Language of document : ECLI:EU:F:2012:171

ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Derde kamer)

5 december 2012

Gevoegde zaken F‑88/09 en F‑48/10

Z

tegen

Hof van Justitie van de Europese Unie

„Openbare dienst – Ambtenaren – Overplaatsing – Belang van de dienst – Regel van overeenstemming tussen rang en ambt – Rechten van verdediging – Psychisch geweld – Artikel 12 van het Statuut – Zorgplicht – Beginsel van behoorlijk bestuur – Tuchtprocedure – Tuchtmaatregel – Schriftelijke waarschuwing – Rechten van verdediging en beginsel van hoor en wederhoor”

Betreft: Beroepen, ingesteld krachtens artikel 236 EG en artikel 152 EA alsmede krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarmee Z primair verzoekt om nietigverklaring van respectievelijk het besluit van 18 december 2008 waarbij zij is overgeplaatst, en het besluit van 10 juli 2009 waarbij aan haar de maatregel van de schriftelijke waarschuwing is opgelegd.

Beslissing: De beroepen in de gevoegde zaken F‑88/09 en F‑48/10 worden verworpen. Z draagt in zaak F‑88/09 drie vierde van haar eigen kosten en wordt in zaak F‑48/10 verwezen in haar eigen kosten alsmede in de kosten van het Hof van Justitie. In zaak F‑88/09 draagt het Hof van Justitie zijn eigen kosten en wordt het verwezen in één vierde van de kosten van Z.

Samenvatting

1.      Ambtenaren – Organisatie van diensten – Tewerkstelling van personeel – Beoordelingsbevoegdheid van administratie – Omvang – Rechterlijke toetsing – Grenzen – Recht van ambtenaar om specifieke werkzaamheden te verrichten – Geen

(Ambtenarenstatuut, art. 7)

2.      Ambtenaren – Organisatie van diensten – Tewerkstelling van personeel – Overplaatsing van ambtenaar in belang van de dienst wegens relationele problemen – Misbruik van bevoegdheid – Geen

(Ambtenarenstatuut, art. 7, lid 1)

3.      Ambtenaren – Organisatie van diensten – Tewerkstelling van personeel – Overplaatsing – Eerbiediging van gelijkwaardigheid van ambten – Strekking – Inaanmerkingneming van werkzaamheden als bedoeld in vergelijkend onderzoek waarvoor betrokkene is geslaagd – Grenzen

(Ambtenarenstatuut, art. 7; bijlage I)

4.      Ambtenaren – Beginselen – Rechten van verdediging – Verplichting om betrokkene vóór vaststelling van voor hem bezwarend besluit te horen – Omvang – Toepassing op overplaatsingsmaatregelen

Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 41, lid 2)

5.      Beroepen van ambtenaren – Voorafgaande administratieve klacht – Overeenstemming tussen klacht en beroep – Gelijkheid van voorwerp en grond

(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)

6.      Ambtenaren – Rechten en verplichtingen – Vrijheid van meningsuiting – Openbaarmaking van feiten die bestaan doen vermoeden van onwettige activiteit of ernstig verzuim – Bescherming tegen tuchtrechtelijke vervolging – Voorwaarden

(Ambtenarenstatuut, art. 22 bis en 22 ter)

7.      Ambtenaren – Rechten en verplichtingen – Verplichting tot onafhankelijkheid en onkreukbaarheid – Gevaar voor belangenconflict bij bestaan van beroepsmatige verhouding tussen ambtenaar die zich uit moet spreken over een zaak en derde die bij deze zaak betrokken is – Geen

(Ambtenarenstatuut, art. 11 bis)

8.      Ambtenaren – Overplaatsing – Op administratie rustende zorgplicht – Beginsel van behoorlijk bestuur – Overeenstemming met dienstbelang

(Ambtenarenstatuut, art. 24)

9.      Ambtenaren – Rechten en verplichtingen – Vrijheid van meningsuiting – Uitoefening – Grenzen – Waardigheid van het ambt – Handelingen die afbreuk kunnen doen aan waardigheid van het ambt – Begrip – Aangifte van vermeend onrechtmatige feiten – Verplichtingen van ambtenaar

