Language of document : ECLI:EU:C:2014:312

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

P. MENGOZZI

van 8 september 2016 (1)

Zaak C45/15 P

Safa Nicu Sepahan Co.

tegen

Raad van de Europese Unie

„Hogere voorziening – Beperkende maatregelen ten aanzien van de Islamitische Republiek Iran ter voorkoming van nucleaire proliferatie – Lijst van personen en entiteiten waarop de bevriezing van tegoeden en economische middelen van toepassing is – Niet-contractuele aansprakelijkheid – Voldoende gekwalificeerde schending – Materiële schade – Immateriële schade”





De onderhavige zaak houdt verband met de beperkende maatregelen die zijn genomen om de Islamitische Republiek Iran ertoe te bewegen haar proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten en de ontwikkeling van vectoren voor kernwapens (hierna: „nuc

1.        leaire proliferatie”) te staken.

2.        Rekwirante in deze zaak, Safa Nicu Sepahan Co., is een Iraanse naamloze vennootschap die gedurende een periode van bijna drie jaar was vermeld op bij verordeningen van de Raad van de Europese Unie vastgestelde lijsten van entiteiten die bijdragen tot nucleaire proliferatie. Zij heeft de rechtmatigheid van die vermelding voor het Gerecht van de Europese Unie aangevochten en vergoeding gevorderd van de materiële en immateriële schade die daar, volgens haar, uit is voortgevloeid. Met zijn arrest van 25 november 2014, Safa Nicu Sepahan/Raad (T‑384/11, EU:T:2014:986; hierna: „bestreden arrest”) heeft het Gerecht de handelingen waarbij de naam van rekwirante op de betrokken lijsten werd ingeschreven nietig verklaard, de vordering tot vergoeding van materiële schade afgewezen en de Raad veroordeeld tot betaling van een vergoeding van 50 000 EUR uit hoofde van de door rekwirante geleden immateriële schade.(2)

3.        De onderhavige zaak betreft, enerzijds, een door rekwirante ingestelde hogere voorziening tegen de afwijzing van haar vordering tot vergoeding van materiële schade en tegen het bedrag van de vergoeding die haar is toegekend uit hoofde van immateriële schade en, anderzijds, een door de Raad ingestelde incidentele hogere voorziening die ertoe strekt te betwisten dat de voorwaarden voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie in casu zijn vervuld en tevens is gericht tegen zijn veroordeling tot vergoeding van de aan rekwirante toegebrachte immateriële schade.

I –    Voorgeschiedenis van het geding en bestreden arrest

4.        De voorgeschiedenis van het geding, die is opgenomen in de punten 1 tot en met 13 van het bestreden arrest, kan ten behoeve van de onderhavige zaak als volgt worden samengevat.

5.        De naam van een als „Safa Nicu” aangeduide entiteit is ingeschreven op de lijst van entiteiten die bijdragen tot nucleaire proliferatie in bijlage II van besluit 2010/413/GBVB(3), bij besluit 2011/299/GBVB(4), en, bijgevolg, op de lijst in bijlage VIII van verordening (EU) nr. 961/2010(5), bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 503/2011(6). In de motivering van besluit 2011/299 en van uitvoeringsverordening nr. 503/2011 is die entiteit omschreven als een „[c]ommunicatiebedrijf dat apparatuur heeft geleverd voor de Fordo[w] (Qom)-faciliteit die is gebouwd zonder aangifte bij [het Internationaal Atoomenergieagentschap (IAEA)]”.

6.        Bij brief van 7 juni 2011 vroeg rekwirante de Raad bijlage VIII bij verordening nr. 961/2010 te wijzigen hetzij door de vermelding van de als „Safa Nicu” aangeduide entiteit op de betrokken lijsten aan te vullen en te verbeteren, hetzij door die vermelding te schrappen. Omdat zij geen antwoord op haar brief had ontvangen zond zij op 23 juni 2011 een nieuwe brief aan de Raad.

7.        De vermelding werd gehandhaafd bij besluit 2011/783/GBVB(7) en uitvoeringsverordening (EU) nr. 1245/2011(8). De aanduiding „Safa Nicu” werd echter vervangen door andere aanduidingen en er werden vijf adressen in Iran, de Verenigde Arabische Emiraten en Afghanistan toegevoegd ter nadere identificatie van de betrokken entiteit.

8.        Bij brief van 5 december 2011 stelde de Raad rekwirante in kennis van de handhaving van haar naam op de lijsten in bijlage II bij besluit 2010/413 en bijlage VIII bij verordening nr. 961/2010. Hij stelde vast dat de door rekwirante op 7 juni 2011 ingediende opmerkingen geen grond opleverden voor opheffing van de beperkende maatregelen en preciseerde dat de vermelding van de als „Safa Nicu” aangeduide entiteit wel degelijk op haar betrekking had. Bij brief van 11 december 2012 zond de Raad rekwirante verordening (EU) nr. 267/2012(9) tot intrekking van verordening nr. 961/2010 toe en informeerde haar dat haar naam was gehandhaafd op de lijst in bijlage IX bij die verordening.

9.        Bij besluit 2014/222/GBVB(10) werd rekwirantes naam geschrapt van de lijst in bijlage II bij besluit 2010/413 en, bijgevolg, bij verordening (EU) nr. 397/2014(11) van de lijst in bijlage IX bij verordening nr. 267/2012.

10.      Op 22 juli 2011 stelde rekwirante bij het Gerecht beroep in tot, enerzijds, gedeeltelijke nietigverklaring van verordeningen nrs. 503/2011 en 267/2012, voor zover deze rekwirante en haar dochterondernemingen betroffen, en, anderzijds, veroordeling van de Raad tot betaling van een bedrag van 7 662 737,40 EUR, te vermeerderen met een rente van 5 % per jaar vanaf 1 januari 2013, als vergoeding voor de materiële en immateriële schade die zij had geleden als gevolg van de vaststelling van de beperkende maatregelen jegens haar.

11.      Rekwirante voerde ter ondersteuning van haar vordering tot nietigverklaring drie middelen aan inzake, ten eerste, schending van de motiveringsplicht, ten tweede, onjuiste beoordeling en „misbruik van bevoegdheid” en, ten derde, schending van haar rechten van verdediging en haar recht op een effectieve rechterlijke bescherming. Nadat het Gerecht het eerste middel had afgewezen(12) en de grief van het tweede middel inzake „misbruik van bevoegdheid” niet-ontvankelijk had verklaard, onderzocht en aanvaardde het, in de punten 32 tot en met 39 van het bestreden arrest, de grief van het tweede middel inzake onjuiste beoordeling. Bijgevolg verklaarde het de plaatsing van rekwirantes naam op de betrokken lijsten nietig, zonder het derde middel te onderzoeken (punt 40 van de motivering en punt 1 van het dictum van het bestreden arrest).(13)

12.      Wat de schadevordering betreft stelde het Gerecht allereerst vast dat aan de voorwaarde voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie die verband houdt met de aan de Raad verweten onrechtmatige gedraging in casu was voldaan, aangezien de Raad een voldoende gekwalificeerde schending had begaan van een rechtsregel die ertoe strekt rechten toe te kennen aan particulieren (punten 49‑69 van de motivering van het bestreden arrest).

13.      Het onderzocht vervolgens voor de verschillende aangevoerde schades de voorwaarden die verband houden met de realiteit van de schade en het bestaan van een oorzakelijk verband.

14.      Wat de immateriële schade betreft, door rekwirante laatstelijk begroot op een bedrag van 2 miljoen EUR, erkende het Gerecht dat die voorwaarden in casu waren vervuld en concludeerde dat de toekenning van een ex aequo et bono begroot bedrag van 50 000 EUR voor die schade een passende vergoeding vormde (punten 78‑92 van de motivering en punt 2 van het dictum van het bestreden arrest).

15.      Het Gerecht verwierp daarentegen de vordering tot vergoeding van de door rekwirante aangevoerde materiële schade. Voor elke schadepost stelde het vast dat rekwirante niet voldoende bewijs had geleverd voor hetzij de realiteit en de omvang van de gestelde schade, hetzij het bestaan van een oorzakelijk verband tussen die schade en de aan de Raad verweten gedraging (punten 93‑148 van de motivering en punt 4 van het dictum van het bestreden arrest).

