Language of document :

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

27 maart 2014 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Harmonisatie van wetgevingen – Auteursrecht en naburige rechten – Informatiemaatschappij – Richtlijn 2001/29/EG – Website waarop cinematografische werken voor publiek beschikbaar worden gesteld zonder toestemming van houders van naburig rechten – Artikel 8, lid 3 – Begrip ‚tussenpersonen wier diensten door derde worden gebruikt om inbreuk te maken op auteursrechten of naburige rechten’ – Internetprovider – Beschikking voor internetprovider houdende verbod om zijn klanten toegang tot website te verschaffen – Afweging van grondrechten”

In zaak C‑314/12,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Oberste Gerichtshof (Oostenrijk) bij beslissing van 11 mei 2012, ingekomen bij het Hof op 29 juni 2012, in de procedure

UPC Telekabel Wien GmbH

tegen

Constantin Film Verleih GmbH,

Wega Filmproduktionsgesellschaft mbH,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: L. Bay Larsen, kamerpresident, K. Lenaerts, vicepresident van het Hof, waarnemend voor de rechter van de Vierde kamer, M. Safjan, J. Malenovský (rapporteur) en A. Prechal, rechters,

advocaat-generaal: P. Cruz Villalón,

griffier: A. Impellizzeri, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 20 juni 2013,

gelet op de opmerkingen van:

–        UPC Telekabel Wien GmbH, vertegenwoordigd door M. Bulgarini en T. Höhne, Rechtsanwälte,

–        Constantin Film Verleih GmbH en Wega Filmproduktionsgesellschaft mbH, vertegenwoordigd door A. Manak en N. Kraft, Rechtsanwälte,

–        de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door A. Posch als gemachtigde,

–        de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door W. Ferrante, avvocato dello Stato,

–        de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door C. Schillemans en C. Wissels als gemachtigden,

–        de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door L. Christie als gemachtigde, bijgestaan door S. Malynicz, barrister,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Samnadda en F. W. Bulst als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 november 2013,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 5, leden 1 en 2, sub b, en 8, lid 3, van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB L 167, blz. 10), en bepaalde door het Unierecht beschermde grondrechten.

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geschil tussen UPC Telekabel Wien GmbH (hierna: „UPC Telekabel”) enerzijds, en Constantin Film Verleih GmbH (hierna: „Constantin Film”) en Wega Filmproduktionsgesellschaft mbH (hierna: „Wega”) anderzijds, over een verzoek om eerstgenoemde te gelasten haar klanten de toegang te blokkeren tot een website waarop bepaalde films van laatstgenoemde ondernemingen zonder hun toestemming voor het publiek beschikbaar worden gesteld.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        In de punten 9 en 59 van de considerans van richtlijn 2001/29 staat te lezen:

„(9)      Bij een harmonisatie van het auteursrecht en de naburige rechten moet steeds van een hoog beschermingsniveau worden uitgegaan, omdat die rechten van wezenlijk belang zijn voor scheppend werk. [...] De intellectuele eigendom is dan ook als een geïntegreerd deel van de eigendom erkend.

[...]

(59)      In het bijzonder in de digitale omgeving, zullen derden voor inbreukmakende handelingen wellicht in toenemende mate gebruik maken van de diensten van tussenpersonen. Die tussenpersonen zijn in veel gevallen het meest aangewezen om een eind te maken aan zulke inbreukmakende handelingen. Onverminderd de eventuele andere beschikbare sancties en rechtsmiddelen, moeten de rechthebbenden over de mogelijkheid beschikken om te verzoeken om een verbod ten aanzien van een tussenpersoon die een door een derde gepleegde inbreuk met betrekking tot een beschermd werk of ander materiaal in een netwerk steunt. [...] De voorwaarden en nadere bepalingen met betrekking tot dergelijke verbodsmaatregelen moeten aan het nationaal recht van de lidstaten worden overgelaten.”

4        Artikel 1 van deze richtlijn, „Werkingssfeer”, bepaalt in lid 1 ervan:

„Deze richtlijn heeft betrekking op de rechtsbescherming van het auteursrecht en de naburige rechten in het kader van de interne markt, met bijzondere klemtoon op de informatiemaatschappij.”

