Language of document : ECLI:EU:C:2014:221

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

P. CRUZ VILLALÓN

van 3 april 2014 (1)

Zaak C‑3/13

Baltic Agro AS

tegen

Maksu- ja Tolliameti Ida maksu- ja tollikeskus

[verzoek van de Tartu Ringkonnakohus (Estland) om een prejudiciële beslissing]

„Gemeenschappelijke handelspolitiek – Dumping – Definitief antidumpingrecht op invoer van ammoniumnitraat uit Rusland – Verordening (EG) nr. 2022/95 – Nieuw onderzoek in verband met vervallen van maatregelen – Verordening (EG) nr. 661/2008 – Prijsverbintenissen – Besluit 2008/577/EG – Voorwaarden voor vrijstelling van antidumpingrecht – Eerste onafhankelijke afnemer – Importeur die ammoniumnitraatmeststof heeft gekocht van Russische exporteur via derde onderneming – Douanewetboek van de Unie – Verordening (EEG) nr. 2913/92 – Douaneaangifte – Ongeldigverklaring op verzoek van aangever na vrijgave van goederen – Artikel 66”





1.        Primair wordt het Hof in de onderhavige zaak verzocht om uitspraak te doen over een aantal prejudiciële vragen betreffende de uitlegging van de regeling van de Unie tot instelling van een definitief antidumpingrecht op ammoniumnitraat van oorsprong uit Rusland en van de douaneregeling van de Unie inzake de voorwaarden waaronder douaneaangiften op verzoek van de aangever ongeldig kunnen worden gemaakt. Subsidiair wordt een prejudiciële vraag gesteld betreffende de geldigheid van de bepalingen van deze douaneregeling.

2.        Deze vragen zijn voorgelegd in het kader van een geding tussen een importeur van uit Rusland afkomstig ammoniumnitraat en de douaneadministratie van de lidstaat waar hij is gevestigd, naar aanleiding van de weigering van deze administratie om hem de vrijstelling van het antidumpingrecht toe te kennen waarin de regeling voorziet die van toepassing is op goederen die worden verkregen van een Russische producent die prijsverbintenissen is aangegaan die door de Europese Commissie zijn aanvaard.

3.        Aangezien deze vrijstelling in casu is geweigerd omdat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde invoer, die met bemiddeling van een andere onderneming is verricht, niet voldeed aan de bij voornoemde regeling voor de toekenning van de vrijstelling gestelde formele voorwaarden, verzoekt de verwijzende rechter het Hof om verduidelijking over de uitlegging en de draagwijdte van de bepalingen van de antidumpingregeling waarbij deze formele voorwaarden zijn vastgesteld, alsook over de geldigheid, gelet op het gelijkheidsbeginsel, van de bepalingen van de douaneregeling die eraan in de weg staan dat de betrokken importeur kan verzoeken om de douaneaangiften betreffende de invoer in kwestie ongeldig te maken en om op die manier voor die vrijstelling in aanmerking te komen.

I –    Toepasselijke bepalingen

A –    Recht van de Unie

1.      De toepasselijke antidumpingregeling

4.        Op 16 augustus 1995 heeft de Raad van de Europese Unie bij verordening (EG) nr. 2022/95(2) een definitief antidumpingrecht ingesteld op de invoer van ammoniumnitraat uit Rusland. Dit aanvankelijke antidumpingrecht is nadien gewijzigd en vervolgens meermaals verlengd, onder meer ingevolge verzoeken om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen of een tussentijds onderzoek, welke verzoeken zowel van de vertegenwoordigers van de bedrijfstak van de Gemeenschap als van de betrokken producenten-exporteurs uitgingen.

5.        Niet alle in deze context vastgestelde verordeningen zijn evenwel rechtstreeks relevant om het hoofdgeding af te doen. Het is vooral verordening (EG) nr. 661/2008 van de Raad(3) die van belang is.

6.        De artikelen 1 en 2 van verordening nr. 661/2008 voorzien in de heffing van definitieve antidumpingrechten – van verschillende hoogte – op ammoniumnitraat en bepaalde meststoffen en op andere ammoniumnitraat bevattende producten die door Eurochem en met deze vennootschap verbonden ondernemingen worden geproduceerd enerzijds, en ten aanzien van alle andere Russische exportondernemingen anderzijds.

