Language of document : ECLI:EU:F:2013:82

ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Derde kamer)

19 juni 2013

Zaak F‑81/11

BY

tegen

Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA)

„Personeel van EASA – Tijdelijk functionaris – Ontvankelijkheid – Beroepstermijnen – Ongunstig beoordelingsrapport – Overplaatsing – Psychisch geweld – Misbruik van bevoegdheid”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, waarmee BY vraagt om nietigverklaring van het besluit van de uitvoerend directeur van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (hierna: „EASA” of „Agentschap”) van 17 december 2010 om hem in het belang van de dienst over te plaatsen naar een niet-leidinggevende post.

Beslissing:      Het beroep wordt verworpen. BY draagt zijn eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart.

Samenvatting

1.      Gerechtelijke procedure – Inleidend verzoekschrift – Vormvereisten – Plaatsing door advocaat van verzoeker van stempel „eensluidend afschrift” op het originele per post verzonden verzoekschrift, maar niet op de per fax verzonden versie – Onregelmatigheid die niet tot niet-ontvankelijkheid leidt

(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, art. 34, leden 1 en 6)

2.      Gerechtelijke procedure – Inleidend verzoekschrift – Vormvereisten – Verzuim om voldoende aantal voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopieën van het originele verzoekschrift over te leggen – Onregelmatigheid die niet tot niet-ontvankelijkheid leidt

(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, art. 34, lid 1, en 94, sub a)

3.      Beroepen van ambtenaren – Middelen – Misbruik van bevoegdheid – Begrip – Besluit in overeenstemming met dienstbelang – Geen misbruik van bevoegdheid

1.      De omstandigheden dat de advocaat van de verzoeker op het voorblad van het originele verzoekschrift het stempel „eensluidend afschrift” heeft geplaatst en dat hij naast zijn handgeschreven ondertekening op de laatste pagina van dat document een stempel van zijn advocatenkantoor heeft geplaatst, kunnen het betrokken exemplaar niet zijn hoedanigheid van origineel van het per fax verzonden verzoekschrift ontnemen, evenmin als een origineel zijn hoedanigheid verliest doordat daarop een stempel „origineel” wordt geplaatst, ofschoon het door die plaatsing is gewijzigd. De plaatsing van het stempel „eensluidend afschrift” door de advocaat op het originele verzoekschrift moet als een louter feitelijke fout worden beschouwd, die niet tot de niet-ontvankelijkheid van het beroep kan leiden.

(cf. punt 37)

2.      De omstandigheid dat het aantal kopieën van het verzoekschrift, naast het origineel, minder is dan het aantal voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopieën die volgens artikel 34, lid 1, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken vereist zijn, kan geen rechtvaardiging opleveren voor de niet-ontvankelijkheid van het beroep. Een andere conclusie zou van een overdreven strengheid getuigen, gelet op het evenredigheidsbeginsel en het recht van de verzoeker op een doeltreffend beroep, nu er geen enkele sprake is van een inbreuk op het beginsel van rechtszekerheid. De niet-eerbiediging van artikel 34, lid 1, tweede alinea, kan eventueel worden bestraft door de toepassing van artikel 94, sub a, van het Reglement voor de procesvoering.

(cf. punt 38)

3.      Het begrip misbruik van bevoegdheid, waarvan misbruik van procedure een uiting is, heeft een bepaalde draagwijdte die verwijst naar het gebruik van bevoegdheden door een administratieve instantie met een ander doel dan dat waarvoor deze haar zijn gegeven. Bij een besluit is slechts sprake van misbruik van bevoegdheid wanneer er objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende aanwijzingen bestaan dat het is genomen ter bereiking van andere doelen dan die welke worden aangevoerd.

Bij een overplaatsing kan, wanneer is geoordeeld dat deze niet in strijd met het belang van de dienst is, geen sprake zijn van misbruik van bevoegdheid. Met name kan de omstandigheid dat een hiërarchieke meerdere van een ambtenaar een beoordelingsrapport over hem heeft opgesteld, ofschoon hij uitdrukkelijk werd genoemd in de wegens geweld ingediende klacht van die ambtenaar, los van elke andere omstandigheid, als zodanig niet zijn onpartijdigheid ter discussie stellen.

(cf. punten 69, 70 en 72)

Referentie:

Hof: 14 juli 1983, Nebe/Commissie, 176/82, punt 25; 5 juni 2003, O’Hannrachain/Parlement, C‑121/01 P, punt 46

Gerecht van eerste aanleg: 10 juli 1992, Eppe/Commissie, T‑59/91 en T‑79/91, punt 57; 11 juni 1996, Anacoreta Correia/Commissie, T‑118/95, punt 25; 17 november 1998, Gómez de Enterría y Sanchez/Parlement, T‑131/97, punt 62; 6 juli 1999, Séché/Commissie, T‑112/96 en T‑115/96, punt 139; 14 oktober 2004, Sandini/Hof van Justitie, T‑389/02, punt 123