Language of document : ECLI:EU:F:2012:158

ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Eerste kamer)

20 november 2012

Zaak F‑10/11

Dorina Maria Ghiba

tegen

Europese Commissie

„Openbare dienst – Intern vergelijkend onderzoek – Niet-toelating tot vergelijkend onderzoek – Toelatingsvoorwaarden – Begrip onder de Commissie geplaatste diensten”

Betreft: Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarbij Ghiba vraagt om nietigverklaring van het besluit van de jury van intern vergelijkend onderzoek COM/INT/EU2/10/AST 3 tot afwijzing van haar sollicitatie, op grond dat zij niet voldeed aan bepaalde toelatingsvoorwaarden.

Beslissing: Het beroep wordt verworpen. Verzoekster draagt haar eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van de Commissie. De Raad draagt zijn eigen kosten.

Samenvatting

Ambtenaren – Vergelijkend onderzoek – Intern vergelijkend onderzoek – Toelatingsvoorwaarden – Behorend tot personeel van de Commissie of tot onder haar geplaatste dienst – Kandidaat die behoort tot personeel van uitvoerend agentschap – Daarvan uitgesloten

(Art. 308 EG; verordening nr. 58/2003 van de Raad, punt 19 van de considerans en art. 9, leden 1 en 5, 11, lid 6, en 18)

Een uitvoerend agentschap, zoals het Uitvoerend Agentschap onderzoek (REA), kan niet worden aangemerkt als een onder de Commissie geplaatste dienst. Een kandidaat voor een intern vergelijkend onderzoek bij de Commissie kan in zijn hoedanigheid van arbeidscontractant van REA derhalve niet worden aangemerkt als behorend tot het personeel van de Commissie of van de onder haar geplaatste diensten.

De bevoegdheid van de Commissie om haar diensten op te richten en te organiseren strekt zich immers niet uit tot uitvoerende agentschappen. Het is juist dat de wetgever van de Unie, handelend op basis van artikel 308 EG, haar de bevoegdheid heeft verleend om uitvoerende agentschappen op te richten als afzonderlijke juridische entiteiten. Artikel 9, lid 1, van verordening nr. 58/2003, tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s worden gedelegeerd, bepaalt echter dat het directiecomité van het uitvoerend agentschap zijn reglement van orde vaststelt. De Commissie draagt weliswaar de verantwoordelijkheid voor en organiseert haar diensten, doch volgens artikel 9, lid 5, staat het aan het directiecomité van het uitvoerend agentschap om te beslissen over de organisatie van de diensten van het uitvoerend agentschap.

Punt 19 van de considerans van verordening nr. 58/2003 maakt in dit opzicht een duidelijk onderscheid tussen de diensten van de Commissie enerzijds en de uitvoerende agentschappen anderzijds. Wat het personeel van het uitvoerend agentschap betreft, blijkt voorts uit artikel 11, lid 6, van die verordening dat de directeur van het uitvoerend agentschap ten aanzien van het personeel daarvan de bevoegdheden uitoefent die volgens de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie toekomen aan het tot het sluiten van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag. Ten slotte blijkt uit artikel 18 van die verordening dat het personeel van het uitvoerend agentschap onder andere uit tijdelijke functionarissen en andere personeelsleden bestaat, die rechtstreeks door het agentschap worden aangeworven.

(cf. punten 34, 36‑40, 43 en 44)

Referentie:

Gerecht van de Europese Unie: 21 oktober 2010, Agapiou Joséphidès/Commissie en EACEA, T‑439/08, punten 35 en 43