5        Artikel 3 van deze richtlijn, met als opschrift „Recht van mededeling van werken aan het publiek en recht van beschikbaarstelling van ander materiaal voor het publiek”, bepaalt in lid 2 ervan:

„De lidstaten voorzien ten behoeve van:

[...]

c)      producenten van de eerste vastleggingen van films, met betrekking tot het origineel en de kopieën van hun films;

in het uitsluitende recht, de beschikbaarstelling voor het publiek, per draad of draadloos, op zodanige wijze dat de leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd er toegang toe hebben, toe te staan of te verbieden.”

6        Artikel 8 van richtlijn 2001/29, met als opschrift „Sancties en rechtsmiddelen”, bepaalt in lid 3 ervan:

„De lidstaten zorgen ervoor dat de rechthebbenden kunnen verzoeken om een verbod ten aanzien van tussenpersonen wier diensten door een derde worden gebruikt om inbreuk te maken op een auteursrecht of naburige rechten.”

 Oostenrijks recht

7        § 18a, lid 1, van het Urheberrechtsgesetz (auteurswet) van 9 april 1936 (BGBl. 111/1936), zoals gewijzigd bij de Urheberrechtsgesetz-Novelle 2003 (nieuwe auteurswet van 2003, BGBl. I, 32/2003; hierna: „UrhG”), luidt als volgt:

„De auteur beschikt over het uitsluitende recht van de beschikbaarstelling voor het publiek, per draad of draadloos, op zodanige wijze dat eenieder op een zelf gekozen plaats en tijdstip toegang ertoe kan hebben.”

8        § 81, leden 1 en 1 a, UrhG bepaalt:

„1.      De houder van een op de onderhavige wet gebaseerd exclusief recht waarop inbreuk is gemaakt, of die een dergelijke inbreuk te vrezen heeft, kan een stakingsvordering instellen. De eigenaar van een onderneming kan ook in rechte worden aangesproken wanneer de inbreuk tijdens de exploitatie van zijn onderneming door een werknemer of een lasthebber is gemaakt of dreigt te worden gemaakt; § 81, lid 1a is van overeenkomstige toepassing.

1a.      Indien degene die een dergelijke inbreuk heeft gemaakt of dreigt te maken, gebruikmaakt van de diensten van een tussenpersoon, kan ook tegen die tussenpersoon een stakingsvordering in de zin van lid 1 worden ingesteld. [...]”

9        § 355, lid 1, van de Exekutionsordnung (Oostenrijkse wet op de executieprocedure) bepaalt:

„De executieprocedure tegen een persoon die verplicht is een handeling te staken of een handeling te gedogen, vindt plaats door middel van een geldstraf die op verzoek door de executierechter bij de goedkeuring van de executie wordt opgelegd voor elke overtreding nadat de executoriale titel uitvoerbaar is geworden. Voor elke verdere overtreding legt de executierechter op verzoek een bijkomende geldboete of een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar op. [...]”

10      Uit de toelichtingen die de verwijzende rechter in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing heeft gegeven, blijkt dat de adressaat van het verbod in het stadium van de executieprocedure, om aan zijn aansprakelijkheid te ontkomen, kan aanvoeren dat hij alle maatregelen heeft genomen die van hem konden worden verwacht om te verhinderen dat het verboden resultaat zou intreden.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

11      Nadat de filmproductieondernemingen Constantin Film en Wega hadden geconstateerd dat bepaalde door hen geproduceerde films zonder hun toestemming op een website konden worden gedownload of via „streaming” konden worden bekeken, hebben zij de kortgedingrechter op grond van § 81, lid 1a, UrhG verzocht om internetprovider UPC Telekabel bij beschikking te gelasten zijn klanten de toegang tot de betrokken website te blokkeren voor zover cinematografische werken waarop zij een naburig recht hebben zonder hun toestemming op deze website voor het publiek beschikbaar worden gesteld.

12      Bij beschikking van 13 mei 2011 heeft het Handelsgericht Wien (Oostenrijk) UPC Telekabel verboden om haar klanten toegang te verschaffen tot de litigieuze website, waarbij dit verbod met name moest worden uitgevoerd door middel van blokkering van de domeinnaam en het huidige IP-adres („Internet Protocol”) van deze website alsook elk ander IP-adres van deze website waarvan die onderneming kennis kan hebben.

13      In juni 2011 heeft de litigieuze website haar activiteiten gestaakt na een actie van de Duitse politiediensten tegen de exploitanten van deze website.