7.        Artikel 3, lid 1, van verordening nr. 661/2008 bepaalt:

„1.      Ingevoerde goederen die voor het vrije verkeer zijn aangegeven en zijn gefactureerd door ondernemingen waarvan de Commissie verbintenissen heeft aanvaard en wier namen zijn vermeld in besluit 2008/577/EG, zoals di[t] van tijd tot tijd wordt gewijzigd, zijn vrijgesteld van de bij artikel 2 ingestelde antidumpingrechten op voorwaarde dat:

–        de goederen door de genoemde ondernemingen zijn vervaardigd en verzonden en door hen direct aan de eerste onafhankelijke afnemer in de Europese Unie zijn gefactureerd, en

–        de goederen vergezeld gaan van een geldige verbintenisfactuur, zijnde een handelsfactuur die ten minste de gegevens en de verklaring bevat die in de bijlage zijn vermeld, en

–        de goederen die bij de douane worden aangegeven en aangeboden, exact overeenstemmen met de beschrijving in de verbintenisfactuur.”

8.        Bij het in artikel 3 van verordening nr. 661/2008 genoemde besluit 2008/577/EG van de Commissie(4) heeft deze laatste de prijsverbintenissen aanvaard die overeenkomstig artikel 8, lid 1, van verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap(5) waren aangeboden door de Russische producenten-exporteurs van ammoniumnitraat „JSC Acron, Veliky Novgorod, Rusland, en JSC Dorogobuzh, Dorogobuzh, Rusland, die tot de ‚Acron’ Holding Company behoren”.

2.      Het douanewetboek van de Unie

9.        In het hoofdgeding zijn eveneens vragen gerezen over de uitlegging en de geldigheid van bepalingen van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek(6), inzonderheid van artikel 66 ervan, houdende de voorwaarden waaronder een douaneaangifte op verzoek van de aangever ongeldig kan worden gemaakt, en van artikel 220, lid 2, van dit wetboek, houdende vaststelling van de voorwaarden voor vrijstelling van boeking achteraf van de invoerrechten wegens een vergissing van de douaneautoriteiten, alsook van artikel 251 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van het douanewetboek(7), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 312/2009 van de Commissie van 16 april 2009(8), welk artikel de voorwaarden definieert waaronder een douaneaangifte – in afwijking van artikel 66, lid 2, van het douanewetboek – ongeldig kan worden gemaakt nadat vrijgave van de goederen is verleend.

10.      De tekst van de relevante bepalingen zal in de loop van de uiteenzetting, waar nodig, worden aangehaald.

II – Feiten in het hoofdgeding

11.      Ten oorsprong aan het hoofdgeding ligt een beschikking van de Maksu- ja Tolliameti Ida maksu- ja tollikeskus (belasting- en douanedienst – belasting- en douanekantoor Oost)(9), waarbij na een controle achteraf van Baltic Agro AS (hierna: „Baltic Agro”) betaling is gevorderd van antidumpingrechten en btw over de invoer van ammoniumnitraatmeststof uit Rusland.

12.      De antidumpingrechten op de invoer van ammoniumnitraat van oorsprong uit Rusland, die aanvankelijk bij verordening nr. 2022/95, zoals herhaaldelijk gewijzigd, werden opgelegd, zijn die waarin thans verordening nr. 661/2008 voorziet.

13.      In casu heeft Baltic Agro van oktober 2009 tot januari 2010 meerdere tonnen ammoniumnitraatmeststof gekocht van de in Rusland gevestigde onderneming JSC Acron en daarvoor een beroep gedaan op een tussenpersoon, de Estse vennootschap Magnet Group OÜ.(10) Daartoe zijn tussen Magnet Group en JSC Acron, enerzijds, en Magnet Group en Baltic Agro, anderzijds, verschillende koopovereenkomsten gesloten.

14.      In januari en februari 2010 hebben twee douane-expediteurs voor deze invoer vijf douaneaangiften ingediend, waarin opgave werd gedaan van Baltic Agro als ontvanger van de ingevoerde goederen, en tweemaal van JSC Acron en driemaal van de Letse vervoeronderneming OOO Ventoil als verzenders.

15.      Op 1 maart en 23 april 2010 hebben deze douane-expediteurs bij de MTA een verzoek om nietigverklaring van die aangiften ingediend, aangezien Baltic Agro als ontvangster van de goederen was vermeld, in plaats van Magnet Group.

16.      Op 3 maart 2010 heeft de MTA een controle achteraf van de vijf douaneaangiften verricht, teneinde na te gaan of de douanewaarde van de ingevoerde goederen juist was en de invoerrechten correct waren berekend en betaald.

17.      Op 31 mei 2010 heeft de MTA op basis van de controle achteraf twee belastingheffingen vastgesteld waarbij Baltic Agro betaling van de douanerechten en de btw over de ingevoerde goederen werd gelast, op grond dat de bij artikel 3, lid 1, van verordening nr. 661/2008 voor de vrijstelling van de douanerechten gestelde voorwaarden niet waren vervuld.