16.      Wat de rentevordering betreft oordeelde het Gerecht enerzijds dat er voor het tijdvak voorafgaand aan de dag van uitspraak van het bestreden arrest geen rente hoefde te worden toegekend en anderzijds dat de Raad vertragingsrente moest betalen, te rekenen vanaf de dag van uitspraak van het bestreden arrest tot aan de dag van volledige betaling van de toegekende schadevergoeding (punten 150‑152 van het bestreden arrest en punt 3 van het dictum van het bestreden arrest).

II – Conclusies van partijen

17.      In haar hogere voorziening vordert rekwirante gedeeltelijke vernietiging van het bestreden arrest, voor zover daarbij de door haar geleden materiële schade niet is erkend en vergoed en haar een bedrag van slechts 50 000 EUR is toegekend als vergoeding voor de immateriële schade. Voorts verzoekt zij het Hof zijn volledige rechtsmacht uit te oefenen en, primair, haar een bedrag van 5 662 737,40 EUR, te vermeerderen met rente, toe te kennen voor materiële schade en een bedrag van 2 miljoen EUR, te vermeerderen met rente, voor immateriële schade en de Raad te verwijzen in de kosten, daaronder begrepen die van de procedure bij het Gerecht. Subsidiair verzoekt zij het Hof haar een ex aequo et bonovastgesteld bedrag, plus rente, toe te kennen voor materiële schade en een bedrag niet lager dan 50 000 EUR, plus rente, voor immateriële schade en de Raad te verwijzen in de kosten, daaronder begrepen die van de procedure bij het Gerecht. Meer subsidiair verzoekt zij het Hof de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht, opdat het Gerecht het bedrag van de schade opnieuw onderzoekt en een nieuw arrest wijst te harer gunste.

18.      In haar memorie van antwoord op de incidentele hogere voorziening van de Raad vraagt rekwirante het Hof om ongegrondverklaring van de incidentele hogere voorziening. Zij herhaalt voorts haar in het kader van de principale hogere voorziening ingediende conclusies.

19.      In zijn incidentele hogere voorziening verzoekt de Raad het Hof het bestreden arrest te vernietigen, voor zover het hem heeft veroordeeld rekwirante een bedrag van 50 000 EUR te betalen als vergoeding voor de immateriële schade, de door rekwirante in eerste aanleg ingestelde vordering tot vergoeding van die schade af te wijzen, en rekwirante te verwijzen in de kosten, daaronder begrepen die van de procedure bij het Gerecht.

20.      In zijn memorie van antwoord op de principale hogere voorziening verzoekt de Raad het Hof de hogere voorziening ongegrond te verklaren, de motivering van het bestreden arrest te wijzigen, en rekwirante te verwijzen in de kosten, met inbegrip van die van de procedure bij het Gerecht.

21.      Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, toegelaten tot interventie in de mondelinge behandeling, ondersteunt de door de Raad in de incidentele hogere voorziening en als antwoord op de principale hogere voorziening geformuleerde conclusies.

III – Analyse

A –    Inleidende opmerkingen

22.      Met betrekking tot bepaalde door partijen in hun conclusies geformuleerde vorderingen moeten enige inleidende opmerkingen worden gemaakt.

23.      De eerste opmerking betreft het in zijn memorie van antwoord op de principale hogere voorziening opgenomen verzoek van de Raad om wijziging van de motivering. De Raad verzoekt het Hof om wijziging van de motivering van het bestreden arrest die heeft geleid tot afwijzing van de door rekwirante in eerste aanleg ingestelde vordering tot vergoeding van materiële schade. Ofschoon de Raad het met die afwijzing eens is geldt dat niet voor de vaststelling van het Gerecht dat in casu was voldaan aan de eerste voorwaarde voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie, het bestaan van een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel. Opgemerkt moet echter worden dat die vaststelling de premisse vormt voor zowel de erkenning, in de punten 78 tot en met 92 van het bestreden arrest, van het recht van rekwirante op vergoeding van de geleden immateriële schade, als voor de in punt 2 van het dictum van het bestreden arrest uitgesproken veroordeling van de Raad om rekwirante uit dien hoofde een vergoeding van 50 000 EUR te betalen. Daaruit volgt dat het Hof het verzoek tot wijziging van de motivering niet kan toewijzen zonder tegelijkertijd die delen van het bestreden arrest te vernietigen. Dat verzoek kan, niettegenstaande de bewoordingen ervan, derhalve slechts worden beschouwd als een conclusie strekkende tot gedeeltelijke vernietiging van de beslissing van het Gerecht, die als zodanig niet-ontvankelijk is omdat zij is geformuleerd in het kader van een memorie van antwoord op de principale hogere voorziening.(14) Aangezien de door de Raad ter ondersteuning van dat verzoek geformuleerde argumenten ongewijzigd zijn overgenomen in zijn incidentele hogere voorziening, kan het Hof deze argumenten toch onderzoeken in het kader van zijn uitspraak over de incidentele hogere voorziening.

24.      De tweede opmerking komt overeen met de eerste maar betreft dit keer de conclusies van rekwirantes memorie van antwoord op de incidentele hogere voorziening van de Raad. Naast afwijzing van die hogere voorziening vordert zij gedeeltelijke vernietiging van het bestreden arrest en toekenning van een passende vergoeding voor de geleden materiële en immateriële schade, waartoe zij de in haar hogere voorziening geformuleerde conclusies herhaalt. Die vorderingen moeten eveneens niet-ontvankelijk worden verklaard omdat zij zijn geformuleerd in de memorie van antwoord op de incidentele hogere voorziening.(15)

25.      Na deze preciseringen onderzoek ik eerst de incidentele hogere voorziening waarmee de Raad, zoals hierboven reeds vermeld, met name betwist dat er in casu sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die ertoe strekt rechten toe te kennen aan particulieren. Immers, indien deze grief gegrond zou blijken is er geen sprake van niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie en dienen alle door rekwirante in haar principale hogere voorziening geformuleerde vorderingen te worden afgewezen. Vervolgens zal ik de principale hogere voorziening onderzoeken.

B –    Incidentele hogere voorziening

26.      In zijn incidentele hogere voorziening werpt de Raad twee grieven op tegen het bestreden arrest. Met de eerste grief verwijt hij het Gerecht blijk te hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting „ter zake van een aantal van de voorwaarden voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de [Unie]”, met de tweede verwijt hij het te hebben geoordeeld dat de nietigverklaring van de bestreden handelingen geen passende vergoeding vormde voor de immateriële schade die rekwirante stelt te hebben geleden.

1.      Eerste grief: onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de voorwaarden voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie

27.      De Raad, ondersteund door het Verenigd Koninkrijk, voert aan dat het Gerecht in casu ten onrechte een voldoende gekwalificeerde schending heeft aangenomen van een rechtsregel die ertoe strekt rechten toe te kennen aan particulieren, welke schending is vereist om de eerste van de drie voorwaarden voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie, te weten die betreffende de onrechtmatigheid van de aan de instellingen verweten gedraging, als vervuld te kunnen beschouwen.(16) Het middel bestaat uit twee onderdelen.

a)      Eerste onderdeel: onjuiste beoordeling van de omvang van de beoordelingsbevoegdheid van de Raad

28.      De Raad verwijt het Gerecht, in de eerste plaats, blijk te hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 59 tot en met 61 van het bestreden arrest vast te stellen dat de Raad over geen enkele beoordelingsmarge beschikte ter zake van zijn verplichting om de plaatsing van rekwirante op de lijsten van aangewezen personen en entiteiten in de bestreden handelingen te baseren op met informatie en bewijselementen gestaafde gronden. Die vaststelling zou namelijk zijn gebaseerd op rechtspraak – met name de arresten van 21 maart 2012, Fulmen/Raad (T‑439/10 en T‑440/10, EU:T:2012:142) en van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi (C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518) – van na de vaststelling door de Raad van de handelingen waarbij rekwirantes naam op die lijsten werd geplaatst en gehandhaafd, die niet kon worden voorzien ten tijde van de vaststelling van die handelingen op respectievelijk 23 mei 2011, 1 december 2011 en 23 maart 2012. De Raad verwijst in dit verband naar de conclusies van advocaat-generaal Bot in de gevoegde zaken Commissie e.a./Kadi (C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:176) en in de zaak Raad/Manufacturing Support & Procurement Kala Naft (C‑348/12 P, EU:C:2013:470), waarin hij een standpunt heeft ingenomen dat tegengesteld is aan dat waarvoor het Hof uiteindelijk heeft gekozen.

