Language of document : ECLI:EU:F:2012:83

ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE
(Derde kamer)

13 juni 2012

Zaak F‑63/11

Macchia Luigi

tegen

Europese Commissie

„Openbare dienst — Tijdelijk functionarissen — Niet-verlenging van overeenkomst voor bepaalde tijd — Beoordelingsbevoegdheid van administratie — Zorgplicht — Artikel 8 RAP — Artikel 4 van het besluit van de directeur-generaal van OLAF van 30 juni 2005 betreffende nieuw beleid op het gebied van aanstelling en inzet van tijdelijk personeel van OLAF — Maximumduur van overeenkomsten van tijdelijk functionaris”

Betreft: Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarbij Macchia met name vraagt om nietigverklaring van het stilzwijgend besluit van de plaatsvervangend directeur-generaal van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) van 12 augustus 2010 tot afwijzing van zijn verzoek om verlenging van zijn overeenkomst van tijdelijk functionaris.

Beslissing: Het besluit van de plaatsvervangend directeur-generaal van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) van 12 augustus 2010 tot afwijzing van het verzoek van Macchia om verlenging van zijn overeenkomst van tijdelijk functionaris, wordt nietig verklaard. Het beroep wordt verworpen voor het overige. De Commissie draagt haar eigen kosten en wordt verwezen in verzoekers kosten.

Samenvatting

1.      Ambtenaren — Beroep tegen stilzwijgend besluit tot afwijzing van verzoek — Middel ontleend aan ontbreken van motivering — Inaanmerkingneming van motivering in besluit tot afwijzing van klacht

(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91; Regeling andere personeelsleden, art. 46)

2.      Ambtenaren — Tijdelijk functionarissen — Aanwerving — Verlenging van overeenkomst voor bepaalde tijd — Beoordelingsbevoegdheid van administratie — Rechterlijke toetsing — Omvang

(Regeling andere personeelsleden, art. 8 en 47, lid 1, sub b)

3.      Ambtenaren — Tijdelijk functionarissen — Op administratie rustende zorgplicht — Beginsel van behoorlijk bestuur — Draagwijdte — Rechterlijke toetsing — Grenzen

(Ambtenarenstatuut, art. 24; Regeling andere personeelsleden, art. 11)

4.      Ambtenaren — Tijdelijk functionarissen — Aanwerving — Niet-verlenging van overeenkomst voor bepaalde duur — Rechterlijke toetsing — Omvang — Besluit niet voorafgegaan door onderzoek van situatie van functionaris aan de hand van dienstbelang — Onwettigheid

(Regeling andere personeelsleden, art. 2, sub a, en 8, eerste alinea)

5.      Ambtenaren — Beroep — Arrest houdende nietigverklaring — Gevolgen — Verplichting om uitvoeringsmaatregelen vast te stellen — Omvang — Nietigverklaring van besluit om overeenkomst van tijdelijk functionaris niet te verlengen — Geen compensatie gelet op mogelijkheid om nietig verklaarde handeling met terugwerkende kracht te vervangen

(Art. 266 VWEU)

1.      Wanneer het besluit van de administratie tot afwijzing van een klacht een motivering bevat die kennelijk ontbrak in het stilzwijgend besluit tot afwijzing van een verzoek waartegen de klacht was gericht, is het, gelet op het evoluerende karakter van de precontentieuze procedure, de motivering in het besluit tot afwijzing van de klacht die in aanmerking moet worden genomen bij het onderzoek van de rechtmatigheid van het oorspronkelijke bezwarende besluit, daar deze motivering wordt geacht dat besluit aan te vullen. Het is echter de rechtmatigheid van het oorspronkelijke bezwarende besluit die wordt onderzocht, en wel aan de hand van de motivering in het besluit tot afwijzing van de klacht.

(cf. punten 18 en 41)

Referentie:

Gerecht van de Europese Unie: 9 december 2009, Commissie/Birkhoff, T‑377/08 P, punten 58 en 59, en aangehaalde rechtspraak

2.      Zelfs al hebben tijdelijke functionarissen geen enkel recht op verlenging van een overeenkomst voor bepaalde tijd en beschikt de administratie over een ruime beoordelingsbevoegdheid ter zake, de Unierechter oefent bij een beroep tot nietigverklaring van een handeling die in het kader van de uitoefening van die bevoegdheid is vastgesteld, toch op verschillende punten een wettigheidscontrole uit, los van het al dan niet bestaan van een formele motiveringsplicht.

