Language of document : ECLI:EU:C:2013:849

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

19 december 2013 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Verordening (EG) nr. 2200/96 – Verordening (EG) nr. 1432/2003 – Landbouw – Gemeenschappelijke ordening der markten – Groenten en fruit – Telersverenigingen – Voorwaarden voor erkenning door nationale autoriteiten – Terbeschikkingstelling van technische middelen voor opslag, verpakking en afzet van producten – Verplichting voor vereniging bij uitbesteding van haar taken aan derden om zeggenschap over deze derden uit te oefenen”

In zaak C‑500/11,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de High Court of Justice of England and Wales, Queen’s Bench Division (Administrative Court) (Verenigd Koninkrijk), bij beslissing van 16 september 2011, ingekomen bij het Hof op 23 september 2011, in de procedure

The Queen, op verzoek van:

Fruition Po Ltd,

tegen

Minister for Sustainable Farming and Food and Animal Health,

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta, kamerpresident, J. L. da Cruz Vilaça, G. Arestis (rapporteur), J.‑C. Bonichot en A. Arabadjiev, rechters,

advocaat-generaal: N. Wahl,

griffier: V. Tourrès, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 21 februari 2013,

gelet op de opmerkingen van:

–        Fruition Po Ltd, vertegenwoordigd door P. Cusick, solicitor, en H. Mercer, barrister,

–        de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. Beeko en L. Seeboruth als gemachtigden, bijgestaan door G. Peretz, barrister,

–        de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door C. S. Schillemans en C. Wissels als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B. Schima en N. Donnelly als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 april 2013,

het navolgende

Arrest

1        Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 11 van verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit (PB L 297, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2699/2000 van de Raad van 4 december 2000 (PB L 311, blz. 9; hierna: „verordening nr. 2200/96”), en artikel 6, lid 2, van verordening (EG) nr. 1432/2003 van de Commissie van 11 augustus 2003 tot vaststelling van toepassingsbepalingen voor verordening (EG) nr. 2200/96 met betrekking tot de erkenning van telersverenigingen en de voorlopige erkenning van telersgroepen (PB L 203, blz. 18).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Fruition Po Ltd (hierna: „Fruition”) en de Minister for Sustainable Farming and Food and Animal Health (hierna: „minister”) over diens besluit tot intrekking van de erkenning als telersvereniging die Fruition op basis van verordening nr. 2200/96 had gekregen.

 Toepasselijke bepalingen

3        De op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke Unierechtelijke bepalingen waren vervat in verordening nr. 2200/96 en verordening nr. 1432/2003. Verordening nr. 2200/96 is ingetrokken en vervangen bij verordening (EG) nr. 361/2008 van de Raad van 14 april 2008 tot wijziging van verordening (EG) nr. 1234/2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (integrale-GMO-verordening) (PB L 121 blz. 1). Verordening nr. 1432/2003 is ingetrokken en vervangen bij verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (PB L 350, blz. 1), die zelf is ingetrokken en vervangen bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (PB L 157, blz. 1).

4        Artikel 11 van verordening nr. 2200/96 bepaalde:

„1.      Onder ‚brancheorganisaties’ in de zin van deze verordening wordt verstaan rechtspersonen:

a)      die zijn opgericht op initiatief van de telers van de volgende categorieën in artikel 1, lid 2, bedoelde producten:

i)      groenten en fruit,

ii)      fruit,

iii)      groenten,

iv)      producten die bestemd zijn om te worden verwerkt,

v)      citrusvruchten,

vi)      noten,

vii)      champignons,

b)      met als doel:

1)      te verzekeren dat de productie wordt gepland en op de vraag wordt afgestemd, met name wat omvang en kwaliteit betreft;

2)      de concentratie van het aanbod en het op de markt brengen van de producten van haar leden te bevorderen;

3)      de productiekosten te drukken en de producentenprijzen te stabiliseren;

4)      de landbouwpraktijk, de productietechnieken en het afvalbeheer milieuvriendelijker te maken, om met name de kwaliteit van water, bodem en landschap te beschermen en de biodiversiteit te behouden en/of te bevorderen;

c)      waarvan de statuten de aangesloten producenten in het bijzonder ertoe verplichten:

1)      de door de telersvereniging vastgestelde voorschriften inzake de verstrekking van productiegegevens, productie, afzet en milieubescherming toe te passen;

2)      uit hoofde van de voortbrenging op één zelfde bedrijf van één van de categorieën van producten, bedoeld sub a, slechts lid te zijn van één van de sub a bedoelde telersverenigingen;

3)      hun volledige betrokken productie via de telersvereniging te verkopen.