29.      Ik herinner er om te beginnen aan dat de Unie volgens artikel 340, tweede alinea, VWEU de schade moet vergoeden die door haar instellingen of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt. Volgens vaste rechtspraak wordt in het Unierecht een recht op vergoeding erkend indien aan drie voorwaarden is voldaan: de aan de instellingen verweten gedraging is onrechtmatig, de schade is reëel, en er bestaat een oorzakelijk verband tussen de gedraging en de gestelde schade.(17) Voor de vervulling van de eerste voorwaarde vereist de rechtspraak dat de geschonden rechtsregel ertoe strekt rechten toe te kennen aan particulieren en dat de schending voldoende is gekwalificeerd.(18) Het Hof heeft gepreciseerd dat voor de vaststelling van een voldoende gekwalificeerde schending van het Unierecht beslissend is dat een Unie-instelling de grenzen waarbinnen haar beoordelingsvrijheid dient te blijven kennelijk en ernstig heeft overschreden.(19) Wanneer die instelling slechts over een zeer beperkte of in het geheel geen beoordelingsmarge beschikt kan de enkele inbreuk op het Unierecht volstaan om een voldoende gekwalificeerde schending te doen vaststellen.(20) Uit de rechtspraak volgt voorts dat de omvang van de beoordelingsruimte die de geschonden regel aan de instellingen laat onder meer afhangt van de mate van duidelijkheid en nauwkeurigheid van die regel en dat een schending van het Unierecht in ieder geval kennelijk gekwalificeerd is wanneer zij is blijven voortduren in weerwil van de uitspraak van een arrest waarin de verweten niet-nakoming is vastgesteld dan wel van een prejudiciële beslissing of vaste rechtspraak van het Hof ter zake, waaruit blijkt dat de betrokken gedraging de kenmerken van een schending vertoont.(21)

30.      Wat vervolgens de motivering van het bestreden arrest betreft die het Gerecht in punt 69 van dat arrest heeft doen vaststellen dat de Raad een voldoende gekwalificeerde schending had begaan van een rechtsregel die ertoe strekt rechten toe te kennen aan particulieren, merk ik om te beginnen op dat die motivering niet zonder enige ambiguïteit is.

31.      In punt 49 van het bestreden arrest verwijst het Gerecht namelijk naar de analyse in de punten 26 tot en met 40 van dat arrest, aan het einde waarvan het heeft vastgesteld dat de Raad niet de gegrondheid had aangetoond van de stelling die de enige tegen rekwirante in aanmerking genomen reden vormde voor de vaststelling van de jegens haar genomen beperkende maatregelen(22) en aldus de bepalingen van verordeningen nrs. 961/2010 en 267/2012 had geschonden „waarin een limitatieve opsomming wordt gegeven van de omstandigheden waarin dergelijke [maatregelen] zijn toegestaan” en waarvan „het voornaamste doel [is] de individuele belangen van de betrokkenen te beschermen”.(23) Uit deze passages van het bestreden arrest blijkt dat de aan de Raad verweten onrechtmatigheid bestaat in schending van rekwirantes recht om de maatregelen in kwestie niet opgelegd te krijgen indien de materiële voorwaarden voor de vaststelling ervan niet zijn vervuld.(24)

32.      Bij het onderzoek van de vraag of de Raad in casu beschikte over een beoordelingsmarge in de zin van de hierboven in punt 29 aangehaalde rechtspraak stelt het Gerecht echter dat „de onrechtmatigheid van de bestreden handelingen schuilt in het feit dat de Raad niet over informatie of bewijzen beschikt die rechtens genoegzaam aantonen dat de beperkende maatregelen jegens rekwirante gegrond zijn en dat hij bijgevolg in de onmogelijkheid verkeert om die informatie en bewijzen aan het Gerecht over te leggen”.(25) Onder verwijzing naar het arrest van 21 maart 2012, Fulmen/Raad (T‑439/10 en T‑440/10, EU:T:2012:142) preciseert het dat de verplichting van de Raad om aan te tonen dat de vastgestelde beperkende maatregelen gegrond zijn is ingegeven door de eerbiediging van de grondrechten van de betrokken personen en entiteiten en met name door hun recht op effectieve rechterlijke bescherming. Het herinnert vervolgens, in de punten 64 tot en met 67 van het bestreden arrest, aan vier arresten van het Gerecht – het arrest van 14 oktober 2009, Bank Melli Iran/Raad (T‑390/08, EU:T:2009:401), het arrest van 12 december 2006, Organisation des Modjahedines du peuple d’Iran/Raad (T‑228/02, EU:T:2006:384), het arrest van 23 oktober 2008, People’s Mojahedin Organization of Iran/Raad (T‑256/07, EU:T:2008:461), en het arrest van 4 december 2008, People’s Mojahedin Organization of Iran/Raad (T‑284/08, EU:T:2008:550) – die betrekking hebben op de omvang van het rechterlijk toezicht op de rechtmatigheid van handelingen waarbij beperkende maatregelen zijn vastgesteld. Het Gerecht concludeert in punt 68 van het bestreden arrest dat „een normaal voorzichtige en zorgvuldige overheid in de omstandigheden van de onderhavige zaak ten tijde van de vaststelling van de eerste bestreden handeling kon begrijpen dat zij inlichtingen of bewijzen diende te verzamelen ter rechtvaardiging van de jegens rekwirante vastgestelde beperkende maatregelen om, in geval van betwisting, te kunnen aantonen dat die maatregelen gegrond zijn door die inlichtingen of die bewijzen aan de Unierechter over te leggen”. De regel waaraan het Gerecht de beoordelingsmarge van de Raad toetst om het bestaan van een voldoende gekwalificeerde schending vast te stellen lijkt, in die passages van het arrest, veeleer rekwirantes recht op een effectieve rechterlijke bescherming te zijn.

33.      Die ambiguïteit vloeit waarschijnlijk voort uit de omstandigheid dat de vraag over de grenzen die de eerbiediging van de grondrechten stelt aan de bevoegdheid van de Raad op het gebied van beperkende maatregelen, vooral is gesteld in relatie tot het recht op een effectieve rechterlijke bescherming. De verplichting van de Raad om de gronden die de vaststelling van beperkende maatregelen rechtvaardigen met bewijzen te staven is namelijk, net als de verplichting om die handelingen te motiveren, in de loop van de door de Unierechters uitgesproken arresten vooral gedefinieerd aan de hand van het vereiste dat rechterlijk toezicht moet zijn gegarandeerd op handelingen waarbij dergelijke maatregelen zijn opgelegd.(26) De motivering van het bestreden arrest die in dit eerste onderdeel van het eerste middel van de incidentele hogere voorziening het voorwerp van betwisting vormt en de door de Raad ter staving daarvan naar voren gebrachte argumenten moeten dus tegen deze achtergrond worden beoordeeld.

