Language of document :

ARREST VAN HET GERECHT (Derde kamer)

6 februari 2014 (*)

„Mededinging – Mededingingsregelingen – Markt van hittestabilisatoren op basis van tin en markt van hittestabilisatoren op basis van ESBO/esters – Beschikking houdende vaststelling van twee inbreuken op artikel 81 EG en op artikel 53 van EER-Overeenkomst – Consultancy-onderneming die niet werkzaam is op betrokken markten – Geldboeten – Vordering tot nietigverklaring – Begrip onderneming – Legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen – Duur van inbreuk – Verjaring – Duur van administratieve procedure – Redelijke termijn – Rechten van verdediging – Onderzoeksprocedure te laat meegedeeld – Maximum van 10 % van omzet – Bestraffing van twee inbreuken in één enkele beschikking – Begrip één enkele inbreuk – Vordering tot herziening – Bedrag van geldboeten – Duur van inbreuken – Duur van administratieve procedure – Richtsnoeren van 2006 voor berekening van geldboeten – Waarde van verkopen – Symbolische geldboete – Volledige rechtsmacht”

In zaak T‑27/10,

AC-Treuhand AG, gevestigd te Zurich (Zwitserland), vertegenwoordigd door C. Steinle en I. Bodenstein, advocaten,

verzoekster,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Ronkes Agerbeek en R. Sauer als gemachtigden, bijgestaan door A. Böhlke, advocaat,

verweerster,

betreffende een verzoek tot nietigverklaring van beschikking C (2009) 8682 definitief van de Commissie van 11 november 2009 betreffende een procedure op grond van artikel 81 EG en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/38.589 – Hittestabilisatoren) of, subsidiair, tot verlaging van het bedrag van de opgelegde geldboeten,

wijst

HET GERECHT (Derde kamer),

samengesteld als volgt: O. Czúcz, president, I. Labucka (rapporteur) en D. Gratsias, rechters,

griffier: C. Kristensen, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 18 september 2012,

het navolgende

Arrest

 Voorgeschiedenis van het geding

1        De onderhavige zaak betreft beschikking C (2009) 8682 definitief van de Commissie van 11 november 2009 betreffende een procedure op grond van artikel 81 EG en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (Zaak COMP/38.589 – Hittestabilisatoren) (hierna: „bestreden beschikking”, samengevat in PB 2010, C 307, blz. 9).

2        Bij de bestreden beschikking heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen geoordeeld dat enkele ondernemingen inbreuk hadden gemaakt op artikel 81 EG en op artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) door deel te nemen aan twee tegen de mededinging gerichte samenstellen van overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen op het grondgebied van EER betreffende enerzijds de sector tinstabilisatoren en anderzijds de sector geëpoxideerde sojaoliën en esters (hierna: „sector ESBO/esters”).

3        In de bestreden beschikking worden twee inbreuken vastgesteld die betrekking hebben op twee categorieën van hittestabilisatoren, producten die aan producten op basis van polyvinylchloride (PVC) worden toegevoegd om de hittebestendigheid ervan te verbeteren (punt 3 van de bestreden beschikking).

4        Volgens artikel 1 van de bestreden beschikking bestond elk van deze inbreuken in vaststelling van de prijzen, verdeling van de markten door middel van verkoopquota, verdeling van de klanten en uitwisseling van gevoelige handelsinformatie, in het bijzonder over de klanten, de productie en de verkoop.

5        In de bestreden beschikking wordt gezegd dat de betrokken ondernemingen aan deze inbreuken hebben deelgenomen tijdens verschillende tijdvakken tussen 24 februari 1987 en 21 maart 2000, voor de tinstabilisatoren, en tussen 11 september 1991 en 26 september 2000, voor de sector ESBO/esters.

6        Verzoekster, AC-Treuhand AG, waarvan de hoofdzetel te Zurich (Zwitserland) is gevestigd, is een consultancy-vennootschap die een „volledige waaier van diensten op maat verleent aan nationale en internationale verenigingen en aan belangengroepen”, met dien verstande dat uit de bestreden beschikking ook blijkt dat deze vennootschap haar diensten omschrijft als volgt: „beheer en bestuur van Zwitserse en internationale beroepsverenigingen, verbonden en non-profitorganisaties; verzamelen, verwerken en exploiteren van marktgegevens; opstellen van marktstatistieken; controle van de meegedeelde cijfers bij de leden” (punt 66 van de bestreden beschikking).

7        Verzoekster is opgericht in november 1993 en ingeschreven op 28 december 1993 na een managementbuy-out van een divisie van Fides Trust AG (hierna: „Fides”). Vóór die buy-out werden de activiteiten van verzoekster door Fides verricht. Verzoekster heeft die activiteiten voortgezet met dezelfde personen, is aan haar leden dezelfde diensten blijven verrichten en behield dezelfde verplichtingen (punt 67 van de bestreden beschikking).

8        Fides en verzoekster hebben tussen 1987 en 2000 verschillende bijeenkomsten (ongeveer 160) georganiseerd met betrekking tot de mededingingsregelingen die het voorwerp van de bestreden beschikking zijn (hierna: „Fides-bijeenkomsten” en „AC-Treuhand-bijeenkomsten”) (punten 68 en 111 van de bestreden beschikking).

9        S. was degene die voor Fides en daarna voor verzoekster de betrokken bijeenkomsten heeft „geleid” gedurende alle inbreuktijdvakken (punt 68 van de bestreden beschikking).

10      Volgens de bestreden beschikking is verzoekster aansprakelijk omdat zij bij de twee betrokken inbreuken een essentiële en gelijkaardige rol heeft gespeeld door voor de deelnemers aan de mededingingsregeling bijeenkomsten te organiseren, die zij heeft bijgewoond en waaraan zij actief heeft deelgenomen, door gegevens over de verkopen op betrokken markten te verzamelen en deze aan de deelnemers mee te delen, door zich als bemiddelaar aan te bieden in geval van spanning tussen de betrokken ondernemingen en door de partijen aan te moedigen compromissen te sluiten, en dit alles tegen bezoldiging (punten 108‑129, 356‑359, 380‑387, 668, 669 en 744‑753 van de bestreden beschikking).

11      Het onderzoek dat tot vaststelling van de bestreden beschikking heeft geleid, is ingesteld nadat Chemtura op 26 november 2002 een verzoek om immuniteit had ingediend op grond van de mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2000, C 45, blz. 3) (punten 79 en 80 van de bestreden beschikking).

12      Op 12 en 13 februari 2003 heeft de Commissie in de lokalen van CECA (Frankrijk), Baerlocher (Duitsland, Frankrijk, Italië en Verenigd Koninkrijk), Reagens (Italië), Akcros (Verenigd Koninkrijk) en Rohm & Haas (Frankrijk) inspecties verricht op grond van artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, eerste verordening over de toepassing van de artikelen [81 EG] en [82 EG] (PB 1962, 13, blz. 204).

13      In de loop van de inspectie bij Akcros hebben de vertegenwoordigers van laatstgenoemde de ambtenaren van de Commissie erop attent gemaakt dat sommige stukken onder de bescherming van de vertrouwelijkheid van de communicatie tussen advocaten en hun cliënten vielen (punt 81 van de bestreden beschikking). Het beroep op die bescherming is vervolgens het voorwerp geweest van op 11 april en 4 juli 2003 bij het Gerecht ingestelde procedures, die hebben geleid tot het arrest van het Gerecht van 17 september 2007, Akzo Nobel Chemicals en Akcros Chemicals/Commissie (T‑125/03 en T‑253/03, Jurispr. blz. II‑3523), waarbij de beroepen zijn verworpen (punten 84‑90 van de bestreden beschikking) (hierna: „gerechtelijke procedure Akzo”).

14      Op 8 oktober 2007 en verschillende keren in 2008 heeft de Commissie de betrokken ondernemingen om inlichtingen verzocht op grond van artikel 18 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] (PB 2003, L 1, blz. 1) (punten 91 en 92 van de bestreden beschikking).

15      Verzoekster is op 8 oktober 2007 de adressaat van een eerste verzoek om inlichtingen (hierna: „verzoek van 8 oktober 2007”) geweest.

16      Verzoekster heeft een antwoord op het verzoek van de Commissie van 5 juni 2008 geweigerd met betrekking tot haar wereldomzet en heeft zich in haar antwoord op een aanvullend verzoek om inlichtingen beperkt tot een verwijzing naar haar antwoord aan de Commissie in de zaak die heeft geleid tot beschikking 2005/349/EG van de Commissie van 10 december 2003 betreffende een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/E-2/37.857 – Organische peroxiden) (PB 2005, L 110, blz. 44) (hierna: „zaak Organische peroxiden”).

17      Op 17 maart 2009 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar vastgesteld die op 18 maart 2009 aan verschillende vennootschappen, waaronder verzoekster, is betekend (punt 95 van de bestreden beschikking).

18      Bij brief van 25 mei 2009 heeft verzoekster geantwoord op de mededeling van punten van bezwaar.

19      Op 11 november 2009 heeft de Commissie de bestreden beschikking vastgesteld.

20      Bij artikel 1 van de bestreden beschikking wordt verzoekster aansprakelijk gesteld voor haar deelneming aan de inbreuk met betrekking tot de tinstabilisatoren van 1 december 1993 tot 21 maart 2000 en aan de inbreuk met betrekking tot de sector ESBO/esters van 1 december 1993 tot 26 september 2000.

21      Met betrekking tot haar bevoegdheid om verzoekster geldboeten op te leggen voor bovengenoemde inbreuken heeft de Commissie afwijzend beslist op het door de betrokken ondernemingen aangevoerde argument dat de schorsing die krachtens artikel 25, lid 6, van verordening nr. 1/2003 uit de gerechtelijke procedure Akzo voortvloeide, alleen gold voor de partijen in die procedure, te weten Akzo Nobel Chemicals Ltd en AkcrosChemicals Ltd. De Commissie heeft namelijk geoordeeld dat die schorsing erga omnes gold, zodat de verjaring was geschorst ten aanzien van alle ondernemingen waarop het onderzoek betrekking had, verzoekster daaronder begrepen (punten 672‑682 van de bestreden beschikking).

22      De Commissie heeft er ook op gewezen dat het Gerecht had bevestigd dat een consultancy-vennootschap die bewust bijdroeg tot een mededingingsregeling, als mededader aansprakelijk kon worden gesteld voor de inbreuk (arrest Gerecht van 8 juli 2008, AC-Treuhand/Commissie, T‑99/04, Jurispr. blz. II‑1501; hierna: „arrest AC-Treuhand I”).

23      Voor de vaststelling van het bedrag van de geldboeten heeft de Commissie toepassing gemaakt van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, sub a, van verordening nr. 1/2003 worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2; hierna: „richtsnoeren van 2006”).

24      In artikel 2 van de bestreden beschikking wordt bepaald:

„Wegens de inbreuk(en) op de markt van tinstabilisatoren worden de volgende geldboeten opgelegd:

[...]

17)      AC-Treuhand is aansprakelijk ten belope van 174 000 EUR;

[...]

Wegens de inbreuk(en) op de markt van ESBO/esters worden de volgende geldboeten opgelegd:

[...]

38)      AC-Treuhand is aansprakelijk ten belope van 174 000 EUR;

[...]”

 Procesverloop en conclusies van partijen

25      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 27 januari 2010, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

26      Bij brieven, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 12 juli 2011 heeft de Commissie laten weten dat zij, gelet op het arrest van het Hof van 29 maart 2011, ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a. (C‑201/09 P en C‑216/09 P, Jurispr. blz. I‑2239), niet langer vasthield aan haar argument dat de schorsing van de verjaring door gerechtelijke procedure Akzo op grond artikel 25, lid 6, van verordening nr. 1/2003 erga omnes, en dus ook jegens verzoekster, gold. Het Gerecht heeft daar akte van genomen.

27      Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Derde kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang heeft het partijen uitgenodigd een aantal vragen te beantwoorden. Partijen hebben binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan.

28      Partijen hebben ter terechtzitting van 18 september 2012 pleidooi gehouden en geantwoord op de vragen van het Gerecht.

29      Ter terechtzitting heeft het Gerecht verzoekster gevraagd, haar omzet met betrekking tot het jaar 2011 mee te delen. Nadat verzoekster binnen de gestelde termijn aan dit verzoek had voldaan, heeft het Gerecht de Commissie uitgenodigd, haar eventuele opmerkingen hierover neer te leggen. Deze opmerkingen zijn binnen de gestelde termijn neergelegd.

30      Verzoekster verzoekt het Gerecht:

–        de bestreden beschikking nietig te verklaren voor zover deze op haar betrekking heeft;

–        subsidiair, het bedrag van de haar opgelegde geldboeten te verlagen;

–        de Commissie te verwijzen in de kosten.

31      De Commissie verzoekt het Gerecht:

–        het beroep in zijn geheel te verwerpen;

–        verzoekster te verwijzen in de kosten.

 In rechte

32      Ter ondersteuning van het beroep voert verzoekster negen middelen aan, waarvan sommige vooral ter ondersteuning van haar vordering tot nietigverklaring van de bestreden beschikking worden voorgedragen en andere ter ondersteuning van haar subsidiaire vordering tot herziening van de bestreden beschikking wat het bedrag van de geldboeten betreft.

33      Als negende middel heeft verzoekster in het verzoekschrift aangevoerd dat de beschikking haar niet volgens de regels was betekend.

34      Ter terechtzitting heeft verzoekster echter herhaald wat zij al had verklaard in haar schriftelijk antwoord op een vraag van het Gerecht, namelijk dat zij afstand doet van haar middel inzake onregelmatige betekening van de bestreden beschikking. Het Gerecht heeft daar akte van genomen.

35      Bijgevolg hoeft geen uitspraak te worden gedaan op het negende middel van verzoekster.

 Middelen strekkende tot nietigverklaring van de bestreden beschikking

36      Om nietigverklaring van de bestreden beschikking te verkrijgen voert verzoekster vier middelen alsmede het eerste onderdeel van een vijfde middel aan. Deze betreffen, ten eerste, schending van artikel 81 EG en van het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen (derde middel), ten tweede, verjaring op grond van artikel 25, lid 5, van verordening nr. 1/2003 van de bevoegdheid van de Commissie om geldboeten op te leggen (tweede middel), ten derde schending van de rechten van de verdediging doordat te laat kennis is gegeven van het tegen haar ingestelde onderzoek (achtste middel), ten vierde, schending van het beginsel van de redelijke termijn als gevolg van de duur van de administratieve procedure (zevende middel), en ten vijfde, schending van artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 (eerste onderdeel van het zesde middel).

 Derde middel: schending van artikel 81 EG en van het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen

37      In het kader van haar derde middel, dat eerst dient te worden onderzocht, voert verzoekster aan dat de Commissie inbreuk heeft gemaakt op artikel 81 EG. Verzoekster heeft immers niet deelgenomen aan een overeenkomst in de zin van die bepaling, die alleen betrekking heeft op de ondernemingen die een overeenkomst hebben gesloten welke de mededinging beperkt, of hun feitelijke gedragingen onderling hebben afgestemd, maar niet op ondernemingen die slechts bijeenkomsten hebben georganiseerd of diensten hebben verleend in het kader van de tegen de mededinging gerichte overeenkomsten.

38      Verzoekster zou een overeenkomst hebben gesloten die er niet toe strekte de mededinging te vervalsen, maar wel diensten te verlenen, zodat deze overeenkomst niet binnen de werkingssfeer van artikel 81 EG valt.

39      Volgens verzoekster kon de Commissie haar dus niet bestraffen voor een gedraging die niet onder artikel 81 EG valt, en heeft zij daardoor inbreuk gemaakt op het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen, dat is verankerd in artikel 7, lid 1, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en in artikel 49 van het op 7 december 2000 te Nice afgekondigde Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (PB C 364, blz. 1).