18.      Op 31 mei 2010 heeft Baltic Agro bij de Tartu Halduskohus (Administratieve rechtbank te Tartu, Estland) beroep tot nietigverklaring van deze heffingsberichten ingesteld en aangevoerd dat het feit dat zij voor de betrokken invoer van de meststof een beroep had gedaan op een onderneming als tussenpersoon, geen rol speelde op fiscaal gebied.

19.      Haar vordering is afgewezen bij beslissing van 25 april 2011. De Tartu Halduskohus was van oordeel dat Baltic Agro geen aanspraak kon maken op de vrijstelling, aangezien zij de ingevoerde goederen niet rechtstreeks van de producent had verkregen.

20.      Op 25 mei 2011 heeft Baltic Agro hoger beroep ingesteld bij de Tartu Ringkonnakohus (Administratief beroepshof te Tartu, Estland). Zij vordert dat de beslissing van de Tartu Halduskohus wordt vernietigd, haar beroep wordt toegewezen en het Hof bij wege van een prejudiciële vraag om uitlegging van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 661/2008 wordt verzocht.

III – Prejudiciële vragen en procesverloop voor het Hof

21.      In die omstandigheden heeft de Tartu Ringkonnakohus (Estland) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een beslissing over de volgende prejudiciële vragen:

„1)      Moet artikel 3, lid 1, van verordening nr. 661/2008 [...] aldus worden uitgelegd dat de importeur en de eerste onafhankelijke afnemer in de Gemeenschap steeds dezelfde persoon dienen te zijn?

2)      Moet artikel 3, lid 1, van verordening nr. 661/2008 [...], juncto besluit 2008/577 [...], aldus worden uitgelegd dat de vrijstelling van het antidumpingrecht enkel geldt voor een dergelijke eerste onafhankelijke afnemer in de Gemeenschap die de aan te geven waren niet vóór de aangifte heeft doorverkocht?

3)      Moet artikel 66 van [...] het [...] douanewetboek, juncto artikel 251 van [de uitvoeringsverordening] en de andere procedurevoorschriften betreffende nadien aan de douaneaangifte aangebrachte wijzigingen, aldus worden uitgelegd dat wanneer bij de invoer van goederen niet de juiste ontvanger in de aangifte is vermeld, de aangifte op verzoek ook ná de vrijgave van de goederen ongeldig moet kunnen worden gemaakt en de vermelding van de ontvanger moet kunnen worden verbeterd, ingeval de in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 661/2008 [...] bedoelde vrijstelling had moeten worden toegepast indien de juiste ontvanger zou zijn vermeld, of dient artikel 220, lid 2, sub b, van [...] het [...] douanewetboek in die omstandigheden aldus te worden uitgelegd dat de douaneautoriteiten in dat geval niet tot boeking achteraf mogen overgaan?

4)      Indien beide [in de derde vraag] geformuleerde vragen ontkennend moeten worden beantwoord, is het dan verenigbaar met artikel 20 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, juncto artikel 28, lid 1, en artikel 31 VWEU, dat artikel 66 van [...] het [...] douanewetboek, juncto artikel 251 van [de uitvoeringsverordening] en de andere procedurevoorschriften betreffende nadien aan de douaneaangifte aangebrachte wijzigingen, niet toestaat dat een aangifte op verzoek ook na de vrijgave van de goederen ongeldig wordt gemaakt en de vermelding van de ontvanger wordt verbeterd, ingeval de in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 661/2008 [...] bedoelde vrijstelling had moeten worden toegepast indien de juiste ontvanger zou zijn vermeld?”

22.      De Estse regering alsook de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Aangezien het Hof zich voldoende voorgelicht acht om uitspraak te doen, heeft het overeenkomstig artikel 76, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering beslist om geen pleitzitting te houden.

IV – Eerste en tweede vraag

A –    Opmerkingen vooraf

23.      Met zijn eerste twee vragen, die samen moeten worden onderzocht, verzoekt de verwijzende rechter het Hof in wezen om verduidelijking over de werkingssfeer ratione personae van de vrijstelling van het antidumpingrecht op de invoer van ammoniumnitraat van oorsprong uit Rusland die in artikel 3 van verordening nr. 661/2008, juncto artikel 1 van besluit 2008/577 is opgenomen.

24.      Artikel 3 van verordening nr. 661/2008 voorziet immers in een vrijstelling van de antidumpingrechten die deze verordening oplegt ten aanzien van de invoer van ammoniumnitraat van oorsprong uit Rusland die is gefactureerd door ondernemingen waarvan de Commissie verbintenissen heeft aanvaard en waarvan de namen in besluit 2008/577 zijn vermeld. Artikel 1 van dit besluit maakt ter zake melding van „JSC Acron, Veliky Novgorod, Rusland, en JSC Dorogobuzh, Dorogobuzh, Rusland, die tot de ‚Acron’ Holding Company behoren”.