34.      Ik merk allereerst op dat, onder de kwalificatie „onjuiste beoordeling”, de in het aan het onderzoek van de vordering tot nietigverklaring gewijde deel van het bestreden arrest uiteindelijk aan de Raad verweten gedraging zijn onvermogen was om de Unierechter bewijs over te leggen waarmee de rechtmatigheid van de jegens rekwirante genomen beperkende maatregelen kon worden beoordeeld. Blijkens punt 37 van het bestreden arrest heeft de Raad op een vraag van het Gerecht geantwoord dat hij met betrekking tot de vaststelling en de handhaving van de beperkende maatregelen jegens rekwirante alleen beschikte over een van een lidstaat uitgaand voorstel tot plaatsing op de lijsten en dat de in dat voorstel vervatte informatie was overgenomen in de motivering van de bestreden handelingen. Dit onvermogen van de Raad maakte iedere rechterlijke toetsing van de gegrondheid van de ter rechtvaardiging van de jegens rekwirante genomen beperkende maatregelen in aanmerking genomen reden onmogelijk en de handelingen waarbij de bestreden plaatsing had plaatsgevonden, met name om die reden, onrechtmatig.(27)

35.      Bijgevolg is in het bestreden arrest niet getoetst of de Raad de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid in acht heeft genomen bij het onderzoek van de informatie en het bewijs dat heeft geleid tot de plaatsing van rekwirante op de betrokken lijsten en bij de beoordeling van complexe politieke situaties die zouden kunnen leiden tot het zetten van vraagtekens bij de grenzen van het rechterlijke toezicht. De verwijzing van de Raad naar de conclusies van advocaat-generaal Bot in de gevoegde zaken Commissie e.a./Kadi (C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:176) en Raad/Manufacturing Support & Procurement Kala Naft (C‑348/12 P, EU:C:2013:470), waarin hij pleit voor de toekenning van een ruime beoordelingsmarge aan de Raad op het gebied van beperkende maatregelen en voor een „aangepaste toetsing door de Unierechter”(28) is in de onderhavige procedure derhalve niet relevant.

36.      Het is eerder de doeltreffendheid van het rechterlijk toezicht – zo niet, in een nog eerder stadium, het principe zelf van een dergelijk toezicht – dan de grenzen ervan dat in de onderhavige zaak aan de orde is. Immers, een instelling die aanspraak maakt op de bevoegdheid om beperkende maatregelen jegens particulieren of rechtspersonen vast te stellen en te handhaven op basis van de enkele informatie die het van een lidstaat heeft ontvangen, zonder dat die informatie gepaard gaat met enig bewijs waarmee de waarschijnlijkheid van het erin gestelde kan worden gestaafd of zelfs maar ondersteund, en dat zelfs nadat de betrokkene op basis van degelijke argumenten de hem verweten gedragingen heeft ontkend, miskent niet alleen de bepalingen die voorwaarden stellen aan de vaststelling en handhaving van dergelijke maatregelen, maar ontkent in wezen iedere mogelijkheid van toezicht op zijn handelen door de Unierechter.

37.      Het beginsel dat een doeltreffend rechterlijk toezicht moet zijn gegarandeerd op handelingen waarbij de Raad beperkende maatregelen vaststelt jegens natuurlijke of rechtspersonen is echter al ver voor de arresten van 21 maart 2012, Fulmen/Raad (T‑439/10 en T‑440/10, EU:T:2012:142) en van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi (C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518) door het Hof bevestigd.

38.      In het arrest van 18 januari 2007, PKK en KNK/Raad (C‑229/05 P, EU:C:2007:32), dat betrekking had op beperkende maatregelen jegens personen en entiteiten in het kader van de bestrijding van terrorisme, oordeelde het Hof dat de Unie „een rechtsgemeenschap [is] in die zin dat de instellingen niet ontkomen aan het toezicht op de verenigbaarheid van hun handelingen met het Verdrag” en waarin „[p]articulieren […] zich […] daadwerkelijk voor de rechter [moeten] kunnen beroepen op [hun rechten]”. In dat arrest preciseerde het Hof voorts dat, op het gebied van beperkende maatregelen, de doeltreffendheid van een dergelijke bescherming des te belangrijker is omdat die maatregelen „ernstige consequenties hebben”, want niet alleen worden alle financiële verrichtingen en alle financiële diensten jegens een persoon, groep of entiteit onmogelijk gemaakt, maar hun reputatie en politieke optreden wordt eveneens geschaad.(29) Het Hof preciseerde eveneens dat het toezicht betrekking moet hebben op het bewijs waarop de plaatsing op de betrokken lijsten is gegrond en op de precieze identificatie van de naam van de bedoelde personen en entiteiten.(30)

39.      Die principes zijn bevestigd, nog altijd op het gebied van in het kader van de bestrijding van internationaal terrorisme vastgestelde beperkende maatregelen, in het arrest van 29 juni 2010, E en F (C‑550/09, EU:C:2010:382). Zoals de Raad ter terechtzitting heeft opgemerkt betreft dit arrest weliswaar de verplichting van die instelling om handelingen tot vaststelling van beperkende maatregelen te motiveren, maar is er in de onderhavige zaak, op zijn minst in het stadium van de hogerevoorzieningsprocedure, geen sprake van het ontbreken van of een gebrek aan motivering van de plaatsing van rekwirante op de betrokken lijsten.(31) Het Hof bevestigde in dat arrest evenwel in duidelijke en ondubbelzinnige bewoordingen zowel het vereiste dat dergelijke maatregelen zijn onderworpen aan een „passende rechterlijke toetsing van de materiële rechtmatigheid ervan”, als de omvang van die toetsing, die met name strekt tot „verificatie [van de feiten en] de ter ondersteuning [ervan] aangevoerde bewijzen en gegevens”.(32) Een dergelijke toetsing kan niet alleen mislukken door het ontbreken van een motivering voor de te toetsen handeling, maar ook door het ontbreken van gegevens die het, al is het maar binnen de grenzen van een beperkt onderzoek, mogelijk maken de gegrondheid van een dergelijke motivering na te gaan.

40.      Uit het voorgaande blijkt, anders dan de Raad stelt, dat op het tijdstip dat de naam van rekwirante voor het eerst op de betrokken lijsten werd ingeschreven, op 23 mei 2011, er in de rechtspraak van het Hof geen enkele onzekerheid bestond aangaande de verplichting van de Raad om bij de vaststelling van besluiten die voorzien in beperkende maatregelen jegens natuurlijke of rechtspersonen te voldoen aan de vereisten die voortvloeien uit de eerbiediging van het recht op een effectieve rechterlijke bescherming van de bedoelde personen en, bijgevolg, aangaande zijn verplichting om zich te baseren op een feitelijke en bewijskrachtige basis die de Unierechter in staat stelt de rechtmatigheid van die besluiten, zij het beperkt, te onderzoeken.

41.      Afgezien daarvan moet worden opgemerkt dat er niet noodzakelijkerwijs rechtspraak moet bestaan die de aan de betrokken instelling verweten gedraging als onrechtmatig betitelt om te kunnen spreken van een kennelijk gekwalificeerde schending. Uit de hierboven in punt 29 aangehaalde rechtspraak volgt immers dat een dergelijke kwalificatie, die rekening houdt met de omvang van de beoordelingsmarge die de geschonden regel aan de instellingen laat, met name afhangt van de mate van duidelijkheid en nauwkeurigheid van die regel. Gelet op het belang van de bescherming van de grondrechten in de rechtsgemeenschap die de Unie is kan er, mijns inziens, niet worden getwijfeld aan het feit dat de Unie-instellingen niet over een beoordelingsmarge beschikken wat hun verplichting betreft om de vaststelling en handhaving van beperkende maatregelen jegens natuurlijke of rechtspersonen te gronden op een minimale bewijskrachtige basis die de Unierechter in staat stelt de gegrondheid, zij het marginaal, – of zelfs enkel de aannemelijkheid(33) – te toetsen van de stellingen die de vaststelling van dergelijke maatregelen hebben gerechtvaardigd.

42.      In casu is, zoals hierboven in punt 34 is uiteengezet en door de Raad is erkend in antwoord op een vraag van het Gerecht en bevestigd ter terechtzitting in de onderhavige procedure, de stelling die ten grondslag ligt aan de plaatsing en de handhaving gedurende bijna drie jaar van rekwirantes naam op de betrokken lijsten op geen enkel moment met bewijs gestaafd, waardoor toetsing door de Unierechter onmogelijk is.

43.      In die omstandigheden heeft het Gerecht zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting in punt 69 van het bestreden arrest geoordeeld dat de aan de Raad verweten gedraging een voldoende gekwalificeerde schending van het Unierecht vormde in de zin van de hierboven in punt 29 aangehaalde rechtspraak.