(Ambtenarenstatuut, art. 12)

10.    Ambtenaren – Rechten en verplichtingen – Eerbiediging van waardigheid van het ambt – Strekking – Aangifte van vermeend psychisch geweld – Openbaarmaking die vermeende veroorzaker in diskrediet kan brengen – Ontoelaatbaarheid

(Ambtenarenstatuut, art. 12 en 22 bis)

11.    Ambtenaren – Tuchtregeling – Aan inleiding van tuchtprocedure voorafgaand onderzoek – Beoordelingsbevoegdheid van administratie – Omvang

(Ambtenarenstatuut, art. 86; bijlage IX, art. 1, 2, lid 1, en 3)

12.    Ambtenaren – Tuchtregeling – Tuchtprocedure – Horen van betrokkene door tot aanstelling bevoegd gezag – Verplichting om proces-verbaal op te stellen – Omvang

1.      Gelet op de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de instellingen beschikken om hun diensten te organiseren aan de hand van de hun toevertrouwde taken en om, met het oog daarop, het hun ter beschikking staande personeel tewerk te stellen, met inachtneming van de voorwaarde dat deze tewerkstelling plaatsvindt in het belang van de dienst en van de regel van overeenstemming tussen rang en ambt, moet de toetsing van de Unierechter van de eerbiediging van de voorwaarde inzake het belang van de dienst zich beperken tot de vraag of het tot aanstelling bevoegd gezag binnen redelijke, niet discutabele grenzen is gebleven en zijn beoordelingsvrijheid niet kennelijk onjuist heeft gebruikt.

Derhalve staat het niet aan de Unierechter om, wanneer een overplaatsing in het belang van de dienst is en de regel van overeenstemming tussen rang en ambt in acht is genomen, te bepalen of andere maatregelen niet meer opportuun waren geweest. Immers, ook al heeft de administratie er alle belang bij om bij de tewerkstelling van ambtenaren rekening te houden met hun specifieke bekwaamheden en persoonlijke voorkeuren, dit betekent nog niet dat aan een ambtenaar het recht kan worden toegekend op de verrichting van specifieke werkzaamheden.

(cf. punten 121, 122 en 202)

Referentie:

Hof: 21 juni 1984, Lux/Rekenkamer, 69/83, punt 17; 7 maart 1990, Hecq/Commissie, C‑116/88 en C‑149/88, punt 11

Gerecht van eerste aanleg: 18 juni 1992, Turner/Commissie, T‑49/91, punt 34; 16 december 1993, Turner/Commissie, T‑80/92, punt 53; 28 mei 1998, W/Commissie, T‑78/96 en T‑170/96, punt 105; 12 december 2000, Dejaiffe/BHIM, T‑223/99, punt 53; 21 september 2004, Soubies/Commissie, T‑325/02, punt 50

2.      Problemen in de interne betrekkingen kunnen, wanneer zij spanningen veroorzaken die schadelijk zijn voor het goed functioneren van de dienst, juist op grond van het belang van de dienst de overplaatsing van een ambtenaar rechtvaardigen, waarbij het niet nodig is om te bepalen wie verantwoordelijk is voor de betrokken incidenten en of de over en weer gemaakte verwijten gegrond zijn.

Het feit dat een ambtenaar over grote kwaliteiten beschikt of dat een dienst een hoog personeelsverloop kent, betekent niet dat de betrokkene niet kan worden overgeplaatst. De administratie heeft er weliswaar alle belang bij om een ambtenaar tewerk te stellen in een post die overeenstemt met zijn bekwaamheden en zijn ambities, doch andere overwegingen, met name verband houdende met de noodzaak om de ongestoorde werking van de dienst te verzekeren, kunnen voor haar aanleiding zijn om een ambtenaar in een andere post tewerk te stellen, op voorwaarde dat de regel van overeenstemming tussen rang en ambt wordt geëerbiedigd. Dit geldt des te meer daar de administratie ervan uit kan gaan dat een ambtenaar die zich in een functie goed van zijn taken heeft gekweten, dit ook zal doen in een andere functie die aan hem zou kunnen worden opgedragen.