Zo kan het nodig zijn dat de Unierechter controleert of de administratie haar besluit niet op feiten heeft gebaseerd die inhoudelijk onjuist of onvolledig zijn. Daartoe moet hij nagaan of zij de haar toekomende bevoegdheden daadwerkelijk heeft uitgeoefend om de feiten vast te stellen die de grondslag voor haar besluit vormen, waarbij alle relevante elementen in aanmerking moeten worden genomen. De Unierechter kan er eveneens toe worden gebracht om te onderzoeken of de administratie de relevante elementen van het geval uitvoerig of concreet heeft onderzocht, zodat dit onderzoek zorgvuldig en onpartijdig heeft plaatsgevonden.

De Unierechter dient dus na te gaan of de administratie geen kennelijke fout heeft gemaakt bij de beoordeling van de elementen die zij voor het bestreden besluit in aanmerking heeft genomen. Wanneer de administratie over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt, veronderstelt de vaststelling dat zij bij de beoordeling van de feiten een kennelijke fout heeft gemaakt die de nietigverklaring van het op basis van die beoordeling genomen besluit rechtvaardigt, dat de door de verzoekende partij aan te dragen bewijselementen afdoende zijn om de beoordelingen van de administratie hun plausibiliteit te ontnemen.

(cf. punten 43,45 en 47‑49)

Referentie:

Hof: 15 februari 2005, Commissie/Tetra Laval, C‑12/03 P, punt 39; 10 juli 2008, Bertelsmann en Sony Corporation of America/Impala, C‑413/06 P, punt 145

Gerecht van eerste aanleg: 30 november 1993, Perakis/Parlement, T‑78/92, punt 16; 12 december 1996, AIUFFASS en AKT/Commissie, T‑380/94, punt 59; 8 mei 2001, Caravelis/Parlement, T‑182/99, punt 32; 17 oktober 2002, Cocchi en Hainz/Commissie, T‑330/00 en T‑114/01, punt 82; 6 februari 2003, Pyres/Commissie, T‑7/01, punt 64; 26 oktober 2004, Brendel/Commissie, T‑55/03, punt 60; 13 juli 2006, Shandong Reipu Biochemicals/Raad, T‑413/03, punt 63; 27 september 2006, Dresdner Bank/Commissie, T‑44/02 OP, T‑54/02 OP, T‑56/02 OP, T‑60/02 OP en T‑61/02 OP, punt 67; 12 februari 2008, BUPA e.a./Commissie, T‑289/03, punt 221

Gerecht voor ambtenarenzaken: 7 juli 2009, Bernard/Europol, F‑54/08, punt 44; 23 november 2010, Gheysens/Raad, F‑8/10, punt 75

3.      De zorgplicht en het beginsel van behoorlijk bestuur houden in dat het bevoegde gezag, wanneer het zich uitspreekt over de situatie van een ambtenaar of functionaris en dit zelfs in het kader van de uitoefening van een ruime beoordelingsbevoegdheid, alle elementen in aanmerking neemt die zijn besluit kunnen beïnvloeden; hiertoe dient het niet alleen rekening te houden met het belang van de dienst, maar eveneens met dat van de betrokken ambtenaar of functionaris. Met name gelet op de omvang van de beoordelingsbevoegdheid waarover de instellingen bij de beoordeling van het dienstbelang beschikken, moet de controle van de Unierechter zich echter beperken tot de vraag of het bevoegde gezag binnen redelijke grenzen is gebleven en zijn beoordelingsbevoegdheid niet kennelijk onjuist heeft gebruikt.

