Language of document : ECLI:EU:C:2014:194

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

P. CRUZ VILLALÓN

van 20 maart 2014 (1)

Gevoegde zaken C‑12/13 P en C‑13/13 P

Gérard Buono

Jean-Luc Buono

Roger Louis Paul Del Ponte

Serge Antoine Di Rocco

Jean Gérald Lubrano

Jean Lubrano

Jean Lucien Lubrano

Fabrice Marin

Robert Marin

(zaak C‑12/13 P)


Syndicat des thoniers méditerranéens

Marc Carreno

Jean Louis Donnarel

Jean-François Flores

Gérald Jean Lubrano

Hervé Marin

Nicolas Marin

Sébastien Marin

Serge Antoine José Perez

(zaak C‑13/13 P)

„Hogere voorziening – Vangstquota – Noodmaatregelen van Commissie – Beroep wegens niet‑contractuele aansprakelijkheid van Europese Unie – Ontvankelijkheid – Bevoegdheid van rechtspersonen tot instellen van beroep wegens aansprakelijkheid – Niet‑contractuele aansprakelijkheid voor rechtmatig handelen – Toepassing van arrest FIAMM door Gerecht – Aansprakelijkheid voor onrechtmatig handelen – Voor vergoeding in aanmerking komende schade – Verlies van kans”





1.        In de onderhavige gevoegde zaken, die nauw verbonden zijn met zaak C‑611/12 P (Giordano/Commissie), is hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van 7 november 2012, Syndicat des thoniers méditerranéens e.a./Commissie (T‑574/08), waarbij is afgewezen de vordering inzake niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie die was ingesteld door verschillende Franse reders van vaartuigen voor de tonijnvisserij met de zegen en een vakvereniging die de belangen behartigt van de sector van de tonijnvisserij. Anders dan in zaak C‑611/12 P, hebben rekwiranten in de onderhavige hogere voorzieningen een middel inzake de niet‑contractuele aansprakelijkheid van de Unie voor rechtmatig handelen aangevoerd, dat niet is aangevoerd in zaak C‑611/12 P.

2.        In deze conclusie concentreer ik mij daarom op de aspecten waarin de twee hier gevoegde hogere voorzieningen verschillen van zaak C‑611/12 P. Voorts is het, ook al zijn de hogere voorzieningen in casu gevoegd, van belang reeds nu te benadrukken dat de desbetreffende stukken gebaseerd zijn op andere argumenten, die in deze conclusie apart zullen worden behandeld. Al het voorgaande wordt een beetje ingewikkelder gemaakt doordat een van de rekwiranten in zaak C‑13/13 P, Syndicat des thoniers méditerranéens, een vakvereniging die de belangen behartigt van de sector van de tonijnvisserij, opkomt tegen de weigering van het Gerecht om haar de bevoegdheid toe te kennen om beroep in te stellen. Ook dit punt zal ik vrij grondig onderzoeken, aangezien het een specifieke problematiek doet rijzen, namelijk die van de bevoegdheid van belangenbehartigende rechtspersonen tot het instellen van een beroep wegens niet‑contractuele aansprakelijkheid van de Unie.

I –    Toepasselijke bepalingen

3.        Bij artikel 340, tweede alinea, VWEU is de regeling van de niet‑contractuele aansprakelijkheid van de Unie als volgt vastgesteld:

„Inzake de niet-contractuele aansprakelijkheid moet de Unie overeenkomstig de algemene beginselen welke de rechtsstelsels der lidstaten gemeen hebben, de schade vergoeden die door haar instellingen of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt.”

4.        De visserij op blauwvintonijn wordt op zowel internationaal als Europees niveau geregeld. Sinds 1997 is de Unie partij bij het Internationaal Verdrag voor de instandhouding van Atlantische tonijnen, waarvan de Internationale Commissie voor de instandhouding van de tonijn in de Atlantische Oceaan (ICCAT) aanbevelingen doet en plannen opstelt om de instandhouding van de betrokken levende aquatische hulpbron te waarborgen. Overeenkomstig de besluiten van de ICCAT heeft de Unie verschillende instrumenten aangenomen, met betrekking tot de onderhavige zaak in het bijzonder verordening (EG) nr. 520/2007 tot vaststelling van technische maatregelen voor de instandhouding van bepaalde over grote afstanden trekkende visbestanden en tot intrekking van verordening (EG) nr. 973/2001(2), en verordening (EG) nr. 1559/2007 tot vaststelling van een meerjarig herstelplan voor blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee en tot wijziging van verordening (EG) nr. 520/2007.(3)

5.        Voorts vallen de betrokken bepalingen van de Unie binnen de werkingssfeer van verordening (EG) nr. 2371/2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid.(4) Die verordening voorziet in een pakket algemene maatregelen tot instandhouding, beheer en exploitatie van de levende aquatische hulpbronnen op het grondgebied van de lidstaten of in communautaire wateren, of door visvaartuigen uit de Unie.

6.        Tussen de verschillende in verordening nr. 2371/2002 voorziene maatregelen valt artikel 7, met als titel „Noodmaatregelen van de Commissie”, op, dat als volgt luidt:

„1.   Indien er bewijs is van een, onmiddellijke actie vereisende, ernstige bedreiging voor de instandhouding van levende aquatische hulpbronnen of voor het mariene ecosysteem als gevolg van visserijactiviteiten, kan de Commissie, op gemotiveerd verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief, beslissen over noodmaatregelen waarvan de geldigheidsduur ten hoogste zes maanden bedraagt. De Commissie kan een nieuw besluit nemen om de maatregelen met ten hoogste zes maanden te verlengen.

2.     De lidstaat deelt het verzoek terzelfder tijd mee aan de Commissie, de overige lidstaten en de betrokken regionale adviesraden. Deze kunnen hun schriftelijke opmerkingen bij de Commissie indienen binnen vijf werkdagen nadat zij het verzoek hebben ontvangen.

De Commissie neemt een besluit binnen 15 werkdagen nadat zij het in lid 1 bedoelde verzoek heeft ontvangen.

3.     De noodmaatregelen worden onmiddellijk van kracht. Er wordt kennis van gegeven aan de betrokken lidstaten en zij worden bekendgemaakt in het Publicatieblad.

4.     De betrokken lidstaten kunnen het besluit van de Commissie binnen 10 werkdagen nadat zij de kennisgeving hebben ontvangen, voorleggen aan de Raad.

5.     De Raad kan binnen één maand na de datum van ontvangst van het schrijven waarbij een besluit aan hem is voorgelegd, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een andersluidend besluit nemen.”