40      Verder voert verzoekster aan dat, zelfs al zou worden geoordeeld dat haar gedrag onder artikel 81 EG valt, de bestreden beschikking toch inbreuk maakt op het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen, omdat zij, gelet op de rechtspraak van het Hof en op de praktijk van de Commissie, ten tijde van de gelaakte feiten de extensieve uitlegging van artikel 81 EG door de Commissie niet kon voorzien.

41      Bovendien voert verzoekster aan dat de onvoorzienbaarheid van de toepassing van artikel 81 EG in het onderhavige geval des te zwaarder doorweegt daar de Commissie geen symbolische geldboete heeft opgelegd, zoals in de zaak Organische peroxiden, maar tweemaal de hoogst mogelijke geldboete.

42      De Commissie concludeert tot afwijzing van het derde middel en baseert zich daarvoor met name op het arrest AC-Treuhand I.

43      In dit verband behoeft er slechts aan te worden herinnerd dat het Gerecht in een zaak waarin overigens ook verzoekster was betrokken, al heeft geoordeeld dat artikel 81 EG kon worden toegepast op het gedrag van een onderneming zoals verzoekster in de omstandigheden van de onderhavige zaak (arrest AC-Treuhand I, punten 112‑138).

44      In het arrest AC-Treuhand I heeft het Gerecht ook geoordeeld dat elke onderneming die samenspanningsgedrag vertoont, daaronder begrepen consultancy-ondernemingen die niet op de door de beperking van de mededinging getroffen betrokken markt actief zijn, zoals verzoekster in de onderhavige zaak, redelijkerwijs kon voorzien dat het in artikel 81, lid 1, EG geformuleerde verbod in beginsel op haar van toepassing was. Deze onderneming kon er immers niet onkundig van zijn of was in staat te begrijpen dat de eerdere beschikkingspraktijk van de Commissie en de eerdere communautaire rechtspraak al voldoende duidelijk en nauwkeurig de grondslag bevatten voor een uitdrukkelijke erkenning van de aansprakelijkheid van een consultancy-onderneming voor een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG, wanneer deze onderneming actief en bewust bijdraagt tot een mededingingsregeling tussen producenten die actief zijn op een andere markt dan die waarop zij zelf actief is (arrest AC-Treuhand I, punt 150).

45      Verzoeksters argumenten dat, enerzijds, de toepassing van artikel 81 EG in het onderhavige geval in strijd is met het legaliteitsbeginsel inzake van delicten en straffen, en anderzijds, de uitlegging die de Commissie in de bestreden beschikking van deze bepaling heeft gegeven, niet voorzienbaar was, kunnen dus niet slagen.

46      Aan dit oordeel kan niet worden afgedaan door verzoeksters argument dat de Commissie haar in de bestreden beschikking geen symbolische geldboete, maar tweemaal de hoogst mogelijke geldboete heeft opgelegd, daar met dit argument in se niet de rechtmatigheid van de bestreden beschikking wordt betwist, maar wordt opgekomen tegen het bedrag van geldboeten om herziening daarvan te verkrijgen, zodat het niet werkzaam is ter ondersteuning van de vordering tot nietigverklaring en moet worden onderzocht samen met het vierde middel, dat tot herziening strekt.

47      Bijgevolg dient verzoeksters derde middel, dat strekte tot nietigverklaring van de bestreden beschikking, te worden afgewezen.

 Tweede middel: verjaring van de bevoegdheid van de Commissie om geldboeten op te leggen

48      Als tweede middel strekkende tot nietigverklaring van de bestreden beschikking voert verzoekster aan dat de Commissie niet heeft aangetoond dat de inbreuken tot 11 november 1999 hadden geduurd.

49      De bestreden beschikking is vastgesteld op 11 november 2009 ofschoon de bevoegdheid van de Commissie om geldboeten op te leggen op die datum was verjaard op grond van artikel 25, lid 5, van verordening nr. 1/2003.

50      Volgens verzoekster zijn de inbreuk opleverende elementen vanaf 1996 geleidelijk afgenomen en „in het midden van het jaar 1999” of „in de loop van de zomer van 1999”, volgens de in haar schrifturen gebruikte bewoordingen, geëindigd.

51      Ter ondersteuning van dit middel betwist verzoekster de bewijskracht van de elementen die de Commissie in de bestreden beschikking heeft aangenomen.

52      Zij beroept zich ook op een verklaring die een van haar voormalige medewerkers, S. (hierna: „verklaring van S.”), die de Fides-bijeenkomsten en later de AC-Treuhand-bijeenkomsten „leidde”, op 20 mei 2009 heeft afgelegd en op 17 januari 2010 onder ede heeft herhaald. Zij heeft deze verklaring in haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar aan de Commissie meegedeeld en de partijen in de onderhavige zaak hebben deze aan het dossier toegevoegd.

53      De daaruit blijkende elementen die aantonen dat de inbreuk opleverende gedragingen „uiterlijk in het midden van het jaar 1999” zijn geëindigd, zouden worden bevestigd door verklaringen en bewijzen die uitgaan van andere in het dossier genoemde ondernemingen.

54      Verzoekster is van mening dat de verjaring op 11 november 2009 was ingetreden, en dat de Commissie dan ook geen legitiem belang meer had bij de vaststelling van de inbreuken. De Commissie wijst dit betoog van verzoekster van de hand en verklaart dat zij rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat de inbreuken na 11 november 1999 hebben voortgeduurd, zodat haar bevoegdheid om geldboeten op te leggen niet was verjaard en zij dus niet diende aan te tonen dat zij een legitiem belang had bij de vaststelling van de inbreuken.

–       De relevante rechtspraak

55      In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat wat de bewijsvoering met betrekking tot een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG betreft, de Commissie de door haar vastgestelde inbreuken moet bewijzen en de elementen dient aan te dragen die het bestaan van de constitutieve elementen van een inbreuk rechtens genoegzaam bewijzen (arresten Hof van 17 december 1998, Baustahlgewebe/Commissie, C‑185/95 P, Jurispr. blz. I‑8417, punt 58; 8 juli 1999, Commissie/Anic Partecipazioni, C‑49/92 P, Jurispr. blz. I‑4125, punt 86, en 6 januari 2004, BAI en Commissie/Bayer, C‑2/01 P en C‑3/01 P, Jurispr. blz. I‑23, punt 62).

56      Aldus moet de Commissie nauwkeurige en onderling overeenstemmende bewijzen aandragen die de vaste overtuiging kunnen schragen dat de inbreuk is gepleegd (zie arrest Gerecht van 8 juli 2004, JFE Engineering e.a./Commissie, T‑67/00, T‑68/00, T‑71/00 en T‑78/00, Jurispr. blz. II‑2501, punt 179 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

57      Indien de Commissie een inbreuk op de mededingingsregels vaststelt op basis van de veronderstelling dat het bestaan van tegen de mededinging gerichte gedragingen de enig mogelijke verklaring is voor de aangetoonde feiten, zal de rechter van de Unie de betrokken beschikking inderdaad nietig verklaren wanneer de betrokken ondernemingen een betoog voeren dat een ander licht werpt op de door de Commissie aangetoonde feiten en aldus voor die feiten een andere plausibele verklaring kan geven die in de plaats kan treden van die op basis waarvan de Commissie tot het bestaan van een inbreuk heeft geconcludeerd. In een dergelijk geval kan immers niet worden geoordeeld dat de Commissie het bestaan van een inbreuk op het mededingingsrecht heeft bewezen (zie in die zin arresten Hof van 28 maart 1984, Compagnie royale asturienne des mines en Rheinzink/Commissie, 29/83 en 30/83, Jurispr. blz. 1679, punt 16, en 31 maart 1993, Ahlström Osakeyhtiö e.a./Commissie, C‑89/85, C‑104/85, C‑114/85, C‑116/85, C‑117/85 en C‑125/85–C‑129/85, Jurispr. blz. I‑1307, punten 126 en 127).

58      Uit de rechtspraak blijkt echter ook dat niet elk van de door de Commissie aangevoerde bewijzen noodzakelijkerwijs voor elk onderdeel van de inbreuk aan deze criteria hoeft te voldoen, want het volstaat dat de door deze instelling aangevoerde bundel van aanwijzingen, in zijn geheel beschouwd, aan dit vereiste voldoet (arrest Gerecht JFE Engineering e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 180, en arrest Gerecht van 8 juli 2008, Lafarge/Commissie, T‑54/03, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 56 en 271).

59      Verder dient ervan uit te worden gegaan dat, aangezien het verbod op deelneming aan tegen de mededinging gerichte gedragingen en overeenkomsten en de sancties die overtreders riskeren, algemeen bekend zijn, de activiteiten die met die gedragingen en overeenkomsten verband houden, doorgaans clandestien worden verricht, de bijeenkomsten in het geheim worden gehouden, meestal in een derde land, en de desbetreffende documentatie tot een minimum wordt beperkt (arrest Hof van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, Jurispr. blz. I‑123, punt 55).

60      Zelfs wanneer de Commissie stukken ontdekt waaruit met zoveel woorden onrechtmatig overleg tussen marktdeelnemers blijkt, zoals de notulen van een bijeenkomst, zijn die doorgaans slechts fragmentarisch en schaars, zodat vaak bepaalde details via deductie moeten worden gereconstrueerd (arrest Aalborg Portland e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 56).

61      In de meeste gevallen moet het bestaan van een tegen de mededinging gerichte gedraging of overeenkomst dus worden afgeleid uit een samenloop van omstandigheden en aanwijzingen die in hun totaliteit beschouwd, bij gebreke van een andere coherente verklaring, het bewijs kunnen leveren dat de mededingingsregels zijn geschonden (zie in die zin arrest Aalborg Portland e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 57).

62      Bovendien eist de rechtspraak dat de Commissie zich, bij ontbreken van bewijsmateriaal waarmee de volledige duur van een inbreuk rechtstreeks kan worden aangetoond, ten minste baseert op bewijzen betreffende feiten die zich zo kort na elkaar hebben voorgedaan dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze inbreuk tussen twee welbepaalde tijdstippen zonder onderbreking heeft voortgeduurd (zie in die zin arresten Gerecht van 7 juli 1994, Dunlop Slazenger/Commissie, T‑43/92, Jurispr. blz. II‑441, punt 79, en 5 oktober 2011, Romana Tabacchi/Commissie, T‑11/06, Jurispr. blz. II‑6681, punt 132).

63      Het Hof heeft ook geoordeeld dat, aangezien de Commissie was geslaagd in het bewijs dat een onderneming had deelgenomen aan bijeenkomsten van ondernemingen die duidelijk tegen de mededinging waren gericht, het Gerecht terecht had geoordeeld dat het aan die onderneming stond om een andere verklaring voor de inhoud van die bijeenkomsten te geven. Daardoor had het Gerecht de bewijslast niet ten onrechte omgekeerd en ook geen inbreuk gemaakt op het vermoeden van onschuld (arrest Hof van 8 juli 1999, Montecatini/Commissie, C‑235/92 P, Jurispr. blz. I‑4539, punt 181).

64      Indien de Commissie zich dus baseert op bewijs dat in beginsel toereikend is om het bestaan van de inbreuk aan te tonen, kan de verwijzing door de betrokken onderneming naar het mogelijk voorvallen van een omstandigheid die de bewijskracht van dit bewijs kan aantasten, op zichzelf niet ertoe leiden dat de Commissie het bewijs moet leveren dat deze omstandigheid de bewijskracht van dit bewijs niet kon aantasten. Integendeel, de betrokken onderneming moet, tenzij dit door eigen gedragingen van de Commissie niet mogelijk is, rechtens genoegzaam bewijzen dat enerzijds sprake is van de door haar aangevoerde omstandigheid en anderzijds deze omstandigheid de bewijskracht van het bewijs waarop de Commissie zich baseert, op losse schroeven zet (arrest Gerecht van 15 december 2010, E.ON Energie/Commissie, T‑141/08, Jurispr. blz. II‑5761, punt 56).

65      Tegen de achtergrond van deze overwegingen dient te worden nagegaan of de Commissie in de bestreden beschikking rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat de inbreuken ten minste tot 11 november 1999 hebben geduurd.

–       Duur van de inbreuken

66      In het onderhavige geval dient er meteen aan te worden herinnerd dat de Commissie in de bestreden beschikking heeft geoordeeld dat de inbreuken, in de vorm van bijeenkomsten in Zwitserland van onder meer de betrokken ondernemingen, hadden geduurd tot 21 maart 2000 voor de inbreuk betreffende de tinstabilisatoren en tot 26 september 2000 voor de inbreuk betreffende de sector ESBO/esters (punt 100 van de bestreden beschikking).

67      De Commissie heeft ook geoordeeld dat „van een groot aantal bijeenkomsten [...] rechtstreeks en van het betrokken tijdstip daterende bewijs bestond dat de deelnemers [...] regelmatig tegen de mededinging gerichte gesprekken voerden” (punt 137 van de bestreden beschikking).

68      Verzoekster betoogt echter, zakelijk weergegeven, dat de Commissie het bestaan van de inbreuk opleverende gedragingen – te weten dat de AC-Treuhand-bijeenkomsten die na 11 november 1999 hebben plaatsgevonden, tegen de mededinging waren gericht – niet met voldoende bewijskrachtige materiële elementen heeft aangetoond, en dat de inbreuk opleverende gedragingen „in het midden van het jaar 1999” of „in de loop van de zomer van 1999”, volgens de in haar schrifturen gebruikte bewoordingen, waren geëindigd.

69      Dit neemt niet weg dat verzoekster niet betwist dat, in de onmiddellijke nasleep van de Fides-bijeenkomsten, de AC-Treuhand-bijeenkomsten ten minste tot „in het midden van het jaar 1999” overduidelijk tegen de mededinging waren gericht.

70      In haar schrifturen erkent verzoekster ook uitdrukkelijk dat alle bijeenkomsten werden geleid door S., wiens gedrag zij naar eigen zeggen betreurt, en zij wijst erop dat zij dit bij brief van 17 november 2009 aan haar klanten heeft laten weten en daarbij excuses heeft aangeboden.

71      Ook al verklaart verzoekster dat de inbreuk opleverende gedragingen vanaf 1996 zijn afgenomen, zij betwist niet dat de inbreuk opleverende gedragingen hebben voortgeduurd.

72      Bijgevolg geeft verzoekster toe dat de inbreuken hebben bestaan en van 1 december 1993 tot ten minste in het midden van het jaar 1999 hebben geduurd.

73      Verzoekster betwist ook niet dat in het tweede halfjaar van 1999 en in het eerste halfjaar van 2000 AC-Treuhand-bijeenkomsten hebben plaatsgevonden.

74      In haar schrifturen erkent verzoekster ook uitdrukkelijk dat die bijeenkomsten werden „geleid” door S.

75      Om het tweede middel van verzoekster te beoordelen behoeft dus slechts te worden nagegaan of de Commissie rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat de AC-Treuhand-bijeenkomsten die na 11 november 1999 hebben plaatsgevonden, net als de daaraan voorafgaande bijeenkomsten tegen de mededinging waren gericht (zie in die zin arrest Hof van 8 juli 1999, Hüls/Commissie, C‑199/92 P, Jurispr. blz. I‑4287, punt 155, en arresten Commissie/Anic Partecipazioni, reeds aangehaald, punt 96, en Aalborg Portland e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 81).

–       Voortduren van de inbreuk betreffende de tinstabilisatoren na 11 november 1999

76      Met betrekking tot de sector tinstabilisatoren heeft de Commissie in de bestreden beschikking op basis van verschillende in de punten 299 tot en met 304 voor het jaar 1999 en in de punten 316 tot en met 323 en 420 voor het jaar 2000 genoemde bewijselementen geoordeeld dat de inbreuk opleverende gedragingen tot 21 maart 2000, dus na 11 november 1999, hadden voortgeduurd.

77      Wat ten eerste het jaar 1999 betreft, hebben in Zwitserland negen AC-Treuhand-bijeenkomsten plaatsgevonden, te weten twee in februari, twee in april, twee in juli, een in september en twee andere op 29 en 30 november, waarop Akcros, Baerlocher, CECA, Reagens en Chemtura aanwezig waren (punt 299 van de bestreden beschikking), waarbij dient te worden gepreciseerd dat verzoekster het bestaan van al die bijeenkomsten, met uitzondering van een bijeenkomst in juli, toegeeft.