14      In hoger beroep heeft het Oberlandesgericht Wien (Oostenrijk) bij beschikking van 27 oktober 2011 de beschikking van de rechter in eerste aanleg gedeeltelijk gewijzigd op grond dat deze ten onrechte had gespecificeerd welke maatregelen UPC Telekabel moest nemen om de litigieuze website te blokkeren en aldus gevolg te geven aan het bevel. Om tot deze slotsom te komen, heeft het Oberlandesgericht Wien overwogen dat § 81, lid 1a, UrhG moet worden uitgelegd in het licht van artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29. Vervolgens heeft het overwogen dat UPC Telekabel, door haar klanten toegang te verschaffen tot onrechtmatig online geplaatste werken, moest worden beschouwd als een tussenpersoon wiens diensten door een derde worden gebruikt om inbreuk te maken op een naburig recht, zodat Constantin Film en Wega het recht hadden om te verzoeken om een beschikking tegen die onderneming. Wat de bescherming van het auteursrecht betreft, heeft het Oberlandesgericht Wien echter geoordeeld dat UPC Telekabel enkel de verplichting, in de vorm van een resultaatsverbintenis, kon worden opgelegd om haar klanten de toegang tot de litigieuze website te ontzeggen, maar dat het haar vrij moest staan de te nemen maatregelen te kiezen.

15      Hiertegen heeft UPC Telekabel bij het Oberste Gerichtshof (Oostenrijk) beroep tot „Revision” ingesteld.

16      Ter ondersteuning van haar beroep tot Revision voert UPC Telekabel met name aan dat niet kan worden aangenomen dat haar diensten worden gebruikt om inbreuk te maken op een auteursrecht of een naburig recht in de zin van artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29, aangezien zij niet in handelsrelatie staat met de exploitanten van de litigieuze website en niet is aangetoond dat haar eigen klanten onrechtmatig hebben gehandeld. UPC Telekabel betoogt dat alle mogelijke blokkeringsmaatregelen hoe dan ook technisch kunnen worden omzeild en dat bepaalde daarvan resulteren in buitensporig hoge kosten.

17      In deze omstandigheden heeft het Oberste Gerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Dient artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29 [...] aldus te worden uitgelegd dat een persoon die zonder toestemming van de rechthebbende beschermde werken beschikbaar stelt op internet [in de zin artikel 3, lid 2, van richtlijn 2001/29], gebruikmaakt van de diensten van de internetprovider van de personen die zich toegang verschaffen tot deze beschermde werken?

      Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord:

2)      Zijn een reproductie voor privégebruik [in de zin van artikel 5, lid 2, sub b, van richtlijn 2001/29] en een voorbijgaande of incidentele reproductie [in de zin van artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/29] enkel geoorloofd wanneer het voor de reproductie gebruikte exemplaar zelf rechtmatig is gereproduceerd, verspreid of aan het publiek beschikbaar gesteld?

Indien de eerste of de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord en bijgevolg rechterlijke verbodsmaatregelen in de zin van artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29 moeten worden opgelegd aan de internetprovider:

3)      Is het verenigbaar met het recht van de Unie, in het bijzonder met de door dit recht vereiste afweging tussen de grondrechten van partijen, een internetprovider in het algemeen (dus zonder concrete maatregelen te gelasten) te verbieden om zijn klanten toegang tot een bepaalde website te verschaffen, zolang er op die website uitsluitend of althans voor het overgrote deel werken beschikbaar worden gesteld zonder toestemming van de rechthebbenden, wanneer de internetprovider – door aan te tonen dat hij toch alle redelijke maatregelen heeft genomen – kan verhinderen dat hem wegens schending van dit verbod dwangmaatregelen worden opgelegd?

Indien de derde vraag bevestigend wordt beantwoord:

4)      Is het verenigbaar met het recht van de Unie, in het bijzonder met de door dit recht vereiste afweging tussen de grondrechten van partijen, een internetprovider te gelasten bepaalde maatregelen te nemen om zijn klanten toegang tot een website met onrechtmatig beschikbaar gesteld materiaal te bemoeilijken, wanneer deze maatregelen aanzienlijke kosten met zich brengen, terwijl zij ook zonder bijzondere technische kennis gemakkelijk kunnen worden omzeild?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen

18      Om te beginnen zij erop gewezen dat de omstandigheid dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde website haar activiteiten heeft gestaakt niet met zich brengt dat de prejudiciële vragen niet-ontvankelijk zijn.