25.      Voor de toekenning van deze vrijstelling dient echter inzonderheid de voorwaarde van artikel 3, lid 1, eerste streepje, van verordening nr. 661/2008 te zijn vervuld, namelijk dat de ingevoerde goederen door de genoemde ondernemingen zijn vervaardigd en verzonden en door hen direct aan de eerste onafhankelijke afnemer in de Gemeenschap zijn gefactureerd. Bovendien bepaalt punt 8 van de bijlage bij verordening nr. 661/2008 dat op de handelsfactuur die de in het kader van de prijsverbintenis geleverde goederen dient te vergezellen, „de naam van de onderneming die als importeur [...] de rechtstreekse ontvanger is”, moet zijn vermeld.

26.      In de zaak in het hoofdgeding staat evenwel vast dat de invoer van de ammoniumnitraatmeststof door Baltic Agro is verricht via de tussenkomst van de Estse onderneming Magnet Group, dat de met de prijsverbintenissen overeenstemmende facturen op naam van Magnet Group zijn opgesteld en dat Baltic Agro de desbetreffende douaneaangifte heeft ingediend. Tevens staat vast dat de MTA heeft geweigerd Baltic Agro de vrijstelling van antidumpingrechten te verlenen, juist omdat deze de ammoniumnitraatmeststof niet rechtstreeks van JSC Acron had betrokken.

27.      Om die reden vraagt de verwijzende rechter het Hof meer bepaald of de importeur en de eerste onafhankelijke afnemer noodzakelijkerwijs dezelfde persoon dienen te zijn en ook of de vrijstelling enkel geldt voor de eerste onafhankelijke afnemer die de goederen niet heeft doorverkocht vóórdat hij ze heeft aangegeven.

B –    Opmerkingen van partijen

28.      De Estse regering is samen met de Commissie de enige die op deze vragen is ingegaan(11) en zij zijn het – op basis van verschillende redeneringen – erover eens dat de in artikel 3 van verordening nr. 661/2008 vastgestelde vrijstelling van antidumpingrechten enkel geldt voor de persoon die zowel de importeur als de eerste onafhankelijke afnemer in de Gemeenschap is die de goederen niet heeft doorverkocht vóórdat hij ze heeft aangegeven.

29.      In casu komen in het hoofdgeding noch Baltic Agro noch Magnet Group in aanmerking voor die vrijstelling. Baltic Agro is weliswaar de importeur, maar niet de eerste onafhankelijke afnemer in de Gemeenschap, aangezien zij de goederen bij Magnet Group heeft gekocht. Magnet Group is de eerste onafhankelijke afnemer in de Gemeenschap, maar heeft de goederen doorverkocht aan Baltic Agro voordat deze goederen het douanegebied van de Gemeenschap zijn binnengebracht, waarvoor Baltic Agro de douaneformaliteiten heeft verricht.

30.      Baltic Agro is daarentegen in wezen van mening dat verordening nr. 661/2008 geenszins aangeeft dat de importeur en de eerste onafhankelijke afnemer dezelfde persoon dienen te zijn en dat het de eerste onafhankelijke afnemer is die de aangifte absoluut op zijn eigen naam moet indienen om aanspraak te kunnen maken op de vrijstelling. Er is overigens geen enkele reden om deze vrijstelling te weigeren, aangezien geen enkele twijfel bestaat over de oorsprong, de inhoud, de hoeveelheid en de waarde van de goederen en de identiteit van de afnemer, noch over het feit dat de producent-exporteur zijn verbintenissen is nagekomen.

C –    Analyse

31.      Uit punt 159 van de considerans van verordening nr. 661/2008 blijkt dat de drie bij artikel 3 van deze verordening gestelde voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat de ingevoerde goederen door de exporterende ondernemingen zijn vervaardigd en verzonden en door hen direct aan de eerste onafhankelijke afnemer in de Gemeenschap zijn gefactureerd, verband houden met de noodzaak om „de Commissie en de douaneautoriteiten nog beter in staat te stellen effectief toezicht op de naleving van de verbintenissen door de ondernemingen uit te oefenen [...] wanneer de aanvraag voor het vrije verkeer bij de douaneautoriteit wordt ingediend”. Punt 21 van de considerans van besluit 2008/577 neemt diezelfde motivering grotendeels over.

32.      Bovendien heeft de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen erop gewezen dat de bepalingen betreffende de rechtstreekse verkoop er in hoofdzaak toe strekken om haar in staat te stellen de minimuminvoerprijs waartoe de producenten-exporteurs zich hebben verbonden, op transparante wijze te controleren, aangezien elke latere verkoop aanvullende kosten kan meebrengen die deze prijzen kunnen beïnvloeden.

