Language of document : ECLI:EU:F:2012:173

ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Derde kamer)

5 december 2012

Zaak F‑76/11

Diana Grazyte

tegen

Europese Commissie

„Openbare dienst – Bezoldiging – Ontheemdingstoelage – Voorwaarde van artikel 4, lid 1, sub b, van bijlage VII bij het Statuut – Referentieperiode van tien jaar – Aanvang – Afloop – Neutralisatie van periodes in dienst van internationale organisatie – Analoge toepassing van bepalingen van artikel 4, lid 1, sub a, van bijlage VII bij het Statuut”

Betreft: Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarmee Grazyte in wezen de nietigverklaring vordert van het besluit van het Bureau voor het beheer en de afwikkeling van de individuele rechten (PMO) van 25 augustus 2010 tot afwijzing van haar verzoek om toekenning van de ontheemdingstoelage.

Beslissing: Het beroep wordt verworpen. Verzoekster draagt haar eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van de Commissie.

Samenvatting

1.      Beroepen van ambtenaren – Volledige rechtsmacht – Geschillen van geldelijke aard in de zin van artikel 91, lid 1, van het Statuut – Begrip – Vordering tot veroordeling van instelling tot betaling van ontheemdingstoelage – Daaronder begrepen

(Ambtenarenstatuut, art. 91, lid 1)

2.      Ambtenaren – Beroepen van ambtenaren – Volledige rechtsmacht – Geschillen van geldelijke aard in de zin van artikel 91, lid 1, van het Statuut – Begrip – Vordering tot veroordeling van instelling tot betaling van ontheemdingstoelage – Daaronder begrepen

(Ambtenarenstatuut, bijlage VII, art. 4, lid 1, sub b; Regeling andere personeelsleden, art. 21)

3.      Ambtenaren – Bezoldiging – Ontheemdingstoelage – Voorwaarden voor toekenning – Tijdelijk functionaris die nationaliteit van lidstaat van tewerkstelling bezit – Gewone verblijfplaats buiten die staat gedurende referentieperiode – Bepaling van tijdstip van aanvang van die periode – Neutralisatie van periodes in dienst van staat of van internationale organisatie

(Ambtenarenstatuut, bijlage VII, art. 4, lid 1, sub b; Regeling andere personeelsleden, art. 21)

1.      Vorderingen tot veroordeling van een instelling tot betaling van een ontheemdingstoelage en van vertragingsrente, moeten worden geacht hetzelfde voorwerp te hebben als vorderingen die erop zijn gericht een besluit van het Bureau voor het beheer en de afwikkeling van de individuele rechten om aan de betrokkene geen ontheemdingstoelage toe te kennen, voor te leggen aan het Gerecht voor ambtenarenzaken, aangezien de gemeenschapsrechter in geschillen van geldelijke aard op grond van de volledige rechtsmacht die hij aan artikel 91, lid 1, van het Statuut ontleent de bij hem aanhangige gedingen volledig dient te beslechten, dat wil zeggen, met name, uitspraak dient te doen over alle rechten en plichten van het personeelslid, tenzij hij de uitvoering van een deel van het arrest onder door hem vast te stellen precieze voorwaarden en onder zijn toezicht aan de betrokken instelling overlaat.

(cf. punt 25)

Referentie:

Hof: 18 december 2007, Weißenfels/Parlement, C‑135/06 P, punt 67

2.      De bepalingen van artikel 4, lid 1, sub b, van bijlage VII bij het Statuut moeten aldus worden uitgelegd dat wanneer een persoon die om toekenning van de ontheemdingstoelage verzoekt voor verschillende, aparte agentschappen heeft gewerkt, als datum waarop de referentieperiode verstrijkt de datum moet worden aangehouden waarop de betrokkene bij het betrokken agentschap in dienst is getreden, zoals vastgesteld in de overeenkomst van tijdelijk functionaris op grond waarvan om toekenning van de ontheemdingstoelage wordt verzocht.

(cf. punt 46)

Referentie:

Hof: 24 januari 2008, Adam/Commissie, C‑211/06 P, punten 38 en 39

3.      Wat de referentieperiode van artikel 4, lid 1, sub b, van bijlage VII bij het Statuut betreft, moet, naar analogie van de bepalingen van artikel 4, lid 1, sub a, van diezelfde bijlage, elke periode waarin een persoon in dienst van een staat of van een internationale organisatie is geweest, worden geneutraliseerd, hetgeen betekent dat het feit dat iemand in dienst is geweest van een staat of van een internationale organisatie deze persoon niet het recht ontneemt op toekenning van de ontheemdingstoelage, maar dat de aanvang van de referentieperiode verder moet worden uitgesteld, teneinde na te gaan of de betrokkene wel degelijk tien jaar heeft doorgebracht buiten het Europese grondgebied van de staat waarvan hij de nationaliteit bezit of heeft bezeten, zonder gedurende die tien jaar te hebben gewerkt in dienst van een staat of van een internationale organisatie.

Artikel 4, lid 1, sub b, van bijlage VII bij het Statuut bevat geen enkele aanwijzing op grond waarvan kan worden gesteld dat, om te bepalen wanneer de referentieperiode aanvangt, de periodes waarin werkzaamheden zijn verricht voor rekening van een staat of een internationale organisatie niet moeten worden geneutraliseerd.

(cf. punten 50 en 51)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: 25 september 2007, Cavallaro/Commissie, F‑108/05, punt 74