19      Volgens vaste rechtspraak staat het in het kader van de in artikel 267 VWEU bedoelde procedure, die op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof berust, namelijk uitsluitend aan de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid voor de te geven rechterlijke beslissing draagt, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak als de relevantie van de aan het Hof voorgelegde vragen te beoordelen (zie in die zin arrest van 14 maart 2013, Aziz, C‑415/11, punt 34).

20      Het Hof kan aldus slechts weigeren uitspraak te doen over een prejudiciële vraag van een nationale rechter, wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is, of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die voor hem noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest Aziz, reeds aangehaald, punt 35).

21      Dit is echter niet het geval in het hoofdgeding, aangezien blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de verwijzende rechter naar Oostenrijks recht zijn beslissing moet geven op basis van de feiten zoals die zijn uiteengezet in de uitspraak in eerste aanleg, zijnde op een tijdstip waarop de litigieuze website nog toegankelijk was.

22      Derhalve is het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk.

 Eerste vraag

23      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat een persoon die zonder toestemming van de rechthebbende op een website beschermde werken voor het publiek beschikbaar stelt in de zin artikel 3, lid 2, van deze richtlijn, gebruikmaakt van de diensten van de als tussenpersoon in de zin van artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29 aan te merken internetprovider van de personen die zich toegang tot deze werken verschaffen.

24      Om te beginnen zij opgemerkt dat in het hoofdgeding vaststaat dat de beschermde werken zonder toestemming van de houders van de in genoemd artikel 3, lid 2, vermelde rechten beschikbaar zijn gesteld voor de gebruikers van een website.

25      Aangezien de rechthebbenden volgens die bepaling het uitsluitende recht hebben om elke beschikbaarstelling voor het publiek toe te staan of te verbieden, moet worden geconstateerd dat een handeling waarbij een beschermd werk zonder toestemming van de rechthebbenden op een website voor het publiek beschikbaar wordt gesteld, inbreuk maakt op het auteursrecht en de naburige rechten.

26      Om een dergelijke inbreuk op de betrokken rechten te verhelpen, biedt artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29 de rechthebbenden de mogelijkheid om te verzoeken om een rechterlijk bevel jegens tussenpersonen wier diensten door een derde worden gebruikt om inbreuk te maken op een van hun rechten.

27      Aangezien de diensten van tussenpersonen in toenemende mate worden gebruikt om inbreuk te maken op het auteursrecht of naburige rechten, zijn deze tussenpersonen blijkens punt 59 van de considerans van richtlijn 2001/29 namelijk in veel gevallen het best in staat om een eind te maken aan die inbreuken.

28      In casu heeft het Handelsgericht Wien en vervolgens het Oberlandesgericht Wien UPC Telekabel – de internetprovider tot wie het in het hoofdgeding aan de orde zijnde bevel was gericht – gesommeerd een eind te maken aan de inbreuk op de rechten van Constantin Film en Wega.

29      UPC Telekabel betwist echter dat zij kan worden aangemerkt als tussenpersoon wiens diensten worden gebruikt om inbreuk te maken op auteursrechten of naburige rechten in de zin van artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29.

30      In dit verband vloeit uit punt 59 van de considerans van richtlijn 2001/29 voort dat de in artikel 8, lid 3, van deze richtlijn gebruikte term „tussenpersoon” ziet op eenieder die een door een derde gemaakte inbreuk met betrekking tot een beschermd werk of ander materiaal via een netwerk doorgeeft.

31      Gelet op de door richtlijn 2001/29 nagestreefde en in punt 9 van de considerans ervan weergegeven doelstelling om de rechthebbenden een hoog beschermingsniveau te waarborgen, moet de aldus gebruikte term „inbreuk” in die zin worden opgevat dat deze ook ziet op de situatie van een beschermd werk dat zonder toestemming van de betrokken rechthebbenden op internet voor het publiek beschikbaar is gesteld.

32      Bijgevolg moet worden geoordeeld dat, aangezien de internetprovider noodzakelijkerwijs betrokken is bij elke doorgifte op internet van een inbreuk tussen een van zijn klanten en een derde doordat hij deze doorgifte mogelijk maakt door internettoegang te verschaffen (zie in die zin beschikking van 19 februari 2009, LSG-Gesellschaft zur Wahrnehmung von Leistungsschutzrechten, C‑557/07, Jurispr. blz. I‑1227, punt 44), een internetprovider als die van het hoofdgeding – die zijn klanten toegang verschaft tot door een derde op internet voor het publiek beschikbaar gestelde beschermde werken – kan worden aangemerkt als een tussenpersoon wiens diensten worden gebruikt om inbreuk te maken op een auteursrecht of naburige rechten in de zin van artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29.