[...]

4)      de door de telersvereniging voor statistische doeleinden gevraagde inlichtingen te verstrekken, met name met betrekking tot het areaal, de geoogste hoeveelheden, de opbrengst en de rechtstreekse verkoop;

5)      de in de statuten vastgestelde financiële bijdragen voor de oprichting en de financiering van het in artikel 15 bedoelde actiefonds te betalen;

d)      waarvan de statuten bepalingen omvatten betreffende:

1)      de wijze van vaststelling, goedkeuring en wijziging van de sub c, punt 1, bedoelde regels;

2)      door de leden te betalen financiële bijdragen voor de financiering van de telersvereniging;

3)      voorschriften op grond waarvan de aangesloten telers op democratische wijze toezicht kunnen uitoefenen op hun vereniging en haar besluiten;

4)      sancties bij overtreding van de statutaire verplichtingen, met name bij niet-betaling van de financiële bijdragen, of van de door de telersvereniging vastgestelde voorschriften;

5)      voorschriften inzake de toelating van nieuwe leden, met name met betrekking tot de minimumduur van het lidmaatschap;

6)      de voor de werking van de vereniging vereiste boekhoudkundige en budgettaire voorschriften.

      en

e)      die door de betrokken lidstaat overeenkomstig lid 2 zijn erkend.

2.      De lidstaten erkennen alle telersverenigingen die een verzoek om erkenning als telersvereniging in de zin van deze verordening indienen, op voorwaarde dat deze verenigingen:

a)      aan de in lid 1 gestelde eisen voldoen en daartoe onder meer het bewijs leveren dat zij ten minste een volgens de procedure van artikel 46 te bepalen aantal leden en verkoopbare productie hebben;

b)      voldoende garanties bieden ten aanzien van de uitvoering, de duur en de doelmatigheid van hun optreden;

c)      hun leden in staat stellen daadwerkelijk technische bijstand te verkrijgen om milieuvriendelijk te produceren;

d)      technische hulpmiddelen voor de opslag, de verpakking en de afzet van de producten ter beschikking van hun leden stellen, en zorgen voor een met hun taakomschrijving corresponderend commercieel, boekhoudkundig en budgettair beheer.

[...]”

5        Artikel 15 van verordening nr. 2200/96 regelde de voorwaarden waaronder communautaire financiële steun werd toegestaan aan telersverenigingen die een actiefonds hadden opgericht. Artikel 48 van deze verordening machtigde de Europese Commissie tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van deze verordening. In dit opzicht was verordening nr. 1432/2003 van de Commissie op de feiten in het hoofdgeding toepasselijk.

6        Artikel 6 van verordening nr. 1432/2003 bepaalde:

„1.      De telersverenigingen beschikken ten genoegen van de lidstaat over het personeel, de infrastructuur en de uitrusting die nodig zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 11 van verordening [...] nr. 2200/96 en voor de vervulling van hun belangrijkste functies, met name:

–        op de hoogte zijn van de productie van hun leden;

–        de productie van hun leden sorteren, opslaan en verpakken;

–        commercieel en budgettair beheer;

–        gecentraliseerde boekhouding en een factureringssysteem.

2.      De lidstaten stellen de voorwaarden vast waarop een telersvereniging de uitvoering van de in artikel 11 van verordening [...] nr. 2200/96 omschreven taken aan derden kan toevertrouwen.”

7        Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland vaardigde geen bepalingen uit tot vaststelling van de voorwaarden waaronder een telersvereniging de uitvoering van de in artikel 11 van verordening nr. 2200/96 gedefinieerde taken aan derden kon toevertrouwen.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

8        Fruition verzocht eind 2003 de Britse autoriteiten om erkenning als telersvereniging voor „alle fruit”. Fruition verstrekte in haar verzoek om erkenning als telersvereniging met name de volgende inlichtingen over haar structuur, besluitvormingsproces en installaties:

„[Fruition] heeft geen moeder- of dochterondernemingen, maar heeft een afzetovereenkomst met Northcourt Group Ltd [hierna: ‚Northcourt’], een vennootschap waarvan de aandeelhouders grotendeels (maar niet geheel) leden van [Fruition] zijn. [Northcourt] gebruikt Worldwide Fruit (hierna: ,WWF’), waarin zij een deelneming van 20 % heeft, als verkoopagent. WWF heeft personeel in dienst voor de marketing, technische ondersteuning, kwaliteitsbewaking, automatisering, planning en administratie, dat diensten verleent aan [Fruition].