44.      Om de uiteengezette redenen moet het eerste onderdeel van de grief van de Raad inzake een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de voorwaarden voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie, mijns inziens worden afgewezen.

b)      Tweede onderdeel: onjuiste beoordeling van de ingewikkeldheid van de situatie en moeilijkheden bij de toepassing en uitlegging van de geschonden regels

45.      In de tweede plaats stelt de Raad dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 62 van het bestreden arrest te oordelen dat de verplichting van de Raad om de gegrondheid van de jegens rekwirante genomen beperkende maatregelen aan te tonen geen bijzonder ingewikkelde situatie betrof en geen toepassings‑ of uitleggingsmoeilijkheden veroorzaakte. De Raad stelt dat de moeilijkheden die verband houden met de verstrekking van aan een beslissing tot plaatsing op een lijst ten grondslag liggende vertrouwelijke informatie ter beoordeling door het Gerecht zijn beschreven door advocaat-generaal Sharpston in haar conclusie in de zaak Frankrijk/People’s Mojahedin Organization of Iran (C‑27/09 P, EU:C:2011:482) en dat er, om dergelijke moeilijkheden te ondervangen, in 2014 een nieuw artikel 105 is opgenomen in het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, dus een aantal jaren nadat rekwirante voor de eerste keer op de betrokken lijsten is geplaatst.

46.      Ik herinner eraan dat, volgens vaste rechtspraak, de door het Hof op basis van artikel 340, tweede alinea, VWEU ontwikkelde regel met name rekening houdt met de ingewikkeldheid van de te regelen situaties, de moeilijkheden bij de toepassing en uitlegging van de teksten, en de mate van duidelijkheid en nauwkeurigheid van de geschonden regel.(34)

47.      In casu volstaat het op te merken dat de Raad op geen enkel moment tijdens de procedure in eerste aanleg de vertrouwelijkheid van documenten of informatie in zijn bezit heeft aangevoerd om zich te verzetten tegen de verstrekking ervan aan het Gerecht. De Raad heeft daarentegen, zoals hierboven meermaals vermeld, het Gerecht erop gewezen dat de enige informatie met betrekking tot de vaststelling en handhaving van de beperkende maatregelen jegens rekwirante waarover hij beschikte was vervat in de motivering van de plaatsingshandeling. Derhalve is er, zoals de vertegenwoordiger van de Raad ter terechtzitting heeft bevestigd in antwoord op een concrete vraag van het Hof, in de onderhavige zaak nooit sprake geweest van de overlegging van vertrouwelijke informatie aan de Unierechter.

48.      In deze omstandigheden mag de Raad zich niet baseren op de vermeende procedurele problemen die zijn verbonden aan een dergelijke overlegging ten tijde van de vaststelling van de betrokken maatregelen, om de vaststelling in punt 62 van het bestreden arrest te betwisten dat de regel die de Raad ertoe verplicht de gegrondheid van dergelijke maatregelen aan te tonen „geen bijzonder ingewikkelde situatie betreft”, „duidelijk en nauwkeurig is”, en „niet tot moeilijkheden [leidt] bij de toepassing of de uitlegging ervan”.

49.      Om de uiteengezette redenen moet het tweede onderdeel van de grief van de Raad inzake een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de voorwaarden voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie eveneens worden afgewezen.

2.      Tweede grief: onjuiste rechtsopvatting inzake de veroordeling van de Raad tot vergoeding van de door rekwirante geleden immateriële schade

50.      Met de tweede grief van zijn incidentele hogere voorziening, gericht tegen de punten 87 tot en met 92 van het bestreden arrest, verwijt de Raad, ondersteund door het Verenigd Koninkrijk, het Gerecht blijk te hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door hem te veroordelen tot betaling aan rekwirante van een bedrag van 50 000 EUR als vergoeding voor de immateriële schade die zij stelt te hebben geleden. Hiermee zou het Gerecht zijn afgeweken van de rechtspraak volgens welke de nietigverklaring van een besluit tot plaatsing op een lijst de eer en goede naam van de betrokken persoon kan herstellen en een vorm van vergoeding kan zijn voor de immateriële schade die hij heeft geleden. Volgens de Raad zijn vergelijkbare overwegingen als die waarmee het Gerecht zijn beslissing rechtvaardigt, en met name de ernst van de stelling dat een entiteit in verband kan worden gebracht met de Iraanse nucleaire proliferatie, mutatis mutandis van toepassing op andere zaken, met name de zaak Sison/Raad (arrest van 11 juli 2007, Sison/Raad, T‑47/03, niet gepubliceerd, EU:T:2007:207), waarin het Gerecht de door de verzoeker gevorderde vergoeding van immateriële schade echter heeft afgewezen. De Raad merkt tevens op dat hij in april 2014 heeft besloten rekwirantes naam te verwijderen van de betrokken lijsten, dus voordat het bestreden arrest werd gewezen.

51.      Alvorens de argumenten van de Raad te onderzoeken moet kort worden herinnerd aan de door het Gerecht in de motivering van het bestreden arrest gevolgde redenering die in het kader van de hier onderzochte grief wordt betwist.

52.      In de punten 80 en 85 van het bestreden arrest merkt het Gerecht allereerst op dat een entiteit waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn omdat zij steun zou hebben verleend aan de nucleaire proliferatie publiekelijk in verband wordt gebracht met een handelwijze die als een ernstige bedreiging voor de internationale vrede en veiligheid wordt beschouwd. Dit gaat gepaard met stigma en wantrouwen jegens haar, tast haar reputatie aan, en berokkent haar bijgevolg immateriële schade die losstaat van de materiële schade die het gevolg is van de aantasting van haar handelsbetrekkingen. Zij heeft recht op vergoeding van die schade. Na vervolgens te hebben opgemerkt dat de nietigverklaring van de bestreden handelingen een vorm van vergoeding kan zijn voor die schade, aangezien die nietigverklaring impliceert dat rekwirante ten onrechte, en bijgevolg op onrechtmatige wijze, in verband is gebracht met de nucleaire proliferatie, stelt het Gerecht vast dat, in de omstandigheden van het geval, die nietigverklaring alleen het bedrag van de toe te kennen schadevergoeding kan wijzigen, maar geen volledig herstel kan vormen van de geleden schade.(35) Het Gerecht noemt vier gronden voor die vaststelling. Ten eerste zouden de gevolgen die aan rekwirantes immateriële schade ten grondslag liggen, met name de gevolgen voor de wijze waarop derde, veelal buiten de Unie gevestigde entiteiten zich jegens haar gedroegen, „niet volledig [kunnen] worden ongedaan gemaakt door de a posteriori vaststelling dat de [bestreden handelingen] onrechtmatig waren, aangezien de vaststelling van beperkende maatregelen jegens een entiteit gewoonlijk meer aandacht krijgt en meer reacties teweegbrengt – met name buiten de Unie – dan de daaropvolgende nietigverklaring ervan” (punt 88 van het bestreden arrest). Ten tweede zou de door de Raad jegens rekwirante geuite stelling bijzonder ernstig zijn (punt 89 van het bestreden arrest). Ten derde is die stelling „niet door relevante inlichtingen of bewijzen […] gestaafd” (punt 90 van het bestreden arrest). Ten vierde heeft de Raad, ondanks rekwirantes verzet, de vermelding van haar naam op de lijsten gedurende bijna drie jaar gehandhaafd, terwijl hij die op ieder moment had kunnen schrappen (punt 91 van het bestreden arrest).