33.      De specifieke vereisten waarin artikel 3, lid 1, eerste streepje, van verordening nr. 661/2008 voorziet, zijn dus voornamelijk ingegeven door overwegingen die verband houden met de controle – zowel door de Commissie als door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten – van de naleving door de producenten-exporteurs van de door hen aangegane prijsverbintenissen op basis waarvan zij in aanmerking komen voor de vrijstelling van het antidumpingrecht op ammoniumnitraat.

34.      In dit verband moet worden opgemerkt dat deze vereisten niet waren opgenomen in het voordien bestaande stelsel dat was vastgesteld in de bij verordening (EG) nr. 993/2004 van de Raad(12) ingevoerde regeling tot instelling van een antidumpingrecht op de invoer van ammoniumnitraat van oorsprong uit Rusland. Bij laatstgenoemde verordening, die is vastgesteld om de betrokken regeling aan te passen ter gelegenheid van de toetreding van de tien nieuwe lidstaten tot de Europese Unie op 1 mei 2004, is namelijk een artikel 1 bis aan verordening (EG) nr. 658/2002 van de Raad(13) toegevoegd dat voorzag in soortgelijke vereisten maar die niet identiek waren aan de voorwaarde van artikel 3, lid 1, eerste streepje, van verordening nr. 661/2008.(14) Laatstgenoemde voorwaarde was evenmin opgenomen in de verordeningen houdende aanvaarding van de verbintenissen waarvan de vrijstelling van verordening nr. 993/2004 afhing.(15)

35.      Noch verordening nr. 661/2008, noch besluit 2008/577 verstrekken evenwel nadere preciseringen over de concrete redenen die aan de invoering van deze nieuwe voorwaarden ten grondslag lagen.

36.      Geconstateerd moet dan ook worden dat noch op basis van verordening nr. 661/2008, noch op basis van besluit 2008/577 kan worden vastgesteld of de importeur en de eerste onafhankelijke afnemer noodzakelijkerwijs eenzelfde persoon dienen te zijn en dat daaruit evenmin kan worden afgeleid waarom dat het geval zou moeten zijn.

37.      De vereisten van artikel 3, lid 1, eerste streepje, van verordening nr. 661/2008, die als zodanig volkomen in de lijn liggen van de logica die met de prijsverbintenissen en de daarvoor noodzakelijke controle gepaard gaat, verlangen evenwel klaar en duidelijk dat de vrijstelling van het antidumpingrecht enkel kan worden toegekend indien inzonderheid de voorwaarde vervuld is dat de invoer door de producenten-exporteurs rechtstreeks is gefactureerd en verzonden aan de eerste onafhankelijke afnemer in de Gemeenschap.

38.      Uit de verwijzingsbeslissing blijkt duidelijk dat Baltic Agro niet kan worden geacht aan deze dubbele voorwaarde te voldoen.

39.      Bovendien is niet aangetoond – en zelfs niet aangevoerd – dat deze vereisten kennelijk ongeschikt dan wel onevenredig zouden om de erdoor nagestreefde controledoelstelling te bereiken.

40.      Bijgevolg geef ik het Hof in overweging om op de eerste en de tweede prejudiciële vraag te antwoorden dat artikel 3 van verordening nr. 661/2008 aldus moet worden uitgelegd dat de vrijstelling van het antidumpingrecht waarin dit artikel ten behoeve van de in besluit 2008/577 genoemde producenten-exporteurs voorziet, enkel geldt voor goederen die door deze laatsten rechtstreeks zijn gefactureerd en verzonden aan de eerste onafhankelijke afnemer in de Gemeenschap die de goederen niet heeft doorverkocht alvorens hij deze waren heeft aangegeven bij de douane.

V –    Derde en vierde vraag

A –    Opmerkingen vooraf

41.      Met zijn derde vraag stelt de verwijzende rechter het Hof een tweeledige vraag omtrent de uitlegging van verschillende bepalingen van het douanewetboek en de uitvoeringsverordening. Om te beginnen vraagt hij zich af of de nationale douaneautoriteiten overeenkomstig artikel 66 van het douanewetboek en artikel 251 van de uitvoeringsverordening een douaneaangifte ongeldig kunnen maken op verzoek, nadat de goederen zijn vrijgegeven, wanneer dit verzoek is gebaseerd op een vergissing in de aanduiding van de ontvanger van de goederen en deze goederen zonder die vergissing zouden zijn vrijgesteld van het antidumpingrecht. Subsidiair vraagt hij vervolgens of artikel 220, lid 2, sub b, van het douanewetboek in omstandigheden zoals die in het hoofdgeding aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat die autoriteiten tot een boeking achteraf van dit recht overgaan.