78      Ten tweede heeft de Commissie aangevoerd dat in een 16 september 1999 gedateerd maandverslag van Chemtura voor augustus 1999, dat deze onderneming in het kader van haar medewerking met de Commissie tijdens de administratieve procedure heeft overgelegd, melding werd gemaakt van het feit dat „[haar] concurrenten [haar] prijsbeleid volgden en hun prijzen eveneens [hadden] verhoogd” en dat één onderneming, A, „het moeilijk had om zich aan de prijsdiscipline te houden” (punt 303 van de bestreden beschikking).

79      Ten derde wordt in het 15 november 1999 gedateerde maandverslag van Chemtura voor oktober 1999 vermeld dat onderneming A, anders dan alle andere marktdeelnemers, haar prijzen verlaagde, maar dat „actie [werd] ondernomen om deze tendens te stoppen” (punt 303 van de bestreden beschikking).

80      Ten vierde wordt in een brief van Chemtura van 23 november 1999 vermeld dat de prijzen in West-Europa in 1999 met 8 % waren verhoogd en dat het in vierde kwartaal van 1999 een prijsstijging werd verwacht (punt 304 van de bestreden beschikking).

81      Ten vijfde wordt in een 17 december 1999 gedateerd maandverslag van Chemtura voor november 1999 melding gemaakt van een door een concurrente, ondersteund door twee andere concurrenten, doorgevoerde prijsverhoging die niet „in werking zal treden vóór het eerste kwartaal van 2000” (punt 304 van de bestreden beschikking).

82      Ten zesde hebben op 20 en 21 maart 2000 te Zurich twee AC-Treuhand-bijeenkomsten plaatsgevonden, waarop Akcros, Baerlocher, CECA, Reagens en Chemtura aanwezig waren (punt 316 van de bestreden beschikking), wat verzoekster niet betwist.

83      Ten zevende heeft de Commissie in punt 317 van de bestreden beschikking melding gemaakt van een op 16 februari 2000 gedateerd memorandum van een medewerker van Akcros aan een van zijn diens hiërarchieke meerderen (hierna: „Akcros-memorandum”), waarvan de door verzoekster niet betwiste bewoordingen hierna volledig dienen te worden weergegeven:

„Ik heb gepraat met de marketingdirecteuren die de EU-markten voor stabilisatoren zeer goed kennen [...] Vandaag zijn wij en de meeste van onze concurrenten in de EU lid van bedrijfsverenigingen (een voor de ESBO en een voor de tinstabilisatoren), die vooral tot doel hebben de marktinformatie te consolideren in de vorm van in ton uitgedrukte maandelijkse verkopen. Elke onderneming zendt die informatie naar AC-Treuhand in Zwitserland, die deze naar alle deelnemende ondernemingen doorstuurt in de vorm van totalen [...] Deze bevatten geen enkele mededingingsinformatie. Dit lijkt mij volstrekt rechtmatig en nuttig. Twee- tot viermaal per jaar ontmoeten de deelnemende ondernemingen elkaar echter in Zwitserland om te spreken over punten van gemeenschappelijk belang, zoals de vooruitzichten en tendensen op de markt, de activiteiten van de niet-deelnemende ondernemingen enz. De door AC-Treuhand voorgezeten bijeenkomst levert mijns inziens geen misbruik op, doch ik heb vernomen dat de concurrenten, wanneer zij samen zijn, spreken, over prijsniveaus en klanten. Om die reden raad ik dringend aan, AC-Treuhand te laten weten dat wij niet meer zullen deelnemen aan deze bijeenkomsten, maar de informatie over onze verkopen zullen doorsturen om de desbetreffende dienst te genieten. Twee jaar geleden was de situatie in deze verenigingen totaal anders. Daarna werden zogenoemde rode bladen opgesteld: deze bevatten de notulen van de bijeenkomsten en nadere gegevens over de beslissingen van de verenigingen over tariefverhogingen en verdeling van de markten. Daarin werd eveneens over specifieke klanten gesproken. Deze notulen werden niet uitgedeeld, maar ‚veilig’ bewaard in de dossiers van AC-Treuhand, omdat Zwitserland geen lid was van de EU. In 1996 en 1997 vonden dergelijke overeenkomsten niet meer plaats, waarschijnlijk ten gevolge van sterkere druk om dergelijke activiteiten niet meer te verrichten wegens een striktere toepassing van de wetten. Meer dan één lid van de tinvereniging heeft bij onze vertegenwoordiger aangedrongen op terugkeer naar de situatie waarin tijdens deze AC-Treuhand-bijeenkomsten regelmatig prijzen werden vastgesteld en de markt werd verdeeld. Barloecher oefent de meeste druk uit op ons en op andere leden die geen voorstander zijn van een dergelijke overeenkomst. Zij heeft het meer in het bijzonder over het ‚bevriezen’ van de marktaandelen, waarbij ingeval een lid zijn marktaandeel verhoogt door een klant weg te kapen, hij een andere klant zou moeten afstaan om het evenwicht te herstellen. Daarop zou toezicht worden uitgeoefend door een maandelijkse verificatie van de quota. Wij willen niet meer deelnemen aan dergelijke misbruik opleverende activiteiten en dit is een bijkomende reden waarom wij de deelneming aan deze bijeenkomsten zouden moeten stopzetten [...] Alles samen genomen zijn er blijkbaar misbruik overleverende bijeenkomsten/discussies geweest waaraan Akcros wel degelijk heeft deelgenomen. Ofschoon wij waarschijnlijk nu en dan nog discussies voeren die als bedenkelijk zouden kunnen worden aangemerkt, nemen wij niet meer deel aan deze officiële bijeenkomsten, die duidelijk ongepast zijn. Ik raad dan ook dringend aan: 1) AC-Treuhand officieel mee te delen dat wij niet meer zullen deelnemen aan de bijeenkomsten van de verenigingen tin en [ESBO/esters] in Zwitserland, ook al blijven wij onze verkoopgegevens toesturen zoals voorheen; 2) voor onze marketingdirecteuren (en anderen) een sensibiliseringsopleiding te organiseren om hun duidelijk te wijzen op de grenzen die zij in het kader van contacten met de concurrenten niet mogen overschrijden. Gelieve mij te laten weten of u akkoord gaat met deze suggesties.”

84      Ten achtste heeft de Commissie ter versterking van haar uitlegging van het Akcros-memorandum in punt 318 van de bestreden beschikking aangevoerd dat Akzo had toegegeven dat het Akcros-memorandum was voorafgegaan door een aantal handgeschreven nota’s van de auteur van dit memorandum (hierna: „handgeschreven Akcros-nota’s” waaruit blijkt – wat door verzoekster niet wordt betwist – dat enerzijds „niet op schrift gestelde” discussies hadden plaatsgevonden over het „prijsniveau” dat dient te worden „verhoogd” of „ondersteund” en over „bepaalde klanten”, en anderzijds de bijeenkomsten plaatsvonden in „Zwitserland, dat geen lid is van de EU”, omdat daar geen „onverwacht bezoek” mogelijk is.

85      Ten negende wijst de Commissie erop dat in het verlengde van het Akcros-memorandum de vertegenwoordiger van deze vennootschap in het kader van een AC-Treuhand-bijeenkomst van 21 maart 2000 te Zurich heeft laten weten dat deze vennootschap niet meer aan de AC-Treuhand-bijeenkomsten zal deelnemen, „maar haar verkoopgegevens zal blijven doorsturen” (punt 319 van de bestreden beschikking), wat verzoekster niet betwist.

86      Ten tiende heeft de Commissie beklemtoond dat Akcros bij een aan S., destijds medewerker van verzoekster, gerichte brief van 5 juni 2000 heeft bevestigd dat zij niet meer aan de AC-Treuhand-bijeenkomsten zou deelnemen (punt 321 van de bestreden beschikking), wat verzoekster niet betwist.

87      Ten elfde heeft de Commissie door Chemtura in het kader van haar medewerking tijdens de administratieve procedure afgelegde verklaringen aangevoerd volgens welke de mededingingsregeling betreffende tinstabilisatoren „tot in 2000” heeft geduurd [punt 420, sub a, van de bestreden beschikking].

88      Op grond van al deze overwegingen samen genomen is het Gerecht van oordeel dat de Commissie de door haar in de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk met betrekking tot de tinstabilisatoren heeft bewezen door bewijselementen aan te dragen die het bestaan van de bestanddelen van een inbreuk met betrekking tot de tinstabilisatoren in de onderhavige zaak rechtens genoegzaam aantonen, in die zin dat de Commissie in de bestreden beschikking melding heeft gemaakt van bewijselementen die de vaste overtuiging kunnen schragen dat de inbreuk met betrekking tot de tinstabilisatoren is gepleegd.

89      Tezamen genomen sluiten de verschillende in de punten 77 tot en met 87 hierboven met betrekking tot de tinstabilisatoren aangedragen bewijselementen immers uit dat AC-Treuhand-bijeenkomsten die van eind november 1999 tot maart 2000 hebben plaatsgevonden met betrekking tot de tinstabilisatoren, niet tegen de mededinging waren gericht.

90      Deze elementen tonen duidelijk aan dat deze AC-Treuhand-bijeenkomsten tegen de mededinging waren gericht, met name het Akcros-memorandum, waarin werd bekritiseerd dat de AC-Treuhand-bijeenkomsten tegen de mededinging waren gericht, de beslissing van deze onderneming om daar niet meer aan deel te nemen, het feit dat deze onderneming zich in het jaar 2000 tweemaal openlijk daarvan heeft gedistantieerd, het feit dat zij heeft overwogen haar kaderpersoneel te sensibiliseren voor de mededingingsregels, de verklaringen van Chemtura waaruit blijkt dat de mededingingsregeling heeft voortgeduurd „tot in 2000”, en het feit dat verzoekster helemaal niet heeft bewezen dat de aard van de AC-Treuhand-bijeenkomsten was veranderd.

91      Hieruit blijkt dat de AC-Treuhand-bijeenkomsten van eind november 1999 en maart 2000 geen ander voorwerp kunnen hebben gehad dan de eerdere bijeenkomsten, terwijl dezelfde ondernemingen en dezelfde personen elkaar in dezelfde context rond S. ontmoetten.

92      Bijgevolg dient te worden geoordeeld dat de Commissie in de bestreden beschikking een bundel van aanwijzingen heeft verstrekt die in hun geheel beschouwd de vaste overtuiging schragen dat de inbreuk opleverende gedragingen met betrekking tot de tinstabilisatoren in het kader van de AC-Treuhand-bijeenkomsten ook nog na 11 november 1999 hebben plaatsgevonden.

93      Dit oordeel wordt niet op losse schroeven gezet door de argumenten van verzoekster.

94      Volgens verzoekster is het inbreuk opleverende gedrag dat haar kan worden verweten, „in het midden van het jaar 1999” geëindigd, zowel wat de sector tinstabilisatoren als wat de sector ESBO/esters betreft, zoals blijkt uit de verklaring van S., waarvan de inhoud zou worden bevestigd door stukken uit het dossier van de Commissie en door de notulen van de AC-Treuhand-bijeenkomsten, waarvan verzoekster volledig afhankelijk zou zijn voor het voordragen van haar standpunt over het einde van de mededingingsregeling, aangezien geen enkele andere van haar medewerkers ook maar iets maken had met de mededingingsregeling.

95      Verzoekster betoogt dat de kartelactiviteiten tijdens de AC-Treuhand-bijeenkomsten, zowel wat de sector tinstabilisatoren als wat de sector ESBO/esters betreft, „vanaf 1996/1997” geleidelijk afnamen.

96      Afgezien van de vraag of een dergelijke afname heeft plaatsgevonden, staat echter vast dat verzoekster het bestaan van inbreuk opleverende gedragingen die haar kunnen worden toegerekend, zowel met betrekking tot de sector tinstabilisatoren als met betrekking tot de sector ESBO/esters en ten minste tot in het „midden van het jaar 1999”, in haar schrifturen verschillende keren uitdrukkelijk heeft erkend.

97      Bijgevolg dient het Gerecht voor de beoordeling van het tweede middel van verzoekster geen uitspraak te doen over de bewijzen die deze voor die afname heeft aangedragen, waarbij dient te worden gepreciseerd dat verzoeksters betoog dienaangaande niet strekt tot herziening van de bestreden beschikking met betrekking tot het bedrag van de haar opgelegde geldboeten, maar tot nietigverklaring van de bestreden beschikking wegens verjaring van de bevoegdheid van de Commissie om geldboeten op te leggen.

98      Volgens verzoekster tonen de elementen die de Commissie in de bestreden beschikking heeft genoemd en die in de punten 77 tot en met 87 van het onderhavige arrest zijn weergegeven, in elk geval niet aan dat verzoekster zich na 11 november 1999 schuldig heeft gemaakt aan een inbreuk met betrekking tot de tinstabilisatoren.

99      Daartoe voert zij argumenten aan die zowel gelden voor de inbreuk met betrekking tot de tinstabilisatoren als voor die met betrekking tot de sector ESBO/esters.

100    Ten eerste verklaart verzoekster, dat K., de sleutelfiguur van het kartel en vertegenwoordiger van een van de leden van het kartel, namelijk Ciba – die in mei 1998 door Chemtura is opgekocht –, die vanaf het begin aan alle AC-Treuhand-bijeenkomsten heeft deelgenomen, vanaf juli 1999 voor de sector tinstabilisatoren en vanaf september 1999 voor de sector ESBO/esters, niet meer aan de bijeenkomsten heeft deelgenomen omdat hij met pensioen is gegaan.

101    Dit argument faalt.

102    Uit de terugtrekking van een van de vertegenwoordigers van de deelnemers aan een mededingingsregeling, hoe belangrijk diens rol ook moge geweest zijn, kan immers niet worden afgeleid dat laatstgenoemden hun inbreuk opleverende gedragingen noodzakelijkerwijze hebben beëindigd, temeer daar verder AC-Treuhand-bijeenkomsten onder leiding van S. plaatsvonden.

103    Ten tweede voert verzoekster de verklaring van S. aan, volgens welke „op het einde van de jaren negentig tijdens de [AC-Treuhand-bijeenkomsten] geen dergelijke [tegen de mededinging gerichte] discussies meer [plaatsvonden]”.

104    Gelet op het door verzoekster uitdrukkelijk erkende feit dat S. de AC-Treuhand-bijeenkomsten waarvan verzoekster toegeeft dat zij tegen de mededinging waren gericht, voor verzoekster heeft „geleid”, op het feit dat deze verklaring in tempore suspecto is afgelegd, en op het feit dat S. heeft gepreciseerd „dat hij [niet] precies [kon] zeggen vanaf welk tijdstip dergelijke discussies niet meer [plaatsvonden]”, kan de verklaring van S. de bewijskracht van de door de Commissie in de bestreden beschikking aangenomen bewijselementen niet aantasten.

105    Om dezelfde redenen dient afwijzend te worden beslist op het door verzoekster geformuleerde verzoek om S. te horen, zonder dat de ontvankelijkheid van dat verzoek hoeft te worden beoordeeld.

106    Ten derde wijst verzoekster erop dat Arkema slechts bewijzen heeft aangedragen waaruit blijkt dat de mededingingsregeling tot 29 september 1999 heeft geduurd, en dat Ciba slechts bewijzen had aangedragen waaruit blijkt dat de tegen de mededinging gerichte discussies tot april 1999 hebben geduurd voor de tinstabilisatoren en tot mei 1999 voor de sector ESBO/esters.

107    Dit betoog kan niet worden aanvaard.

108    De omstandigheid dat bepaalde ondernemingen slechts bewijzen voor het bestaan van de inbreuken in een bepaald tijdvak hebben aangedragen, volstaat immers niet om de – overigens onderbouwde – vaststelling dat die inbreuken na dat tijdvak hebben voortgeduurd, op losse schroeven te zetten.