7.        Bij verordening (EG) nr. 40/2008 zijn voor 2008 de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden, waaronder blauwvintonijn, en de bij de visserij in acht te nemen voorschriften vastgesteld.(5) De verordening voorziet in vangstbeperkingen en bepaalt hoeveel blauwvintonijn in 2008 in de Atlantische Oceaan, ten oosten van 45° WL, en in de Middellandse Zee mag worden gevangen door vaartuigen uit de Gemeenschap. Die beperkingen en hoeveelheden zijn gewijzigd op grond van verordening (EG) nr. 446/2008 van de Commissie.(6)

8.        Gelet op de informatie die op dat moment was verstrekt door de inspecteurs tijdens bezoeken aan de betrokken staten, beschikte de Commissie over het bewijs dat de vangstmogelijkheden voor blauwvintonijn in de Atlantische Oceaan, ten oosten van 45° WL, en in de Middellandse Zee die waren toegewezen aan onder de vlag van Griekenland, Frankrijk, Italië, Cyprus en Malta varende vaartuigen voor de tonijnvisserij op 16 juni 2008 zouden worden geacht te zijn opgebruikt. De vangstmogelijkheden van de onder Spaanse vlag varende vaartuigen voor de tonijnvisserij met de zegen zouden op 23 juni 2008 worden geacht te zijn opgebruikt. Gelet op deze feiten heeft de Commissie overeenkomstig artikel 7 van verordening nr. 2371/2002, reeds aangehaald, verordening nr. 530/2008 tot vaststelling van noodmaatregelen met betrekking tot de visserij op blauwvintonijn door ringzegenvaartuigen in de Atlantische Oceaan, ten oosten van 45° WL, en in de Middellandse Zee vastgesteld.(7) De drie voorschriften van verordening nr. 530/2008 luiden:

„Artikel 1

De visserij op blauwvintonijn in de Atlantische Oceaan, ten oosten van 45° WL, en in de Middellandse Zee door ringzegenvaartuigen die de vlag voeren van of zijn geregistreerd in Griekenland, Frankrijk, Italië, Cyprus of Malta, wordt met ingang van 16 juni 2008 verboden.

Met ingang van die datum is het tevens verboden om vis van dat bestand die door die vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, te kooien voor afmesten of voor de viskweek, op een ander vaartuig of voertuig over te laden, of aan te voeren.

Artikel 2

De visserij op blauwvintonijn in de Atlantische Oceaan, ten oosten van 45° WL, en in de Middellandse Zee door ringzegenvaartuigen die de vlag voeren van of zijn geregistreerd in Spanje, wordt met ingang van 23 juni 2008 verboden.

Met ingang van die datum is het tevens verboden om vis van dat bestand die door die vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, te kooien voor afmesten of voor de viskweek, op een ander vaartuig of voertuig over te laden, of aan te voeren.

Artikel 3

1.      Onverminderd het bepaalde in lid 2 mogen marktdeelnemers van de Gemeenschap met ingang van 16 juni 2008 niet meer instemmen met het aanvoeren, het kooien voor afmesten of voor de viskweek, of het overladen in wateren of havens van de Gemeenschap van blauwvintonijn die met ringzegenvaartuigen is gevangen in de Atlantische Oceaan, ten oosten van 45° WL, en in de Middellandse Zee.

2.     Het is tot en met 23 juni 2008 toegestaan om blauwvintonijn die in de Atlantische Oceaan, ten oosten van 45° WL, en in de Middellandse Zee is gevangen met ringzegenvaartuigen die de vlag voeren van of zijn geregistreerd in Spanje, in wateren en havens van de Gemeenschap aan te voeren, te kooien voor afmesten of voor de viskweek en aan te voeren.”

II – Feiten

A –    Zaak C‑12/13 P

9.        G. Buono, J.‑L. Buono, R. L. P. Del Ponte, S. A. Di Rocco, J. G. Lubrano, J. Lubrano, J. L. Lubrano, F. Marin en R. Marin (hierna: „rekwiranten in zaak C‑12/13 P” of „rekwiranten”) zijn Franse reders van de betrokken ringzegenvaartuigen voor tonijnvisserij die actief zijn in de Middellandse Zee. Allen zijn leden van Syndicat des thoniers méditerranéens.

10.      Volgens de Unieregeling beschikte de Franse Republiek voor 2008 over een vangstquotum van 4 164 ton voor blauwvintonijn, waarvan 90 % toekwam aan de onder Franse vlag varende vaartuigen voor de tonijnvisserij met de zegen die actief zijn in de Middellandse Zee.

11.      Alle rekwiranten beschikten voor 2008 over een speciale vergunning voor de visserij op blauwvintonijn, waarvoor een individueel vangstquotum gold. Op grond van de vergunning mocht worden gevist van 1 april tot en met 30 juni 2008.

12.      Na de toekenning van de betrokken vergunning begonnen rekwiranten de visserijcampagne in de Middellandse Zee, die op 16 juni 2008 is afgebroken als gevolg van de vaststelling en de inwerkingtreding van verordening nr. 530/2008 van de Commissie, waarvan de uitvoering de intrekking van de bovengenoemde visvergunning met zich meebracht.

B –    Zaak C‑13/13 P

13.      Syndicat des thoniers méditerranéens (hierna: „STM”) is een vakvereniging als bedoeld in boek IV van de Franse Code du travail waarbij alleen zeelieden uit de sector van de tonijnvisserij zich kunnen aansluiten.

14.      M. Carreno, J. L. Donnarel, J.‑F. Flores, G. J. Lubrano, H. Marin, N. Marin, S. Marin en S. A. José Perez (hierna: „individuele rekwiranten in zaak C‑13/13 P” of „individuele rekwiranten”) zijn Franse reders en/of aandeelhouders van de betrokken ringzegenvaartuigen voor tonijnvisserij die actief zijn in de Middellandse Zee. Allen zijn leden van STM.

15.      Zoals in punt 10 van de onderhavige conclusie is uiteengezet, beschikte de Franse republiek voor 2008 over een vangstquotum van 4 164 ton voor blauwvintonijn, waarvan 90 % toekwam aan de onder Franse vlag varende vaartuigen voor de tonijnvisserij met de zegen die actief zijn in de Middellandse Zee.

16.      Alle individuele rekwiranten beschikten voor 2008 over een speciale vergunning voor de visserij op blauwvintonijn, waarvoor een individueel vangstquotum gold. Op grond van de vergunning mocht worden gevist van 1 april tot en met 30 juni 2008.

17.      Na de toekenning van de betrokken vergunning zijn de individuele rekwiranten hun visserijcampagne in de Middellandse Zee begonnen, die op 16 juni 2008 is afgebroken als gevolg van de vaststelling en de inwerkingtreding van verordening nr. 530/2008 van de Commissie, waarvan de uitvoering de intrekking van de bovengenoemde visvergunning met zich meebracht.

III – Procesverloop voor het Gerecht en bestreden arrest

18.      Op 24 december 2008 is ter griffie van het Gerecht het beroep wegens niet‑contractuele aansprakelijkheid van de Unie ingekomen dat was ingesteld door STM, rekwiranten in zaak C-12/13 P en de individuele rekwiranten als gevolg van het bij verordening nr. 530/2008 van de Commissie opgelegde visverbod.

19.      Op 25 maart 2010 heeft de president van de Zesde kamer van het Gerecht de behandeling van de zaak geschorst in afwachting van de beslissing van het Hof van Justitie in de zaak AJD Tuna(8) en de beslissing van het Gerecht in de zaken Norilsk Nickel Harjavalta en Umicore/Commissie(9) en Etimine en Etiproducts/Commissie.(10) Nadat de respectieve beslissingen in die zaken waren gegeven, is partijen verzocht zich uit te spreken over de gevolgen van die beslissingen voor de onderhavige procedure.

20.      Op 12 april 2011 is het Gerecht meegedeeld dat rekwiranten in zaak C‑12/13 P van advocaat waren veranderd.

21.      In haar schriftelijke en mondelinge argumenten verzocht STM het Gerecht de niet‑contractuele aansprakelijkheid van de Unie voor de door verordening nr. 530/2008 veroorzaakte schade vast te stellen. STM betwistte evenwel niet de wettigheid van die verordening, zodat zij haar vordering baseerde op de niet‑contractuele aansprakelijkheid van de Unie voor rechtmatig handelen. Voorts verzocht STM het Gerecht de Commissie te veroordelen tot betaling van 30 000 EUR ter vergoeding van immateriële schade, welk bedrag zou worden geïnvesteerd in de verspreiding van informatie over Europese visserijwetgeving onder de leden van de vakvereniging.