42.      Met zijn vierde prejudiciële vraag verzoekt de verwijzende rechter het Hof om – afhankelijk van het antwoord dat op de derde vraag wordt gegeven – de geldigheid van artikel 66 van het douanewetboek juncto artikel 251 van de uitvoeringsverordening te beoordelen. Hij vraagt zich meer bepaald af of het feit dat op basis van deze bepalingen een douaneaangifte niet op verzoek ongeldig kan worden gemaakt en de daaruit voortvloeiende onmogelijkheid om de bij artikel 3 van verordening nr. 661/2008 vastgestelde vrijstelling van het antidumpingrecht toe te kennen, verenigbaar zijn met artikel 20 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) en met de artikelen 28, lid 1, VWEU en 31 VWEU.

B –    Opmerkingen van partijen

43.      Volgens de Estse regering zijn de derde en de vierde vraag niet-ontvankelijk, aangezien zij op de onjuiste premisse berusten dat de douaneaangifte met betrekking tot de ontvanger van de goederen een vergissing bevatte. Daar het Baltic Agro is die de douaneformaliteiten heeft verricht om de goederen in het vrije verkeer te brengen, mocht Magnet Group niet als ontvanger van deze goederen in de douaneaangifte worden vermeld. Bijgevolg valt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie onder geen van de gevallen waarvan sprake is in artikel 66 van het douanewetboek en artikel 251 van de uitvoeringsverordening of in artikel 220, lid 2, van het douanewetboek. Hoe dan ook zijn het douanewetboek en de uitvoeringsverordening niet onverenigbaar met artikel 20 van het Handvest en met de artikelen 28, lid 1, VWEU en 31 VWEU.

44.      De Raad, die enkel de vierde vraag beantwoordt, is van mening dat het door artikel 20 van het Handvest gewaarborgde gelijkheidsbeginsel niet geldt voor een situatie waarin een douaneaangifte onjuist is ingevuld.

45.      De Commissie stelt zich, kort gezegd, op het standpunt dat de toepassingsvoorwaarden van artikel 66 van het douanewetboek en artikel 251 van de uitvoeringsverordening dan wel van artikel 220, lid 2, van het douanewetboek niet zijn vervuld. Bovendien kan het gelijkheidsbeginsel niet worden toegepast op een situatie zoals die in het hoofdgeding.

C –    Analyse

46.      In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat artikel 66, lid 1, van het douanewetboek de aangever de mogelijkheid biedt om – in afwijking van het beginsel van onherroepelijkheid van de douaneaangifte – de bevoegde douaneautoriteiten te verzoeken de door hem opgestelde douaneaangifte die zij reeds hebben aanvaard, ongeldig te maken, mits hij aantoont dat de goederen bij vergissing voor de in deze aangifte genoemde douaneregeling zijn aangegeven.(16) Artikel 66, lid 2, van het douanewetboek bepaalt echter dat de aangifte niet ongeldig kan worden gemaakt nadat de goederen zijn vrijgegeven, tenzij in bepaalde gevallen, die in artikel 251 van de uitvoeringsverordening zijn vastgesteld.

47.      Zoals de Commissie heeft opgemerkt, kan artikel 66 van het douanewetboek evenwel niet worden toegepast in omstandigheden zoals die in het hoofdgeding, aangezien geenszins wordt betoogd dat de goederen per vergissing onder de in de aangifte vermelde douaneregeling zijn geplaatst, te weten het in het vrije verkeer brengen ervan, maar enkel dat deze aangifte een fout bevatte met betrekking tot de ontvanger van de goederen, namelijk doordat Baltic Agro in plaats van Magnet Group is vermeld.

48.      Zoals de Estse regering heeft aangegeven, is overigens evenmin voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 78 van het douanewetboek dat de nationale douaneautoriteiten toestaat om tot de herziening van een onjuiste aangifte over te gaan, aangezien de aanduiding van de ontvanger van de goederen in casu niet onjuist was.

49.      In de tweede plaats moet eraan worden herinnerd dat artikel 220, lid 2, van het douanewetboek bepaalt onder welke omstandigheden een belastingschuldige van de navordering van invoerrechten kan worden vrijgesteld wanneer de douaneautoriteiten een vergissing hebben begaan.(17)

50.      Zoals de Commissie heeft gepreciseerd, is op geen enkel moment aangevoerd dat in het hoofdgeding de douaneautoriteiten een vergissing zouden hebben gemaakt en is de vraag van de verwijzende rechter integendeel enkel gebaseerd op de omstandigheid dat in de douaneaangifte de onjuiste ontvanger was vermeld. Het is evenwel juist de indiener van de douaneaangifte op wie de verplichting rust om exacte gegevens te verstrekken.(18)

51.      Uit deze overwegingen volgt dat de derde vraag van de verwijzende rechter betrekking heeft op bepalingen van het recht van de Unie die, gelet op de door deze rechter verstrekte feitelijke preciseringen, niet van toepassing zijn op de feiten in het hoofdgeding. In die omstandigheden ben ik van mening dat deze derde vraag zonder voorwerp is en er niet op hoeft te worden geantwoord.