Bovendien kan er, wanneer een overplaatsingsmaatregel niet strijdig met het belang van de dienst is geacht, geen sprake zijn van misbruik van bevoegdheid. Het begrip misbruik van bevoegdheid heeft immers een welbepaalde inhoud, die ziet op het geval dat een administratief gezag zijn bevoegdheden gebruikt met een ander doel dan waarvoor zij zijn verleend. Een besluit is alleen dan onregelmatig wegens misbruik van bevoegdheid, wanneer er objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende aanwijzingen bestaan dat het uitsluitend althans overwegend is vastgesteld om andere dan de opgegeven doeleinden te bereiken, dan wel om te ontkomen aan de toepassing van een speciale procedure waarin de toepasselijke teksten hebben voorzien om aan de betrokken omstandigheden het hoofd te bieden.

(cf. punten 123, 127, 155, 156, 201, 311 en 312)

Referentie:

Hof: 14 juli 1983, Nebe/Commissie, 176/82, punt 25; 5 juni 2003, O’Hannrachain/Parlement, C‑121/01 P, punt 46

Gerecht van eerste aanleg: 10 juli 1992, Eppe/Commissie, T‑59/91 en T‑79/91, punt 57; 11 juni 1996, Anacoreta Correia/Commissie, T‑118/95, punt 25; W/Commissie, reeds aangehaald, punt 91; 17 november 1998, Gómez de Enterría y Sánchez/Parlement, T‑131/97, punt 62; 6 juli 1999, Séché/Commissie, T‑112/96 en T‑115/96, punt 139; 6 maart 2001, Campoli/Commissie, T‑100/00, punten 62 en 63; 14 oktober 2004, Sandini/Hof van Justitie, T‑389/02, punt 123; 7 februari 2007, Clotuche/Commissie, T‑339/03, punt 71; 7 februari 2007, Caló/Commissie, T‑118/04 en T‑134/04, punten 99, 115 en 116

Gerecht voor ambtenarenzaken: 25 januari 2007, de Albuquerque/Commissie, F‑55/06, punten 60 en 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak

3.      De regel van overeenstemming tussen rang en ambt houdt uitsluitend in dat wanneer aan een ambtenaar andere werkzaamheden worden toegewezen, er een vergelijking wordt gemaakt tussen zijn huidige werkzaamheden en zijn rang in de hiërarchie. Een daadwerkelijke vermindering van de verantwoordelijkheden van een ambtenaar is dus alleen in strijd met de regel van overeenstemming tussen ambt en rang, indien zijn nieuwe werkzaamheden, globaal gezien, qua aard, belang en omvang duidelijk onder het niveau blijven van die welke met zijn rang en ambt overeenkomen, en dit ongeacht de manier waarop de nieuwe werkzaamheden door de betrokkene worden ervaren.

Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door het feit dat verzoeksters nieuwe werkzaamheden geen verband houden met haar eerdere werkzaamheden, noch door aankondiging van vergelijkend onderzoek waarvoor zij was geslaagd, noch door bijlage I bij het Statuut en noch door de omstandigheid dat ambtenaren die werkzaamheden verrichten die met de hare vergelijkbaar zijn, een lagere rang hebben. Wanneer aan een ambtenaar andere werkzaamheden worden toegewezen, houdt de regel van overeenstemming tussen rang en ambt namelijk uitsluitend in dat er een vergelijking wordt gemaakt tussen zijn huidige werkzaamheden en de rang in de hiërarchie en niet tussen de huidige en de eerdere werkzaamheden van de betrokkene. In dit verband kan uit de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de instellingen beschikken om de hun ter beschikking staande ambtenaren tewerk te stellen, worden afgeleid dat de in een aankondiging van vergelijkend onderzoek genoemde werkzaamheden noodzakelijkerwijs louter bij wijze van informatie worden genoemd, mits de regel van overeenstemming tussen rang en ambt is geëerbiedigd.