22.      In hun schriftelijke en mondelinge argumenten verzochten de individuele rekwiranten in zaak C‑13/13 P het Gerecht de niet‑contractuele aansprakelijkheid van de Unie voor de door verordening nr. 530/2008 veroorzaakte schade vast te stellen. Niettemin betwistten de individuele rekwiranten, net als STM, de wettigheid van die verordening niet, zodat zij hun vordering baseerden op de niet‑contractuele aansprakelijkheid van de Unie voor rechtmatig handelen. Voorts verzochten de individuele rekwiranten in zaak C‑13/13 P het Gerecht de Commissie te veroordelen tot betaling van de desbetreffende bedragen:

–        één symbolische euro aan Carreno;

–        351 685 EUR aan Donnarel;

–        één symbolische euro aan Flores;

–        237 160 EUR (of 474 320 EUR overeenkomstig de desbetreffende belastingdruk) aan G. J. Lubrano;

–        één symbolische euro aan H. Marin, N. Marin, R. Marin en S. Marin, en

–        838 970 EUR aan José Perez.

23.      In hun schriftelijke en mondelinge argumenten verzochten rekwiranten in zaak C‑12/13 P het Gerecht de niet‑contractuele aansprakelijkheid van de Unie voor de door verordening nr. 530/2008 veroorzaakte schade vast te stellen. Rekwiranten in zaak C‑12/13 P hebben in eerste instantie hun vordering op de niet‑contractuele aansprakelijkheid van de Unie voor rechtmatig handelen gebaseerd, maar na het arrest AJD Tuna van het Hof hebben zij hun beroep bij het Gerecht ook op de onwettigheid van die verordening gebaseerd. Voorts verzochten zij het Gerecht de Commissie te veroordelen tot betaling van de desbetreffende bedragen:

–        323 053 EUR (of 564 956 EUR overeenkomstig de desbetreffende belastingdruk) aan G. Buono en J.‑L. Buono;

–        518 707 EUR (of 703 707 EUR overeenkomstig de desbetreffende belastingdruk) aan Del Ponte;

–        388 047 EUR (of 634 207 EUR overeenkomstig de desbetreffende belastingdruk) aan Di Rocco;

–        213 588 EUR aan J. G. Lubrano;

–        212 358 EUR aan J. Lubrano en J. L. Lubrano, en

–        466 655 EUR (of 610 820 EUR overeenkomstig de desbetreffende belastingdruk) aan F. Marin en R. Marin.

24.      Voorts verzochten alle rekwiranten het Gerecht de Commissie te verwijzen in de kosten.

25.      De Commissie verzocht het Gerecht het beroep volledig te verwerpen en rekwiranten te verwijzen in de kosten.

26.      Bij arrest van 7 november 2012 heeft het Gerecht het beroep van STM niet‑ontvankelijk verklaard, de beroepen van de overige rekwiranten verworpen en alle rekwiranten verwezen in de kosten.

27.      Aangaande de bevoegdheid van STM om beroep in te stellen heeft het Gerecht vaste rechtspraak van het Hof ter sprake gebracht volgens welke een beroepsvereniging slechts gerechtigd is beroep krachtens artikel 268 VWEU in te stellen, wanneer zij een eigen procesbelang heeft, onderscheiden van dat van haar leden, dan wel wanneer haar door anderen een recht op schadevergoeding is gecedeerd. Het Gerecht heeft geconcludeerd dat STM noch een eigen belang noch de overdracht van het recht op schadevergoeding van een derde had aangetoond, wat de niet‑ontvankelijkheid van het beroep rechtvaardigde.

28.      Voorts heeft het Gerecht het door Buono aangevoerde middel inzake de niet‑contractuele aansprakelijkheid van de Unie voor onrechtmatig handelen onderzocht. Dienaangaande concentreerde het Gerecht zich uitsluitend op de voorwaarde dat de schade reëel en zeker is. Met betrekking tot het arrest in de zaak Cofradía de pescadores „San Pedro” de Bermeo e.a./Raad(11) in het bijzonder heeft het Gerecht geoordeeld dat een vangstquotum niet meer is dan een theoretische maximale vangstlimiet, maar geen subjectief recht voor de houder ervan is. Aangezien het verweer van Buono was gebaseerd op het feit dat hij ten gevolge van een besluit van de Commissie zijn quotum niet had kunnen opgebruiken, heeft het Gerecht geconcludeerd dat rekwirant niet had aangetoond dat de geleden schade reëel en zeker was. Bijgevolg heeft het Gerecht het betrokken middel afgewezen.

29.      Ten slotte heeft het Gerecht het middel inzake de niet‑contractuele aansprakelijkheid van de Unie voor rechtmatig handelen onderzocht. Na te hebben herinnerd aan de rechtspraak van het Hof ter zake, heeft het Gerecht zich geconcentreerd op het abnormale karakter van de geleden schade. Volgens het Gerecht vertoont de visserijactiviteit onder andere twee kenmerken: de quota kennen geen subjectieve rechten toe en de activiteit levert onvoorspelbare resultaten op. Die twee kenmerken volstaan om de vordering inzake het abnormale karakter van de geleden schade af te wijzen. Het Gerecht heeft om dezelfde reden ook het onderhavige middel afgewezen.

IV – Hogere voorziening en conclusies van partijen

30.      Op 11 januari 2013 zijn de door rekwiranten in de zaken C‑12/13 P en C‑13/13 P ingestelde hogere voorzieningen tegen het arrest van het Gerecht van 7 november 2012 ingekomen ter griffie van het Hof.

31.      Bij beschikking van 26 februari 2013 heeft de president van het Hof zaken C‑12/13 P en C‑13/13 P overeenkomstig artikel 54 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en voor het arrest gevoegd.

32.      Rekwiranten in zaak C‑12/13 P verzoeken het Hof:

–        het bestreden arrest te vernietigen;

–        de niet‑contractuele aansprakelijkheid van de Unie vast te stellen, en

–        de Commissie te verwijzen in de kosten.

33.      Rekwiranten in zaak C‑13/13 P verzoeken het Hof:

–        het bestreden arrest te vernietigen;

–        de niet‑contractuele aansprakelijkheid van de Unie vast te stellen, en

–        de Commissie te verwijzen in de kosten.

34.      De Commissie verzoekt het Hof:

–        de hogere voorziening af te wijzen;

–        subsidiair, het beroep wegens niet-contractuele aansprakelijkheid af te wijzen, en

–        rekwiranten te verwijzen in de kosten van deze hogere voorziening en van de procedure in eerste aanleg.

V –    Hogere voorzieningen

A –    Ontvankelijkheid van verschillende middelen (C‑12/13 P en C‑13/13 P)

35.      Alvorens de kernvragen van deze hogere voorzieningen te onderzoeken, is het dienstig om de aandacht te vestigen op verschillende middelen waarvan de ontvankelijkheid twijfelachtig is. Dat is het geval met het door rekwiranten in zaak C‑13/13 P aangevoerde middel inzake onjuiste beoordeling van het inherente economische risico, en het door rekwiranten in zaak C‑12/13 P aangevoerde middel inzake schending van het fundamentele eigendomsrecht.