109    Ten vierde voert verzoekster aan dat Faci heeft verklaard dat slechts tot begin 1999 over de prijzen is gesproken, en dat Chemson heeft verklaard dat de inbreuk opleverende gedragingen uiterlijk in september 1999 zijn beëindigd.

110    Dit betoog kan evenmin worden aanvaard.

111    Enerzijds dient er immers op te worden gewezen dat de door verzoekster ter sprake gebrachte verklaringen van Faci slechts betrekking hebben op een van de componenten van de betrokken mededingingsregelingen, namelijk de onrechtmatige vaststelling van de prijzen, en niet op de andere componenten ervan, namelijk de verdeling van de markten en van de klanten en de uitwisseling van gevoelige handelsinformatie.

112    Anderzijds kan, wat de verklaringen van Chemson betreft, niet op basis van een door een onderneming in tempore suspecto afgelegde verklaring worden aangenomen dat alle deelnemers aan de betrokken mededingingsregelingen hun inbreuk opleverende gedragingen noodzakelijkerwijze hebben beëindigd, temeer daar verder AC-Treuhand-bijeenkomsten rond S. hebben plaatsgevonden en, zoals verzoekster zelf heeft opgemerkt, een andere onderneming, namelijk Ciba, niet heeft uitgesloten dat de mededingingsregeling heeft voortgeduurd.

113    Ten vijfde wijst verzoekster erop dat Chemtura in het kader van haar medewerking met de Commissie tijdens de administratieve procedure helemaal niet over de AC-Treuhand-bijeenkomsten heeft gesproken.

114    Ter afwijzing van dit argument hoeft er slechts op te worden gewezen dat verzoekster zelf betoogt dat het bestuur van Chemtura „blijkbaar” niet op de hoogte was van de inhoud van die bijeenkomsten.

115    Ten zesde voert verzoekster aan dat Chemtura vanaf mei 1998 een autonome prijsstrategie heeft gevolgd.

116    Om dezelfde redenen als die welke in punt 112 van het onderhavige arrest zijn genoemd, overtuigt dit betoog niet, temeer daar de niet-inachtneming van een mededingingsregeling door een deelnemer die zich niet openlijk van die mededingingsregeling heeft gedistantieerd, deze deelnemer niet van alle blaam kan zuiveren en a fortiori niet aantoont dat de andere deelnemers de mededingingsregeling hebben beëindigd (zie in die zin arrest Hof van 19 maart 2009, Archer Daniels Midland/Commissie, C‑510/06 P, Jurispr. blz. I‑1843, punt 120).

117    Ten zevende beklemtoont verzoekster dat Akzo, waarmee Akcros verbonden was, „op het einde van de jaren 1990” een beleid van strikte inachtneming van de mededingingsregels is beginnen te voeren.

118    Om dezelfde redenen als die welke in punt 112 van het onderhavige arrest zijn genoemd, kan dit argument niet worden aanvaard, temeer daar vaststaat dat Akcros zich pas in maart 2000 formeel van de betrokken mededingingsregelingen heeft gedistantieerd.

119    Ten achtste betwist verzoekster, wat specifiek de inbreuk betreffende de tinstabilisatoren betreft, dat in 1999 een AC-Treuhand-bijeenkomst heeft plaatsgevonden.

120    Verzoekster erkent echter uitdrukkelijk het bestaan van de andere AC-Treuhand-bijeenkomsten, waaronder een bijeenkomst in juli 1999 en de bijeenkomsten op 29 en 30 november 1999, zodat moet worden geoordeeld dat dit argument geen hout snijdt.

121    Ten negende wijst verzoekster, wat de in de punten 78 en 79 van het onderhavige arrest vermelde maandverslagen van Chemtura, de brief van Chemtura van 23 november 1999 en het in punten 80 en 81 van het onderhavige arrest vermelde maandverslag van Chemtura van 17 december 1999 betreft, enerzijds erop dat zij in die verslagen niet wordt vermeld, zodat deze verslagen niet aantonen dat met haar steun of zelfs tijdens een AC-Treuhand-bijeenkomst eventuele prijsovereenkomsten zijn gesloten.

122    Anderzijds zouden deze elementen geen bewijs van het bestaan van prijsovereenkomsten vormen, maar zou daarin slechts melding worden gemaakt van een prijsverhoging, zodat zij niet aantonen dat na het midden van het jaar 1999 met de AC-Treuhand-bijeenkomsten verband houdende tegen de mededinging gerichte activiteiten hebben plaatsgevonden.

123    Dit betoog faalt.

124    Zoals in punt 62 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, blijkt immers uit de rechtspraak dat bij ontbreken van bewijsmateriaal waarmee de volledige duur van een inbreuk rechtstreeks kan worden aangetoond, de Commissie zich ten minste moet baseren op bewijzen die betrekking hebben op feiten die in de tijd voldoende dichtbij elkaar liggen, zodat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze inbreuk tussen twee precieze tijdstippen ononderbroken heeft voortgeduurd.

125    Enerzijds geeft verzoekster echter toe dat de AC-Treuhand-bijeenkomsten van februari en april en ten minste één bijeenkomst van juli 1999 tegen de mededinging waren gericht.

126    Anderzijds blijkt uit deze elementen dat, op zijn minst voor de markt van de tinstabilisatoren, op deze markt werkzame ondernemingen die aan AC-Treuhand-bijeenkomsten hebben deelgenomen in de tweede helft van 1999, dus in een tijdvak waarin AC-Treuhand-bijeenkomsten hebben plaatsgevonden waarvan verzoekster het bestaan niet betwist, hun prijzen in onderlinge afstemming hebben verhoogd.

127    Ten tiende komt verzoekster voor het jaar 2000 zowel met betrekking tot de inbreuk betreffende de tinstabilisatoren als met betrekking tot de inbreuk betreffende de sector ESBO/esters, op tegen de wijze waarop de Commissie het Akcros-memorandum leest.

128    Volgens verzoekster is het Akcros-memorandum, waarvan de tekst in punt 83 van het onderhavige arrest is overgenomen, grotendeels „à décharge”. Dat memorandum zou niet aantonen dat de mededingingsregeling tot 2000 heeft geduurd, maar zou er integendeel op wijzen dat de mededingingsregeling in 1996/1997 aanzienlijk is afgezwakt en dat in 1999/2000 geen tegen de mededinging gerichte praktijken hebben plaatsgevonden.

129    Dit zou blijken uit een aantal passages uit het Akcros-memorandum, waarin staat dat „[t]wee jaar geleden [...] de situatie [...] totaal anders [was]”, dat „[i]n 1996 en 1997 [...] dergelijke overeenkomsten niet meer plaats[vonden]”, dat het aan AC-Treuhand meedelen van gegevens die geen enkele mededingingsinformatie bevatten, „volstrekt rechtmatig en nuttig [leek]”, dat „[d]e door AC-Treuhand voorgezeten bijeenkomst [...] geen misbruik [leek op te leveren]” en dat „bij [haar] vertegenwoordiger [werd] aangedrongen op terugkeer naar de situatie waarin tijdens deze AC-Treuhand-bijeenkomsten regelmatig prijzen werden vastgesteld en de markten werd verdeeld”.

130    Deze stelling snijdt geen hout.

131    Vaststaat immers dat verzoekster in haar schrifturen slechts overduidelijk uit hun verband gelichte passages uit het Akcros-memorandum aanhaalt, zoals blijkt uit punt 83 van het onderhavige arrest.

132    Zo blijkt uit het Akcros-memorandum van 16 februari 2000 duidelijk dat de auteur ervan heeft aanbevolen – en dit zelfs tweemaal – niet meer deel te nemen aan deze bijeenkomsten en zich ertoe te beperken „de informatie over [de] verkopen [...] door [te] sturen”. Hij maakt ook melding in de tegenwoordige tijd – dit dient te worden beklemtoond – van druk om „de marktaandelen te bevriezen” en van het feit dat „nu en dan nog discussies [worden gevoerd] die als bedenkelijk zouden kunnen worden aangemerkt” en die „duidelijk ongepast [waren]”.

133    In geheel gelezen toont het Akcros-memorandum in elk geval het bestaan van de in de bestreden beschikking aan verzoekster verweten inbreuk opleverende gedragingen rechtens genoegzaam aan, omdat het, overigens zowel met betrekking tot de markt van tinstabilisatoren als met betrekking tot de markt van ESBO/esters, het bewijs bevat dat een onderneming die aan de AC-Treuhand-bijeenkomsten deelnam, heeft vastgesteld dat deze tegen de mededinging waren gericht, en dat deze onderneming het in maart 2000 opportuun heeft geacht, niet meer aan die bijeenkomsten deel te nemen en zich tot tweemaal toe openlijk van het voorwerp van die bijeenkomsten te distantiëren en dit in het eerste kwartaal van het jaar 2000, te weten in een tijdvak waarin AC-Treuhand-bijeenkomsten plaatsvonden waarvan verzoekster het bestaan niet betwist.

134    Niet kan worden aangenomen dat een dergelijke door Akcros in het eerste halfjaar van 2000 aangenomen houding betrekking had op tegen de mededinging gerichte bijeenkomsten van drie, ja zelfs vier jaar eerder.

135    Om al deze redenen dient te worden geoordeeld dat de Commissie rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat de inbreuk met betrekking tot de tinstabilisatoren na 11 november 1999 heeft voortgeduurd.

–       Voortduren van de inbreuk betreffende de sector ESBO/esters na 11 november 1999

136    Met betrekking tot de sector ESBO/esters heeft de Commissie in de bestreden beschikking geoordeeld dat de inbreuk opleverende gedragingen in 1999 en tot 26 september 2000, dus na 11 november 1999, hadden voortgeduurd. Zij baseerde dit oordeel op verschillende in de punten 305 tot en met 315 voor het jaar 1999 en in de punten 316 tot en met 323 voor het jaar 2000 vermelde bewijselementen.

137    Ten eerste hebben in het jaar 1999 acht AC-Treuhand-bijeenkomsten plaatsgevonden, namelijk twee in januari, twee in mei, twee in september en een op 14 en een andere op 15 december, waaraan Akcros, CECA, Chemson, Faci en Chemtura hebben deelgenomen (punt 305 van de bestreden beschikking), wat verzoekster niet betwist.

138    Ten tweede heeft de Commissie beklemtoond dat in het op 16 september 1999 gedateerde maandverslag van Chemtura voor de maand augustus werd aangegeven dat ondernemingen overeenstemming hadden bereikt over „een prijsverhoging van ongeveer 10 % voor de [sector ESBO/esters], die zou ingaan in oktober” (punt 308 van de bestreden beschikking).

139    Ten derde heeft de Commissie in punt 315 van de bestreden beschikking melding gemaakt van de door verzoekster opgestelde notulen van een bijeenkomst van 15 december 1999, waarin wordt gezegd dat „op korte termijn geen nauwere samenwerking” mogelijk is met een onderneming die nog niet aan de AC-Treuhand-bijeenkomsten deelneemt.

140    Ten vierde hebben in 2000 vijf AC-Treuhand-bijeenkomsten plaatsgevonden, namelijk twee in maart, een in juni en twee in september, waarop Akcros, CECA, Chemson, Faci en Chemtura aanwezig waren (punt 316 van de bestreden beschikking), wat verzoekster niet betwist.

141    Ten vijfde heeft de Commissie zich beroepen op het Akcros-memorandum, waarvan de inhoud in punt 83 van het onderhavige arrest is weergegeven.

142    Ten zesde heeft de Commissie zich ook beroepen op de in punt 84 van het onderhavige arrest vermelde handgeschreven Akcros-nota’s.

143    Ten zevende heeft de Commissie aangevoerd dat de vertegenwoordiger van Akcros ten vervolge op het Akcros-memorandum in het kader van een AC-Treuhand-bijeenkomst op 22 maart 2000 te Zurich had meegedeeld dat deze vennootschap niet meer aan de AC-Treuhand-bijeenkomsten zou deelnemen (punt 319 van de bestreden beschikking).

144    Ten achtste heeft de Commissie ook gepreciseerd dat Akcros bij brief van 5 juni 2000 had bevestigd dat zij van plan was niet meer aan de AC-Treuhand-bijeenkomsten deel te nemen (punt 320 van de bestreden beschikking), wat verzoekster niet betwist.

145    Ten negende heeft de Commissie melding gemaakt van de notulen van een door verzoekster op 26 september 2000 in Italië georganiseerde bijeenkomst, die zij in de loop van de administratieve procedure van Chemson had gekregen en waarin wordt gezegd dat de „samenwerking” misschien niet doorgaat „zoals in het verleden” (punt 323 van de bestreden beschikking), wat verzoekster slechts betwist door te verwijzen naar de verklaringen van S.

146    Ten tiende beroept de Commissie zich ook op verklaringen die Chemtura in het kader van haar medewerking tijdens de administratieve procedure heeft afgelegd en volgens welke de mededingingsregeling met betrekking tot de sector ESBO/esters „tot in het jaar 2001” heeft geduurd [punt 420, sub b, van de bestreden beschikking].

147    Gelet op al deze elementen tezamen genomen is het Gerecht van mening dat de Commissie de door haar in de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk met betrekking tot de sector ESBO/esters heeft aangetoond door bewijselementen aan te dragen die rechtens genoegzaam aantonen dat de bestanddelen van de in de onderhavige zaak aan orde zijnde inbreuk voorhanden zijn, in die zin dat de Commissie in de bestreden beschikking bewijzen heeft aangedragen die de vaste overtuiging kunnen schragen dat de inbreuk met betrekking tot de sector ESBO/esters is gepleegd.

148    In hun onderlinge samenhang beschouwd sluiten de verschillende elementen die in de punten 137 tot en met 146 van het onderhavige arrest met betrekking tot de sector ESBO/esters zijn aangedragen, immers uit dat de AC-Treuhand-bijeenkomsten die althans in december 1999 met betrekking tot deze sector hebben plaatsgevonden, niet tegen de mededinging waren gericht.

149    Deze elementen tonen duidelijk aan dat deze AC-Treuhand-bijeenkomsten tegen de mededinging waren gericht. Dit is met name het geval met de in punt 139 van het onderhavige arrest bedoelde, op 15 december 1999 gedateerde notulen van AC-Treuhand, met het Akcros-memorandum waarin werd bekritiseerd dat de AC-Treuhand-bijeenkomsten tegen de mededinging waren gericht, met de beslissing van deze onderneming om niet meer deel te nemen aan deze bijeenkomsten, met het feit dat zij zich in het jaar 2000 tot tweemaal toe openlijk van deze bijeenkomsten heeft gedistantieerd, met het feit dat zij het plan heeft opgevat om haar kaderpersoneel te sensibiliseren voor de mededingingsregels, met de verklaringen van Chemtura volgens welke de mededingingsregeling „tot in het jaar 2001” heeft geduurd, en met het feit dat verzoekster helemaal niet heeft aangetoond dat de aard van de AC-Treuhand-bijeenkomsten was gewijzigd.

150    Hieruit blijkt dat de AC-Treuhand-bijeenkomsten van december 1999 en maart 2000 geen ander voorwerp kunnen hebben gehad dan de eerdere bijeenkomsten, terwijl dezelfde ondernemingen en dezelfde personen elkaar in dezelfde context rond S. ontmoetten.

151    Bijgevolg dient te worden geoordeeld dat de Commissie in de bestreden beschikking een bundel van aanwijzingen heeft verstrekt die in hun geheel beschouwd de vaste overtuiging schragen dat de inbreuk opleverende gedragingen met betrekking tot de sector ESBO/esters in het kader van de AC-Treuhand-bijeenkomsten ook nog na 11 november 1999 hebben plaatsgevonden.

152    Het samenstel van deze overwegingen kan niet op losse schroeven worden gezet door de argumenten van verzoekster.

153    Ten eerste kan verzoekster om de in de punten 124 tot en met 126 van het onderhavige arrest genoemde redenen de bewijskracht van het in punt 138 van het onderhavige arrest vermelde maandverslag van Chemtura immers niet met succes betwisten.