Ook kunnen identieke of vergelijkbare werkzaamheden worden verricht door personen van verschillende rang, zoals volgt uit bijlage I bij het Statuut, waarin wordt bepaald dat het merendeel van de aldaar opgesomde werkzaamheden kan worden verricht door ambtenaren van verschillende rang. Van strijdigheid met de regel van overeenstemming tussen rang en ambt is dus slechts sprake indien de verrichte werkzaamheden, globaal gezien, duidelijk onder het niveau blijven van die welke met de rang en het ambt van de betrokken ambtenaar overeenkomen.

(cf. punten 131, 135, 136 en 138)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: Eppe/Commissie, reeds aangehaald, punt 49; 16 april 2002, Fronia/Commissie, T‑51/01, punt 53; Clotuche/Commissie, reeds aangehaald, punt 91 en aldaar aangehaalde rechtspraak

4.      Wanneer een overplaatsingsmaatregel ten aanzien waarvan niet is vastgesteld dat zij niet in het belang van de dienst is verricht, niet is genomen in het kader van een procedure tegen de betrokken ambtenaar, kan uit het feit dat een handeling gevolgen heeft voor de statutaire positie van een ambtenaar niet automatisch worden afgeleid dat toepassing moet worden gegeven aan de rechten van verdediging, zonder de aard van de procedure tegen de betrokkene in aanmerking te nemen.

De rechten van verdediging omvatten evenwel, zij het in ruimere zin, uitdrukkelijk het procedureel recht van eenieder om te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen, welk recht is neergelegd in artikel 41, lid 2, sub a, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Niettemin kan in het geval waarin sprake is geweest van schending van het recht om te worden gehoord en, ruimer gezien, van de rechten van verdediging, het middel enkel leiden tot nietigverklaring van het bestreden besluit indien de procedure zonder die onregelmatigheid een ander resultaat had kunnen opleveren. In dit verband mag de administratie, wanneer de betrokken ambtenaar zelf erkent dat hij een openlijk conflict heeft met zijn hiërarchieke meerdere, er terecht van uitgaan dat de betrokkene niet behoeft te worden gehoord met betrekking tot het bestaan zelf van dit conflict, alvorens de overplaatsingsmaatregelen te nemen waartoe zij in het belang van de dienst en vanwege dit conflict bevoegd is. De mogelijke toelichtingen die voornoemde ambtenaar voorafgaand aan de vaststelling van het overplaatsingsbesluit had kunnen geven aangaande de omstandigheden van de zaak, zouden niet hebben kunnen leiden tot wijziging van het besluit van de administratie.

(cf. punten 144, 146, 149 en 299)

Referentie:

Hof: 24 oktober 1996, Commissie/Lisrestal e.a., C‑32/95 P, punt 21; 9 november 2006, Commissie/De Bry, C‑344/05 P, punt 37

Gerecht van eerste aanleg: 27 november 1997, Kaysersberg/Commissie, T‑290/94, punt 108; 3 juli 2001, E/Commissie, T‑24/98 en T‑241/99, punt 93; 16 maart 2004, Afari/ECB, T‑11/03, punt 90; 17 oktober 2006, Bonnet/Hof van Justitie, T‑406/04, punt 76

Gerecht voor ambtenarenzaken: 11 september 2008, Bui Van/Commissie, F‑51/07, punt 81; 30 november 2009, Wenig/Commissie, F‑80/08, punt 48

Gerecht van de Europese Unie: 12 mei 2010, Bui Van/Commissie, T‑491/08 P, punt 24

5.      De regel van overeenstemming kan enkel een rol spelen wanneer de in een contentieus beroep geformuleerde vorderingen niet hetzelfde voorwerp hebben als de klacht, of wanneer de vorderingen in de beroepsprocedure niet berusten op dezelfde gronden als de klacht, met name wanneer de in de contentieuze fase ingediende klacht berust op beweringen en feitelijke overwegingen die niet blijken uit het dossier van de zaak in de precontentieuze fase.