36.      In het eerste geval wordt in de memorie van rekwiranten opgekomen tegen het onderzoek door het Gerecht van de functie van de quota, het bestaan van een subjectief recht en de voorzienbaarheid van de volledige benutting van het quotum. Het middel lijkt evenwel niet autonoom te zijn geformuleerd, aangezien het in het verlengde ligt van de redenering van het voorgaande middel, inzake de niet‑contractuele aansprakelijkheid van de Unie voor rechtmatig handelen. Daar in het middel reeds in andere middelen van het verzoekschrift vervatte argumenten worden herhaald, ben ik bijgevolg van mening dat het niet‑ontvankelijk is.

37.      Hetzelfde geldt voor het in zaak C‑12/13 P aangevoerde middel inzake schending van de fundamentele rechten. Rekwiranten richten hun argumenten op het fundamentele eigendomsrecht ten bewijze dat de schade vergoedbaar is. Dat is evenwel precies de in het middel inzake de niet‑contractuele aansprakelijkheid van de Unie voor onrechtmatig handelen aan de orde zijnde vraag. Daarom, en om dezelfde reden als die welke in het voorgaande punt is vermeld, geef ik in overweging het middel niet-ontvankelijk te verklaren.

B –    Middel inzake de bevoegdheid van STM tot het instellen van een beroep wegens niet‑contractuele aansprakelijkheid van de Unie (C‑13/13 P)

38.      STM verwijt het Gerecht de voorwaarden voor procesbevoegdheid die van toepassing zijn op rechtspersonen bij vorderingen inzake niet‑contractuele aansprakelijkheid van de Unie onjuist te hebben toegepast. STM is van mening dat het Gerecht bij het onderzoek van de ontvankelijkheid van haar beroep de in de procedure aangevoerde feiten onjuist heeft opgevat, geen rekening heeft gehouden met STM’s taak het algemeen belang te beschermen en het autonome karakter van de door STM geleden schade niet heeft onderzocht.

39.      Om uit te maken of dat middel gegrond is, moet de rechtspraak van het Hof op dit punt in het kort in herinnering worden gebracht.

40.      Sinds het arrest Union syndicale e.a./Raad(12) heeft het Hof van rechtspersonen die vergoeding vorderen van door toedoen van de Gemeenschappen geleden schade verlangd aan te tonen dat die schade autonoom is. Een rechtspersoon kan namelijk geen vergoeding eisen van door zijn leden geleden collectieve schade, maar alleen van specifiek door de organisatie geleden individuele schade.(13)

41.      Voorts kunnen rechtspersonen sinds het arrest Ireks‑Arkady/Raad en Commissie(14) duidelijk ook in een tweede geval de aansprakelijkheidsvordering instellen, met name wanneer zij cessionaris van het recht op schadevergoeding zijn. In dat geval wordt niet de cedent maar de rechtspersoon die cessionaris is, geacht de begunstigde te zijn, zodat die rechtspersoon procesbevoegd is.(15)

42.      Het staat weliswaar aan de rekwirant om aan te tonen dat aan die voorwaarden is voldaan, maar in de specifieke context van de vordering inzake niet‑contractuele aansprakelijkheid van de Unie moet ook de aandacht worden gevestigd op de nauwe band tussen de eerste voorwaarde voor procesbevoegdheid (autonome schade) en een van de materiële voorwaarden voor de aansprakelijkheid (reële en zekere schade). Opvallend is dat een overlapping kan bestaan tussen de voorwaarde dat de schade autonoom is, als voorwaarde voor procesbevoegdheid, en de voorwaarde dat de schade reëel en zeker is. Indien de bewijslast met betrekking tot het autonome karakter van de schade zeer zwaar is, bestaat het risico dat uiteindelijk zowat het bewijs wordt verlangd van reële en zekere schade. Daarom is het van belang de twee tijdstippen te onderscheiden waarop een rechtspersoon moet aantonen dat de schade autonoom respectievelijk reëel en zeker is. Zo niet bestaat het risico dat de voorwaarden voor procesbevoegdheid materiële voorwaarden worden, wat moet worden vermeden opdat op de rekwirant geen buitensporige bewijslast rust waardoor hem de toegang tot de rechter wordt ontzegd.

43.      In casu verwijt STM het Gerecht de naleving van geen van de twee eerdergenoemde voorwaarden te hebben vastgesteld.

44.      Aangaande de voorwaarde inzake de hoedanigheid van cessionaris van de houder van het recht op schadevergoeding stelt het Gerecht terecht dat de vordering van STM zelfstandig is ten opzichte van de individuele vorderingen van de individuele rekwiranten in dezelfde zaak. Anders hadden rekwiranten geen individuele vorderingen ingesteld naast de vordering van STM. Daarom heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 24 tot en met 27 van het bestreden arrest te oordelen dat STM niet als cessionaris van het recht op schadevergoeding van verschillende van haar leden handelde.

45.      Belangrijker is de voorwaarde dat de door de rechtspersoon geleden schade autonoom is. Op dit punt heeft het Gerecht geoordeeld dat rekwirante de gestelde immateriële schade niet had aangetoond.

46.      In rekwirantes verzoekschrift staat immers helemaal niets over de door STM geleden schade. Die schade wordt alleen in de eindconclusies van de memorie vermeld, waar het petitum wordt herhaald, naast de vordering tot betaling aan STM van een forfaitaire immateriële schadevergoeding van 30 000 EUR, die zou worden gebruikt voor opleidingsprogramma’s voor haar leden.

47.      Vanzelfsprekend kan de enkele verwijzing naar het bestaan van immateriële schade, zonder bijkomende aanwijzingen over de precieze omstandigheden van die schade, geen schadevordering rechtvaardigen. In het licht van het verzoekschrift ben ik evenwel van mening dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het beroep op grond dat STM geen procesbelang heeft, niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien de tekortkoming in de memorie zo ernstig was dat zij eerder voor het verzoek zelf gevolgen had.

48.      Zoals bekend, vereist artikel 44 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht onder andere dat het verzoekschrift „het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen” bevat. De niet‑inachtneming van dat vereiste rechtvaardigt de niet‑ontvankelijkheid van het verzoek, maar niet van het beroep wegens het ontbreken van procesbelang, zoals reeds bij andere gelegenheden is aangegeven.

49.      In casu kan de niet‑ontvankelijkheid geen gevolgen hebben voor het beroep wegens het ontbreken van procesbelang, aangezien niet bekend is welke immateriële schade STM heeft geleden, daar rekwirante nergens in het verzoekschrift naar die schade verwijst. Het beroep van STM zou niet‑ontvankelijk kunnen worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang bij kennelijk gebrek aan bewijselementen na de uiteenzetting van de schade en de precieze omstandigheden ervan. In casu wordt in het verzoek evenwel niet alleen niets vermeld over het bewijs, maar wordt evenmin verwezen naar de schade zelf, waardoor het moeilijk is te beoordelen of het beroep ontvankelijk is.

50.      Daarom geef ik het Hof in overweging de motivering te vervangen en vast te stellen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het beroep van STM niet‑ontvankelijk te verklaren, aangezien uiteindelijk het verzoek niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens niet‑inachtneming van het in artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht vermelde vereiste.

51.      Aangezien het resultaat waartoe die conclusie leidt het voor het Gerecht bereikte resultaat onverlet laat, moet het door STM aangevoerde middel evenwel als niet ter zake dienend worden afgewezen.