53.      De argumenten van de Raad zijn gebaseerd op een serie, mijns inziens, onjuiste uitgangspunten.

54.      In de eerste plaats heeft het Hof, anders dan die instelling betoogt, op het gebied van beperkende maatregelen niet het in het kader van ambtenarenzaken door het Hof ontwikkelde beginsel overgenomen dat de nietigverklaring van een handeling van een instelling, en dus de erkenning van de onrechtmatigheid ervan, op zichzelf een adequaat en in beginsel toereikend herstel vormt voor de immateriële schade die deze handeling heeft veroorzaakt voor de ambtenaar die haar betwist.(36) Het Hof heeft weliswaar, zoals het Gerecht vermeldt in punt 86 van het bestreden arrest, in punt 72 van het arrest van 28 mei 2013, Abdulrahim/Raad en Commissie (C‑239/12 P, EU:C:2013:331) vastgesteld dat de erkenning van de onrechtmatigheid van de aangevochten handeling de eer en goede naam van de verzoeker kan herstellen of een vorm van vergoeding kan zijn voor de immateriële schade die hij vanwege die onrechtmatigheid heeft geleden, maar kwam, enerzijds, tot deze vaststelling bij de beoordeling van het voortbestaan van het procesbelang van de verzoeker na het schrappen van zijn naam van de litigieuze lijst, welke vaststelling derhalve moet worden beschouwd als een obiter dictum in de context van dat arrest, en beperkte zich, anderzijds, tot de stelling dat de nietigverklaring van de handeling „een vorm van vergoeding [was] voor de immateriële schade”(37), zonder gebruik te maken van de veel engere, in punt 26 van het arrest van 7 februari 1990, Culin/Commissie (C‑343/87, EU:C:1990:49) gehanteerde formulering – waarnaar het echter wel verwees – dat de nietigverklaring van de bestreden handeling „op zichzelf een passend herstel vormt van elke morele schade die [de verzoeker] mocht hebben geleden.”(38)

55.      In de tweede plaats, zelfs als het Hof het hierboven in punt 54 vermelde beginsel zou hebben overgenomen blijkt uit de rechtspraak dat, anders dan de Raad lijkt aan te nemen, dit beginsel niet automatisch wordt toegepast. Enerzijds moeten derhalve bij de beoordeling van de vraag of de nietigverklaring van een onrechtmatige handeling de door de verzoeker geleden immateriële schade met terugwerkende kracht ongedaan kan maken alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen(39), waaronder de ernst en de duur van de inbreuk(40), evenals de verzwarende omstandigheden die de specifieke situatie van de betrokkene kenmerken(41). Anderzijds kan de verzoeker aantonen dat hij immateriële schade heeft geleden die losstaat van de onrechtmatigheid waarop de nietigverklaring van de handeling is gegrond en die niet geheel door die nietigverklaring kan worden hersteld.(42) Dienaangaande heeft de rechtspraak gepreciseerd dat ernstige beschuldigingen die publiekelijk tegen de betrokkene zijn geuit in een voor hem bezwarende handeling of in het kader van een procedure die tot een dergelijke handeling heeft geleid voor hem immateriële, van die handeling losstaande schade kan veroorzaken wanneer zij inbreuk maken op zijn eerbaarheid, zijn waardigheid, zijn gevoel van eigenwaarde of zijn reputatie.(43) Zoals het Hof heeft opgemerkt in het arrest van 28 mei 2013, Abdulrahim/Raad en Commissie (C‑239/12 P, EU:C:2013:331) worden personen op wie beperkende maatregelen van toepassing zijn publiekelijk in verband gebracht met gedragingen die stigma en wantrouwen oproepen.(44) Daardoor lijden zij immateriële schade die losstaat van die welke voortvloeit uit de handeling op zich, en die, naar gelang van de omstandigheden, mogelijk niet geheel door de nietigverklaring van die handeling kan worden hersteld.(45)

56.      In de derde plaats is, anders dan de Raad betoogt, de vordering tot vergoeding van de immateriële schade die de verzoeker in de zaak Sison/Raad (arrest van 11 juli 2007, Sison/Raad, T‑47/03, niet gepubliceerd, EU:T:2007:207) stelde te hebben geleden afgewezen op andere gronden dan de vaststelling dat de nietigverklaring van de betrokken beperkende maatregelen die schade volledig ongedaan maakte. Punt 241 van dat arrest, waarnaar de Raad verwijst, betreft immers alleen de schade die voortvloeit uit de niet-inachtneming van het recht van verdediging van de verzoeker, welke schade het Gerecht genoegzaam hersteld heeft geacht door de nietigverklaring van de bestreden handeling, aangezien de geschonden regel een procedurele waarborg betrof. Daarentegen spreekt het Gerecht zich in punt 247 van dat arrest uit over de vordering tot vergoeding van de immateriële schade die met name voortvloeit uit de stigmatisering van de verzoeker als „terrorist”, en wijst het deze vordering af omdat het bestaan van een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen die schade en de in geding zijnde communautaire handelingen niet was bewezen.

57.      Uit het voorgaande volgt dat het Gerecht zonder blijk te hebben gegeven van de onjuiste rechtsopvattingen die de Raad hem verwijt in het bestreden arrest de omstandigheden van het geval heeft beoordeeld teneinde na te gaan of en in welke mate de door rekwirante aangevoerde immateriële schade kon worden geacht volledig ongedaan te zijn gemaakt door de nietigverklaring van de betrokken handelingen.

3.      Conclusie inzake de hogere voorziening

58.      Op grond van het voorgaande ben ik van mening dat de incidentele hogere voorziening van de Raad ongegrond is en derhalve dient te worden afgewezen.

C –    Principale hogere voorziening

59.      Rekwirante voert ter ondersteuning van haar hogere voorziening twee middelen aan. Met het eerste middel, gericht tegen de punten 93 tot en met 149 van het bestreden arrest, verwijt zij het Gerecht blijk te hebben gegeven van verschillende onjuiste rechtsopvattingen door haar vordering tot vergoeding van de door de plaatsing van haar naam op de betrokken lijsten veroorzaakte materiële schade af te wijzen. Het tweede middel is daarentegen gericht tegen het gedeelte van het bestreden arrest waarin het Gerecht zich heeft uitgesproken over de vordering tot vergoeding van de door rekwirante aangevoerde immateriële schade.

1.      Eerste middel: schending van artikel 340, tweede alinea, VWEU, artikel 41, lid 3, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de beginselen van evenredigheid en billijke beoordeling, rechtsweigering, onjuiste opvatting van de feiten en gebrekkige en tegenstrijdige redenering met betrekking tot de vordering tot vergoeding van de materiële schade die rekwirante stelt te hebben geleden

60.      Het middel bestaat uit meerdere onderdelen.

a)      Eerste onderdeel: schending van het in artikel 340, tweede alinea, VWEU en artikel 41, lid 3, van het Handvest van de grondrechten neergelegde beginsel van volledige schadevergoeding

61.      Met het eerste onderdeel van haar eerste middel verwijt rekwirante het Gerecht schending van haar recht op volledige vergoeding van de door de onrechtmatige gedraging van de Raad veroorzaakte schade overeenkomstig de in artikel 340, tweede alinea, VWEU en artikel 41, lid 3, van het Handvest van de grondrechten neergelegde beginselen. Zij voert aan dat in de algemene beginselen die de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben, waarnaar die bepalingen verwijzen, zijn begrepen de beginselen van „evenredigheid” en „billijke beoordeling” die het Gerecht verplichten om, wanneer het bestaan van schade is bewezen maar de vaststelling van de omvang of het precieze bedrag ervan moeilijk of bewerkelijk is, het bedrag van de schadevergoeding „op rechtvaardige en billijke wijze of, subsidiair, ex aequo et bono”, vast te stellen en de vordering niet „vanzelfsprekend” in haar geheel af te wijzen. Rekwirante stelt eveneens dat het Gerecht al haar vorderingen tot vergoeding van materiële schade heeft afgewezen op basis van een onlogische en tegenstrijdige motivering, na in verschillende passages van het bestreden arrest(46) te hebben erkend dat de handelswijze van de Raad daadwerkelijk en „per definitie” dergelijke schades voor rekwirante had veroorzaakt.

62.      Ik merk om te beginnen op dat de hierboven uiteengezette argumenten systematisch en in hun geheel door rekwirante zijn overgenomen in de andere onderdelen van haar eerste middel, die de motivering van het bestreden arrest betreffen inzake de verschillende door haar in eerste aanleg aangevoerde schadeposten, zodat terecht vraagtekens kunnen worden gesteld bij de zelfstandigheid van het hier onderzochte onderdeel in de context van dat middel.