(cf. punt 170)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken; 1 juli 2010, Mandt/Parlement, F‑45/07, punt 119

6.      Hoewel artikel 22 bis van het Statuut bescherming verleent aan ambtenaren of functionarissen die hun instelling opmerkzaam maken op gedrag van een andere ambtenaar of functionaris dat een ernstig plichtverzuim kan opleveren, gaat deze bescherming ervan uit dat eerstgenoemde ambtenaren of functionarissen, de zogenoemde „klokkenluiders”, zelf de in de artikelen 22 bis en 22 ter van het Statuut neergelegde procedure in acht hebben genomen, die ertoe strekt de goede naam op professioneel gebied te beschermen van de ambtenaar of functionaris waarop wordt gedoeld in de gegevens die aan de instelling zijn meegedeeld, zolang de tuchtrechtelijke autoriteit geen uitspraak heeft gedaan. De artikelen 22 bis en 22 ter van het Statuut bieden ambtenaren of functionarissen die zich op deze bepalingen beroepen immers geen bescherming tegen elk besluit dat voor hen bezwarend kan zijn, maar enkel tegen de nadelige gedragingen en besluiten die worden genomen vanwege de mededeling die door de in deze bepalingen neergelegde procedure wordt beschermd.

Een ambtenaar die, in plaats van gebruik te maken van de procedure van artikel 22 bis van het Statuut, heeft besloten om zijn beweringen te verspreiden onder het voltallige personeel van zijn eenheid, kan derhalve geen aanspraak maken op de in artikel 22 ter van het Statuut neergelegde bescherming.

(cf. punten 184 en 253)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: 24 februari 2010, Menghi/ENISA, F‑2/09, punt 139; 13 januari 2011, Nijs/Rekenkamer, F‑77/09, punt 62

7.      Bij gebreke van gegevens op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een belangenconflict, kan het bestaan van een beroepsmatige verhouding tussen de griffier van het Hof van Justitie en de echtgenoot van een derde, of deze derde zelf, niet volstaan om de conclusie te wettigen dat zijn onafhankelijkheid in gevaar is gebracht door het enkele feit dat hij zich heeft moeten uitspreken over een zaak die indirect op deze derde betrekking had. Ook het feit dat deze griffier, in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag, heeft besloten tot toekenning en verlenging van arbeidsovereenkomsten van voornoemde derde, alsook tot oplegging van een tuchtmaatregel aan een ambtenaar die aan het personeel van de instelling een e‑mailbericht had gezonden met betrekking tot dit vermeende belangenconflict, toont niet aan dat de beroepsmatige verhouding tussen de derde en hem het normale kader te buiten is gegaan, noch dat zijn besluit om voornoemde ambtenaar over te plaatsen was bedoeld om deze te bestraffen voor het onthullen van het bestaan van een vermeende voorkeursbehandeling van de derde.

(cf. punten 190 en 281)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 11 september 2002, Willeme/Commissie, T‑89/01, punt 58; 12 maart 2008, Giannini/Commissie, T‑100/04, punt 224

8.      Ofschoon de zorgplicht van de administratie jegens haar personeelsleden een weerspiegeling vormt van het evenwicht in de wederzijdse rechten en verplichtingen die het Statuut in de betrekkingen tussen het openbaar gezag en de personeelsleden van de openbare dienst heeft gecreëerd, kunnen de vereisten van die zorgplicht het tot aanstelling bevoegd gezag niet beletten de overplaatsingsmaatregelen te treffen die het in het belang van de dienst noodzakelijk acht. Een ambtenaar kan de administratie dus niet op basis van de verplichting tot behoorlijk bestuur, noch op basis van de zorgplicht verwijten dat zij een besluit tot overplaatsing heeft genomen om te voorkomen dat de verhoudingen binnen de eenheid van de betrokkene nog verder zouden verslechteren.