33      Deze vaststelling vindt steun in de door richtlijn 2001/29 nagestreefde doelstelling. Zouden internetproviders worden uitgesloten van de werkingssfeer van artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29, zou de door deze richtlijn beoogde bescherming van de rechthebbenden immers aanzienlijk worden verminderd (zie in die zin beschikking LSG-Gesellschaft zur Wahrnehmung von Leistungsschutzrechten, reeds aangehaald, punt 45).

34      Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het bezwaar dat voor de toepasselijkheid van artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29 een contractuele band moet bestaan tussen de internetprovider en degene die de inbreuk op een auteursrecht of een naburig recht heeft gemaakt.

35      Noch uit de bewoordingen van genoemd artikel 8, lid 3, noch uit enige andere bepaling van richtlijn 2001/29 blijkt immers dat een bijzondere verhouding is vereist tussen degene die inbreuk maakt op een auteursrecht of een naburig recht en de tussenpersoon. Een dergelijk vereiste kan overigens evenmin worden afgeleid uit de door deze richtlijn nagestreefde doelstellingen aangezien de aanvaarding ervan de aan de betrokken rechthebbenden geboden rechtsbescherming zou verminderen, terwijl die richtlijn blijkens met name punt 9 van de considerans ervan juist ertoe strekt hun een hoog beschermingsniveau te waarborgen.

36      Aan de conclusie waartoe het Hof in punt 30 van het onderhavige arrest is gekomen, wordt evenmin afgedaan door de stelling dat de houders van een auteursrecht of een naburig recht die tegen een internetprovider een bevel willen verkrijgen, moeten aantonen dat bepaalde van de klanten van deze internetprovider zich op de betrokken website effectief toegang verschaffen tot de beschermde werken die zonder toestemming van de rechthebbenden voor het publiek beschikbaar zijn gesteld.

37      Richtlijn 2001/29 schrijft namelijk voor dat de door de lidstaten ter uitvoering van deze richtlijn te nemen maatregelen niet alleen beogen de op het auteursrecht of naburige rechten gemaakte inbreuken te beëindigen, maar ook nieuwe inbreuken te voorkomen (zie in die zin arresten van 24 november 2011, Scarlet Extended, C‑70/10, Jurispr. blz. I‑11959, punt 31, en 16 februari 2012, SABAM, C‑360/10, punt 29).

38      Een dergelijke preventieve werking vereist echter dat de houders van een auteursrecht of een naburig recht kunnen optreden zonder dat hoeft te worden aangetoond dat de klanten van een internetprovider zich effectief toegang verschaffen tot de beschermde werken die zonder toestemming van die rechthebbenden voor het publiek beschikbaar zijn gesteld.

39      Dit geldt temeer omdat van beschikbaarstelling voor het publiek reeds sprake is wanneer genoemd werk voor het publiek beschikbaar wordt gesteld, zonder dat het van beslissend belang is dat de personen van dit publiek al dan niet daadwerkelijk toegang tot dit werk hebben gehad (zie in die zin arrest van 7 december 2006, SGAE, C‑306/05, Jurispr. blz. I‑11519, punt 43).

40      Gelet op het voorgaande dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat een persoon die zonder toestemming van de rechthebbende op een website beschermde werken voor het publiek beschikbaar stelt in de zin artikel 3, lid 2, van richtlijn 2001/29, gebruikmaakt van de diensten van de als tussenpersoon in de zin van artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29 aan te merken internetprovider van de personen die zich toegang tot deze werken verschaffen.

 Tweede vraag

41      Gelet op het antwoord op de eerste vraag, behoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.

 Derde vraag

42      Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de door het Unierecht erkende grondrechten aldus moeten worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat een internetprovider bij rechterlijk bevel wordt verboden om zijn klanten toegang te verschaffen tot een website waarop beschermde werken zonder toestemming van de rechthebbenden online worden geplaatst, wanneer dit bevel niet preciseert welke maatregelen deze internetprovider moet nemen en niet aangeeft dat laatstgenoemde kan ontkomen aan dwangsommen wegens schending van dit bevel door aan te tonen dat hij alle redelijke maatregelen heeft genomen.