C –    Middel inzake de niet‑contractuele aansprakelijkheid van de Unie voor onrechtmatig handelen (C‑12/13 P)

52.      Rekwiranten in zaak C‑12/13 P verwijten het Gerecht blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de door hen geleden schade niet „zeker” is. Zij stellen dat het Gerecht de loonderving of, subsidiair, het geleden verlies van een kans als gevolg van verordening nr. 530/2008 niet juist heeft beoordeeld. Volgens rekwiranten volstaan het feit dat in de verordening zelf wordt benadrukt dat rekwiranten hun quota in voorgaande visserijcampagnes hebben opgebruikt, en de omstandigheid dat de Spaanse vaartuigen voor de tonijnvisserij met de zegen hun quota gedurende de hun toegekende extra week hebben opgebruikt, om het bestaan van een „zekere” schade te bevestigen.

53.      Allereerst is dit middel volgens de Commissie niet‑ontvankelijk, omdat het gaat om een nieuw middel dat in de oorspronkelijke vordering niet was vermeld. Ten gronde verwerpt de Commissie het aangevoerde standpunt en herhaalt zij het eerder voor het Gerecht verdedigde standpunt, dat hoofdzakelijk is gebaseerd op het ontbreken van een recht om het quotum op te gebruiken, zodat de schade zich niet kan hebben voorgedaan. Die omstandigheid rechtvaardigt op zich reeds de conclusie van het Gerecht dat de geleden schade niet „zeker” was.

54.      Voor mij bestaat er geen twijfel over dat het middel volstrekt ontvankelijk is, aangezien partijen de middelen van hun beroep niet eenzijdig hebben uitgebreid, maar die uitbreiding is gebeurd op verzoek van het Gerecht na de uitspraak van het Hof in de zaak AJD Tuna. Naar aanleiding van die beslissing heeft het Gerecht partijen verzocht schriftelijk alsook mondeling ter terechtzitting een standpunt in te nemen, aangezien het Hof in die zaak de ongeldigheid van verordening nr. 530/2008 had vastgesteld. Daarom ben ik van mening dat de uitbreiding van de middelen voor het Gerecht, thans weerspiegeld in deze procedure in hogere voorziening, juist is gebeurd, en thans ontvankelijk is.

55.      Ten gronde kan ik voor de behandeling van dat middel volstaan met te verwijzen naar mijn reeds aangehaalde conclusie in zaak C‑611/12 P, met name naar de punten 38 tot en met 69, waar ik een gedetailleerde analyse heb gemaakt van het vergoedbare karakter van het verlies van een kans. Om de daar uiteengezette redenen, die perfect toepasbaar zijn op de onderhavige hogere voorziening, aangezien de uitspraak en de motivering in de in beide zaken bestreden arresten dezelfde zijn, ben ik van mening dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

56.      Daarom geef ik het Hof in overweging het door rekwiranten in zaak C‑12/13 P aangevoerde middel inzake onjuiste uitlegging van artikel 340, tweede alinea, VWEU met betrekking tot het „zekere” karakter van de door rekwiranten geleden schade te aanvaarden.

D –    Middel inzake de niet‑contractuele aansprakelijkheid van de Unie voor rechtmatig handelen (C‑12/13 P en C‑13/13 P)

57.      Zowel rekwiranten in zaak C‑12/13 P als de individuele rekwiranten in zaak C‑13/13 P betogen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat verordening nr. 530/2008 geen beperking vormt die „abnormale” en „bijzondere” schade oplevert.

58.      Vooraf zij vermeld dat ik op het in zaak C‑13/13 P aangevoerde middel enkel zal ingaan met betrekking tot de individuele rekwiranten, aangezien ik, zoals ik reeds heb uiteengezet, met de bovenvermelde nuances van mening ben dat het Gerecht het beroep van STM terecht niet‑ontvankelijk heeft verklaard.

59.      Rekwiranten in zaak C‑12/13 P verwijzen zeer kort naar de conclusie van de advocaat‑generaal in de zaak FIAMM e.a./Raad en Commissie tot staving van hun petitum.(16) De individuele rekwiranten in zaak C‑13/13 P verwijten het Gerecht te hebben geoordeeld dat het bezit van een quotum niet gelijkwaardig is aan het bezit van een subjectief recht, het begrip „inherent economisch risico” verkeerd te hebben toegepast en afbreuk te hebben gedaan aan de functie van het quotum.

60.      De Commissie stelt dat het bestreden arrest in de punten betreffende de niet‑contractuele aansprakelijkheid voor rechtmatig handelen een probleem van uitlegging doet rijzen, aangezien het niet duidelijk is of het Gerecht het bestaan van een dergelijke aansprakelijkheid erkent. Daarom geeft de Commissie het Hof in overweging de motivering te vervangen en de hogere voorziening af te wijzen, door enkel het ontbreken van die aansprakelijkheid vast te stellen of vast te stellen dat het Gerecht het abnormale karakter van de schade ten overvloede heeft onderzocht.

61.      Voor de behandeling van de vraag naar de niet‑contractuele aansprakelijkheid van de Unie voor rechtmatig handelen, moet hoofdzakelijk worden verwezen naar de arresten van het Hof in de zaak Dorsch Consult en de reeds aangehaalde zaak FIAMM e.a./Raad en Commissie.(17) In die zaken, zonder dat de inhoud ervan thans in detail hoeft te worden herhaald, heeft het Hof geoordeeld dat, indien een dergelijke aansprakelijkheid in beginsel zou worden aanvaard, deze op zijn minst zou afhangen van de vervulling van drie cumulatieve voorwaarden, te weten het reële karakter van de schade, het bestaan van een causaal verband tussen deze schade en de betrokken handeling en het abnormale en bijzondere karakter van de schade.(18)

62.      Het is van belang te benadrukken dat de redenering in de reeds aangehaalde arresten Dorsch Consult en FIAMM e.a./Raad en Commissie hypothetisch is. Het Hof stelt namelijk niet het bestaan van een niet‑contractuele aansprakelijkheid van de Europese Unie voor rechtmatig handelen vast, maar stelt de voorwaarden vast voor het geval dat een dergelijke aansprakelijkheid zou ontstaan in het Unierecht. Het arrest FIAMM e.a./Raad en Commissie, dat acht jaar na het arrest Dorsch Consult is gewezen, bevestigt met grote stelligheid de hypothetische aard van dat soort aansprakelijkheid.

63.      Het lijkt legitiem zich af te vragen waarom het Hof aldus redeneert. Volgens mij kan het antwoord op die vraag worden teruggevonden in de rechtspraak van vóór de reeds aangehaalde arresten Dorsch Consult en FIAMM e.a./Raad en Commissie.

64.      In de jaren zeventig heeft het Hof immers de gelegenheid gehad zich uit te spreken over de mogelijkheid om de toenmalige Europese Economische Gemeenschap aansprakelijk te stellen voor rechtmatig handelen, met name in de zaak Compagnie d’approvisionnement, de transport et de crédit SA en Grands Moulins de Paris/Commissie. In die zaak behandelde het Hof een middel inzake de aansprakelijkheid voor rechtmatig handelen, met betrekking waartoe het heeft geoordeeld dat een dergelijke „eventuele” aansprakelijkheid uit hoofde van een „wettige normatieve handeling”(19) in een situatie als de onderhavige niet kon worden aangenomen. Dat is het begin geweest van de dubbelzinnigheid bij de vaststelling van de omvang van de niet‑contractuele aansprakelijkheid voor rechtmatig handelen, doordat de aarzelingen van het Hof duidelijk zijn gebleken uit zijn verwijzing naar die aansprakelijkheid als een „eventuele” categorie.