(cf. punt 200)

Referentie:

Hof: 25 november 1976, Küster/Parlement, 123/75, punt 10

Gerecht van eerste aanleg: 13 december 1990, Moritz/Commissie, T‑20/89, punt 39; W/Commissie, reeds aangehaald, punt 95; 26 november 2002, Cwik/Commissie, T‑103/01, punt 52

9.      De ambtenaar die publiekelijk ernstige beschuldigingen uit, komt, voor zover deze de eer van de betrokken personen krenken – niet alleen vanwege aantijgingen die afbreuk kunnen doen aan hun waardigheid als persoon, maar ook vanwege beweringen die hun goede naam op professioneel gebied in diskrediet kunnen brengen – de krachtens artikel 12 van het Statuut op hem rustende verplichting niet na om zich te onthouden van iedere handeling en iedere manier van optreden die afbreuk kunnen doen aan de waardigheid van zijn functie als ambtenaar. De gekozen vorm is daarbij van geen belang, aangezien daaronder zowel rechtstreekse beschuldigingen kunnen vallen als beweringen die weifelend, indirect, verkapt, bij wijze van insinuatie of met betrekking tot niet-uitdrukkelijk genoemde, maar gemakkelijk te identificeren personen worden geuit.

Ofschoon de vrijheid van meningsuiting een fundamenteel recht is waarvan de Unierechter de eerbiediging verzekert en dat het recht omvat voor ambtenaren en functionarissen van de Europese Unie om, mondeling of schriftelijk, constructieve kritiek leveren, wordt de uitoefening van dit recht beperkt door met name artikel 12 van het Statuut.

Bijgevolg dient, om te bepalen of de door een ambtenaar geuite beschuldigingen binnen de grenzen van de vrijheid van meningsuiting zijn gebleven, een afweging te worden gemaakt tussen, enerzijds, de elementen die kenmerkend kunnen zijn voor een afbreuk aan de waardigheid, te weten de ernst van deze beschuldigingen, de vorm die zij hebben aangenomen en de gehanteerde methode van verspreiding en, anderzijds, de context waarin de beschuldigingen zijn geuit, het al dan niet bestaan van de mogelijkheid om gebruik te maken van andere uitingsvormen die minder afbreuk doen aan de waardigheid van de betrokken persoon, en de constructieve aard van de kritiek, hetgeen veronderstelt dat deze redelijkerwijs gegrond lijkt, geformuleerd is in het belang van de dienst, en niet verder gaat dan nodig is om te worden begrepen.

Wat de aangifte door een ambtenaar van een vermeend onwettige activiteit betreft, is de ambtenaar gehouden de terughoudendheid en gematigdheid te betrachten die de plicht tot objectiviteit en onpartijdigheid alsook de waardigheid van het ambt, de eer van personen en het vermoeden van onschuld van hem vereisen. Van een dergelijke betrachting is geen sprake wanneer de ambtenaar, in plaats van gebruik te maken van de hem krachtens de artikelen 22 bis en 22 ter van het Statuut ter beschikking staande rechtswegen, aan alle personeelsleden van zijn eenheid e-mails zendt met ernstige beschuldigingen die afbreuk doen aan de eer en de professionele goede naam van meerdere ambtenaren.

(cf. punten 242, 246, 247, 251 en 252)

Referentie:

Hof: 13 december 1989, Oyowe en Traore/Commissie, C‑100/88, punt 16; 6 maart 2001, Connolly/Commissie, C‑274/99 P, punten 43‑49

Gerecht van eerste aanleg: 7 maart 1996, Williams/Rekenkamer, T‑146/94, punten 66‑67; 12 september 2000, Teixeira Neves/Hof van Justitie, T‑259/97, punten 29, 30 en 47; 28 oktober 2004, Meister/BHIM, T‑76/03, punten 157 en 159

Gerecht voor ambtenarenzaken: 8 november 2007, Andreasen/Commissie, F‑40/05, punt 234; Nijs/Rekenkamer, reeds aangehaald, punten 67, 70 en 73

10.    Het kan gebeuren dat een ambtenaar is gedwongen – met name wanneer zijn hiërarchieke meerderen niet hebben gereageerd op zijn klachten – het psychisch geweld waarvan hij het slachtoffer meent te zijn openbaar te maken, en een dergelijke handelwijze op grond van artikel 12 van het Statuut niet laakbaar is, zelfs niet wanneer de openbaarmaking als zodanig van dergelijke feiten de pleger van het vermeende geweld, of zelfs de administratie, in diskrediet kan brengen.

