten 132, 134 en 135; 16 mei 2012, Skareby/Commissie, F‑42/10, punt 65

3.      Het is weliswaar niet uitgesloten dat er in bepaalde omstandigheden sprake kan zijn van psychisch geweld wanneer een ambtenaar over langere tijd te veel werk krijgt opgedragen, doch dit neemt niet weg dat er voor de kwalificatie van psychisch geweld aan de voorwaarden van artikel 12 bis, lid 3, van het Statuut moet zijn voldaan.

(cf. punt 118)