Language of document : ECLI:EU:F:2012:115

BESCHIKKING VAN DE PRESIDENT VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN VAN DE EUROPESE UNIE

3 augustus 2012

Zaak F‑57/12 R

Luigi Marcuccio

tegen

Europese Commissie

„Openbare dienst – Kort geding – Verzoek om opschorting van tenuitvoerlegging – Spoedeisendheid – Ontbreken – Gerechtskosten – Artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering”

Betreft: Beroep, ingesteld krachtens artikel 278 VWEU, artikel 157 EA en artikel 279 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis, waarbij Marcuccio kort samengevat vraagt om opschorting van de tenuitvoerlegging van, ten eerste, het besluit van de Commissie tot afwijzing van zijn verzoek van 19 oktober 2011 om vergoeding van het bedrag van 1 661 EUR dat zijns inziens ten onrechte in mindering is gebracht op zijn invaliditeitsuitkeringen, ten tweede, het stilzwijgend besluit van de Commissie tot afwijzing van de in zijn brief van 20 oktober 2011 vervatte klacht en, ten derde, elk besluit op basis waarvan de Commissie het bedrag van 1 661 EUR in mindering heeft gebracht op zijn invaliditeitsuitkeringen voor de maanden juni, juli, augustus en september 2011.

Beslissing: Het verzoek in kort geding wordt afgewezen. Verzoeker wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag van 1 000 EUR aan het Gerecht. De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.

Samenvatting

1.      Kort geding – Opschorting van tenuitvoerlegging – Voorwaarden voor ontvankelijkheid – Litigieus besluit dat ten tijde van indiening van verzoek in kort geding deels geen gevolgen meer heeft – Verzoek niet-ontvankelijk

(Art. 278 VWEU)

2.      Kort geding – Voorwaarden voor ontvankelijkheid – Verzoekschrift – Vormvereisten – Nauwkeurige aanduiding van voorwerp van verzoek

(Art. 278 VWEU en 279 VWEU; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, art. 35, lid 1, sub d, en 102, lid 3)

3.      Gerechtelijke procedure – Gerechtskosten – Kosten die het Gerecht voor ambtenarenzaken door ongerechtvaardigd beroep van ambtenaar heeft moeten maken – Veroordeling van ambtenaar tot terugbetaling van die kosten – Toepasselijkheid in het kader van verzoek in kort geding

(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, art. 94)

1.      Wanneer een deel van een litigieus besluit ten tijde van de indiening van het verzoek in kort geding geen gevolgen meer heeft, zijn de daarop betrekking hebbende vorderingen niet-ontvankelijk.

(cf. punt 23)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: 28 februari 2012, BK/Commissie, F‑140/11 R, punt 29, en aangehaalde rechtspraak

2.      Een verzoek in kort geding dat, bij gebreke van nadere preciseringen over het voorwerp ervan, vaag en onbepaald is, voldoet niet aan de voorwaarden van artikel 35, lid 1, sub d, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken waarnaar artikel 102, lid 3, van dat Reglement verwijst, en is derhalve niet-ontvankelijk.

(cf. punt 24)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 2 juli 2004, Enviro Tech Europe en Enviro Tech International/Commissie, T‑422/03 R II, punt 59

3.      Op grond van artikel 94, sub a, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken kan dat Gerecht, indien een partij onnodige kosten heeft veroorzaakt, met name indien het beroep een kennelijk misbruik oplevert, die partij volledig of ten dele in die kosten verwijzen, met dien verstande dat het bedrag van die kosten 2 000 EUR niet mag overschrijden. Daar die bepaling niet limitatief is met betrekking tot de omstandigheden waarin het Gerecht wegens de gedraging van een partij met te vermijden kosten kan worden geconfronteerd, kan deze gelden voor het onderzoek van een verzoek in kort geding.

(cf. punt 30)