Dit is evenwel niet het geval wanneer de ambtenaar die deze feiten openbaar maakt of deze kritiek levert, zich door de toon of de inhoud van zijn uitlatingen begeeft buiten de omschrijving van het kader waarin het psychisch geweld zich zou hebben voorgedaan, buiten de kring van personen die erbij betrokken zijn en buiten de context die dit geweld mogelijk heeft gemaakt.

Dit geldt des te meer nu de procedure van artikel 22 bis van het Statuut niet bepaald is toegesneden op situaties van psychisch geweld in de strikte zin van het woord, welke specifieke maatregelen vergen van de administratie.

(cf. punten 257 en 258)

11.    Overeenkomstig artikel 86 van het Statuut beschikt het tot aanstelling bevoegd gezag over een ruime beoordelingsbevoegdheid om te beslissen of er, gelet op de aan dit gezag ter kennis gebrachte gegevens, aanleiding bestaat om een administratief onderzoek in te stellen teneinde na te gaan of er sprake is van een niet-nakoming door een ambtenaar van zijn statutaire verplichtingen. Bijgevolg kan een andere ambtenaar die beweringen heeft geformuleerd inzake de niet-nakoming van statutaire verplichtingen, geen argumenten ontlenen aan het enkele feit dat dit gezag het niet opportuun heeft geacht een administratief onderzoek in te stellen naar deze beweringen, om aan te tonen dat het voornoemd gezag zou hebben ontbroken aan objectiviteit toen het jegens hem een tuchtmaatregel nam, daar anders deze beoordelingsbevoegdheid in twijfel zou worden getrokken.

Ofschoon uit artikel 3 van bijlage XI bij het Statuut volgt dat het tot aanstelling bevoegd gezag zich voor het inleiden van een tuchtprocedure dient te baseren op een onderzoeksrapport – hetgeen veronderstelt dat het een onpartijdig en contradictoir onderzoek verricht om vast te stellen of de gestelde feiten en de omstandigheden rond die feiten op waarheid berusten –, verlangt daarentegen geen enkele toepasselijke bepaling dat, ingeval een administratief onderzoek wordt ingesteld, dit onderzoek zowel op belastende als ontlastende feiten moet zijn gericht.

Het beginsel van behoorlijk bestuur verplicht voornoemd gezag weliswaar om alle relevante gegevens van het aan hem voorgelegde geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken, maar de administratie is niet gehouden om zich in de plaats te stellen van de beschuldigde ambtenaar teneinde in diens plaats elk element te onderzoeken dat zijn onschuld kan aantonen of de eventueel op te leggen sanctie kan verzachten.

Niettemin volgt uit de artikelen 1 en 2, lid 1, van bijlage IX bij het Statuut, dat de betrokken ambtenaar in de gelegenheid moet zijn gesteld om opmerkingen te maken over de feiten die hem betreffen, na het onderzoek, maar vóórdat het tot aanstelling bevoegd gezag conclusies trekt die op hem betrekking hebben.

(cf. punten 266, 267, 270 en 285)

Referentie:

Hof: 11 juli 1968, Van Eick/Commissie, 35/67; 14 februari 1989, Star Fruit/Commissie, 247/87, punt 11

Gerecht van eerste aanleg: 18 december 1997, Daffix/Commissie, T‑12/94, punt 104; 20 maart 2002, ABB Asea Brown Boveri/Commissie, T‑31/99, punt 99

12.    Wanneer de administratie is gehouden een proces-verbaal op te stellen van een ondervraging, te weten wanneer een regel haar daartoe verplicht, wanneer zij voornemens is zich te baseren op wederzijdse mededelingen die zijn gedaan tijdens die ondervraging, of wanneer de betrokkene uiterlijk aan het begin van de ondervraging daarom heeft verzocht, dient de administratie enkel een schriftelijke weergave op te stellen van de voornaamste uitlatingen, en niet van alle uitlatingen die tijdens de ondervraging zijn gedaan.

(cf. punt 305)