[...]

Lopende beleidsbeslissingen worden genomen door de Board of Directors (bestuur), waarvan de leden worden benoemd door de leden en worden gekozen uit hun midden. [...] Het stemrecht van de leden is gebaseerd op hun omzet bij [Fruition], maar is per lid beperkt tot 10 % van het totaal aantal stemmen.

[...]

Opslag-, verpakkings- en afzetplannen worden opgesteld door personeel van WWF en goedgekeurd door [Northcourt] en [Fruition]. De opslag‑ en verpakkingswerkzaamheden voor de meer dan 100 leden van [Fruition] vinden plaats in ongeveer 30 grote pakhuizen en 10 grote verpakkingsstations, die alle eigendom zijn van individuele leden [...].”

[...]

[Fruition] bezit geen vastgoed – alle opslag‑ en verpakkingsactiviteiten vinden plaats bij de leden [...]. [Fruition] leverde hun verpakkingsuitrusting en installaties voor de verbetering van de opslag [...].”

9        De Britse autoriteiten bezochten en controleerden Fruition na dat erkenningsverzoek. Volgens hun controleverslag was met Northcourt een afzetovereenkomst gesloten, waarbij WWF werd ingeschakeld, en volgens welke Fruition slechts twee eigen werknemers in dienst had, die in deeltijd werkten: de administratieve medewerker en diens persoonlijke assistent.

10      Deze autoriteiten erkenden Fruition in december 2003 als telersvereniging op basis van verordening nr. 2200/96. Fruition kon vervolgens een door haar aangevraagde gemeenschapssteun krijgen, die door deze autoriteiten werd beheerd en alleen werd toegekend aan producenten die samen een telersvereniging vormden.

11      Volgens twee andere in 2004 en 2005 door dezelfde autoriteiten opgestelde controleverslagen voldeed de telersvereniging Fruition.

12      De minister trok bij besluit van 10 juli 2006 de erkenning van Fruition als telersvereniging in op grond met name dat de door haar te vervullen taken bijna volledig waren uitbesteed en zij bovendien onvoldoende had aangetoond zeggenschap over deze uitbestede taken te hebben. Dit besluit volgde op een audit van de Commissie, die tot de conclusie kwam dat verschillende Britse telersverenigingen, waaronder Fruition, niet voldeden aan de erkenningscriteria van verordening nr. 2200/96. De Commissie kwam in het bijzonder voor Fruition in wezen tot de volgende conclusie:

„De 101 leden van [Fruition] bezitten bijna 100 % van [Northcourt]. Deze vennootschap bezit zelf 50 % van [WWF]. De overige 50 % wordt gehouden door een vennootschap toebehorend aan landbouwers in Nieuw-Zeeland. Tussen [Fruition] en die vennootschap bestaat geen overeenkomst.

WWF brengt nagenoeg 100 % van de producten van [Fruition] op de markt. WWF is voorts verantwoordelijk voor de organisatie van het vervoer, het sorteren, verpakken en het toezicht op de kwaliteit van de producten, met inbegrip van de algemene productiecontrole namens [Fruition]. WWF verzorgt ook de technische diensten en de facturering. WWF brengt [Fruition] voor de bovenstaande diensten ongeveer 150 000 [pond sterling (GBP)] in rekening. Het is duidelijk dat WWF het hart van de hele organisatie vormt en alle activiteiten verricht die een telersvereniging normaliter zou moeten uitvoeren.

De diensten van de Commissie zijn van mening dat [Fruition] niet voldeed aan de erkenningsvoorwaarden, aangezien de activiteiten van de telersvereniging worden uitgevoerd door WWF zonder dat Fruition haar daartoe opdracht heeft gegeven. Afgezien hiervan is er ook een probleem ten aanzien van de structuur, aangezien de bij Fruition aangesloten producenten niet over een meerderheid van de stemmen beschikken bij besluiten die WWF betreffen, hetgeen in strijd is met artikel 11, lid 1, sub d, punt 3, van verordening (EG) nr. 2200/96.”

