Language of document : ECLI:EU:F:2012:172

ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Eerste kamer)

5 december 2012

Zaak F‑29/11

BA

tegen

Europese Commissie

„Openbare dienst – Algemeen vergelijkend onderzoek – Aankondiging van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/147/09 – Vorming van reservelijst met het oog op aanwerving van Roemeense administrateurs – Grondige kennis van officiële taal van Roemenië – Hongaarstalige minderheid in Roemenië – Niet-toelating tot mondeling examen – Beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie – Reikwijdte”

Betreft: Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarmee BA de nietigverklaring vordert van het besluit van de directeur van het Europees Bureau voor personeelsselectie (EPSO) van 10 december 2010 houdende afwijzing van haar klacht, en van het besluit van de jury van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/147/09 om haar niet toe te laten tot het mondeling examen van het vergelijkend onderzoek.

Beslissing: Het beroep wordt verworpen. BA draagt haar eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van de Commissie.

Samenvatting

1.      Beroepen van ambtenaren – Beroep tegen besluit tot niet-toelating tot examens van vergelijkend onderzoek – Mogelijkheid om beroep te doen op onregelmatigheid van aankondiging van vergelijkend onderzoek

(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)

2.      Ambtenaren – Vergelijkend onderzoek – Verloop van algemeen vergelijkend onderzoek – Talen voor deelneming aan examens – Gelijke behandeling – Draagwijdte – Vorming van reservelijst voor aanwerving van administrateurs die burgerschap van nieuwe lidstaat hebben – Vereiste van grondige kennis van nationale taal van die staat – Toelaatbaarheid

(Verordeningen nr. 1 en nr. 1760/2006 van de Raad)

1.      Gelet op de bijzondere aard van de aanwervingsprocedure, die een ingewikkeld administratief proces is dat een aantal opeenvolgende, zeer nauw samenhangende besluiten omvat, mag een verzoeker een beroep doen op onregelmatigheden bij het verloop van het vergelijkend onderzoek, daaronder begrepen die welke hun oorzaak vinden in de tekst zelf van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, in het kader van een beroep gericht tegen een later individueel besluit, zoals een besluit om niet tot de examens te worden toegelaten. In een dergelijke procedure kan namelijk niet worden verlangd dat een verzoeker evenzoveel beroepen instelt als de procedure handelingen omvat die voor hem bezwarend zouden kunnen zijn.

Bij wijze van uitzondering kan tegen een aankondiging van vergelijkend onderzoek ook een beroep tot nietigverklaring worden ingesteld, wanneer zij, door voorwaarden te stellen waardoor de sollicitatie van de verzoeker wordt uitgesloten, voor hem een bezwarend besluit vormt in de zin van de artikelen 90 en 91 van het Statuut.

(cf. punten 39, 40 en 42)

Referentie:

Hof: 11 augustus 1995, Commissie/Noonan, C‑448/93 P, punten 17 en 19

Gerecht voor ambtenarenzaken: 14 april 2011, Clarke e.a./BHIM, F‑82/08, punt 79

2.      Van schending van het beginsel van gelijke behandeling, dat op het ambtenarenrecht van de Unie van toepassing is, is sprake wanneer twee categorieën personen die in dienst van de Unie zijn en wier rechtspositie en feitelijke situatie niet wezenlijk verschillen, verschillend worden behandeld en dat verschil in behandeling niet objectief gerechtvaardigd is.

Dit is niet het geval wat de organisatie betreft door de administratie – op basis van verordening nr. 1760/2006 tot instelling van tijdelijke bijzondere maatregelen betreffende de aanwerving van ambtenaren van de Europese Gemeenschappen naar aanleiding van de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie – van een vergelijkend onderzoek waartoe Roemeense onderdanen werden toegelaten en waarbij aan die kandidaten in het belang van de dienst de verplichting was opgelegd van een grondige kennis van hun nationale taal, dat wil zeggen het Roemeens, de enige officiële taal van Roemenië in de zin van verordening nr. 1 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap.

Zelfs indien de omstandigheid dat een examen in het Roemeens moest worden afgelegd, een nadeel kon opleveren voor een Roemeens onderdaan die het Hongaars als moedertaal heeft, dan nog moet de verplichting om het examen in het Roemeens af te leggen legitiem worden geacht, aangezien zij immers wordt gerechtvaardigd door hogere eisen, die voortvloeien uit de toetreding van Roemenië tot de Europese Unie. De betrokken eisen zijn dus gebaseerd op objectieve en redelijke criteria en het verschil in behandeling bij de organisatie van een „vergelijkend onderzoek in verband met een uitbreiding”, dat beperkt is tot een overgangsperiode volgende op de toetreding van die staat, lijkt evenredig met het beoogde doel.

De administratieve diensten van de Unie, zoals het Europees Bureau voor personeelsselectie, die op basis van een afwijkende verordening, zoals verordening nr. 1760/2006, vergelijkende onderzoeken moeten organiseren die voorbehouden zijn aan onderdanen van Roemenië als staat die zojuist tot de Unie is toegetreden, kunnen niet zonder schending van het beginsel van gelijke behandeling een andere dan de officiële taal van dat land gebruiken bij het verloop van bepaalde schriftelijke selectieproeven die nu juist de grondige kennis van die taal beogen vast te stellen. Dit zou anders zijn indien die lidstaat voor zijn deelname aan het werk van de instellingen van de Unie krachtens artikel 1 van verordening nr. 1 formeel een op zijn grondgebied gesproken minderheidstaal erkent die, zonder een officiële taal van die staat te zijn, toch een officiële taal van de Unie is.

Bovendien is de vereiste „grondige kennis van het Roemeens” als hoofdtaal van het vergelijkend onderzoek, dat is voorbehouden aan Roemeense onderdanen, noch willekeurig noch duidelijk in strijd met het dienstbelang. De administratie mag immers, wanneer de behoeften van de dienst of van het ambt dit vereisen, de taal of talen specificeren waarvan een grondige of een toereikende kennis is vereist.

(cf. punten 75, 79, 81‑84 en 86)

Referentie:

Hof: 16 december 2008, Arcelor Atlantique et Lorraine e.a., C‑127/07, punt 23

Gerecht van eerste aanleg: 5 april 2005, Hendrickx/Raad, T‑376/03, punt 26

Gerecht voor ambtenarenzaken: 25 februari 2010, Pleijte/Commissie, F‑91/08, punten 36 en 57; 29 juni 2011, Angioi/Commissie, F‑7/07, punt 90 en aldaar aangehaalde rechtspraak