63.      Dat gezegd zijnde herinner ik eraan dat er slechts sprake kan zijn van niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie in de zin van artikel 340, tweede alinea, VWEU voor onrechtmatig gedrag van haar organen wanneer is voldaan aan een aantal cumulatieve voorwaarden, waaronder de realiteit van de schade en het bestaan van een oorzakelijk verband tussen het aan de instellingen verweten gedrag en de aangevoerde schade.(47) Bovendien staat het, volgens vaste rechtspraak, aan de verzoeker om overtuigend bewijs aan te dragen voor zowel het bestaan als de omvang van de aangevoerde schade.(48) Het is eveneens vaste rechtspraak dat het in de eerste plaats aan de partij staat die zich op de aansprakelijkheid van de Unie beroept om het oorzakelijke verband tussen die schade en het gewraakte gedrag van de instellingen aan te tonen.(49)

64.      Anders dan rekwirante lijkt aan te nemen zijn die beginselen eveneens van toepassing wanneer de Unie niet-contractueel aansprakelijk wordt gesteld in de context van de vaststelling van beperkende maatregelen jegens natuurlijke of rechtspersonen, te weten maatregelen die zijn bedoeld om de rechtspositie of de financiële positie van de betrokken entiteiten en particulieren negatief te beïnvloeden teneinde een wijziging teweeg te brengen in hun gedrag. Het Gerecht kan derhalve niet worden verweten dat het op basis van de door rekwirante aangeleverde bewijselementen zowel de realiteit van de verschillende door rekwirante aangevoerde schades als de omvang ervan heeft beoordeeld en voor elke gestelde schadepost is nagegaan of er een rechtstreeks oorzakelijk verband bestond met de aan de Raad verweten onrechtmatige gedraging. De omstandigheid dat het Gerecht naar aanleiding van dat onderzoek alle aanspraken van rekwirante heeft afgewezen kan derhalve op zichzelf en los van de vaststelling van onjuistheden in dat onderzoek niet leiden tot de conclusie dat er sprake is van schending van artikel 340, tweede alinea, VWEU, of van het in artikel 41, lid 3, van het Handvest van de grondrechten neergelegde beginsel.

65.      Wat de grief inzake de vermeende onlogische en tegenstrijdige aard van de motivering betreft merk ik, net als de Raad, op dat deze grief berust op een selectieve lezing van het bestreden arrest. Immers, in de eerste plaats is de stelling in punt 88 van dat arrest, dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat de bewering inzake rekwirantes betrokkenheid bij de nucleaire proliferatie gevolgen heeft gehad voor de handelwijze van buiten de Unie gevestigde derde entiteiten, vervat in de motivering die is gewijd aan het onderzoek van de vordering tot vergoeding van de immateriële schade – waarin het Gerecht preciseert dat die schade door die gevolgen is veroorzaakt – en kan dus niet worden beschouwd als een beoordelingsfactor die betrekking heeft op de realiteit van de door rekwirante gestelde materiële schade. In de tweede plaats heeft het Gerecht, zoals rekwirante stelt, in punt 109 van het bestreden arrest weliswaar opgemerkt dat „de omstandigheid dat de buiten de Unie gevestigde entiteiten de handelsbetrekkingen hebben stopgezet een onvermijdelijk gevolg [is] van de vaststelling van de betrokken maatregelen” en dat, in casu, het stopzetten van de handelsbetrekking tussen Siemens AG en rekwirante een „rechtstreeks gevolg” was van de vaststelling van de beperkende maatregelen, maar aan het eind van de daaropvolgende analyse geconcludeerd dat rekwirante niet rechtens genoegzaam de realiteit had aangetoond van de materiële schade die daarvan het gevolg zou zijn. In de derde plaats gaat de stelling in punt 145 van het bestreden arrest dat „uit de betrokken delen van [rekwirantes] boekhouding en de betrokken overzichtstabel weliswaar blijkt dat haar omzet inderdaad fors is gedaald” gepaard met, hetgeen rekwirante verzuimt te vermelden, de vaststelling dat uit die documenten „niet kan worden afgeleid wat de oorzaken van die daling zijn”. Hetzelfde geldt voor de stelling in punt 147 van het bestreden arrest dat de betrokken beperkende maatregelen „per definitie ertoe strekken de vrije uitoefening van [rekwirantes] economische activiteit te beperken”, die in hetzelfde punt wordt gevolgd door de vaststelling dat rekwirante geen bewijzen heeft overgelegd aan de hand waarvan kon worden bepaald hoeveel schade zij had geleden.

66.      Ten slotte moet de grief inzake de vermeende verplichting van het Gerecht om een ex aequo et bono vastgestelde vergoeding toe te kennen wanneer het bestaan van de schade is aangetoond maar de vaststelling van de omvang ervan ingewikkelde verrichtingen vergt, worden onderzocht in de context van de concrete beoordeling van de verschillende door rekwirante aangevoerde schadeposten, een beoordeling die in de andere onderdelen van het hier onderzochte middel voorwerp van kritiek is. In dit stadium volstaat het op te merken dat een dergelijke verplichting de Unierechter hoe dan ook niet kan ontslaan van zijn taak om in ieder concreet geval na te gaan of de voorwaarden voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie en met name die in verband met de realiteit van de aangevoerde schade en het oorzakelijk verband zijn vervuld.

67.      Op grond van het voorgaande ben ik van mening dat het eerste onderdeel van het eerste middel van de principale hogere voorziening, voor zover het niet samenvalt met de andere onderdelen van dat middel, ongegrond moet worden verklaard.

b)      Tweede onderdeel: verschillende onjuiste rechtsopvattingen bij de afwijzing van de vordering tot vergoeding van de schade die rekwirante stelt te hebben geleden als gevolg van de opzegging van de overeenkomst voor de renovatie van de elektriciteitscentrale te Derbendikhan (Irak) en de sluiting van bankrekeningen

i)      Schadevordering in verband met de opzegging van de overeenkomst voor de renovatie van de elektriciteitscentrale te Derbendikhan

68.      Met het tweede onderdeel van haar eerste middel voert rekwirante in de eerste plaats aan dat het Gerecht willekeurig en in strijd met de beginselen van evenredigheid en „billijke beoordeling” heeft geweigerd haar een vergoeding toe te kennen voor de schade die zij heeft geleden door de opzegging van de overeenkomst voor de renovatie van de elektriciteitscentrale te Derbendikhan (Irak).

69.      Zij merkt op dat het Gerecht enerzijds heeft erkend, in punt 102 van het bestreden arrest, dat die tussen rekwirante en de autoriteiten van Iraaks Koerdistan gesloten overeenkomst door die autoriteiten is opgezegd omdat zij een door een Europese bemiddelende bank geblokkeerde betaling door de Wereldbank niet heeft kunnen ontvangen en anderzijds, in punt 104 van het bestreden arrest, dat die blokkering heeft plaatsgevonden kort nadat er beperkende maatregelen jegens haar waren vastgesteld. Uit die vaststellingen heeft het echter niet de voor de hand liggende conclusie getrokken, namelijk dat de enige aannemelijke reden voor de blokkering van de betaling de plaatsing van rekwirante op de betrokken lijsten was.

70.      Wat de stelling in punt 104 van het bestreden arrest betreft dat de realiteit en het bedrag van de aangevoerde schade niet waren aangetoond, voert rekwirante aan dat zij het Gerecht gegevens heeft verstrekt die het in staat stelde de waarde van de overeenkomst, de ter voorbereiding ervan gemaakte kosten en de verwachte winstmarge te beoordelen, en aldus het ter vergoeding van de geleden schade gevraagde bedrag in detail heeft bewezen. Het Gerecht zou ten onrechte geen rekening hebben gehouden met deze bewijselementen of ze onjuist hebben opgevat.