13      De minister bevestigde bij brief van 7 april 2008 zijn besluit tot intrekking van 10 juli 2006 en besliste dus afwijzend op een door Fruition daartegen ingestelde interne administratieve procedure, die in het Verenigd Koninkrijk toepasselijk is.

14      Fruition verzocht de verwijzende rechter op 2 juli 2008 om toetsing van de wettigheid van dat besluit op grond dat volgens Fruition betwistbaar is dat verordening nr. 2200/96 vereist dat een telersvereniging zeggenschap heeft over de door haar uitbestede activiteiten, en zij in het hoofdgeding dus voldeed aan de erkenningscriteria van deze verordening.

15      De verwijzende rechter stelde, na partijen te hebben gehoord en hun bewijs te hebben onderzocht, met name de volgende feiten vast.

16      De verwijzende rechter stelde, inzake de contractuele band tussen Fruition en Northcourt, vast dat sprake was van een nooit in werking getreden ontwerpafzetovereenkomst van januari 2004, waarbij een telersvereniging die voldeed aan de voorwaarden van verordening nr. 2200/96, onder exclusieve zeggenschap van Northcourt kon worden geëxploiteerd. Daar er geen formele schriftelijke overeenkomst was, moest de werkelijke contractuele band tussen Fruition en Northcourt volgens deze rechter worden vastgesteld op basis van de transacties tussen deze twee entiteiten. Deze rechter wees er ook op dat er geen enkele formele schriftelijke overeenkomst tussen Fruition en WWF was.

17      De verwijzende rechter stelde, inzake de band tussen Northcourt en WWF, vast dat een overeenkomst was gesloten in 2000, waarbij WWF zeggenschap kreeg over Northcourt op dezelfde wijze als in de ontwerpovereenkomst van 2004, waarbij Northcourt zeggenschap kreeg over Fruition.

18      Voorts, aldus de verwijzende rechter, moest Northcourt in de praktijk de instructies van Fruition volgen, aangezien de leden van Fruition 93 % van de aandelen van Northcourt bezaten en alle bestuurders van Northcourt lid van Fruition waren. Hij stelde ook vast dat Northcourt op haar beurt zeggenschap over de beslissingen van WWF had doordat zij op het tijdstip van het besluit tot intrekking van de erkenning 50 % en niet, zoals aangegeven in haar erkenningsaanvraag voor Fruition, 20 % van de aandelen van WWF bezat, en met eenparigheid van stemmen moest worden beslist. Bovendien, aldus deze rechter, was er geen enkel bewijs van een contractuele goedkeuring door Northcourt of WWF, dat Fruition hun instructies gaf; daarvan bleek volgens hem noch uit een schriftelijke overeenkomst noch uit de verklaringen in enig dossierstuk.

19      Ten slotte, aldus de verwijzende rechter, werkten Fruition enerzijds en Northcourt en WWF anderzijds in een verhouding van consensus en vermoedelijk van wederzijdse concessies. Volgens deze rechter heeft WWF de beslissingen van Fruition aanvaard, ook al gingen zij in tegen haar eigen commerciële belangen. Uiteindelijk leidde het onderlinge bezit van aandelen, met 93 % van de aandelen van Northcourt in handen van Fruition en 50 % van de aandelen van WWF in handen van Northcourt, volgens de verwijzende rechter tot consensus, uiteraard zonder dat Fruition noodzakelijkerwijze telkens haar standpunt kon opleggen.

20      Deze feitelijke vaststellingen brachten de verwijzende rechter tot de conclusie dat de in het hoofdgeding gerezen vraag betreffende het Unierecht in wezen strekte tot de vaststelling of verordening nr. 2200/96 impliciet vereist dat een telersvereniging instructies geeft aan externe dienstverrichters volgens een contractuele afspraak dan wel of volstaat dat deze entiteiten door de onderlinge afhankelijkheid van het kapitaal in consensus kunnen werken. Hij acht het betoog van de minister juist dat artikel 11 van deze verordening is geschonden wanneer een telersvereniging haar beheer, met inbegrip van de zeggenschap daarover, volledig uitbesteedt aan een externe entiteit, maar hij vond het moeilijk te bepalen in hoever en hoe de zeggenschap moet worden behouden en of de onderlinge afhankelijkheid van de kapitaalaandelen in het hoofdgeding voldoet aan de Unierechtelijke vereisten.