65.      De hypothetische redenering is ook gevolgd in de zaak Biovilac/EEG, waar het Hof heeft geoordeeld dat de aansprakelijkheid voor rechtmatig handelen moet worden toegepast „wanneer in het gemeenschapsrecht een aansprakelijkheid voor wettig handelen zou worden erkend”.(20) Het Hof vermijdt bij het wijzen van het arrest evenwel te preciseren of een dergelijke regeling bestaat. Dezelfde benadering is terug te vinden in het arrest Développement en Clemessy/Commissie, waarin het Hof er nogmaals op wijst dat „niet [hoeft] te worden onderzocht of de communautaire rechtsorde een dergelijk beginsel van aansprakelijkheid bij rechtmatig handelen kent”.(21)

66.      Dit brengt mij bij de zaak Dorsch Consult, waar het Hof de vraag opnieuw behandelt, maar deze keer, na de oprichting van het Gerecht, in het kader van een hogere voorziening. De in het punt betreffende de niet‑contractuele aansprakelijkheid voor rechtmatig handelen door het Gerecht gevolgde benadering was erg vergelijkbaar met die in de voorgaande punten. Aan de hand van een hypothetische redenering „gelet op de bijzonderheden van het onderhavige beroep”, is het Gerecht tot de conclusie gekomen, zoals het Hof in het verleden, dat er geen sprake was van niet‑contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap voor rechtmatig handelen.(22) Het Hof heeft geen bezwaar gemaakt tegen een dergelijke redenering en heeft de beslissing van het Gerecht volledig bekrachtigd, er nogmaals aan herinnerend dat de niet‑contractuele aansprakelijkheid voor rechtmatig handelen nog een onbevestigde categorie is.(23)

67.      In de zaak FIAMM en FIAMM Technologies/Raad en Commissie(24) heeft het Gerecht geoordeeld dat de tijd was gekomen om het bestaan te erkennen van de niet‑contractuele aansprakelijkheid van de Unie voor rechtmatig handelen. In zijn antwoord op de hogere voorziening tegen het aangehaalde arrest heeft het Hof dat oordeel van het Gerecht evenwel bijgesteld en heeft het letterlijk geoordeeld dat „in de huidige stand van het gemeenschapsrecht […] er geen aansprakelijkheidsregeling bestaat op grond waarvan de [Unie] aansprakelijk kan worden gesteld voor een optreden dat onder haar normatieve bevoegdheden valt”.(25)

68.      Thans moet worden onderzocht hoe het Gerecht die rechtspraak heeft toegepast in het bestreden arrest.

69.      Het Gerecht begint met in de punten 69 tot en met 75 van het bestreden arrest een gedetailleerde beschrijving te geven van de grote lijnen van de redenering van het Hof in het arrest FIAMM e.a./Raad en Commissie. Ook al worden verschillende overwegingen van dat arrest herhaald, benadrukt moet worden dat nergens wordt verwezen naar punt 176, met name de passage waarin het Hof specifiek uitsluit dat momenteel een niet‑contractuele aansprakelijkheid van de Unie voor rechtmatig handelen bestaat.

70.      Hierna beantwoordt het Gerecht meteen de vraag of de Unie in casu niet‑contractueel aansprakelijk is voor rechtmatig handelen. Te dien einde concentreert het Gerecht zich op de voorwaarde van het abnormale karakter van de beweerdelijk geleden schade en komt het tot de conclusie dat zich geen dergelijke schade heeft voorgedaan.

71.      Ten slotte stelt het Gerecht in punt 86 van het bestreden arrest vast dat inderdaad niet is voldaan aan de voorwaarden waaronder de Unie, „in voorkomend geval”, niet‑contractueel aansprakelijk kan worden gesteld voor rechtmatig handelen. Die voorwaardelijke tussenzin is de enige door het Gerecht verstrekte aanwijzing dat in het arrest de niet‑contractuele aansprakelijkheid van de Unie voor rechtmatig handelen niet wordt erkend, maar alleen rekwirantes vordering wordt beoordeeld in een hypothetisch kader, dat van een toekomstig, maar niet tegenwoordig, toezicht op gevallen van niet‑contractuele aansprakelijkheid van de Unie voor rechtmatig handelen.

72.      Ook al is het bestreden arrest misschien een beetje dubbelzinnig, het staat vast dat het in de lijn ligt van de eerdere rechtspraak van het Hof. De hypothetische redenering die sinds de jaren zeventig wordt gevolgd, is weliswaar misschien dubbelzinnig, maar is de redenering die het Hof heeft gevolgd bij de behandeling van de niet‑contractuele aansprakelijkheid van de Unie voor rechtmatig handelen. Het zou onlogisch zijn om het Gerecht die hypothetische redenering te verwijten, terwijl het Hof zelf dat sinds tientallen jaren doet.

73.      In wezen moet worden erkend dat het door het Gerecht verrichte onderzoek van het „abnormale” karakter van de schade een soort ten overvloede gegeven antwoord is. In die zin en vanuit dat gezichtspunt staat vast dat in casu rekwiranten, bij de vordering van vergoeding van alle als gevolg van verordening nr. 530/2008 geleden schade, het „abnormale” karakter van die schade niet hebben aangetoond. Bovendien gaat het om gekwalificeerde schade die niet overeenkomt met een eenvoudig verlies van marktaandeel, zoals het Gerecht terecht heeft opgemerkt onder aanhaling van vaste rechtspraak van het Hof. De functie van artikel 7 van verordening nr. 2371/2002 is precies de Commissie in staat te stellen conservatoire maatregelen te nemen om te zorgen voor een evenwicht tussen de bescherming van de rijkdommen van de zee en de ontwikkeling van economische bedrijvigheid. In de specifieke context van niet‑contractuele aansprakelijkheid voor rechtmatig handelen, die zeer verschillend is van de context van niet‑contractuele aansprakelijkheid voor onrechtmatig handelen, kan schade als gevolg van de legitieme uitoefening door de Commissie van een in de rechtsorde van de Unie aan haar toegekende bevoegdheid, moeilijk worden aangemerkt als „abnormaal”. De uitoefening van die bevoegdheid moet bovendien gebaseerd zijn op technische criteria die, zoals de Commissie heeft gesteld, naar behoren bij het dossier waren gevoegd toen het verbod is opgelegd.

74.      Gelet op al het voorgaande ben ik dus van mening dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat rekwiranten geen „abnormale” schade hadden geleden, wanneer een niet‑contractuele aansprakelijkheid van de Unie voor rechtmatig handelen wordt erkend.

75.      Bijgevolg ben ik van mening dat het middel moet worden afgewezen.

VI – Afdoening van de zaak (C‑12/13 P)

76.      Artikel 61 van het Statuut van het Hof van Justitie bepaalt dat „[i]n geval van gegrondheid van het verzoek om hogere voorziening […] het Hof van Justitie de beslissing van het Gerecht [vernietigt]”, en het „zelf de zaak [kan] afdoen wanneer deze in staat van wijzen is”.