154    Ten tweede kan zij niet op goede gronden stellen dat de in punt 139 van het onderhavige arrest genoemde notulen van een AC-Treuhand-bijeenkomst van 15 december 1999, waarin werd gezegd dat „op korte termijn geen nauwere samenwerking” mogelijk is met een onderneming die nog niet aan de AC-Treuhand-bijeenkomsten deelneemt, doelde op de deelneming van die onderneming aan het voorleggen van marktstatistieken.

155    Verzoekster herhaalt immers slechts haar betoog over de gestelde inhoud van de AC‑Treuhand-bijeenkomsten en dit kan de bewijskracht van de door de Commissie in de bestreden beschikking aangenomen elementen niet aantasten.

156    Het plannen van een „nauwere” samenwerking impliceerde immers het bestaan van een minimale samenwerking, die slechts kon bestaan in de deelneming van die onderneming aan de marktstatistieken, zodat een „nauwere” samenwerking uitsloot dat het louter ging om deelneming aan de marktstatistieken.

157    Ten derde kan verzoekster zich om de in punt 104 van het onderhavige arrest genoemde redenen niet met succes beroepen op de verklaring van S.

158    Ten vierde kan om de in de punten 131 tot en met 133 van het onderhavige arrest genoemde redenen ook de betwisting van de bewijskracht van het Akcros-memorandum niet overtuigen.

159    Om al deze redenen dient te worden geoordeeld dat de Commissie rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat de inbreuk met betrekking tot de sector ESBO/esters na 11 november 1999 heeft voortgeduurd.

160    Bijgevolg dient niet te worden ingegaan op de argumenten die verzoekster aanvoert met betrekking tot andere bewijselementen die de Commissie in de bestreden beschikking heeft aangenomen om aan te tonen dat de inbreuk met betrekking tot de sector ESBO/esters tot september 2000 heeft geduurd.

161    Ook al zouden deze argumenten gegrond zijn, zij kunnen verzoeksters tweede middel tot nietigverklaring immers niet werkzaam schragen.

162    Gelet op al deze overwegingen dient te worden geoordeeld dat de Commissie in de bestreden beschikking rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat de inbreuk opleverende gedragingen na 11 november 1999 hebben voortgeduurd, zodat haar bevoegdheid om sancties op te leggen op 11 november 2009 niet is verjaard.

163    Ten slotte dient te worden geoordeeld dat daardoor het uitgangspunt van verzoeksters betoog betreffende het ontbreken van een legitiem belang om een inbreuk vast te stellen is weggevallen, en moet dit betoog dus worden afgewezen.

164    Bijgevolg moet verzoeksters tweede middel, strekkende tot nietigverklaring van de bestreden beschikking, worden afgewezen.

 Achtste middel: schending van de rechten van de verdediging doordat te laat is meegedeeld dat een onderzoeksprocedure was ingeleid

165    Als achtste middel, strekkende tot nietigverklaring van de bestreden beschikking, voert verzoekster aan dat de uitoefening van haar rechten van verdediging is aangetast doordat de Commissie haar te laat heeft meegedeeld dat tegen haar een onderzoeksprocedure was ingeleid.

166    Volgens verzoekster rustte op de Commissie een algemene verplichting om haar kort na het begin van het onderzoek en uiterlijk op het tijdstip van het verzoek van 8 oktober 2007 uitdrukkelijk mee te delen dat tegen haar een onderzoeksprocedure was ingeleid.

167    Verzoekster zou daar echter pas van op de hoogte zijn gebracht bij een brief van de Commissie van 9 februari 2009, te weten anderhalf jaar later, enkele weken voor de betekening van de mededeling van de punten van bezwaar op 18 maart 2009.

168    Deze te late mededeling dat tegen haar een onderzoeksprocedure was ingeleid, zou de uitoefening van de rechten van verdediging door verzoekster hebben aangetast.

169    Verzoekster stelt dienaangaande dat het geheugen van S. tussen 2007 en 2009 minder nauwkeurig was geworden, zodat diens verklaring van 20 mei 2009 niet erg gedetailleerd was en in de ogen van de Commissie nog aan geloofwaardigheid heeft verloren.

170    In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat, volgens vaste rechtspraak en zoals bevestigd in artikel 6, lid 3, VEU, de grondrechten integrerend deel uitmaken van de algemene rechtsbeginselen waarvan het Hof de eerbiediging verzekert. Het Hof heeft aldus herhaaldelijk geoordeeld dat de eerbiediging van de rechten van de verdediging tijdens administratieve procedures op het gebied van het mededingingsbeleid een algemeen beginsel van het recht van de Unie vormt (zie arrest Hof van 3 september 2009, Prym en Prym Consumer/Commissie, C‑534/07 P, Jurispr. blz. I‑7415, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

171    Wat de procedure inzake de toepassing van artikel 81 EG betreft, volgt uit de rechtspraak dat de administratieve procedure voor de Commissie is onderverdeeld in twee onderscheiden en achtereenvolgende fasen, die elk een eigen innerlijke logica hebben, te weten de vooronderzoeksfase en de fase op tegenspraak. De vooronderzoeksfase, die duurt tot de mededeling van de punten van bezwaar, moet de Commissie in staat stellen, alle relevante bewijzen te verzamelen die al of niet het bestaan van een inbreuk op de mededingingsregels bevestigen, en een eerste standpunt in te nemen over de richting die en het uiteindelijke gevolg dat aan de procedure zal worden gegeven. Daarentegen moet de fase op tegenspraak, die loopt van de mededeling van de punten van bezwaar tot de vaststelling van de definitieve beschikking, de Commissie in staat stellen, zich definitief uit te spreken over de verweten inbreuk (zie arrest Hof van 29 september 2011, Elf Aquitaine/Commissie, C‑521/09 P, Jurispr. blz. I‑8947, punt 113 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

172    Wat de vooronderzoeksfase betreft, heeft het Hof verduidelijkt dat deze fase ingaat op de datum waarop de Commissie krachtens de bevoegdheden die de Uniewetgever haar heeft verleend, maatregelen neemt die impliceren dat een inbreuk ten laste wordt gelegd, en belangrijke consequenties hebben voor de situatie van de verdachte entiteiten (zie arrest Elf Aquitaine/Commissie, reeds aangehaald, punt 114 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

173    Het is pas bij de aanvang van de administratieve fase op tegenspraak dat de betrokken entiteit door middel van de mededeling van de punten van bezwaar wordt ingelicht over alle wezenlijke elementen waarop de Commissie zich in dit stadium van de procedure baseert. De betrokken onderneming kan dus pas nadat de mededeling van de punten van bezwaar is toegestuurd, haar rechten van verdediging ten volle uitoefenen (arrest Elf Aquitaine/Commissie, reeds aangehaald, punt 115 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

174    Aangezien dat zo is, heeft het Hof ook geoordeeld dat de onderzoeksmaatregelen die de Commissie in de vooronderzoeksfase heeft genomen, inzonderheid de verificaties en verzoeken om inlichtingen, in bepaalde omstandigheden naar de aard ervan kunnen impliceren dat een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie wordt verweten en belangrijke gevolgen kunnen hebben voor de situatie van de betrokken entiteiten (arrest Elf Aquitaine/Commissie, reeds aangehaald, punt 116 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

175    Bijgevolg dient te worden vermeden dat de rechten van de verdediging in deze fase van de administratieve procedure onherstelbare schade lijden, daar de onderzoeksmaatregelen beslissend kunnen zijn voor de totstandkoming van het bewijs van de onrechtmatigheid van gedragingen waarvoor de ondernemingen aansprakelijk zijn (arrest Elf Aquitaine/Commissie, reeds aangehaald, punt 117).

176    Zo heeft het Hof, wat de eerbiediging van een redelijke termijn betreft, zakelijk weergegeven, geoordeeld dat de beoordeling van de oorsprong van een eventuele aantasting van de doeltreffende uitoefening van de rechten van de verdediging niet beperkt mag blijven tot de fase op tegenspraak van de administratieve procedure, maar de gehele procedure moet omvatten, op basis van de totale duur daarvan (arresten Hof van 21 september 2006, Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied/Commissie, C‑105/04 P, Jurispr. blz. I‑8725, punten 49 en 50, en Technische Unie/Commissie, C‑113/04 P, Jurispr. blz. I‑8831, punten 54 en 55).

177    Volgens het Hof gelden deze overwegingen naar analogie voor de vraag of en in welke mate de Commissie de betrokken entiteit reeds vanaf het stadium van de vooronderzoeksfase bepaalde informatie over het voorwerp en het doel van het onderzoek moet verstrekken, die deze in staat stelt zich doeltreffend te verdedigen in het kader van de fase op tegenspraak (arrest Elf Aquitaine/Commissie, reeds aangehaald, punt 119).

178    Dit wil echter niet zeggen dat de Commissie al vóór de eerste maatregel jegens een gegeven entiteit gehouden is om deze entiteit in alle gevallen te waarschuwen voor de loutere mogelijkheid van onderzoeksmaatregelen of vervolgingen gebaseerd op het mededingingsrecht van de Unie, met name niet indien met een dergelijke waarschuwing op ongeoorloofde wijze afbreuk zou worden gedaan aan de doeltreffendheid van het onderzoek van de Commissie (zie arrest Elf Aquitaine/Commissie, reeds aangehaald, punt 120 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

179    Op basis van deze overwegingen dient de gegrondheid te worden beoordeeld van het achtste middel, strekkende tot nietigverklaring van de bestreden beschikking, dat verzoekster ontleent aan de gestelde te late mededeling dat tegen haar een onderzoeksprocedure is ingeleid.

180    In dit verband dient meteen te worden beklemtoond dat verzoekster in het kader van haar achtste middel niet stelt dat de duur van de gehele administratieve procedure de uitoefening van haar rechten van de verdediging heeft aangetast. Dit betoog is het voorwerp van haar zevende middel en zal in elk geval in kader daarvan in de punten 198 tot en met 221 van het onderhavige arrest worden beoordeeld.

181    In het kader van haar achtste middel stelt verzoekster dat de uitoefening van haar rechten van verdediging is aangetast door de tijd die is verstreken tussen het verzoek van 8 oktober 2007 en het tijdstip waarop zij naar eigen zeggen door Commissie bij brief in kennis is gesteld van het feit dat tegen haar een onderzoeksprocedure was ingeleid, te weten 9 februari 2009, namelijk anderhalf jaar later en enkele weken voor de kennisgeving van de mededeling van de punten van bezwaar op 18 maart 2009.

182    In haar betoog ter ondersteuning van haar achtste middel stelt verzoekster dat de Commissie haar vanaf het begin van het onderzoek of „uiterlijk”, volgens haar eigen bewoordingen, op de datum van het verzoek van 8 oktober 2007, had moeten meedelen dat tegen haar een onderzoeksprocedure was ingeleid.

183    Om de gegrondheid van het achtste middel van verzoekster te beoordelen dient dus niet te worden nagegaan of de Commissie verplicht was haar vóór 8 oktober 2007 op de hoogte te stellen van de administratieve procedure.

184    Het volstaat, tegen de achtergrond van de in de punten 169 tot en met 177 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, na te gaan of de Commissie verzoekster in het verzoek van 8 oktober 2007 voldoende informatie over het voorwerp en het doel van het onderzoek heeft verstrekt, zodat deze laatste zich in het kader van de fase op tegenspraak doeltreffend kon verdedigen.

185    In het verzoek van 8 oktober 2007 heeft de Commissie het over „verwijten van tegen de mededinging gerichte gedragingen in de sector hittestabilisatoren” aan het adres van een aantal „spelers op de markt van hittestabilisatoren”.

186    Wat de inhoud zelf van de gevraagde inlichtingen betreft, heeft de Commissie verzocht om het adres en de verdere gegevens van een contactpersoon of een „jurist [lawyer] die naar behoren is gemachtigd om te antwoorden” op het betrokken verzoek.

187    Verder blijkt uit de punten 3 en 5 van het verzoek van 8 oktober 2007 dat de Commissie gegevens wenste te verkrijgen betreffende de tijdvakken van betrokkenheid van de spelers op de markt van hittestabilisatoren en betreffende de vraag of verzoekster bijeenkomsten organiseerde voor de bedrijfstak van de hittestabilisatoren.

188    Bijgevolg kan redelijkerwijze worden aangenomen dat de Commissie verzoekster door de inhoud van het verzoek van 8 oktober 2007 informatie over het voorwerp en het doel van het betrokken onderzoek heeft verstrekt die deze laatste in staat stelde zich doeltreffend te verdedigen in de fase op tegenspraak.

189    In het verzoek van 8 oktober 2007 heeft de Commissie inderdaad niet uitdrukkelijk aangegeven wat zij verzoekster in het bijzonder ten laste legde.

190    De Commissie was echter niet verplicht om verzoekster in het verzoek van 8 oktober 2007 bepaalde tenlasteleggingen uitdrukkelijk toe te rekenen en was in die fase dus niet gehouden haar mee te delen dat zij werd verdacht. Om te oordelen dat de rechten van verdediging van verzoekster zijn gewaarborgd, volstond het dan ook dat de Commissie de rechtsgrondslagen en het doel van haar verzoek duidelijk vermeldde (zie in die zin arrest Gerecht van 28 april 2010, Amann & Söhne en Cousin Filterie/Commissie, T‑446/05, Jurispr. blz. II‑1255, punt 334).

191    Daarbij komt dat, zelfs al zou worden geoordeeld dat de Commissie op zijn minst verplicht was verzoekster mee te delen dat inbreuken werden vermoed en dat deze eventuele inbreuken haar zouden kunnen worden verweten, moet worden geoordeeld dat de Commissie die verplichting is nagekomen gelet op de inhoud van haar verzoek van 8 oktober 2007, zoals deze in de punten 185 tot en met 187 van het onderhavige arrest is weergegeven.

192    Bijgevolg is het achtste middel van verzoekster ongegrond.

193    In elk geval, zelfs al zou aan verzoekster te laat, namelijk pas op 9 februari 2009, zijn meegedeeld dat tegen haar een onderzoeksprocedure was ingeleid, heeft verzoekster niet aangetoond dat deze vertraging de uitoefening van haar rechten van verdediging heeft aangetast.

194    Verzoekster voert dienaangaande immers alleen aan dat het geheugen van S. tussen 2007 en 2009 slechter is geworden.

195    Zij kan een dergelijk argument echter niet met succes aanvoeren.

196    De fysiologische betrouwbaarheid van de verklaringen van S. en diens centrale rol in de mededingingsregelingen – die door verzoekster niet wordt betwist en de waarachtigheid van diens verklaringen, ongeacht de inhoud ervan, meer dan verdacht doet voorkomen – buiten beschouwing gelaten, heeft verzoekster immers geenszins aangetoond hoe zij zich in de fase op tegenspraak doeltreffender zou hebben kunnen verdedigen indien haar een goede tien jaar na de litigieuze feiten anderhalf jaar eerder was meegedeeld dat tegen haar een onderzoeksprocedure was ingeleid.

197    Bijgevolg dient het achtste middel van verzoekster, strekkende tot nietigverklaring van de bestreden beschikking, te worden afgewezen.

 Zevende middel: schending van het beginsel van de redelijke termijn als gevolg van de duur van de administratieve procedure

198    In het kader van haar zevende middel, strekkende tot nietigverklaring van de bestreden beschikking, stelt verzoekster dat het beginsel van de redelijke termijn is geschonden als gevolg van de duur van de administratieve procedure. Tussen het begin van het onderzoek op 12 februari 2003 en de mededeling van de punten van bezwaar op 18 maart 2009 zou teveel tijd, namelijk meer dan zes jaar, zijn verstreken.

199    Een dergelijk tijdvak zou niet worden gerechtvaardigd door de ingewikkeldheid van de zaak. Bovendien is verzoekster van mening dat de Commissie de administratieve procedure jegens haar niet had mogen schorsen in afwachting van de uitkomst van de gerechtelijke procedure Akzo.

