Language of document : ECLI:EU:F:2012:187

ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Derde kamer)

12 december 2012

Zaak F‑77/11

Kris Van Neyghem

tegen

Raad van de Europese Unie

„Openbare dienst – Ambtenaren – Bevordering – Bevorderingsronde 2007 – Weigering van bevordering – Nietigverklaring – Maatregelen ter uitvoering – Nieuwe vergelijking van verdiensten”

Betreft: Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarmee Van Neyghem in wezen, in de eerste plaats, nietigverklaring vordert van het besluit om hem in het kader van de bevorderingsronde 2007 niet te bevorderen naar rang 7 van de functiegroep assistenten (AST), welk besluit door de Raad van de Europese Unie op 1 oktober 2010 werd vastgesteld na een nieuwe vergelijking van de verdiensten, waarmee uitvoering werd gegeven aan het arrest van het Gerecht van 5 mei 2010, Bouillez e.a./Raad, F‑53/08 (hierna: „arrest van 5 mei 2010”), en, in de tweede plaats, vergoeding vordert van de materiële en immateriële schade die hij als gevolg daarvan heeft geleden.

Beslissing: Het beroep wordt verworpen. De Raad draagt zijn eigen kosten en wordt verwezen in één vierde van de kosten van Van Neyghem. Verzoeker draagt drie vierde van zijn eigen kosten.

Samenvatting

Ambtenaren – Bevordering – Vergelijking van verdiensten – Beoordelingsbevoegdheid van administratie – Rechterlijke toetsing – Grenzen

(Ambtenarenstatuut, art. 45)

Bij de vergelijking van de verdiensten waarmee in het kader van een bevorderingsbesluit als bedoeld in artikel 45 van het Statuut rekening moet worden gehouden, beschikt het tot aanstelling bevoegd gezag over een ruime beoordelingsbevoegdheid.

De administratie beschikt met name over een ruime beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot het respectieve belang dat zij toekent aan elk van de drie in artikel 45, lid 1, van het Statuut neergelegde criteria, aangezien de bepalingen van dat artikel de mogelijkheid van een afweging tussen die criteria niet uitsluiten.

De beoordelingsbevoegdheid van het tot aanstelling bevoegd gezag wordt evenwel beperkt door het vereiste dat deze vergelijking zorgvuldig en onpartijdig, in het belang van de dienst en overeenkomstig het beginsel van gelijke behandeling dient te geschieden. In de praktijk moet deze vergelijking op voet van gelijkheid en op basis van vergelijkbare informatie en inlichtingen plaatsvinden.

In dit verband moet de controle van de rechter zich beperken tot de vraag of de administratie, gelet op de wegen en middelen die haar tot haar beoordeling hebben kunnen brengen, binnen aanvaardbare grenzen is gebleven en haar bevoegdheid niet kennelijk onjuist heeft gebruikt.

(cf. punten 38‑41)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 15 september 2005, Casini/Commissie, T‑132/03, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak

Gerecht voor ambtenarenzaken: 24 maart 2011, Canga Fano/Raad, F‑104/09, punt 68, waartegen hogere voorziening is ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie, zaak T‑281/11 P; 28 september 2011, AC/Raad, F‑9/10, punt 14