77.      Volgens mij is het Hof in zaak C‑12/13 P in staat om de zaak gedeeltelijk af te doen.

78.      In dit verband wordt volgens vaste rechtspraak inzake de niet‑contractuele aansprakelijkheid van de Unie voor onrechtmatig handelen van haar instellingen en organen, een recht op schadevergoeding toegekend wanneer is voldaan aan drie voorwaarden, te weten dat de geschonden rechtsregel ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen en er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van die rechtsregel, dat het bestaan van de schade wordt aangetoond en, ten slotte, dat er een direct causaal verband bestaat tussen de aan de Unie toe te rekenen schending en de door de benadeelde personen geleden schade.(26)

A –    Voldoende gekwalificeerde schending van rechtsregel die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen

79.      Zoals reeds uiteengezet, wordt de onderhavige zaak gekenmerkt door het feit dat de geschonden rechtsregel het beginsel van non‑discriminatie op grond van nationaliteit is, zoals is bevestigd door het Hof in zijn arrest AJD Tuna. Volgens de uitgebreide rechtspraak van het Hof dienaangaande volstaat de schending van dat voor de Unie fundamentele beginsel om te kunnen spreken van een voldoende gekwalificeerde schending.(27)

80.      De enige geschonden rechtsregel is het betrokken beginsel, en niet een van de andere door rekwiranten in zaak C‑12/13 P aangevoerde beginselen, aangezien het Hof de gelegenheid heeft gehad te verwijzen naar de eventuele schending door verordening nr. 530/2008 van onder meer het evenredigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel of het eigendomsbeginsel. Het enige verwijt dat aan de betrokken verordening kan worden gemaakt, na het grondige onderzoek door het Hof in de genoemde zaak AJD Tuna, betreft het beginsel van non‑discriminatie op grond van nationaliteit. In strijd met het betrokken beginsel hebben rekwiranten hun visserijactiviteiten één week minder kunnen uitoefenen dan de onder Spaanse vlag varende vaartuigen voor de tonijnvisserij met de zegen.

81.      Daarom is voldaan aan de voorwaarde van een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen.

B –    Direct causaal verband tussen aan de Unie toe te rekenen schending en door de benadeelde persoon geleden schade

82.      Voorts ben ik van mening dat er een direct causaal verband bestaat tussen de aan de Unie toe te rekenen schending en de door de benadeelde persoon geleden schade, aangezien kennelijk alleen verordening nr. 530/2008 aanleiding heeft gegeven tot de onderbreking van de activiteiten van rekwiranten in zaak C‑12/13 P.

83.      Het is evenwel van belang de omvang van de aansprakelijkheid te nuanceren.

84.      Het onrechtmatig handelen dat aanleiding heeft gegeven tot de door rekwiranten in zaak C‑12/13 P geleden schade is, zoals reeds uiteengezet, de schending van het beginsel van non‑discriminatie op grond van nationaliteit, gezien het ongerechtvaardigde verschil in behandeling tussen vaartuigen voor de tonijnvisserij met de zegen die onder Spaanse vlag varen en andere. Aangezien de visserijcampagne van Spaanse vaartuigen voor de tonijnvisserij met de zegen één week langer duurde, is de betrokken rekwiranten, in tegenstelling tot andere vaartuigen, gedurende een kostbare periode het recht ontzegd hun activiteiten uit te oefenen.

85.      Aangezien de grondslag voor de door rekwiranten beweerde aansprakelijkheid onrechtmatig handelen is, en sub A het bestaan van ander onrechtmatig handelen met betrekking tot verordening nr. 530/2008 is uitgesloten, ben ik van mening dat er alleen een causaal verband bestaat tussen de discriminatie, namelijk het feit dat de visserijcampagne van onder Spaanse vlag varende vaartuigen voor de tonijnvisserij met de zegen één week langer duurde, en de geleden schade. Rekwiranten waren door de door het Hof onrechtmatig verklaarde discriminatie slechts gedurende één week slechter af, maar niet gedurende de daaropvolgende week, waarin alle vaartuigen voor de tonijnvisserij, ook de Spaanse, het recht is ontzegd hun activiteiten uit te oefenen.

86.      Het feit dat de niet‑contractuele aansprakelijkheid van de Unie bij uitstek is gebaseerd op de onrechtmatigheid van de schade, zoals rekwiranten in casu hebben aangevoerd, maakt het daarom noodzakelijk het causaal verband te beperken tot het verband tussen de geleden schade en de onrechtmatige feiten, zonder rekening te houden met andere feiten die vreemd zijn aan het onrechtmatig handelen, hoezeer zij ook verband houden met de omstandigheden in casu. Aangezien het vastgestelde onrechtmatig handelen betrekking heeft op de week waarin rekwiranten onterecht het recht is ontzegd een economische activiteit uit te oefenen, is dat de voor de niet‑contractuele aansprakelijkheid voor onrechtmatig handelen relevante periode.

87.      Daarom geef ik het Hof in overweging het causaal verband te beperken tot de periode van 16 tot en met 23 juni 2008, waarin de visserijactiviteiten van rekwiranten, anders dan die van de Spaanse vaartuigen voor de tonijnvisserij met de zegen, bij verordening nr. 530/2008 onrechtmatig zijn verboden.

88.      Aan de voorwaarde van een direct causaal verband tussen de aan de Unie toe te rekenen schending en de door de benadeelde persoon geleden schade is derhalve voldaan, mits de schade wordt beperkt tot de periode van 16 tot en met 23 juni 2008.

C –    Reële en zekere schade

89.      Ten slotte dient te worden vastgesteld of het bestaan van reële en zekere schade is aangetoond.

90.      Zoals ik heb uiteengezet in de punten 49 tot en met 61 van mijn conclusie in de zaak Giordano/Commissie, is in de rechtspraak van het Hof herhaaldelijk erkend dat het zekere karakter van schade niet noodzakelijkerwijs absoluut hoeft te zijn, zoals kan worden vastgesteld in het geval van een rechtstreeks door onrechtmatig handelen van de Unie veroorzaakt verlies van een serieuze kans. Ik zal thans niet herhalen wat in de punten 38 tot en met 69 van die conclusie in detail reeds is uiteengezet; hier kan worden volstaan met eraan te herinneren dat het verlies van een serieuze kans een vergoedbare reële en zekere schade vormt.

91.      Blijkens het dossier beschikten rekwiranten in zaak C‑12/13 P over een visvergunning op grond waarvan zij tot en met 30 juni 2008 een economische activiteit mochten uitoefenen. Voorts zijn, zonder dat de Commissie dat heeft betwist, de vangstquota voor reders zoals rekwiranten in de voorgaande jaren in het algemeen opgebruikt.

92.      Bovendien lijkt het feit dat er ernstige aanwijzingen waren dat de visgronden vóór de datum van de visserijcampagne opgebruikt zouden zijn, de onder Spaanse vlag varende vaartuigen voor de tonijnvisserij met de zegen niet te hebben belet te blijven vissen in de periode van 16 tot en met 23 juni 2008, zelfs in dezelfde wateren als die waarin gewoonlijk wordt gevist door onder Franse vlag varende vaartuigen voor de tonijnvisserij met de zegen, zoals rekwiranten in zaak C‑12/13 P.

93.      Juist omdat het verlies van een kans niet het volledige bedrag van de gederfde inkomsten dekt, blijkt uit de argumenten van de Commissie alleen dat de kans voor rekwiranten om in de week van 16 tot en met 23 juni 2008 nog steeds gebruik te maken van het quotum niet absoluut was, maar dit doet geenszins af aan het serieuze karakter van de verloren kans.