200    De uitoefening van de rechten van verdediging door verzoekster zou zijn aangetast doordat enerzijds, de herinneringen van S., die de AC‑Treuhand-bijeenkomsten had „geleid”, in 2009 al sterk waren vervaagd, en anderzijds verzoekster niet meer beschikte over bepaalde documenten met betrekking tot het inbreuktijdvak, daar de wettelijke termijn gedurende welke documenten moeten worden bewaard, namelijk tien jaar naar Zwitsers recht, volgens verzoekster was verstreken, zodat zij zich moeilijk heeft kunnen verdedigen tegen de bezwaren van de Commissie.

201    De Commissie herinnert eraan dat zij in punt 771 van de bestreden beschikking heeft toegegeven dat wegens bijzondere omstandigheden de onderzoeksfase langer had geduurd dan gebruikelijk is, en dat zij om die reden het bedrag van de met name aan verzoekster opgelegde geldboeten uitzonderlijk met 1 % heeft verminderd, doch verklaart dat zij de uitkomst van gerechtelijke procedure Akzo moest afwachten, zodat de duur van de procedure niet aan haar kan worden toegerekend.

202    De Commissie betoogt ook dat, zelfs al zou worden geoordeeld dat deze duur aan haar kan worden toegerekend, dit niet tot nietigverklaring van de beschikking kan leiden, aangezien de rechten van verdediging van verzoekster niet zijn aangetast.

203    In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de eerbiediging van een redelijke termijn bij de afwikkeling van administratieve procedures op het gebied van het mededingingsbeleid een algemeen rechtsbeginsel is, waarvan de rechterlijke instanties van de Unie de eerbiediging verzekeren (zie arrest Technische Unie/Commissie, reeds aangehaald, punt 40 en de aldaar aangehaalde rechtspraak), een beginsel dat is ontleend aan artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en is verankerd in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

204    Uit de rechtspraak blijkt echter ook dat de nietigverklaring van een beschikking van de Commissie ook bij een buitensporig lange procedure niet rechtens geboden is, indien niet omstandig is uiteengezet dat afbreuk is gedaan aan de rechten van verdediging van de betrokken ondernemingen en er dus geen enkele grond is om aan te nemen dat de buitensporig lange duur van de procedure gevolgen kan hebben gehad voor de inhoud van de beschikking van de Commissie (zie in die zin arrest Baustahlgewebe/Commissie, reeds aangehaald, punt 49, en arrest Gerecht van 1 juli 2008, Compagnie maritime belge/Commissie, T‑276/04, Jurispr. blz. II‑1277, punt 45).

205    Behalve in dat geval heeft de niet-inachtneming van het beginsel van de redelijke termijn geen invloed op de geldigheid van de administratieve procedure en kan zij niet tot gevolg hebben dat de bestreden beschikking onrechtmatig is.

206    Verder dient eraan te worden herinnerd dat de beoordeling van de oorsprong van de eventuele aantasting van de doeltreffende uitoefening van de rechten van de verdediging niet beperkt mag blijven tot fase op tegenspraak van de administratieve procedure, maar deze gehele procedure moet omvatten, op basis van de totale duur daarvan (arresten Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied/Commissie, reeds aangehaald, punten 49 et 50, en Technische Unie/Commissie, reeds aangehaald, punten 54 en 55).

207    Tegen de achtergrond van deze overwegingen dient het zevende middel van verzoekster te worden beoordeeld. Dit middel is ontleend aan schending van het beginsel van de redelijke termijn en strekt tot nietigverklaring van de bestreden beschikking.

208    In het onderhavige geval staat vast, zoals in de punten 11 tot en met 19 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, dat de Commissie haar onderzoek in deze zaak is begonnen met de inspecties van 12 en 13 februari 2003, dat zij dit onderzoek heeft voortgezet door de betrokken ondernemingen, waaronder verzoekster, op 8 oktober 2007 om inlichtingen te verzoeken, en dat zij deze ondernemingen op 18 maart 2009 een mededeling van punten van bezwaar heeft gezonden alvorens op 11 november 2009 de bestreden beschikking vast te stellen.

209    Vaststaat ook dat verzoekster pas vanaf het verzoek van de Commissie van 8 oktober 2007 formeel bij de administratieve procedure in de onderhavige zaak werd betrokken.

210    Bijgevolg heeft de administratieve procedure, wat verzoekster betreft, geduurd van 8 oktober 2007 tot 11 november 2009, te weten iets meer dan twee jaar.

211    Volgens het Gerecht is een dergelijke duur in de omstandigheden van de onderhavige zaak niet overdreven in de zin van het beginsel van de redelijke termijn, zodat alleen al op grond van dit oordeel afwijzend kan worden beslist op verzoeksters zevende middel, dat aan schending van het beginsel van de redelijke termijn is ontleend en strekt tot nietigverklaring van de bestreden beschikking.

212    Verzoekster gaat voor haar middel inzake schending van het beginsel van de redelijke termijn echter niet uit van een termijn die aanvangt met het verzoek van 8 oktober 2007, dat haar rechtstreeks betrof, maar van een termijn die aanvangt met het begin van het onderzoek, dat de betrokken mededingingsregelingen in het algemeen betrof, te weten 12 en 13 februari 2003, ofschoon zij bij het begin van het onderzoek geen betrokken partij was.

213    Ongeacht of de tijd die is verstreken tussen de inleiding van het onderzoek, dat de betrokken mededingingsregelingen in het algemeen betrof, en het tijdstip waarop verzoekster bij de procedure werd betrokken, een schending van het beginsel van de redelijke termijn oplevert, en of een dergelijke schending aan de Commissie kan worden toegerekend, kan verzoeksters zevende middel, dat aan schending van het beginsel van de redelijke termijn is ontleend en strekt tot nietigverklaring van de bestreden beschikking, niet worden aanvaard.

214    Zoals in punt 206 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, heeft het Hof het tijdvak dat relevant is om uit te maken of het beginsel van de redelijke termijn in acht is genomen, immers uitgebreid door dit te laten beginnen vanaf de fase van het vooronderzoek door de Commissie.

215    Zelfs al zou worden geoordeeld, zoals verzoekster bepleit zonder op dit punt door de Commissie te worden weersproken, dat voor het onderzoek of het beginsel van de redelijke termijn in acht is genomen, niet mag worden uitgegaan van de datum van de mededeling van de punten van bezwaar en evenmin van de datum van de eerste onderzoeksmaatregel die betrekking heeft op verzoekster, maar moet worden uitgegaan van de datum van inleiding van het onderzoek dat de inbreuk opleverende gedragingen in het algemeen betreft, moet verzoekster niettemin, om nietigverklaring van de bestreden beschikking te verkrijgen, aantonen dat uitoefening van haar rechten van verdediging is aangetast door de duur van de administratieve procedure en dat de inhoud van de bestreden beschikking daardoor is gewijzigd.

216    Verzoekster draagt echter geen enkel element aan dat dit zou bewijzen.

217    Verzoekster heeft immers geenszins aangetoond dat, indien de Commissie haar eerder bij het onderzoek had betrokken, S. wellicht een verklaring met een heel andere inhoud zou hebben afgelegd, namelijk een verklaring die verzoekster in staat zou hebben gesteld haar rechten van verdediging beter uit te oefenen, zodat de bestreden beschikking een andere inhoud zou hebben gehad.

218    Verder staat vast dat verzoekster niets heeft gezegd over de aard of de inhoud van de documenten die zij had kunnen overleggen indien zij deze had bewaard.

219    Ten slotte kan verzoekster zich niet op goede gronden beroepen op de termijn gedurende welke naar Zwitsers recht ondernemingen documenten in voorkomend geval dienen te bewaren, want in de onderhavige zaak kon zij zeer goed voorzien dat het nodig was bepaalde documenten te bewaren voor het geval dat de Commissie bezwaren tegen haar zou formuleren, daar zij in de zaak Organische peroxiden op 27 maart 2003 een mededeling van punten van bezwaar had ontvangen en op 10 december 2003 een beschikking waarin een inbreuk was vastgesteld die aan haar kon worden toegerekend.

220    In elk geval betwist verzoekster niet dat de tot in het „midden van het jaar 1999” door S. geleide AC‑Treuhand-bijeenkomsten tegen de mededinging waren gericht, en de tweede helft van dat jaar was in dat verband van essentieel belang voor haar verdediging. Op het tijdstip waarop zij bij het onderzoek van de Commissie werd betrokken, te weten op 8 oktober 2007, en op de datum van de mededeling van de punten van bezwaar, te weten op 18 maart 2009, was de door haar aangevoerde termijn gedurende welke documenten moesten worden bewaard, niet nog verstreken voor de documenten betreffende de tweede helft van 1999. Bijgevolg diende zij, zelfs op de datum van de mededeling van de punten van bezwaar, nog over alle relevante documenten te beschikken en kon zij deze bewaren voor de uitoefening van haar rechten van verdediging. Zij kan dus niet op goede gronden stellen dat de beweerdelijk overdreven lange duur van de administratieve procedure de uitoefening van haar rechten van verdediging dienaangaande heeft aangetast.

221    Bijgevolg dient het zevende middel van verzoekster, strekkende tot nietigverklaring van de bestreden beschikking, te worden afgewezen.

 Eerste onderdeel van het zesde middel: schending van artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003

222    Als eerste onderdeel van haar zesde middel voert verzoekster aan dat artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 is geschonden doordat het totale bedrag van de twee opgelegde geldboeten, te weten 348 000 EUR (tweemaal 174 000 EUR), groter is dan 10 % van haar totale omzet in het aan de vaststelling van de bestreden beschikking voorafgaande boekjaar, te weten 1 763 917 EUR in 2008.

223    Volgens verzoekster is er slechts sprake van één enkele inbreuk, zodat de twee geldboeten betrekking hebben op dezelfde inbreuk en de som van de twee geldboeten niet groter mag zijn dan 10 % van de totale omzet.

224    Terwijl de Commissie het in de mededeling van de punten van bezwaar uitvoerig heeft over één enkele inbreuk, concludeert zij in de bestreden beschikking dat er sprake is van „twee gelijklopende, maar soortgelijke inbeuken” inbeuken (punt 395 van de bestreden beschikking), zonder deze wijziging in haar analyse uit te leggen, waardoor de bestreden beschikking ontoereikend zou zijn gemotiveerd.

225    Wat de grond van de zaak betreft, zou de Commissie voorbijgaan aan het criterium dat de overeenkomsten complementair moeten zijn, en dit criterium in de bestreden beschikking vervangen door de eis dat het bewijs wordt geleverd dat de twee mededingingsregelingen economisch vervlochten zijn, terwijl voor het bestaan van één enkele complexe inbreuk is vereist dat een gemeenschappelijk tegen de mededinging gericht doel wordt nagestreefd.

226    Zoals uit de bestreden beschikking zelf blijkt, zouden de overeenkomsten die de twee gestelde inbreuken opleveren, zeer nauw met elkaar verbonden zijn ter zake van de producten, die complementair worden gebruikt voor PVC en aan dezelfde categorie van klanten worden verkocht, de inhoud van de overeenkomsten, het doel dat ermee wordt nagestreefd, de personen, de rol van S., de chronologie en de geografische omvang.

227    Subsidiair beroept verzoekster zich op het beginsel in dubio pro reo, dat zou gelden voor het antwoord op de vraag of zij één enkele inbreuk dan wel afzonderlijke inbreuken heeft gepleegd. In het onderhavige geval zou de twijfel omtrent het bestaan van twee inbreuken aan verzoekster ten goede moeten komen.

228    De Commissie geeft toe dat zij de vraag of de inbreuk opleverende gedragingen één enkele inbreuk opleveren, in de bestreden beschikking anders heeft beantwoord dan in de mededeling van de punten van bezwaar, doch verklaart dat zij dit heeft gedaan na een nieuw onderzoek waarbij zij rekening heeft gehouden met de tegenovergestelde mening die verschillende betrokken partijen, waaronder verzoekster, met name hun in antwoorden op de mededeling van de punten van bezwaar hadden vertolkt.

229    De Commissie herinnert er in dit verband aan, dat zij in de bestreden beschikking heeft aangegeven dat voor de twee inbreuken afzonderlijke bijeenkomsten van verschillende duur werden georganiseerd, dat de betrokken producten verschilden – zowel qua chemische en fysische eigenschappen, als qua prijs, gebruik en afnemers – en dat bepaalde ondernemingen aan de ene inbreuk hebben deelgenomen en tegelijkertijd klant waren op de markt waarop de andere inbreuk betrekking had.

–       Opmerkingen vooraf

230    Om te beginnen dient eraan te worden herinnerd dat de kwalificatie van een aantal onrechtmatige handelingen als één en dezelfde inbreuk of als verschillende afzonderlijke inbreuken in beginsel niet zonder invloed op de mogelijke sanctie is, aangezien de vaststelling van verschillende inbreuken kan leiden tot de oplegging van verschillende afzonderlijke geldboeten, waarbij telkens de in artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 gestelde grenzen, dat wil zeggen het maximum van 10 % van de omzet in het aan de vaststelling van de beschikking voorafgaande boekjaar, in acht moet worden genomen (arresten Gerecht van 15 juni 2005, Tokai Carbon e.a./Commissie, T‑71/03, T‑74/03, T‑87/03 en T‑91/03, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 118, en 15 maart 2006, BASF/Commissie, T‑15/02, Jurispr. blz. II‑497, punten 70 en 158, en arrest Amann & Söhne e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 94).

231    Aldus mag de Commissie in één enkele beschikking twee afzonderlijke inbreuken vaststellen en twee geldboeten opleggen waarvan het totale bedrag groter is dan het in artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 vastgestelde maximum van 10 %, mits het bedrag van elke geldboete dat maximum niet overschrijdt.

232    Voor de toepassing van bovengenoemd maximum van 10 % is immers irrelevant of afzonderlijke inbreuken op de mededingingsregels van de Unie in de loop van één procedure dan wel in de loop van onderscheiden, in de tijd gescheiden procedures worden bestraft, daar het maximum van 10 % op elke inbreuk op artikel 81 EG van toepassing is (arrest Gerecht van 8 oktober 2008, SGL Carbon/Commissie, T‑68/04, Jurispr. blz. II‑2511, punt 132).

233    In het onderhavige geval behoeft voor de beoordeling van de gegrondheid van het eerste onderdeel van het zesde middel dus slechts te worden nagegaan of de Commissie het bestaan van twee afzonderlijke inbreuken heeft aangetoond en niet het bestaan van één enkele inbreuk, zoals verzoekster stelt.

–       Dualiteit van de inbreuken

234    Uit de bestreden beschikking blijkt dat de Commissie aan het einde van een samenstel van overwegingen betreffende de betrokken markten (punten 3‑8), de betrokken producten (punten 75‑77), de beginselen die volgens haar daarop van toepassing zijn (punten 388‑394) en de toepassing van die beginselen op de onderhavige zaak heeft geconcludeerd dat er in het onderhavige geval sprake is van twee afzonderlijke inbreuken.

235    Bijgevolg dient van meet af aan afwijzend te worden beslist op verzoeksters argument dat de bestreden beschikking ontoereikend is gemotiveerd ter zake van het bestaan van twee afzonderlijke inbreuken. Dat argument is overigens helemaal niet onderbouwd. Er wordt daarvoor slechts verwezen naar de mededeling van de punten van bezwaar en er wordt dienaangaande geen aantasting van de rechten van de verdediging aangevoerd.

236    Uit de bestreden beschikking blijkt immers dat de Commissie verschillende, voor het merendeel in de punten 396 tot en met 401 uiteengezette gronden heeft aangevoerd voor haar oordeel dat de inbreuk met betrekking tot de markt van tinstabilisatoren en die met betrekking tot de markt van ESBO/esters gelijklopende en soortgelijke inbreuken waren die echter van elkaar verschilden, vooral gelet op het ontbreken van een globaal plan om de mededinging te verstoren, op het feit dat verschillende markten en verschillende producten zijn betrokken en op het feit dat de twee mededingingsregelingen niet vervlochten zijn met name wat de duur van de inbreuken, de deelnemers en de data van de verschillende heimelijke bijeenkomsten betreft.