(cf. punt 50)

Referentie:

Hof: 28 mei 1980, Kuhner/Commissie, 33/79 en 75/79, punt 22; 29 oktober 1981, Arning/Commissie, 125/80, punt 19

Gerecht van eerste aanleg: 6 juli 1999, Séché/Commissie, T‑112/96 en T‑115/96, punten 147‑149; 2 maart 2004, Di Marzio/Commissie, T‑14/03, punten 99 en 100

4.      Ofschoon het niet aan de Unierechter staat om een controle uit te oefenen over de keuze van het personeelsbeleid dat een instelling wil voeren teneinde de haar toevertrouwde taken goed uit te voeren, mag hij, wanneer hem is verzocht om nietigverklaring van een weigering om de overeenkomst van een tijdelijk functionaris te verlengen, nagaan of de door de administratie gegeven gronden niet de basiscriteria en ‑voorwaarden in geding kunnen brengen die de wetgever in het Statuut heeft vastgesteld en die met name het contractpersoneel de mogelijkheid willen garanderen om eventueel op termijn een zekere arbeidscontinuïteit te genieten. Zo moet artikel 8, eerste alinea, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden worden opgevat, dat bepaalt dat de overeenkomst van tijdelijk functionaris in de zin van artikel 2, sub a, van deze Regeling slechts éénmaal voor bepaalde tijd kan worden verlengd en dat de overeenkomst daarna alleen nog voor onbepaalde tijd kan worden verlengd, hetgeen kan worden uitgelegd als preventieve maatregelen ter bestrijding van de onzekerheid van de arbeidsverhouding. Deze uitlegging wordt bevestigd door de zorgplicht, die vereist dat het bevoegde gezag, wanneer hem om de verlenging van een overeenkomst is gevraagd, met name onderzoekt of er niet een andere post van tijdelijk functionaris in de zin van artikel 2, sub a, is, op basis waarvan de overeenkomst van de betrokkene, in het belang van de dienst en gelet op de belangrijkste vereisten van het geval, had kunnen worden verlengd.

Dit betekent dat het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag de zorgplicht en artikel 8 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden miskent, indien het bij de afwijzing van een verzoek om verlenging van de overeenkomst van tijdelijk functionaris die is gesloten op basis van artikel 2, sub a, van die Regeling, abstract verwijst naar de budgettaire mogelijkheden en naar de verdiensten en geschiktheid van de betrokkene en daarbij verzuimt om in het kader van een individueel onderzoek van de bijzondere situatie van de betrokkene en van de diensten die hij de instelling zou kunnen verlenen, te onderzoeken of het door hem beoogde dienstbelang niet verenigbaar kan zijn met de toewijzing van nieuwe taken en functies aan de betrokkene en dus met de mogelijkheid van een verlenging van zijn overeenkomst of de verlening van een nieuwe overeenkomst van tijdelijk functionaris.

(cf. punten 54, 60 en 61)

Referentie:

Hof: 8 maart 2012, Huet, C‑251/11, punt 37

Gerecht voor ambtenarenzaken: 9 december 2010, Schuerings/ETF, F‑87/08, punten 58 en 60; 9 december 2010, Vandeuren/ETF, F‑88/08, punten 59 en 60

5.      De nietigverklaring van een handeling door de Unierechter heeft tot gevolg dat die handeling met terugwerkende kracht uit de rechtsorde verdwijnt en wanneer de nietig verklaarde handeling reeds is uitgevoerd, vereist het ongedaan maken van haar gevolgen dat de verzoekende partij in de rechtssituatie wordt gebracht waarin zij zich vóór die handeling bevond. Bovendien is de instelling waarvan de nietig verklaarde handeling afkomstig is volgens artikel 266 VWEU gehouden de maatregelen te nemen welke nodig zijn ter uitvoering van het tot haar gericht arrest.

In geval van nietigverklaring van een besluit om de overeenkomst van een tijdelijk functionaris niet te verlengen kan echter niet volledig worden uitgesloten dat de instelling zich op het standpunt stelt dat zij, na een volledig en uitvoerig onderzoek van het dossier waarbij rekening wordt gehouden met de rechtsoverwegingen van het arrest houdende nietigverklaring, opnieuw een besluit kan nemen om verzoekers overeenkomst van tijdelijk functionaris niet te verlengen.

De Unierechter kan de instelling derhalve niet veroordelen tot betaling van de bezoldiging van de betrokkene vanaf de datum van het onwettige besluit.

(cf. punten 64, 66 en 67)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: 26 oktober 2006, Landgren/ETF, F‑1/05, punt 92; 26 mei 2011, Kalmár/Europol, F‑83/09, punt 88, waartegen hogere voorziening is ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie, zaak T‑455/11 P