94.      De partijen in de procedure voor het Gerecht hebben niet omstandig kunnen debatteren over de precieze waarschijnlijke inkomsten van rekwiranten in zaak C‑12/13 P in de betrokken dagen in 2008. Die kwestie, die nauw verband houdt met de begroting van de geleden schade, is in de procedure voor het Gerecht niet in de hier bedoelde zin besproken.

95.      Bijgevolg geef ik het Hof in overweging de zaak gedeeltelijk naar het Gerecht terug te verwijzen voor een uitspraak, rekening houdend met de bovengenoemde argumenten, over de precieze begroting van de door rekwiranten geleden schade.

VII – Kosten

A –    Zaak C‑12/13 P

96.      Ook al geef ik in overweging de zaak gedeeltelijk naar het Gerecht terug te verwijzen, ik ben van mening dat de voornaamste vraag van de onderhavige hogere voorziening in hoofdzaak is opgelost. Daarom geef ik het Hof overeenkomstig de artikelen 138, lid 1, en 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering in overweging de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure in eerste aanleg in zaak T‑574/08 van 7 november 2012 en van de hogere voorziening.

B –    Zaak C‑13/13 P

97.      Volgens de artikelen 138, lid 1 en 184, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien rekwiranten in het ongelijk zijn gesteld, moeten zij overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in de kosten.

VIII – Conclusie

98.      Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging te beslissen als volgt:

„In zaak C‑12/13 P

1)         Het dictum van het arrest van het Gerecht van 7 november 2012, Syndicat des thoniers méditerranéens e.a./Commissie (T‑574/08), uitsluitend voor zover het betrekking heeft op het middel inzake de niet‑contractuele aansprakelijkheid van de Europese Unie voor onrechtmatig handelen, zoals uiteengezet in de punten 48 tot en met 66 van dat arrest, wordt vernietigd.

2)         Het beroep wegens niet‑contractuele aansprakelijkheid wordt toegewezen en de Unie wordt niet‑contractueel aansprakelijk gesteld wegens de vaststelling van verordening (EG) nr. 530/2008 van de Commissie van 12 juni 2008, aangezien is aangetoond dat is voldaan aan de voorwaarden voor de niet‑contractuele aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 340, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

3)         De zaak wordt naar het Gerecht terugverwezen voor een uitspraak over de begroting van de door rekwiranten geleden schade.

4)         De Commissie wordt verwezen in de kosten van de procedure in eerste aanleg in zaak T‑574/08 van 7 november 2012, en in die van de hogere voorziening.

In zaak C‑13/13 P

1)      De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)      Syndicat des thoniers méditerranéens, Marc Carreno, Jean Louis Donnarel, Jean-François Flores, Gérald Jean Lubrano, Hervé Marin, Nicolas Marin, Sébastien Marin en Serge Antoine José Perez worden verwezen in de kosten van de hogere voorziening.”


1 – Oorspronkelijke taal: Spaans.


2 –      Verordening van de Raad van 7 mei 2007 (PB L 123, blz. 3).


3 –      Verordening van de Raad van 17 december 2007 (PB L 340, blz. 8).


4 – Verordening van de Raad van 20 december 2002 (PB L 358, blz. 59).


5 –      Verordening van de Raad van 16 januari 2008 tot vaststelling, voor 2008, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Gemeenschap en, voor vaartuigen van de Gemeenschap, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn, en tot vaststelling van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften (PB L 19, blz. 1).


6 – Verordening van de Commissie van 22 mei 2008 houdende aanpassing, op grond van artikel 21, lid 4, van verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid, van bepaalde quota voor blauwvintonijn in 2008 (PB L 134, blz. 11).


7 – Verordening van de Commissie van 12 juni 2008 (PB L 155, blz. 9).


8 – Arrest van 17 maart 2011 (C‑221/09, Jurispr. blz. I‑1655).


9 – Beschikking van 7 september 2010 (T‑532/08, Jurispr. blz. II‑3959).


10 – Beschikking van 7 september 2010 (T‑539/08, Jurispr. blz. II‑4017).


11 ––      Arrest van 19 oktober 2005 (T‑415/03, blz. 4355).


12 – Arrest van 18 maart 1975 (72/74, Jurispr. blz. 401).


13 – In dezelfde zin arrest van 5 juli 1984, Société d’initiatives et de coopération agricoles en Société interprofessionnelle des producteurs et expéditeurs de fruits, légumes, bulbes et fleurs d’Ille-et-Vilaine/Commissie (114/83, Jurispr. blz. 2589), punten 3‑5.


14 –      Arrest van 4 oktober 1979 (238/78, Jurispr. blz. 2955).


15 – Zie in die zin arrest van 27 januari 1982, Birra Wührer e.a./Raad en Commissie (256/80, 257/80, 265/80, 267/80 en 5/81, Jurispr. blz. 85), punten 8‑14. Zie in die zin ook beschikking van het Gerecht van 21 november 1996, Syndicat des producteurs de viande bovine e.a./Commissie (T‑53/96, Jurispr. blz. II‑1579), punt 11.


16 – Arrest van 9 september 2008 (C‑120/06 P en C‑121/06 P, Jurispr. blz. I‑6513).


17 – Arrest van 15 juni 2000, Dorsch Consult (C‑237/98 P, Jurispr. blz. I‑4549).


18 – Reeds aangehaalde arresten Dorsch Consult, punt 19, en FIAMM, punt 169.


19 – Arrest van 13 juni 1972 (9/71 en 11/71, Jurispr. blz. 391), punt 46.


20 – Arrest van 6 december 1984 (59/83, Jurispr. blz. 4057), punt 28.


21 – Arrest van 24 juni 1986 (267/82, Jurispr. blz. 1907), punt 33.


22 – Arrest van het Gerecht van 28 april 1998, Dorsch Consult Ingenieurgesellschaft/Raad en Commissie (T-184/95, Jurispr. blz. II‑667), punt 69.


23 – Reeds aangehaald arrest Hof in de zaak Dorsch Consult, „ingeval het beginsel van aansprakelijkheid van de Gemeenschap voor rechtmatig handelen in het gemeenschapsrecht zou moeten worden erkend, [moet] voor een dergelijke aansprakelijkstelling sprake zijn van […]” (punt 18).


24 –      Arrest van 14 december 2005 (T‑69/00 P, Jurispr. blz. II‑5393).


25 – Reeds aangehaald arrest, punt 176.


26 – Zie onder meer arresten Hof van 4 juli 2000, Bergaderm en Goupil/Commissie (C‑352/98 P, Jurispr. blz. I‑5291), punt 42; 10 december 2002, Commissie/Camar en Tico (C‑312/00 P, Jurispr. blz. I‑11355), punt 53, en 10 juli 2003, Commissie/Fresh Marine (C‑472/00 P, Jurispr. blz. I‑7541), punt 25.


27 – Zie onder meer arrest van 25 mei 1978, HNL e.a./Raad en Commissie (83/76, 94/76, 4/77, 15/77 en 40/77, Jurispr. blz. 1209), punt 5; reeds aangehaald arrest Ireks-Arkady, punt 11, en arresten van 15 september 1982, Kind/EEG (106/81, Jurispr. blz. 2885), punten 22‑25, en 18 april 1991, Assurances du crédit/Raad en Commissie (C‑63/89, Jurispr. blz. I‑1799), punten 14‑23.