21      Derhalve schorste de High Court of Justice of England and Wales, Queen’s Bench Division (Administrative Court), de behandeling van de zaak en stelde het Hof de volgende prejudiciële vragen:

„1)      Moet artikel 11 van verordening nr. 2200/96 in omstandigheden waarin

a)      een lidstaat de erkenning overweegt van een organisatie als telersvereniging in de zin van artikel 11;

b)      de organisatie doelstellingen en statuten heeft die voldoen aan de vereisten van artikel 11;

c)      de bij de organisatie aangesloten telers alle diensten ontvangen die een telersvereniging volgens artikel 11 voor hen moet verrichten, en

d)      de organisatie derden heeft gecontracteerd om een wezenlijk deel van deze diensten te verrichten,

gelet op het rechtszekerheidsbeginsel aldus worden uitgelegd dat een zekere mate van zeggenschap van de organisatie over deze derden is vereist?

2)      Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, welke mate van zeggenschap is dan volgens artikel 11 van verordening nr. 2200/96 vereist?

3)      In het bijzonder, bezit de organisatie de volgens artikel 11 van verordening nr. 2200/96 vereiste mate van zeggenschap wanneer

a)      de gecontracteerde derden de vorm hebben van

–        een vennootschap waarvan 93 % van de aandelen in handen van leden van de organisatie is, en

–        een vennootschap waarvan 50 % van de aandelen in handen van de eerste vennootschap is en waarvan de statuten bepalen dat besluiten van de vennootschap met eenparigheid van stemmen worden genomen;

b)      geen van de twee vennootschappen contractueel verplicht is om de door de organisatie aan hen gegeven instructies inzake de betrokken activiteiten op te volgen, maar

c)      de organisatie en de gecontracteerde derden als gevolg van de hierboven omschreven kapitaalverdeling op basis van consensus werken?

4)      Is het voor het antwoord op de vorige vragen relevant dat:

a)      artikel 6, lid 2, van verordening [nr. 1432/2003] op het relevante tijdstip uitdrukkelijk bepaalde dat ,[d]e lidstaten [...] de voorwaarden [vaststellen]’, waarop een telersvereniging de uitvoering van haar taken aan derden kan toevertrouwen, en

b)      de in de [eerste] vraag bedoelde lidstaat [...] dergelijke voorwaarden op het relevante tijdstip niet had vastgesteld?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

22      Met zijn vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 11 van verordening nr. 2200/96 aldus moet worden uitgelegd dat een telersvereniging die de uitoefening van de krachtens dit artikel voor haar erkenning wezenlijke activiteiten heeft uitbesteed aan derden, zeggenschap over deze uitoefening moet behouden om te kunnen voldoen aan de erkenningsvoorwaarden van dit artikel, en in voorkomend geval hoever deze zeggenschap moet strekken.

23      Geen enkele bepaling van deze verordening verzet zich tegen de uitbesteding van de activiteiten in de zin van artikel 11 van deze verordening.

24      Volgens punt 7 van de considerans van verordening nr. 1432/2003 kan het gebeuren dat een telersvereniging niet in staat is om al haar activiteiten rechtstreeks op doeltreffende wijze uit te voeren en artikel 6, lid 2, van deze verordening ziet uitdrukkelijk op de mogelijkheid voor een telersvereniging om de uitvoering van de in dit artikel 11 omschreven taken aan derden toe te vertrouwen.

25      Een dergelijke uitbesteding mag voor de telersverenigingen evenwel geenszins een vrijbrief zijn om de hun krachtens artikel 11 van verordening nr. 2200/96 opgelegde erkenningsvoorwaarden niet in acht te nemen. De lidstaten erkennen blijkens dit artikel namelijk alleen de telersverenigingen in de zin van deze verordening die voldoen aan de in de leden 1 en 2 van dit artikel gestelde erkenningsvoorwaarden. Tot die voorwaarden behoort met name de voorwaarde in de zin van lid 2, sub b, van dit artikel, volgens hetwelk deze verenigingen voldoende garantie bieden ten aanzien van de uitvoering, de duur en de doelmatigheid van hun optreden.