43      In dit verband blijkt uit punt 59 van de considerans van richtlijn 2001/29 dat de modaliteiten van de bevelen waarin de lidstaten krachtens artikel 8, lid 3, van deze richtlijn moeten voorzien, zoals die betreffende de te vervullen voorwaarden en de te volgen procedure, aan het nationale recht worden overgelaten.

44      Bij die nationale regels en bij de toepassing ervan door de nationale rechterlijke instanties, moeten echter de beperkingen in acht worden genomen die voortvloeien uit richtlijn 2001/29 en de rechtsbronnen waarnaar punt 3 van de considerans van deze richtlijn verwijst (zie in die zin arrest Scarlet Extended, reeds aangehaald, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45      Om te beoordelen of een op basis van artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29 gegeven bevel als dat van het hoofdgeding in overeenstemming is met het Unierecht, moet dus rekening worden gehouden met de vereisten die voortvloeien uit de bescherming van de toepasselijke grondrechten, en zulks in overeenstemming met artikel 51 van Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) (zie in die zin arrest Scarlet Extended, punt 41).

46      Het Hof heeft reeds geoordeeld dat wanneer meerdere grondrechten met elkaar in strijd zijn, de lidstaten bij de omzetting van de richtlijn in nationaal recht ervoor moeten zorgen dat zij zich baseren op een uitlegging van de richtlijn die een juist evenwicht waarborgt tussen de toepasselijke en door de Unierechtsorde beschermde grondrechten. Vervolgens moeten de autoriteiten en rechterlijke instanties van de lidstaten bij de uitvoering van de omzettingsmaatregelen van deze richtlijn niet alleen hun nationale recht in overeenstemming met deze richtlijn uitleggen, maar eveneens ervoor zorgen dat zij zich niet baseren op een uitlegging van deze richtlijn die indruist tegen deze grondrechten of andere algemene beginselen van het Unierecht, zoals het evenredigheidsbeginsel (zie in die zin arrest van 29 januari 2008, Promusicae, C‑275/06, Jurispr. blz. I‑271, punt 68).

47      In casu zij erop gewezen dat een op basis van artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29 vastgesteld bevel als dat van het hoofdgeding resulteert in een conflict tussen, ten eerste, de auteursrechten en de naburige rechten die deel uitmaken van het intellectuele-eigendomsrecht en bijgevolg krachtens artikel 17, lid 2, van het Handvest beschermd zijn, ten tweede, de vrijheid van ondernemerschap die marktdeelnemers zoals internetproviders genieten krachtens artikel 16 van het Handvest en, ten derde, de vrijheid van informatie van internetgebruikers zoals beschermd door artikel 11 van het Handvest.

48      Wat in de eerste plaats de vrijheid van ondernemerschap betreft, zij geconstateerd dat de vaststelling van een bevel als dat van het hoofdgeding deze vrijheid beperkt.

49      De vrijheid van ondernemerschap omvat met name het recht voor elke onderneming om, binnen de grenzen van de aansprakelijkheid voor eigen handelingen, vrij te beschikken over de haar ter beschikking staande economische, technische en financiële middelen.

50      Een bevel als dat van het hoofdgeding impliceert voor de adressaat echter een verplichting die het vrije gebruik van de hem ter beschikking staande middelen beperkt, aangezien hij overeenkomstig dit bevel is gehouden om maatregelen te nemen die voor hem aanzienlijke kosten met zich kunnen brengen, aanmerkelijke gevolgen kunnen hebben voor de organisatie van zijn activiteiten of moeilijke en complexe technische oplossingen kunnen vergen.

51      Een dergelijk bevel lijkt de vrijheid van ondernemerschap van een internetprovider als die van het hoofdgeding echter niet in zijn kern te raken.

52      Ten eerste staat het overeenkomstig een bevel als dat van het hoofdgeding aan de adressaat om te bepalen welke concrete maatregelen moeten worden genomen om het beoogde resultaat te bereiken, zodat deze kan beslissen om de maatregelen te nemen die het best aansluiten op zijn middelen en capaciteiten en verenigbaar zijn met de andere verplichtingen en uitdagingen waarmee hij bij de uitoefening van zijn activiteit wordt geconfronteerd.

