Language of document : ECLI:EU:F:2012:9

ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE
(Eerste kamer)

8 februari 2012

Zaak F‑23/11

AY

tegen

Raad van de Europese Unie

„Openbare dienst – Ambtenaren – Bevordering – Bevorderingsronde 2010 – Vergelijking van verdiensten – Beroepsbijscholing en certificering buiten beschouwing gelaten – Onjuiste rechtsopvatting”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarbij AY met name vraagt om nietigverklaring van het besluit van de Raad om hem in het kader van de bevorderingsronde 2010 niet naar de rang AST 9 te bevorderen en om vergoeding van de schade die hij zou hebben geleden.

Beslissing:      Het besluit waarbij de Raad heeft geweigerd om verzoeker in het kader van de bevorderingsronde 2010 naar de rang AST 9 te bevorderen wordt nietig verklaard. Er behoeft geen uitspraak te worden gedaan over de vorderingen die verzoeker subsidiair heeft ingediend. Het beroep wordt verworpen voor het overige. De Raad wordt verwezen in alle kosten.

Samenvatting

1.      Ambtenaren – Bevordering – Vergelijking van verdiensten – Op tot aanstelling bevoegd gezag rustende verplichting – Bewijslast

(Ambtenarenstatuut, art. 45)

2.      Ambtenaren – Bevordering – Voor bevordering in aanmerking komende kandidaten – Ambtenaren die zijn geslaagd voor certificeringsexamens – Recht op bevordering – Geen

(Ambtenarenstatuut, art. 45 en 45 bis)

3.       Ambtenaren – Bevordering – Vergelijking van verdiensten – Beoordelingsbevoegdheid van administratie – Elementen die in aanmerking kunnen worden genomen – Succesvol afleggen van certificeringsexamens

(Ambtenarenstatuut, art. 24 bis, 43, 45, lid 1, en 45 bis)

4.      Ambtenaren – Beroep – Beroep tot schadevergoeding – Nietigverklaring van bestreden onwettig besluit – Passend herstel van immateriële schade – Grenzen

(Ambtenarenstatuut, art. 91)

1.      Waar er sprake is van een reeks voldoende overeenstemmende aanwijzingen die de stelling van een niet-bevorderde ambtenaar ondersteunen dat er geen werkelijke vergelijking van de sollicitaties heeft plaatsgevonden, dient de instelling aan de hand van voor rechterlijke toetsing vatbare objectieve elementen aan te tonen dat zij de waarborgen die artikel 45 van het Ambtenarenstatuut de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren biedt, heeft geëerbiedigd en een dergelijke vergelijking heeft verricht.

(cf. punt 25)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 30 januari 1992, Schönherr/ESC, T‑25/90, punt 25

2.      Dat een ambtenaar van de functiegroep AST is uitgekozen om een opleidingsprogramma te volgen en is geslaagd voor de in artikel 45 bis van het Statuut voorziene certificeringsexamens voor overgang naar de functiegroep AD, geeft hem op zich geen recht op bevordering naar een hogere rang in de functiegroep AST noch op enige automatische voorrang.

(cf. punt 26)

3.      Het tot aanstelling bevoegd gezag mag bij de vergelijking van de verdiensten in het kader van een bevorderingsronde de certificering van ambtenaren niet buiten beschouwing laten, omdat het anders artikel 45, lid 1, van het Statuut miskent.

In de eerste plaats maakt de certificering van ambtenaren van de functiegroep AST per definitie deel uit van de bij- en nascholing van de betrokken ambtenaren in de zin van artikel 24 bis van het Statuut. In de tweede plaats moet dat gezag volgens artikel 24 bis van het Statuut voor het verloop van de loopbaan van de ambtenaar rekening houden met zijn bij- en nascholing. Deze verplichting komt met name tot uitdrukking in de inhoud van de beoordelingsrapporten over de bekwaamheid, de prestaties en het gedrag in de dienst, welke krachtens artikel 43 van het Statuut worden opgesteld. In de derde plaats is de bevordering één van de elementen van het loopbaanverloop van een ambtenaar. In het kader van een bevorderingsronde dient het tot aanstelling bevoegd gezag de bij- en nascholing van de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren dus in aanmerking te nemen als één van de bestanddelen van hun verdiensten. Deze verdiensten worden met name weerspiegeld in het beoordelingsrapport, dat één van de drie in artikel 45, lid 1, van het Statuut uitdrukkelijk genoemde elementen is die bij de vergelijking van de verdiensten met het oog op bevordering in aanmerking moeten worden genomen.

Dit betekent dat het tot aanstelling bevoegd gezag in het kader van de vergelijking van de verdiensten van de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren niet buiten beschouwing mag laten dat een ambtenaar is uitgekozen om met het oog op zijn certificering deel te nemen aan een opleidingsprogramma en dat hij is geslaagd voor de examens waaruit blijkt dat hij dat programma met succes had gevolgd. Deze verplichting geldt des te meer in het geval van een opleidingsprogramma voor ambtenaren van de functiegroep AST dat de mogelijkheid biedt om te worden aangesteld in een ambt van de functiegroep AD, daar de deelname aan dat programma volgens de voorwaarden van artikel 45 bis van het Statuut en met name van lid 2, eerste alinea, ervan, is voorbehouden aan ambtenaren van de functiegroep AST die, rekening houdend met de behoeften van de dienst, „in aanmerking komen” op basis van hun beoordelingsrapporten en opleidingsniveau.

(cf. punten 27‑32)

4.      De nietigverklaring van een onrechtmatige handeling van de administratie kan op zich een passend en in beginsel toereikend herstel vormen van de immateriële schade die de ambtenaar kan hebben geleden.

De nietigverklaring van die handeling kan echter geen volledig herstel van de immateriële schade vormen indien deze handeling een oordeel over de capaciteiten of het gedrag van de belanghebbende bevat dat voor hem kwetsend kan zijn, wanneer zij geen enkel nuttig effect heeft of wanneer de onrechtmatigheid bijzonder ernstig is.

(cf. punten 41 en 42)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: 14 juli 2011, Petrilli/Commissie, F‑98/07, punt 28, en aangehaalde rechtspraak