26      Deze verenigingen verbinden zich bij hun verzoek om erkenning als telersvereniging in de zin van deze verordening namelijk tot naleving van deze voorwaarden over de gehele erkenningsperiode en zij verplichten zich met name de hun krachtens artikel 11 van deze verordening opgedragen wezenlijke activiteiten doelmatig uit te oefenen. Onmisbaar voor de handhaving van hun erkenning als telersvereniging is dus dat deze verenigingen na erkenning ervoor zorgen dat zij in de loop van deze periode blijven voldoen aan alle erkenningsvoorwaarden en in het bijzonder dat zij hun optreden doelmatig voortzetten.

27      Een telersvereniging die derden de volledig autonome en ongecontroleerde uitoefening van deze wezenlijke activiteiten zou kunnen toevertrouwen, kan er niet meer voor zorgen dat zij duurzaam voldoet aan de na te leven erkenningsvoorwaarden in de zin van dit artikel 11, waaronder de doelmatige uitvoering van deze activiteiten.

28      Aan het bij verordening nr. 2200/96 vereiste zeggenschapsniveau kan een telersvereniging die de uitoefening van de krachtens artikel 11 van deze verordening voor haar erkenning wezenlijke activiteiten aan derden heeft toevertrouwd, slechts voldoen indien zij in deze uitoefening tijdig en dwingend kan ingrijpen, daar zij duurzaam moet zorgen voor de naleving van haar erkenningsvoorwaarden, waaronder de voorwaarde om steeds te garanderen haar optreden doelmatig voort te zetten.

29      De betrokken telersvereniging voldoet aan een dergelijk zeggenschapsvereiste wanneer zij contractueel afspreekt dat zij verantwoordelijk blijft voor de uitoefening van de uitbestede activiteit en voor de algemene zeggenschap over het beheer, zodat zij in laatste instantie de zeggenschap kan blijven uitoefenen en in voorkomend geval op tijd kan ingrijpen in deze uitoefening over de gehele looptijd van de afspraak.

30      Een gewone consensuspraktijk voor de beslissingen tussen de telersvereniging en de door haar gecontracteerde derde kan niet garanderen dat aan het zeggenschapsvereiste is voldaan.

31      Daar soms ingewikkelde feitelijke en juridische situaties moeten worden onderzocht, staat het evenwel aan de bevoegde nationale rechter om in elk geval en gelet op alle relevante omstandigheden van de zaak, waaronder de aard en omvang van de uitbestede activiteiten, na te gaan of de betrokken telersvereniging de bij artikel 11 van verordening nr. 2200/96 vereiste zeggenschap heeft behouden.

32      Mitsdien moet artikel 11 van verordening nr. 2200/96 aldus worden uitgelegd dat een telersvereniging die de uitoefening van de krachtens dit artikel voor haar erkenning wezenlijke activiteiten aan derden heeft toevertrouwd, wil zij voldoen aan de door dit artikel bedoelde erkenningsvoorwaarden, contractueel moet afspreken dat zij verantwoordelijk blijft voor de uitoefening van deze activiteiten en voor de algemene zeggenschap over het beheer, zodat zij de zeggenschap in laatste instantie kan behouden en in voorkomend geval op tijd in de uitoefening van deze activiteiten kan ingrijpen gedurende de gehele looptijd van de afspraak. Het staat aan de bevoegde nationale rechter om in elk geval en gelet op alle relevante omstandigheden van de zaak, waaronder de aard en omvang van de uitbestede activiteiten, na te gaan of de betrokken telersvereniging een dergelijke zeggenschap heeft behouden.

 Kosten

33      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

Artikel 11 van verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2699/2000 van de Raad van 4 december 2000, moet aldus worden uitgelegd dat een telersvereniging die de uitoefening van de krachtens dit artikel voor haar erkenning wezenlijke activiteiten aan derden heeft toevertrouwd, wil zij voldoen aan de door dit artikel bedoelde erkenningsvoorwaarden, contractueel moet afspreken dat zij verantwoordelijk blijft voor de uitoefening van deze activiteiten en voor de algemene zeggenschap over het beheer, zodat zij de zeggenschap in laatste instantie kan behouden en in voorkomend geval op tijd in de uitoefening van deze activiteiten kan ingrijpen gedurende de gehele looptijd van de afspraak. Het staat aan de bevoegde nationale rechter om in elk geval en gelet op alle relevante omstandigheden van de zaak, waaronder de aard en omvang van de uitbestede activiteiten, na te gaan of de betrokken telersvereniging een dergelijke zeggenschap heeft behouden.

ondertekeningen


* Procestaal: Engels.