53      Ten tweede biedt een dergelijk bevel de adressaat ervan de mogelijkheid om aan zijn aansprakelijkheid te ontkomen door aan te tonen dat hij alle redelijke maatregelen heeft genomen. Deze bevrijdingsmogelijkheid heeft echter uiteraard tot gevolg dat de adressaat van dit bevel geen ondraaglijke offers moet brengen, wat met name gerechtvaardigd lijkt gelet op het feit dat laatstgenoemde niet degene is die de aan de vaststelling van dat bevel ten grondslag liggende inbreuk op het grondrecht van de intellectuele eigendom heeft gemaakt.

54      In dit verband moet de adressaat van een bevel als dat van het hoofdgeding overeenkomstig het rechtszekerheidsbeginsel de mogelijkheid hebben om voor de rechter, nadat de door hem genomen uitvoeringsmaatregelen bekend zijn geworden en voordat hem in voorkomend geval een sanctie wordt opgelegd, aan te voeren dat hij de maatregelen heeft genomen die van hem konden worden verwacht om te verhinderen dat het verboden resultaat zou intreden.

55      De adressaat van een bevel als dat van het hoofdgeding moet bij de keuze van de ter nakoming van dat bevel te nemen maatregelen echter ervoor zorgen dat het grondrecht van de internetgebruikers op de vrijheid van informatie in acht wordt genomen.

56      In dit verband moeten de door de internetprovider genomen maatregelen dermate doelgericht zijn dat zij bijdragen tot de beëindiging van de door een derde op het auteursrecht of een naburig recht gemaakte inbreuk, zonder dat zij nadelige gevolgen hebben voor de internetgebruikers die gebruikmaken van de diensten van deze internetprovider om zich rechtmatig toegang te verschaffen tot de informatie. Anders zou de inmenging van die internetprovider in de vrijheid van informatie van die gebruikers, gelet op de nagestreefde doelstelling, ongerechtvaardigd blijken.

57      De nationale rechterlijke instanties moeten kunnen nagaan of dat het geval is. Bij een bevel als dat van het hoofdgeding moet echter worden opgemerkt dat de nationale rechterlijke instanties, ofschoon de internetprovider maatregelen neemt ter uitvoering van het opgelegde verbod, een dergelijke controle niet kunnen verrichten in het stadium van de executieprocedure, indien daartegen niet is opgekomen. Derhalve is het noodzakelijk dat de nationale procesregels, opdat de door het Unierecht erkende grondrechten niet in de weg staan aan de vaststelling van een bevel als dat van het hoofdgeding, de internetgebruikers de mogelijkheid bieden hun rechten voor de rechter te laten gelden nadat de door de internetprovider genomen uitvoeringsmaatregelen bekend zijn.

58      Wat in de tweede plaats het intellectuele-eigendomsrecht betreft, zij meteen erop gewezen dat niet is uitgesloten dat de uitvoering van een bevel als dat van het hoofdgeding niet leidt tot een volledige beëindiging van de op het intellectuele-eigendomsrecht van de belanghebbenden gemaakte inbreuken.

59      Ten eerste kan de adressaat van een dergelijk bevel, zoals is geconstateerd, aan zijn aansprakelijkheid ontkomen en hoeft hij aldus niet bepaalde eventueel uitvoerbare maatregelen te nemen, wanneer zij niet als redelijke maatregelen kunnen worden aangemerkt.

60      Ten tweede is het niet uitgesloten dat geen middel ter volledige beëindiging van inbreuken op het intellectuele-eigendomsrecht bestaat of praktisch realiseerbaar is, wat tot gevolg zou hebben dat bepaalde genomen maatregelen in voorkomend geval op een of andere manier zouden kunnen worden omzeild.

61      Opgemerkt moet worden dat niet uit artikel 17, lid 2, van het Handvest volgt dat het intellectuele-eigendomsrecht onaantastbaar is en daarom noodzakelijkerwijs absolute bescherming moet genieten (zie in die zin arrest Scarlet Extended, punt 43).

62      De maatregelen die de adressaat van een bevel als dat van het hoofdgeding ter uitvoering van dit bevel neemt, moeten voldoende doeltreffend zijn om een effectieve bescherming van het betrokken grondrecht te verzekeren, wat inhoudt dat zij tot gevolg moeten hebben dat niet-toegestane oproepingen van beschermde werken worden verhinderd of minstens bemoeilijkt en zij internetgebruikers die gebruikmaken van de diensten van de adressaat van dat bevel ernstig ontraden om zich toegang te verschaffen tot deze in strijd met genoemd grondrecht voor hen beschikbaar gestelde werken.