52.      In de derde plaats kan niet worden geoordeeld dat de door artikel 20 van het Handvest gewaarborgde gelijkheid voor de wet tot de vaststelling van de ongeldigheid van de douaneregeling van de Unie kan leiden op grond dat deze regeling Baltic Agro niet de mogelijkheid biedt om de ongeldigverklaring van een douaneaangifte te verkrijgen en om aldus voor de in artikel 3 van verordening nr. 661/2008 vastgestelde vrijstelling van het antidumpingrecht in aanmerking te komen.

53.      De verwijzende rechter heeft er in dit verband met name op gewezen dat de situatie van een importonderneming die de eerste onafhankelijke afnemer in de Unie als ontvanger in haar douaneaangifte heeft aangegeven, dient te worden vergeleken met die van een importonderneming die in de douaneaangifte als ontvanger een importeur heeft vermeld die een beroep op een tussenpersoon heeft gedaan. De ongelijke behandeling vloeit volgens hem voort uit het feit dat eerstgenoemde van het antidumpingrechten wordt vrijgesteld, terwijl dat niet het geval is voor laatstgenoemde.

54.      Dienaangaande moet in herinnering wordt geroepen dat het beginsel van gelijke behandeling, dat een algemeen rechtsbeginsel van de Unie is dat thans in de artikelen 20 en 21 van het Handvest is vastgelegd(19), er zich volgens vaste rechtspraak tegen verzet dat vergelijkbare situaties verschillend en verschillende situaties gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is.

55.      De door de verwijzende rechter gemaakte vergelijking kan echter niet worden aanvaard. De importeur die de formele vereisten van artikel 3 van verordening nr. 661/2008 niet heeft geëerbiedigd, kan immers niet worden geacht zich in dezelfde situatie te bevinden als de importeur die deze vereisten wel heeft nageleefd. Het is juist dat artikel 20 van het Handvest zich in voorkomend geval kan verzetten tegen die vereisten, indien zou worden vastgesteld dat deze onredelijk, willekeurig en kennelijk onevenredig zijn ten opzichte van de doelstelling die wordt nagestreefd door de regeling waarin zij zijn vastgesteld. Uit de stukken blijkt evenwel geenszins dat zulks in de zaak in het hoofdgeding is betoogd, en een nadere beschouwing van deze bepaling leidt niet tot de conclusie dat dit het geval kan zijn.

56.      Bovendien kan evenmin worden geoordeeld dat het feit dat Baltic Agro betaling van het antidumpingrecht op de invoer van ammoniumnitraat is opgelegd, schending van het gemeenschappelijk douanetarief – en dus van de artikelen 28, lid 1, VWEU en 31 VWEU – oplevert. Zoals uit de voorgaande overwegingen volgt, is de heffing van dit recht uiteindelijk veeleer het gevolg van de niet-inachtneming van de vereisten van artikel 3 van verordening nr. 661/2008 dan van de toepassing van de douaneregels van de Unie. Zelfs indien Baltic Agro de ongeldigverklaring van haar douaneaangifte had kunnen verkrijgen en de aldaar vermelde ontvanger had kunnen verbeteren door Magnet Group op te geven, had zij in de omstandigheden van de zaak in het hoofdgeding hoe dan ook niet aan die vereisten kunnen voldoen.

57.      Bijgevolg geef ik het Hof in overweging om op de vierde prejudiciële vraag te antwoorden dat het onderzoek van deze vraag geen enkel element heeft opgeleverd dat afdoet aan de geldigheid van artikel 66 van het douanewetboek en artikel 251 van de uitvoeringsverordening ten aanzien van artikel 20 van het Handvest en de artikelen 28, lid 1, VWEU en 31 VWEU.

VI – Conclusie

58.      Bij wijze van conclusie geef ik het Hof in overweging de door de Tartu Ringkonnakohus gestelde prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:

„1)      Artikel 3 van verordening nr. 661/2008 van de Raad van 8 juli 2008 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op ammoniumnitraat van oorsprong uit Rusland naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen, op grond van artikel 11, lid 2, en een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek, op grond van artikel 11, lid 3, van verordening (EG) nr. 384/96, moet aldus worden uitgelegd dat de vrijstelling van het antidumpingrecht waarin dit artikel voorziet ten behoeve van de producenten-exporteurs die zijn vermeld in besluit 2008/577/EG van de Commissie van 4 juli 2008 tot aanvaarding van de verbintenissen die zijn aangeboden in het kader van de antidumpingprocedure betreffende ammoniumnitraat van oorsprong uit Rusland en Oekraïne, enkel geldt voor goederen die door deze producenten-exporteurs rechtstreeks zijn gefactureerd en verzonden aan de eerste onafhankelijke afnemer in de Europese Unie die de goederen niet heeft doorverkocht alvorens hij deze goederen heeft aangegeven bij de douane.

