Language of document : ECLI:EU:F:2012:96

ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Eerste kamer)

10 juli 2012

Zaak F‑4/11

AV

tegen

Europese Commissie

„Openbare dienst – Tijdelijk functionaris – Aanwerving – Medisch voorbehoud – Retroactieve toepassing van medisch voorbehoud – Advies van de invaliditeitscommissie”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarbij AV vraagt om nietigverklaring van het besluit van de Europese Commissie om op hem het medisch voorbehoud toe te passen voorzien in artikel 32 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie alsmede van het besluit houdende weigering om hem een invaliditeitsuitkering toe te kennen.

Beslissing:      Het besluit van 12 april 2010 wordt nietig verklaard. Het besluit van 16 april 2010 wordt nietig verklaard. De Commissie draagt haar eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van AV.

Samenvatting

Ambtenaren – Tijdelijk functionarissen – Aanwerving – Medisch onderzoek – Op kandidaat rustende verplichting om gestelde vragen te beantwoorden – Gevolgen van onjuiste of onvolledige verklaringen – Rechtvaardiging voor retroactieve toepassing van medisch voorbehoud – Voorwaarde – Voorafgaande inschakeling van raadgevend arts

(Regeling andere personeelsleden, art. 32)

Uit de bepalingen van artikel 32 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden volgt dat het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag weliswaar kan besluiten om een functionaris die aan een ziekte of handicap lijdt, wat de gevolgen of de nasleep van deze ziekte of handicap betreft, niet eerder dan vijf jaar na zijn indiensttreding bij de instelling in aanmerking te laten komen voor de bij invaliditeit of overlijden geldende uitkeringen, doch dit besluit kan alleen worden genomen op basis van een medisch advies van de raadgevend arts of, in geval van beroep, van de medische commissie over de vraag of de functionaris daadwerkelijk aan een ziekte of handicap lijdt die, gezien de gevolgen en nasleep ervan, de toepassing van een medisch voorbehoud kan rechtvaardigen.

In het bijzondere geval waarin na het medisch onderzoek bij aanwerving blijkt dat een functionaris de vragen die de raadgevend arts bij dat onderzoek over zijn gezondheid heeft gesteld, niet eerlijk en volledig heeft beantwoord, staat het het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag vrij om zijn oorspronkelijke besluit om het medisch voorbehoud niet toe te passen in te trekken en een nieuw besluit te nemen om dat voorbehoud met terugwerkende kracht toe te passen. Dat gezag dient echter wel eerst de procedure van artikel 32 van die Regeling te eerbiedigen, namelijk, ten eerste, de raadgevend arts te raadplegen zodat hij een advies uitbrengt over de vraag of de ziekte of handicap een reden zou hebben opgeleverd om bij de aanstelling van de betrokkene een medisch voorbehoud te maken en, ten tweede, de functionaris op de hoogte te stellen van het besluit dat het op basis van dat advies heeft genomen, zodat hij eventueel beroep kan instellen bij de invaliditeitscommissie. Een dergelijke vraag, waarvoor moet worden bepaald of die ziekte of handicap binnen vijf jaar na de indiensttreding van de functionaris bij de instelling kon leiden tot zijn invaliditeit of overlijden, is immers een vraag van medische aard die onder de uitsluitende bevoegdheid van de raadgevend arts en, na de instelling van beroep, de invaliditeitscommissie behoort.

(cf. punten 33 en 34)