63      Bijgevolg kan echter niet worden aangenomen dat de maatregelen die zijn genomen ter uitvoering van een bevel als dat van het hoofdgeding, ofschoon zij in voorkomend geval niet kunnen leiden tot een volledige beëindiging van de op het intellectuele-eigendomsrecht gemaakte inbreuken, onverenigbaar zijn met het overeenkomstig artikel 52, lid 1, in fine, van het Handvest na te streven rechtvaardige evenwicht tussen alle toepasselijke grondrechten, evenwel op de dubbele voorwaarde dat zij de internetgebruikers niet nodeloos de mogelijkheid ontzeggen om zich rechtmatig toegang tot de beschikbare informatie te verschaffen en dat zij tot gevolg hebben dat niet-toegestane oproepingen van beschermde werken worden verhinderd of minstens bemoeilijkt en zij internetgebruikers die gebruikmaken van de diensten van de adressaat van dat bevel ernstig ontraden om zich toegang te verschaffen tot deze in strijd met het intellectuele-eigendomsrecht voor hen beschikbaar gestelde werken.

64      Gelet op een en ander moet op de derde vraag worden geantwoord dat de door het Unierecht erkende grondrechten aldus moeten worden uitgelegd dat zij niet eraan in de weg staan dat een internetprovider bij rechterlijk bevel wordt verboden om zijn klanten toegang te verschaffen tot een website waarop beschermde werken zonder toestemming van de rechthebbenden online worden geplaatst, wanneer dit bevel niet preciseert welke maatregelen deze internetprovider moet nemen en niet aangeeft dat laatstgenoemde kan ontkomen aan dwangsommen wegens schending van dit bevel door aan te tonen dat hij alle redelijke maatregelen heeft genomen, evenwel op de dubbele voorwaarde dat de genomen maatregelen de internetgebruikers niet nodeloos de mogelijkheid ontzeggen om zich rechtmatig toegang tot de beschikbare informatie te verschaffen en dat deze maatregelen tot gevolg hebben dat niet-toegestane oproepingen van de beschermde werken worden verhinderd of minstens bemoeilijkt en zij internetgebruikers die gebruikmaken van de diensten van de adressaat van dat bevel ernstig ontraden om zich toegang te verschaffen tot deze in strijd met het intellectuele-eigendomsrecht voor hen beschikbaar gestelde werken, wat de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties dienen na te gaan.

 Vierde vraag

65      Gelet op het antwoord op de derde vraag behoeft de vierde vraag niet te worden beantwoord.

 Kosten

66      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij moet aldus worden uitgelegd dat een persoon die zonder toestemming van de rechthebbende op een website beschermde werken voor het publiek beschikbaar stelt in de zin van artikel 3, lid 2, van deze richtlijn, gebruikmaakt van de diensten van de als tussenpersoon in de zin van artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29 aan te merken internetprovider van de personen die zich toegang tot deze werken verschaffen.

2)      De door het Unierecht erkende grondrechten moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet eraan in de weg staan dat een internetprovider bij rechterlijk bevel wordt verboden om zijn klanten toegang te verschaffen tot een website waarop beschermde werken zonder toestemming van de rechthebbenden online worden geplaatst, wanneer dit bevel niet preciseert welke maatregelen deze internetprovider moet nemen en niet aangeeft dat laatstgenoemde kan ontkomen aan dwangsommen wegens schending van dit bevel door aan te tonen dat hij alle redelijke maatregelen heeft genomen, evenwel op de dubbele voorwaarde dat de genomen maatregelen de internetgebruikers niet nodeloos de mogelijkheid ontzeggen om zich rechtmatig toegang tot de beschikbare informatie te verschaffen en dat deze maatregelen tot gevolg hebben dat niet-toegestane oproepingen van de beschermde werken worden verhinderd of minstens bemoeilijkt en zij internetgebruikers die gebruikmaken van de diensten van de adressaat van dat bevel ernstig ontraden om zich toegang te verschaffen tot deze in strijd met het intellectuele-eigendomsrecht voor hen beschikbaar gestelde werken, wat de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties dienen na te gaan.

ondertekeningen


* Procestaal: Duits.