Language of document : ECLI:EU:F:2012:6

ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE
(Tweede kamer)

1 februari 2012

Zaak F‑123/10

Giovanni Bancale en Roberto Buccheri

tegen

Europese Commissie

„Openbare dienst – Tijdelijk functionarissen – Interne vergelijkende onderzoeken – Toelatingsvoorwaarden – Beroepservaring opgedaan na verkrijging van diploma – Diploma – Vóór verkrijging van diploma verworven bekwaamheden – Gelijkwaardigheid”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarbij Bancale en Buccheri, tijdelijk functionarissen van de Commissie bij het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF), vragen om, kort samengevat, nietigverklaring van de besluiten van de jury van de interne vergelijkende onderzoeken COM/INT/OLAF/09/AD 8 en COM/INT/OLAF/09/AD 10 om hun respectieve aanmeldingen voor die vergelijkende onderzoeken niet in aanmerking te nemen.

Beslissing:      Het beroep wordt verworpen. Verzoekers zullen alle kosten dragen.

Samenvatting

1.      Procedure – Inleidend verzoekschrift – Vormvereisten – Vaststelling van voorwerp van geschil

(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, art. 35, lid 1, sub e)

2.      Ambtenaren – Beroep – Bezwarend besluit – Besluit vastgesteld na heronderzoek van eerder besluit – Besluit vastgesteld door jury van vergelijkend onderzoek na heronderzoek van dossier van kandidaat die van deelneming was uitgesloten

(Ambtenarenstatuut, art. 90, lid 2, en 91, lid 1)

3.      Ambtenaren – Vergelijkend onderzoek – Toelatingsvoorwaarden – Zwaardere eisen dan het Statuut ter zake van indeling van ambten stelt – Toelaatbaarheid

(Ambtenarenstatuut, art. 5 en 29; bijlage III)

4.      Ambtenaren – Vergelijkend onderzoek – Toelatingsvoorwaarden – Vereiste van een zeker aantal jaren beroepservaring opgedaan na verkrijging van diploma dat toegang tot vergelijkend onderzoek geeft – Toelaatbaarheid

(Ambtenarenstatuut, art. 27, eerste alinea, en 29, lid 1)

1.      Krachtens artikel 35, lid 1, sub e, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken moet het verzoekschrift een uiteenzetting van de aangevoerde middelen en argumenten, zowel feitelijk als rechtens, bevatten. Deze elementen dienen zo duidelijk en precies te zijn dat de verwerende partij haar verweer kan voorbereiden en het Gerecht uitspraak kan doen op het beroep, in voorkomend geval zonder bijkomende informatie. Teneinde de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen, is het voor de ontvankelijkheid van een beroep noodzakelijk dat de essentiële elementen feitelijk en rechtens waarop het berust, coherent en begrijpelijk uit de tekst van het verzoekschrift zelf blijken.

(cf. punt 38)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: 15 februari 2011, AH/Commissie, F‑76/09, punt 29

2.      Wanneer een kandidaat voor een vergelijkend onderzoek vraagt om heronderzoek van een door een jury genomen besluit, vormt het besluit dat de jury na heronderzoek van zijn situatie heeft genomen het voor hem bezwarend besluit.

(cf. punt 42)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 31 januari 2006, Giulietti/Commissie, T‑293/03, punt 27; 13 december 2006, Heus/Commissie, T‑173/05, punt 19

3.      De bepalingen van artikel 5 van het Statuut beogen algemeen, naargelang van de aard van de werkzaamheden waarmee de ambten overeenkomen, het minimumniveau van het universitair of middelbaar onderwijs en van de vereiste beroepsopleiding, ja zelfs in bepaalde gevallen van de beroepservaring, voor elke functiegroep en de verschillende rangen vast te leggen, en zij hebben geen betrekking op de voorwaarden voor aanwerving, die worden geregeld door de bepalingen van artikel 29 van en van bijlage III bij het Statuut. Hieruit volgt dat er niets op tegen is dat er in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek voor bepaalde ambten of bepaalde categorieën van ambten strengere voorwaarden worden gesteld dan die welke overeenkomen met de minimumvoorwaarden voortvloeiende uit de indeling van de ambten, ongeacht of het gaat om de vervulling van een bepaalde vacature dan wel om de opstelling van een reservelijst met het oog op de vervulling van ambten van een bepaalde categorie.

(cf. punt 52)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 16 maart 2005, Ricci/Commissie, T‑329/03, punt 70

4.      Het Statuut verleent de instellingen ter zake van de organisatie van vergelijkende onderzoeken een ruime beoordelingsbevoegdheid. Er is sprake van de uitoefening van die bevoegdheid wanneer het tot aanstelling bevoegd gezag de aankondiging van een vergelijkend onderzoek vaststelt en met name de toelatingsvoorwaarden voor het vergelijkend onderzoek definieert. De uitoefening van die ruime beoordelingsbevoegdheid moet echter verenigbaar zijn met de dwingende bepalingen van artikel 27, eerste alinea, van het Statuut en van artikel 29, lid 1, van het Statuut.

De keuze die het gevolg is van de ruime beoordelingsbevoegdheid die het tot aanstelling bevoegd gezag ter zake is toegekend moet derhalve altijd worden gemaakt op basis van de vereisten verband houdende met de te vervullen ambten en, meer algemeen, met het dienstbelang.

Uit artikel 5, lid 2, van het Statuut, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 3, blijkt dat de rangen AD 8 en AD 10 hoge rangen van de functiegroep administrateurs zijn, welke met name dienen om leidinggevende functies en functies met een beleidsmatig of adviserend karakter te vervullen.

In omstandigheden waarin een vergelijkend onderzoek wil voorzien in ambten van die rangen, lijkt het vereiste van een zeker aantal jaren beroepservaring opgedaan na verkrijging van het diploma dat toegang geeft tot het vergelijkend onderzoek, voor de instelling een geschikt middel om zich te verzekeren van de medewerking van ambtenaren die de door artikel 27, eerste alinea, van het Statuut voorgeschreven kwaliteiten bezitten en, derhalve, om het dienstbelang te waarborgen.

Door een beroepservaring die is opgedaan na verkrijging van een diploma en die verband houdt met dat diploma kunnen de kandidaten immers meer inzicht krijgen in de toepassing van de wetenschappelijke benaderingen op praktische problemen dan door een beroepservaring die vóór de verkrijging van het diploma is opgedaan. Deze levert in beginsel meer op dan ervaring opgedaan vóór de verkrijging van het diploma, aangezien hierdoor de eerder verworven academische begrippen in de praktijk kunnen worden gebracht en de beroepsbekwaamheden dus kunnen worden uitgebreid. Bovendien wordt het hierdoor waarschijnlijker dat de kandidaten daadwerkelijk over beroepservaring op het gebied van de uitvoering van taken van het niveau van administrateur beschikken. Zij vormt dus een betrouwbare aanwijzing dat de kandidaten de verwachte kwaliteiten bezitten.

(cf. punten 66, 76 en 79‑81)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 21 november 2000, Carrasco Benítez/Commissie, T‑214/99, punten 52 en 53