2)      Het onderzoek van de vierde prejudiciële vraag van de verwijzende rechter heeft geen enkel element opgeleverd dat afdoet aan de geldigheid van artikel 66 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1791/2006 van de Raad van 20 november 2006, en van artikel 251 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van het douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 312/2009 van de Commissie van 16 april 2009, ten aanzien van artikel 20 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de artikelen 28, lid 1, VWEU en 31 VWEU.”


1 – Oorspronkelijke taal: Frans.


2 –      Verordening tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van ammoniumnitraat van oorsprong uit Rusland (PB L 198, blz. 1).


3 –      Verordening van 8 juli 2008 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op ammoniumnitraat van oorsprong uit Rusland naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen, op grond van artikel 11, lid 2, en een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek, op grond van artikel 11, lid 3, van verordening (EG) nr. 384/96 (PB L 185, blz. 1, en rectificatie PB 2009, L 339, blz. 59).


4 –      Besluit van 4 juli 2008 tot aanvaarding van de verbintenissen die zijn aangeboden in het kader van de antidumpingprocedure betreffende ammoniumnitraat van oorsprong uit Rusland en Oekraïne (PB L 185, blz. 43, en rectificatie PB 2009, L 339, blz. 59).


5 – PB 1996, L 56, blz. 1.


6 –      PB L 302, blz. 1, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1791/2006 van de Raad van 20 november 2006 (PB L 363, blz. 1; hierna: „douanewetboek”).


7 –      PB L 253, blz. 1; hierna: „uitvoeringsverordening”.


8 –      PB L 98, blz. 3.


9 –      Hierna: „MTA”.


10 –      Hierna: „Magnet Group”.


11 –      De Raad heeft in zijn schrifturen enkel geantwoord op de derde en de vierde vraag.


12 –      Verordening van 17 mei 2004 houdende wijziging van verordening (EG) nr. 658/2002 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van ammoniumnitraat van oorsprong uit Rusland en van verordening (EG) nr. 132/2001 tot instelling van definitieve antidumpingrechten en tot definitieve inning van de voorlopige antidumpingrechten op ammoniumnitraat uit Polen en Oekraïne en tot beëindiging van de antidumpingprocedure ten aanzien van Litouwen (PB L 182, blz. 28).


13 –      Verordening van 15 april 2002 tot instelling van het definitief antidumpingrecht op de invoer van ammoniumnitraat van oorsprong uit Rusland (PB L 102, blz. 1).


14 –      Zoals met name uit de in de punten 9, 10 en 17 van verordening nr. 993/2004 verstrekte toelichtingen blijkt, had deze verordening tot doel een bijzondere behandeling in de vorm van een vrijstelling in te voeren die enkel van toepassing was op de invoer van ammoniumnitraat in de tien nieuwe lidstaten, teneinde te voorkomen dat de toepassing van het antidumpingrecht op ammoniumnitraat van oorsprong uit Rusland waarin verordening nr. 658/2002 op dat tijdstip voorzag, tot plotse sterke prijsstijgingen in die landen zou leiden, ammoniumnitraat aldaar onbetaalbaar duur voor de eindverbruikers zou maken en de traditionele handelsstromen ernstig zouden worden verstoord.


15 –      Verordening (EG) nr. 1001/2004 van de Commissie van 18 mei 2004 tot aanvaarding van de verbintenissen die zijn aangeboden in het kader van de antidumpingprocedure betreffende ammoniumnitraat uit Rusland en Oekraïne en tot registratie van de invoer van ammoniumnitraat uit Rusland en Oekraïne (PB L 183, blz. 13); verordening (EG) nr. 1996/2004 van de Commissie van 19 november 2004 tot aanvaarding van verbintenissen die zijn aangeboden in het kader van de antidumpingprocedure betreffende de invoer van ammoniumnitraat uit de Russische Federatie en Oekraïne en tot voortzetting van de registratie van deze invoer (PB L 344, blz. 24).


16 –      Zie arrest DP grup (C‑138/10, EU:C:2011:587, punten 41 en 42).


17 –      Zie onder meer arrest Beemsterboer Coldstore Services (C‑293/04, EU:C:2006:162)


18 –      Zie arrest DP grup (EU:C:2011:587, punten 39 en 40).


19 –      Zie onder meer arresten Akzo Nobel Chemicals en Akcros Chemicals/Commissie (C‑550/07 P, EU:C:2010:512, punt 54) en Schaible (C‑101/12, EU:C:2013:661, punt 76).