237    Wat de grond van de zaak betreft, voert verzoekster, zakelijk weergegeven, aan dat de twee gestelde inbreuken nauw met elkaar verbonden waren, zodat zij voortvloeiden uit een globaal plan, dat wil zeggen zij in feite slechts één enkele inbreuk vormden.

238    In dit verband dient er om te beginnen aan te worden herinnerd dat het begrip één enkele inbreuk doelt op een situatie waarin verschillende ondernemingen hebben deelgenomen aan een inbreuk bestaande in een voortdurende gedraging met één enkel economisch doel, namelijk de mededinging te vervalsen, dan wel in individuele inbreuken die onderling zijn verbonden door hetzelfde doel (alle elementen hebben hetzelfde doel) en dezelfde subjecten (dezelfde betrokken ondernemingen die welbewust het gemeenschappelijke doel nastreven) (arrest Gerecht van 8 juli 2008, BPB/Commissie, T‑53/03, Jurispr. blz. II‑1333, punt 257, en arrest Amann & Söhne en Cousin Filtrerie/Commissie, reeds aangehaald, punt 89).

239    Voorts dient erop te worden gewezen dat een schending van artikel 81, lid 1, EG niet alleen kan voortvloeien uit een op zichzelf staande handeling, maar eveneens uit een reeks handelingen of uit een voortdurende gedraging. Deze uitlegging kan niet worden betwist met het argument dat een of meer onderdelen van deze reeks handelingen of van deze voortdurende gedraging op zichzelf ook afzonderlijk een schending van deze bepaling kunnen opleveren. Wanneer de verschillende handelingen, wegens hun identieke doel om de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt te verstoren, deel uitmaken van een „globaal plan”, mag de Commissie de verantwoordelijkheid voor die handelingen bepalen aan de hand van de deelneming aan de betrokken inbreuk in haar geheel (arrest Aalborg Portland e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 258).

240    Ten slotte dient te worden gepreciseerd dat het begrip gemeenschappelijk doel niet kan worden bepaald door een algemene verwijzing naar de verstoring van de mededinging op de markt waarop de inbreuk betrekking heeft, aangezien de aantasting van de mededinging, als doel of gevolg, een wezenlijk element is van elke gedraging die binnen de werkingssfeer van artikel 81, lid 1, EG valt. Een dergelijke definitie van het begrip gemeenschappelijk doel dreigt het begrip één enkele en voortdurende inbreuk een deel van zijn zin te ontnemen, daar zij ertoe zou leiden dat verschillende door artikel 81, lid 1, EG verboden gedragingen in een bedrijfstak stelselmatig als bestanddelen van één enkele inbreuk zouden moeten worden aangemerkt (zie arrest Gerecht van 30 november 2011, Quinn Barlo e.a./Commissie, T‑208/06, Jurispr. blz. II‑7953, punt 149 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

241    Ter beantwoording van de vraag of verschillende handelingen als één enkele voortdurende inbreuk kunnen worden aangemerkt, moet dus worden nagegaan of zij complementair zijn, in die zin dat elk ervan is bedoeld om het hoofd te bieden aan een of meer gevolgen van de normale mededinging, en dat zij door hun wisselwerking bijdragen tot de verwezenlijking van het geheel van de mededinging beperkende gevolgen dat de daders beogen, dit in het kader van een globaal plan met één enkel doel. Dienaangaande moet rekening worden gehouden met elke omstandigheid die dat verband kan aantonen of weerleggen, zoals het toepassingstijdvak, de inhoud (met inbegrip van de gehanteerde methoden) en, daarmee samenhangend, het doel van de verschillende handelingen in kwestie. (zie arrest Amann & Söhne en Cousin Filtrerie/Commissie, reeds aangehaald, punt 92 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

242    De Commissie kan dus op objectieve gronden afzonderlijke procedures inleiden, afzonderlijke inbreuken vaststellen en afzonderlijke geldboeten opleggen (zie arrest Amann & Söhne en Cousin Filtrerie/Commissie, reeds aangehaald, punt 93 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

243    Tegen de achtergrond van deze overwegingen dient de stelling van verzoekster te worden beoordeeld. Deze betwist dat er sprake is van twee afzonderlijke inbreuken en stelt dat het gaat om één enkele inbreuk die voortvloeit uit een „globaal plan”.

244    In dit verband dient er in de eerste plaats op te worden gewezen dat verzoekster niet op goede gronden kan stellen dat de twee mededingingsregelingen passen in het kader van een voortdurende gedraging met één enkel economisch doel, namelijk de mededinging te vervalsen. Zoals in punt 240 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, kan het begrip gemeenschappelijk doel immers niet worden bepaald door een algemene verwijzing naar de verstoring van de mededinging op de markten waarop de inbreuk betrekking heeft, aangezien de aantasting van de mededinging, als doel of gevolg, een wezenlijk element is van elke gedraging die binnen de werkingssfeer van artikel 81, lid 1, EG valt. Een dergelijke definitie van het begrip gemeenschappelijk doel dreigt het begrip één enkele en voortdurende inbreuk een deel van zijn zin te ontnemen, daar zij in het onderhavige geval ertoe zou leiden dat verschillende door artikel 81, lid 1, EG verboden gedragingen in een bedrijfstak, in casu die van de hittestabilisatoren, stelselmatig als bestanddelen van één enkele inbreuk zouden moeten worden aangemerkt.

245    Vervolgens wordt ook geenszins betwist dat op de AC-Treuhand-bijeenkomsten met betrekking tot de markt van tinstabilisatoren en op die met betrekking tot de markt van ESBO/esters vertegenwoordigers van dezelfde ondernemingen aanwezig waren. Enkele ondernemingen die op de bijeenkomsten betreffende de tinstabilisatoren vertegenwoordigd waren, waren immers ook vertegenwoordigd op die betreffende de sector ESBO/esters, te weten de vennootschappen van de groepen Akzo, Elf Aquitaine, Chemtura en BASF.

246    Niettemin ging het bij de belangrijkste deelnemers aan de bestrafte inbreuken slechts ten dele om dezelfde subjecten. Beklemtoond dient immers te worden dat bepaalde ondernemingen slechts aan een van de twee mededingingsregelingen hebben deelgenomen. Zo hebben de ondernemingen MRF Michael Rosenthal en Reagens en de ondernemingen van de groep Baerlocher slechts deelgenomen aan de mededingingsregeling met betrekking tot de tinstabilisatoren, terwijl de onderneming Faci en de ondernemingen van de groep GEA alleen hebben deelgenomen aan de mededingingsregeling met betrekking tot de sector ESBO/esters.

247    Verder dient, gelet op de ondernemingen die zowel aan de AC-Treuhand-bijeenkomsten met betrekking tot de markt van tinstabilisatoren als aan die met betrekking tot de sector ESBO/esters hebben deelgenomen, erop te worden gewezen dat bepaalde ondernemingen niet noodzakelijk tijdens dezelfde tijdvakken voor de ene en voor de andere mededingingsregeling door dezelfde natuurlijke personen werden vertegenwoordigd, zoals blijkt uit de tabel in bijlage I bij de bestreden beschikking.

248    Bijgevolg is het uitgesloten dat alle betrokken ondernemingen en hun vertegenwoordigers, ook al gaat het ten dele om dezelfde ondernemingen, zich ervan bewust waren dat zij een gemeenschappelijk doel nastreefden, wat kenmerkend is voor het bestaan van één enkele inbreuk.

249    Ten tweede dient eraan te worden herinnerd dat de omstandigheid dat het gaat om markten voor verschillende, zij het verwante producten, een relevant criterium is om de strekking van de inbreuken op artikel 81 EG te bepalen en dus ook om uit te maken of het gaat om een en dezelfde inbreuk (zie arrest Gerecht van 19 mei 2010, Wieland-Werke e.a./Commissie, T‑11/05, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 83 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

250    Ook al wordt in de onderhavige zaak niet betwist dat de betrokken productmarkten op zijn minst verwant zijn, toch kan niet worden aangenomen dat de betrokken producten, te weten tinstabilisatoren en ESBO/esters, tot dezelfde markt behoren, zodat van één enkele inbreuk zou kunnen worden gesproken.

251    Los van de chemische of fysische eigenschappen en van de toepassingen van deze producten blijkt allereerst, zoals in punt 245 van het onderhavige arrest is opgemerkt, dat alleen de grote Europese groepen uit de sector zowel tinstabilisatoren als ESBO/esters leverden.

252    Vervolgens blijkt uit de verschillende processtukken en uit het feit zelf dat het telkens ging om twee verschillende bijeenkomsten naargelang van het betrokken product, dat de prijzen die werden toegepast, en in het onderhavige geval door de concurrenten onrechtmatig onderling werden vastgesteld, aanzienlijk verschilden naargelang het ging om tinstabilisatoren dan wel om ESBO/esters.

253    Ten slotte dient te worden beklemtoond dat, zoals door de Commissie terecht is aangevoerd en door verzoekster niet materieel is betwist, bepaalde ondernemingen, zoals Baerlocher et Reagens, tegelijkertijd leveranciers van tinstabilisatoren en kopers van ESBO/esters waren.

254    Bijgevolg heeft de Commissie, om het bestaan van één enkele inbreuk uit te sluiten en te concluderen het ging om twee afzonderlijke inbreuken, één met betrekking tot de tinstabilisatoren en een andere met betrekking tot ESBO/esters, terecht geoordeeld dat deze productmarkten verschilden.

255    Ten derde dient te worden beklemtoond dat het feit dat de twee mededingingsregelingen in voorkomend geval betrekking hadden op twee verschillende productmarkten, niet noodzakelijk uitsluit dat zij deel uitmaakten van eenzelfde globaal plan, voor zover kan worden vastgesteld dat zij complementair waren in termen van voorwaardelijkheid of coördinatie.

256    De verschillende betrokken handelingen kunnen echter niet als één enkele voortdurende inbreuk worden aangemerkt wanneer zij niet complementair zijn in die zin dat elk ervan is bedoeld om het hoofd te bieden aan een of meer gevolgen van de normale mededinging, en zij door hun wisselwerking niet hebben bijdragen tot de verwezenlijking van het geheel van de mededinging beperkende gevolgen dat de daders beoogden, in het kader van een globaal plan met één enkel doel.

257    Allereerst dient eraan te worden herinnerd dat, zoals in punt 253 van het onderhavige arrest is beklemtoond en door verzoekster niet is betwist, sommige deelnemers aan een van de twee mededingingsregelingen zich bevoorraadden bij ondernemingen die aan de andere mededingingsregeling deelnamen.

258    Zoals verzoekster in haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar heeft betoogd, zou het voor ondernemingen die aan de mededingingsregeling met betrekking tot de tinstabilisatoren deelnamen, zoals Baerlocher en Reagens, absurd zijn geweest om deel te nemen aan een globale mededingingsregeling die één enkele inbreuk oplevert, aangezien zij klanten waren voor de ESBO/esters en dus de nadelige gevolgen van die mededingingsregeling zouden ondergaan, tenzij wordt aangenomen dat deze ondernemingen gespaard bleven van de gevolgen van de mededingingsregeling met betrekking tot laatstgenoemde sector, wat verzoekster echter niet heeft aangevoerd ten bewijze van het bestaan van een globaal plan en in elk geval uit geen enkel processtuk blijkt.

259    Vervolgens dient te worden beklemtoond dat de twee mededingingsregelingen niet even lang hebben geduurd. Los van de vraag vanaf welke datum zij precies zijn geëindigd en van het feit dat deze twee mededingingsregelingen haar slechts konden worden toegerekend vanaf 1 december 1993, de datum waarop zij Fides is opgevolgd, betwist verzoekster niet dat de mededingingsregeling met betrekking tot de tinstabilisatoren in februari 1987 is begonnen, terwijl die met betrekking tot de sector ESBO/esters pas in september 1991 is begonnen.

260    Hieruit blijkt dat de deelnemers aan de twee mededingingsregelingen noch een gezamenlijk project, noch een gezamenlijk doel van gecoördineerde en globale uitschakeling van de mededinging op de twee betrokken markten kunnen hebben gehad (zie in die zin arrest Gerecht van 27 september 2006, Jungbunzlauer/Commissie, T‑43/02, Jurispr. blz. II‑3435, punt 312).

261    Ten slotte dient te worden beklemtoond dat, zoals uit de tabellen in bijlage I bij de bestreden beschikking blijkt en verzoekster zelf in het verzoekschrift indirect maar noodzakelijk toegeeft, niet alleen nagenoeg geen enkele bijeenkomst met betrekking tot de tinstabilisatoren heeft plaatsgevonden op dezelfde dag als een bijeenkomst met betrekking tot de sector ESBO/esters, maar ook en vooral tussen deze bijeenkomsten, hoewel zij vaak dicht op elkaar volgden, een tijdvak van verschillende dagen en soms zelfs meer dan een week lag.

262    Hieruit volgt zeer duidelijk dat de deelnemers aan de twee mededingingsregelingen noch een gezamenlijk project, noch een gezamenlijk doel van gecoördineerde en globale uitschakeling van de mededinging op de twee betrokken markten kunnen hebben gehad.

263    Gelet op deze elementen moet worden geoordeeld dat de Commissie met voldoende mate van zekerheid heeft aangetoond dat er sprake was van twee afzonderlijke inbreuken, zodat afwijzend moet worden beslist op het argument van verzoekster dat de twijfel dienaangaande in haar voordeel dient te spelen, en dat de Commissie dus geen fout heeft gemaakt door in punt 401 van de bestreden beschikking te concluderen dat er sprake is van één enkele en voortdurende inbreuk op artikel 81 EG en artikel 53 van de EER-Overeenkomst met betrekking tot de tinstabilisatoren en één andere enkele en voortdurende inbreuk met betrekking tot sector ESBO/esters.

264    Ten slotte dient erop te worden gewezen dat bovengenoemde overwegingen niet losse schroeven kunnen worden gezet door de andere argumenten van verzoekster.

265    Noch de uniciteit van het voorwerp van de inbreuk opleverende gedragingen die aan verzoekster kunnen worden toegerekend, noch het feit dat één enkele persoon, te weten S., de twee mededingingsregelingen heeft „geleid”, noch het feit dat verzoekster op geen enkele van de twee betrokken markten werkzaam is geweest, is in dit verband immers relevant, gelet op de specifieke rol die verzoekster heeft gespeeld bij de inbreuken, waarvan de dualiteit door de Commissie rechtens genoegzaam is aangetoond.

266    De tegenovergestelde oplossing zou consultancy-ondernemingen zoals verzoekster immers de mogelijkheid bieden, met dezelfde persoon heimelijke activiteiten op verschillende, ja zelfs verwante markten te verrichten en daarbij slechts het risico van een enkele sanctie te lopen, wat geenszins zou voldoen aan de eis van doeltreffendheid van de mededingingsregels en aan de eis van afschrikking.

267    Bijgevolg dient het eerste onderdeel van het zesde middel alsmede alle door verzoekster aangevoerde middelen tot nietigverklaring van de bestreden beschikking te worden afgewezen.

 De vordering tot herziening van de bestreden beschikking wat het bedrag van de opgelegde geldboeten betreft

268    Ter ondersteuning van haar subsidiaire vordering tot herziening van de bestreden beschikking wat het bedrag van de haar opgelegde geldboeten betreft, voert verzoekster vier middelen en het tweede onderdeel van een vijfde middel aan; deze betreffen, ten eerste, onjuiste beoordeling van de duur van de inbreuken (eerste middel), ten tweede, de duur van de administratieve procedure (zevende middel), ten derde, een op de Commissie rustende verplichting om in de omstandigheden van de onderhavige zaak slechts een symbolische geldboete op te leggen (vierde middel), ten vierde, schending van de richtsnoeren van 2006 bij de berekening van het basisbedrag van de geldboete (vijfde middel), en ten vijfde, schending van die richtsnoeren bij de berekening van de financiële draagkracht van verzoekster (tweede onderdeel van het zesde middel).

