Language of document : ECLI:EU:F:2012:148

BESCHIKKING VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Derde kamer)

25 oktober 2012

Zaak F‑8/12

BY

tegen

Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA)

„Personeel van EASA – Tijdelijk functionaris – Voorafgaande administratieve procedure – Overeenstemming tussen klacht en beroep – Beroep deels kennelijk niet-ontvankelijk”

Betreft: Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarbij BY vraagt om vergoeding van de schade die hij zou hebben geleden door het besluit van de uitvoerend directeur van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (hierna: „EASA” of „Agentschap”) van 10 juni 2011 om hem met ingang van 15 december daaraanvolgend te ontslaan en door het psychisch geweld dat hij in het kader van zijn arbeidsverhouding binnen het Agentschap zou hebben ondervonden.

Beslissing: Het beroep van BY wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, met uitzondering van de vordering om EASA te veroordelen tot betaling van een vergoeding voor de schade die is geleden door het ontslag en uitsluitend voor zover in dat opzicht de grief ontleend aan schending van de zorgplicht is aangevoerd. De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.

Samenvatting

1.      Beroepen van ambtenaren – Beroep tot schadevergoeding – Bestaan van bezwarend besluit – Mogelijkheid om beroep tot schadevergoeding in te stellen zonder verzoek om nietigverklaring van besluit – Voorwaarden voor ontvankelijkheid

(Ambtenarenstatuut, art. 90, lid 2)

2.      Beroepen van ambtenaren – Beroep tot schadevergoeding – Beroep uit hoofde van verplichting van administratie om schade te vergoeden die ambtenaar door derde heeft geleden – Ontvankelijkheid – Voorwaarde – Uitputting van nationale beroepsmogelijkheden – Uitzondering – Ontbreken van doeltreffende beroepen

(Ambtenarenstatuut, art. 24, tweede alinea)

1.      Is er sprake van een bezwarend besluit in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut, dan moet de precontentieuze procedure beginnen met een klacht tegen dat besluit, waarbij niets zich ertegen verzet dat de betrokkene reeds in dit stadium uitsluitend om vergoeding van de door dat besluit geleden schade vraagt, zonder om de intrekking van dat besluit te vragen.

Wil het beroep echter ontvankelijk zijn, dan mag het noch het voorwerp noch de grond van de klacht wijzigen. Wat in de eerste plaats het voorwerp van de in de klacht respectievelijk het beroep genoemde schadevorderingen betreft, kan het verschil in de hoogte van de beoordeling van het bedrag van de vergoeding niet de identiteit van het voorwerp ter discussie stellen, wanneer in beide gevallen wordt gevraagd om vergoeding van de schade als gevolg van het bestreden besluit. Bovendien kunnen schadevorderingen hetzij in de klacht worden geformuleerd, hetzij voor het eerst in het verzoekschrift, bij de betwisting van een bezwarend besluit. A fortiori kan een benadeelde ambtenaar of functionaris het bedrag van de in zijn klacht gevraagde schadevergoeding wijzigen in het stadium van het beroep in rechte.

Wat in de tweede plaats de grond van de klacht respectievelijk het beroep betreft, is er normaliter alleen sprake van wijziging van de grond van het geschil en, dientengevolge, van niet-inachtneming van de regel van overeenstemming, indien de betrokkene, die in zijn klacht alleen bezwaren heeft geuit tegen de formele geldigheid van het voor hem bezwarend besluit, daaronder begrepen de procedurele aspecten ervan, in het verzoekschrift middelen ten gronde aanvoert of in het omgekeerde geval wanneer hij, na in zijn klacht uitsluitend de wettigheid ten gronde van het voor hem bezwarend besluit te hebben betwist, een verzoekschrift indient dat middelen betreffende de formele geldigheid ervan bevat, daaronder begrepen de procedurele aspecten ervan.

(cf. punten 41, 43, 45 en 46)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 13 mei 2005, Dionyssopoulou/Raad, T‑284/02, punten 61‑63

Gerecht voor ambtenarenzaken: 21 februari 2008, Skoulidi/Commissie, F‑4/07, punten 60‑67; 1 juli 2010, Mandt/Parlement, F‑45/07, punten 109 en 120, en aangehaalde rechtspraak

2.      Artikel 24, tweede alinea, van het Statuut heeft tot doel, vergoeding te bieden voor schade die een ambtenaar of functionaris heeft geleden door een van de in de eerste alinea van dat artikel bedoelde handelingen van derden of andere ambtenaren, op voorwaarde dat hij geen vergoeding heeft kunnen krijgen van degene die de schade heeft veroorzaakt. De ontvankelijkheid van het beroep tot schadevergoeding dat een ambtenaar of functionaris krachtens artikel 24, tweede alinea, van het Statuut heeft ingesteld hangt dus af van de uitputting van de nationale beroepsmogelijkheden, voor zover deze een doeltreffende bescherming van de betrokkenen verzekeren en kunnen leiden tot vergoeding van de gestelde schade.

(cf. punt 50)

Referentie:

Hof: 5 oktober 2006, Schmidt-Brown, C‑365/05 P, punt 78

Gerecht van eerste aanleg: 9 maart 2005, L/Commissie, T‑254/02, punt 148

Gerecht van de Europese Unie: 12 juli 2011, Commissie/Q, T‑80/09 P, punt 67