 Eerste middel: onjuiste beoordeling van de duur van de inbreuken

269    Als eerste middel stelt verzoekster dat de Commissie de duur van de inbreuken onjuist heeft beoordeeld in die zin dat de inbreuken niet tot 21 maart 2000 hebben geduurd voor de tinstabilisatoren en ook niet tot 26 september 2000 voor de sector ESBO/esters.

270    In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat in de punten 48 tot en met 164 van het onderhavige arrest is geoordeeld dat de Commissie rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat de inbreuken ten minste tot 11 november 1999 hebben geduurd.

271    Zelfs al zou het eerste middel gegrond zijn, kan het dus slechts slagen voor het tijdvak van 11 november 1999 tot 21 maart 2000 voor de tinstabilisatoren en tot 26 september 2000 voor de sector ESBO/esters.

272    Verder dient ook, met name op basis van het schriftelijke antwoord dat verzoekster vóór de terechtzitting op een desbetreffende vraag van het Gerecht heeft gegeven, en op basis van het feit dat verzoekster geen bezwaar heeft gemaakt tegen het in die zin opgestelde rapport ter terechtzitting, te worden geoordeeld dat verzoeksters eerste middel niet zozeer strekt tot nietigverklaring van de bestreden beschikking, maar veeleer tot verkrijging dat het Gerecht in het kader van de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht de haar bij die beschikking opgelegde geldboeten verlaagt.

273    Bijgevolg kan dit middel in het onderhavige geval niet slagen om de bestreden beschikking te doen herzien wat het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboeten betreft.

274    Zoals uit de punten 713 en 751 tot en met 753 van de bestreden beschikking blijkt, is het naargelang van de zwaarte en de duur van de inbreuken forfaitair vastgestelde bedrag van de geldboete in de eindfase van de berekeningen van de Commissie immers aanzienlijk verminderd op grond van artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003.

275    Een eventuele verlaging uit hoofde van de duur voor de laatste, korte betrokken tijdvakken zou het eindbedrag van de in de bestreden beschikking opgelegde geldboeten dus niet nog meer kunnen doen dalen krachtens de richtsnoeren van 2006.

276    Bijgevolg faalt verzoeksters eerste middel, dat strekt tot herziening van de bestreden beschikking wat het bedrag van de opgelegde geldboeten betreft.

 Zevende middel: de duur van de administratieve procedure

277    In het kader van haar zevende middel verwijt verzoekster de Commissie met een beroep op het beginsel van de redelijke termijn de overdreven lange duur van de administratieve procedure. Met dit middel beoogt zij primair nietigverklaring van de bestreden beschikking te verkrijgen en subsidiair herziening van die beschikking wat het bedrag van de haar opgelegde geldboeten betreft.

278    Aangezien dit middel is afgewezen voor zover het strekt tot nietigverklaring van de bestreden beschikking, kan een eventuele schending van het beginsel van de redelijke termijn in voorkomend geval slechts leiden tot herziening van het bedrag van de geldboeten die verzoekster in de bestreden beschikking zijn opgelegd.

279    In het kader van de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht is het Gerecht echter van oordeel dat het bedrag van de in de bestreden beschikking aan verzoekster opgelegde geldboeten niet dient te worden verlaagd bovenop de vermindering die de Commissie reeds heeft toegekend, daar de door verzoekster gestelde schending van het beginsel van de redelijke termijn geen enkele invloed heeft gehad op de uitoefening van de rechten van verdediging door verzoekster.

280    Bijgevolg kan dit middel niet slagen.

281    Opdat dit middel tot herziening kan leiden, zou verzoekster in elk geval moeten aantonen dat de Commissie het beginsel van de redelijke termijn heeft geschonden.

282    In het onderhavige arrest is echter geoordeeld dat verzoekster geen dergelijke schending had aangetoond.

283    Bijgevolg dient afwijzend te worden beslist op verzoeksters zevende middel, dat strekt tot herziening van de bestreden beschikking wat het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboeten betreft.

 Vierde middel: verplichting voor de Commissie om in de omstandigheden van de onderhavige zaak slechts een symbolische geldboete op te leggen

284    Als vierde middel stelt verzoekster dat de Commissie haar slechts een symbolische geldboete had mogen opleggen, aangezien zij niet kon voorzien dat artikel 81 EG op haar zou worden toegepast, de richtsnoeren van 2006 de Commissie die mogelijkheid boden en de Commissie haar in de zaak Organische peroxiden slechts een symbolische geldboete heeft opgelegd.

285    In het onderhavige geval faalt dit middel.

286    Aan de Commissie kan immers geen niet-nakoming worden verweten van een gestelde verplichting om in het onderhavige geval slechts een symbolische geldboete op te leggen.

287    In punt 36 van de richtsnoeren van 2006 wordt inderdaad bepaald dat „[d]e Commissie [...] in bepaalde gevallen een symbolische boete [kan] opleggen” en dat „[d]e redenen hiervoor [...] in de tekst van de beschikking [moeten] worden vermeld”.

288    Uit de bewoordingen van deze bepaling blijkt echter duidelijk dat het opleggen van slechts een symbolische geldboete voor de Commissie in geen enkele omstandigheid een verplichting vormt, maar slechts een aan haar oordeel overgelaten mogelijkheid, die het Gerecht in het kader van de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht kan toetsten.

289    De gestelde verplichting voor de Commissie om in het onderhavige geval slechts een symbolische geldboete op te leggen, kan ook niet worden afgeleid uit de eerdere praktijk van de Commissie, met name uit de geldboete die in de zaak Organische peroxiden aan verzoekster is opgelegd.

290    Het is immers vaste rechtspraak dat het feit dat de Commissie in het verleden voor sommige soorten inbreuken geldboeten van een bepaald niveau heeft opgelegd, haar niet kan verhinderen dit niveau binnen de in verordening nr. 1/2003 gestelde grenzen te verhogen, indien dit noodzakelijk is ter uitvoering van het mededingingsbeleid van de Unie, maar dat de Commissie voor een doeltreffende toepassing van de mededingingsregels van de Unie het niveau van de geldboeten juist op elk moment aan de eisen van dit beleid moet kunnen aanpassen (arresten Hof van 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie, C‑189/02 P, C‑202/02 P, C‑205/02 P–C‑208/02 P en C‑213/02 P, Jurispr. blz. I‑5425, punten 169 en 227, en 8 februari 2007, Groupe Danone/Commissie, C‑3/06 P, Jurispr. blz. I‑1331, punt 90).

291    Deze conclusie wordt niet op losse schroeven gezet door verzoeksters betoog dat de in de bestreden beschikking opgelegde geldboeten niet voorzienbaar waren.

292    Aangezien dit betoog dezelfde inhoud heeft als het ter ondersteuning van het derde middel, betreffende schending van artikel 81 EG en van het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen, gevoerde betoog, moet het immers om de in de punten 43 tot en met 46 van het onderhavige arrest genoemde redenen worden afgewezen.

293    Bijgevolg dient afwijzend te worden beslist op verzoeksters vierde middel, dat strekt tot herziening van de bestreden beschikking wat het bedrag van de opgelegde geldboeten betreft.

 Vijfde middel en tweede onderdeel van het zesde middel: schending van de richtsnoeren van 2006

294    Als vijfde middel en in het kader van het tweede onderdeel van het zesde middel stelt verzoekster dat de Commissie de richtsnoeren van 2006 heeft geschonden doordat, enerzijds, de geldboeten die haar in de bestreden beschikking zijn opgelegd, niet forfaitair hadden mogen worden vastgesteld, maar overeenkomstig de in de richtsnoeren van 2006 vervatte methode hadden moeten worden vastgesteld op basis van de honoraria die zij voor het verstrekken van de met de inbreuken verband houdende diensten heeft ontvangen, en anderzijds, de Commissie rekening had moeten houden met haar financiële draagkracht in de zin van de richtsnoeren van 2006.

295    In het onderhavige geval falen het vijfde middel en het tweede onderdeel van het zesde middel.

296    In de eerste plaats berust verzoeksters vijfde middel immers op een onjuiste premisse.

297    In de richtsnoeren van 2006 wordt inderdaad bepaald dat „[o]nverminderd punt 37 [van die richtsnoeren] [...] de Commissie voor de vaststelling van de aan ondernemingen [...] op te leggen boeten de volgende methode [zal] toepassen, die uit twee stappen bestaat”, te weten „[a]llereerst zal zij voor elke onderneming [...] een basisbedrag vaststellen” en „[t]en tweede kan zij dit basisbedrag naar boven of naar beneden bijstellen”, met dien verstande dat enerzijds het basisbedrag van de geldboete verband moet houden met „een deel van de waarde van de verkopen dat wordt bepaald door de ernst van de inbreuk”, en anderzijds „[o]m het basisbedrag van de op te leggen boete vast te stellen [...] de Commissie [zal] uitgaan van de waarde van de op de desbetreffende geografische markt in de EER verkochte goederen of diensten van de onderneming die rechtstreeks of indirect verband houden met de inbreuk [...] over het algemeen [...] in het laatste volledige jaar waarin [deze onderneming] aan de inbreuk heeft deelgenomen” (punten 9‑13 van de richtsnoeren van 2006).

298    De richtsnoeren van 2006 zijn echter een instrument waarmee, met inachtneming van het recht van hogere rang, de criteria worden gespecificeerd die de Commissie voornemens is toe te passen in het kader van de uitoefening van de haar bij artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 verleende beoordelingsbevoegdheid bij de vaststelling van de geldboeten. De richtsnoeren vormen niet de rechtsgrondslag van een beschikking waarbij geldboeten worden opgelegd, aangezien deze is gebaseerd op verordening nr. 1/2003, maar bepalen op algemene en abstracte wijze de methode die de Commissie zichzelf heeft opgelegd voor de vaststelling van het bedrag van bij deze beschikking opgelegde geldboeten, en waarborgen dus de rechtszekerheid van de ondernemingen (zie arrest Gerecht van 14 december 2006, Raiffeisen Zentralbank Österreich e.a./Commissie, T‑259/02–T‑264/02 en T‑271/02, Jurispr. blz. II‑5169, punten 219 en 223 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

299    De richtsnoeren kunnen aldus weliswaar niet worden aangemerkt als een rechtsregel die de administratie hoe dan ook dient na te leven, maar vormen wel een gedragsregel met betrekking tot de te volgen praktijk, waarvan de administratie in een concreet geval niet mag afwijken zonder redenen op te geven (zie in die zin arrest Hof van 18 mei 2006, Archer Daniels Midland en Archer Daniels Midland Ingredients/Commissie, C‑397/03 P, Jurispr. blz. I‑4429, punt 91, en arrest Romana Tabacchi/Commissie, reeds aangehaald, punt 72).

300    De zelfbeperking van de beoordelingsbevoegdheid van de Commissie die uit de vaststelling van de richtsnoeren volgt, is echter niet onverenigbaar met het behoud van een aanzienlijke beoordelingsmarge voor de Commissie (arrest Gerecht van 8 juli 2004, Mannesmannröhren-Werke/Commissie, T‑44/00, Jurispr. blz. II‑2223, punten 246, 274 en 275).

301    In die zin heeft de Commissie in punt 37 van de richtsnoeren van 2006 bepaald dat „[h]oewel de algemene methode voor de vaststelling van geldboeten in deze richtsnoeren uiteen wordt gezet, [...] de bijzondere kenmerken van een gegeven zaak of de noodzaak om een bepaald afschrikkend niveau te bereiken, een afwijking van deze methode [...] [kunnen] rechtvaardigen”.

302    Vaststaat echter dat in de onderhavige zaak verzoekster niet werkzaam was op de markten waarop de inbreuken betrekking hadden, zodat de waarde van haar verkochte diensten die rechtstreeks of indirect verband hielden met de inbreuk, onbestaande was of niet representatief was voor de invloed die verzoeksters deelneming aan de betrokken inbreuken op de betrokken markten heeft gehad.

303    Bijgevolg kon de Commissie geen rekening houden met de waarde van verzoeksters verkopen op de betrokken markten en evenmin het bedrag van de door verzoekster ontvangen honoraria in aanmerking nemen, aangezien deze geenszins deze waarde vertegenwoordigden.

304    Wegens de bijzondere omstandigheden van de onderhavige zaak mocht de Commissie op grond van punt 37 van de richtsnoeren van 2006 afwijken van de in die richtsnoeren uiteengezette methode, ja was zij zelfs verplicht dit te doen (zie in die zin en naar analogie arrest Hof van 7 juni 2007, Britannia Alloys & Chemicals/Commissie, C‑76/06 P, Jurispr. blz. I‑4405, punt 30).

305    Bijgevolg is de Commissie terecht van de in de richtsnoeren van 2006 uiteengezette methode afgeweken door het bedrag van de geldboeten forfaitair, en per slot van rekening binnen de grens van het in artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 bepaalde maximum, vast te stellen.

306    De Commissie kan zich weliswaar slechts op punt 37 van de richtsnoeren beroepen indien zij in de betrokken beschikking zelf voldoende redenen daarvoor geeft en bovendien aangeeft welke criteria zij voor de vaststelling van het bedrag van de opgelegde geldboete heeft gehanteerd.

307    In de onderhavige zaak wordt echter niet betwist dat de Commissie in de punten 746 tot en met 751 van de bestreden beschikking een afdoende motivering heeft gegeven voor het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboeten.

308    In elk geval is het Gerecht in het kader van de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht van oordeel dat het bedrag van de geldboeten die verzoekster voor de in de bestreden beschikking vastgestelde inbreuken zijn opgelegd, passend is, met name gelet op de zwaarte van die inbreuken.

309    In de tweede plaats faalt ook het tweede onderdeel van het zesde middel.

310    In punt 35 van de richtsnoeren van 2006 wordt inderdaad bepaald dat „[i]n uitzonderlijke omstandigheden [...] de Commissie op verzoek, in een bijzondere sociale en economische context, rekening houden [kan] met het onvermogen van een onderneming om te betalen”.

311    Vaststaat echter dat verzoekster, wat haar daadwerkelijke economische situatie ook moge zijn, de Commissie nooit daarom heeft verzocht.

312    Het Gerecht heeft echter al geoordeeld dat om het bedrag van de geldboete te verminderen op grond van punt 35 van de richtsnoeren van 2006 moet zijn voldaan aan drie cumulatieve voorwaarden, te weten de indiening van een verzoek tijdens de administratieve procedure, het bestaan van een bijzondere sociale en economische context en het onvermogen van de onderneming om te betalen, waarbij deze laatste aan de hand van objectief bewijs moet aantonen dat het opleggen van een geldboete haar economische levensvatbaarheid onherroepelijk in gevaar zou brengen en haar activa volledig van hun waarde zou beroven, wat niet noodzakelijk overeenkomt met de opening van een vereffeningsprocedure in geval van activa die te gelde kunnen worden gemaakt (arresten Gerecht van 16 juni 2011, Team Relocations e.a./Commissie, T‑204/08 en T‑212/08, Jurispr. blz. II‑3569, punt 171, en Ziegler/Commissie, T‑199/08, Jurispr. blz. II‑3507, punt 165).

313    Verzoekster kan de Commissie dus niet verwijten dat deze haar geen vermindering heeft toegekend op die grond.

314    Bijgevolg dient afwijzend te worden beslist op het tweede onderdeel van het zesde middel en op alle middelen van verzoekster die strekken tot herziening van de bestreden beschikking wat het bedrag van de opgelegde geldboeten betreft.

315    Mitsdien moet het beroep in zijn geheel moet worden verworpen.

 Kosten

316    Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij in haar eigen kosten alsmede, overeenkomstig de vordering van de Commissie, in de kosten van deze laatste te worden verwezen.

HET GERECHT (Derde kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het beroep wordt verworpen.

2)      AC-Treuhand AG wordt verwezen in de kosten.

Czúcz

Labucka

Gratsias

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 6 februari 2014.

ondertekeningen


* Procestaal: Duits.