71.      Opgemerkt moet worden dat het Gerecht, na in punt 103 van het bestreden arrest te hebben vastgesteld dat uit de bewijselementen waarover het beschikte niet uitdrukkelijk bleek dat de blokkering van de betaling door de Europese bemiddelende bank het gevolg was van de vaststelling van de beperkende maatregelen jegens rekwirante, vervolgde door te stellen dat zelfs als het bestaan van een oorzakelijk verband tussen die blokkering en die maatregelen zou zijn aangetoond, rekwirante hoe dan ook de realiteit en het bedrag van de door haar aangevoerde schade niet had bewezen. Met haar argumentatie betwist rekwirante deze stelling door de beoordeling door het Gerecht van de hem overgelegde bewijselementen in twijfel te trekken.

72.      Ik herinner in dit verband aan de vaste rechtspraak dat, omdat de hogere voorziening is beperkt tot rechtsvragen, het Gerecht bij uitsluiting bevoegd is de feiten vast te stellen – behoudens ingeval de inhoudelijke onjuistheid van die vaststelling mocht blijken uit de stukken in het aan hem overgelegde dossier – en de in aanmerking genomen bewijselementen te beoordelen. De vaststelling van die feiten en de beoordeling van die elementen leveren dus, behalve wanneer zij verkeerd zijn opgevat, geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof.(50) Uit de rechtspraak volgt bovendien dat er sprake is van een onjuiste opvatting van de bewijselementen wanneer, zonder dat gebruik behoeft te worden gemaakt van nieuwe bewijselementen, de beoordeling door het Gerecht van de bestaande bewijselementen kennelijk onjuist blijkt te zijn. Dit is met name het geval wanneer de gevolgtrekkingen die het Gerecht aan bepaalde documenten heeft ontleend niet in overeenstemming zijn met de betekenis en de strekking van deze documenten gelezen in hun geheel.(51)

73.      Ofschoon rekwirante zich in casu beroept op een onjuiste opvatting van de in eerste aanleg overgelegde bewijzen, verklaart zij niet waarin die onjuiste opvatting precies bestaat, maar beperkt zich ertoe algemeen te verwijzen naar passages van haar memories voor het Gerecht en de bijlagen daarbij. Volledigheidshalve merk ik op dat de punten 71 tot en met 77 van de memorie van antwoord voor het Gerecht, waarnaar rekwirante verwijst, slechts een samenvatting bevatten van de omstandigheden van de opzegging van de overeenkomst. Rekwirante maakt pas in punt 76 van die memorie melding van de geleden schade door te stellen dat de waarde van die overeenkomst met 10 % is gedaald door de ter voorbereiding ervan gemaakte kosten en met 20 % door de afgenomen verwachte winstmarge. Zij verwijst in die context naar bijlage A‑5 bij het verzoekschrift in eerste aanleg en naar de bijlagen A‑25‑a en A‑25‑b bij de memorie van antwoord voor het Gerecht. De eerste van die bijlagen bestaat uit een overzichtstabel van de projecten van rekwirante die nadelige gevolgen zouden hebben ondervonden, en van de openbare aanbestedingen die zij zou hebben verloren door de jegens haar vastgestelde sancties, de twee laatste uit een afschrift van de betrokken overeenkomst en de daaraan gehechte bijzondere voorwaarden. Ofschoon die documenten inlichtingen verschaffen over de waarde van de betrokken overeenkomst, zijn zij niet geschikt als bewijs voor de realiteit van de door rekwirante in verband met die overeenkomst gemaakte kosten en de omvang van de winstmarge die zij redelijkerwijs van de uitvoering van die overeenkomst kon verwachten. Wat het antwoord betreft op de zevende en de achtste vraag die het Gerecht heeft gesteld in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang van 14 januari 2014, waarop rekwirante heeft gereageerd bij akte neergelegd ter griffie van het Gerecht op 31 januari 2014, merk ik op dat het eerste antwoord alleen het gestelde oorzakelijke verband betreft tussen de blokkering van de betrokken betaling en de beperkende maatregelen jegens rekwirante en het tweede slechts loutere beweringen bevat met betrekking tot de gemaakte kosten en de gederfde inkomsten als gevolg van de opzegging van de betrokken overeenkomst. Zoals het Gerecht in punt 106 van het bestreden arrest heeft vastgesteld gaan die beweringen niet gepaard met overzichten van de gemaakte kosten, en evenmin met andere concrete gegevens over rekwirantes algemene rendementspercentage of dat van de industriële sector waarin zij werkzaam is.(52)

74.      Omdat niet is aangetoond dat het Gerecht de hem overgelegde bewijselementen kennelijk onjuist heeft opgevat moeten de door rekwirante opgeworpen grieven tegen de vaststelling dat zij de realiteit en de omvang van de gestelde, uit de opzegging van de overeenkomst voor de renovatie van de elektriciteitscentrale te Derbendikhan voortvloeiende schade niet heeft bewezen niet-ontvankelijk worden verklaard.

75.      Aangezien de voorwaarden met betrekking tot met name de realiteit van de aangevoerde schade en het oorzakelijk verband tussen die schade en het aan de instellingen verweten gedrag cumulatief zijn en er dus geen sprake kan zijn van niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie indien een van die voorwaarden niet is vervuld, is het niet nodig uitspraak te doen op de grief inzake de onjuistheid van de vaststelling dat dit verband met de in geding zijnde schadepost ontbrak.

76.      Bovendien, voor zover, enerzijds, het Gerecht zonder blijk te hebben gegeven van de hem door rekwirante verweten onjuiste opvattingen het ontbreken van bewijs voor de realiteit en het bedrag van de aangevoerde schade heeft vastgesteld en, anderzijds, rekwirante zich niet heeft beroepen op de onmogelijkheid of zelfs moeilijkheid om die schade te kwantificeren, kunnen de grieven inzake schending van de beginselen van evenredigheid en „billijke beoordeling” hoe dan ook niet slagen.

ii)    Schadevordering in verband met de sluiting van rekwirantes bankrekeningen

77.      In de tweede plaats voert rekwirante aan dat het Gerecht willekeurig en op basis van een onlogische en tegenstrijdige motivering en een onjuiste opvatting van de bewijselementen elke vergoeding heeft geweigerd voor de schade die zij zou hebben geleden als gevolg van de sluiting van haar bankrekeningen door de Emirate National Bank of Dubai.

78.      Opgemerkt moet worden dat het Gerecht, in de punten 95 en 96 van het bestreden arrest, op basis van de brief waarin de Emirate National Bank of Dubai rekwirante in kennis stelde van de sluiting van haar bankrekeningen heeft geconstateerd dat die sluiting een gevolg was van de vaststelling, kort voordien, van de beperkende maatregelen jegens haar. In de daaropvolgende motivering van dit arrest stelde het echter, wat de realiteit en de omvang van de aangevoerde schade aangaat, in de eerste plaats dat de Emirate National Bank of Dubai de tegoeden op die rekeningen niet had bevroren, maar deze aan rekwirante had teruggegeven (punt 97 van het bestreden arrest), in de tweede plaats dat rekwirante geen gegevens had aangevoerd waaruit blijkt dat zij de voordien door de Emirate National Bank of Dubai verleende financiële diensten niet via een andere bank kon verkrijgen (punt 98 van dat arrest), in de derde plaats dat zij geen concrete gegevens had verstrekt waaruit bleek dat de sluiting van die rekeningen of de onderbreking van haar betalingen nadelige gevolgen had gehad voor de betrekkingen met haar handelspartners of met andere personen of entiteiten (punt 99 van dat arrest) en in de vierde plaats dat zij geen gegevens had verstrekt ter staving van het bedrag van de schade die zij stelde te hebben geleden (punt 100 van dat arrest).

79.      Wat allereerst de vaststelling in punt 99 van het bestreden arrest betreft dat niet was aangetoond dat de onderbreking van de betrokken financiële diensten nadelige gevolgen had gehad voor rekwirantes handelsbetrekkingen, beperkt zij zich ertoe op te merken dat die vaststelling niet is gemotiveerd en de feiten onjuist zijn opgevat. Behoudens de algemene bewering dat „deze onderbreking haar zaken en economische activiteiten heeft lamgelegd”, noemt rekwirante geen enkel concreet bewijs voor dergelijke nadelige gevolgen dat het Gerecht zou hebben verzuimd in aanmerking te nemen, onjuist zou hebben opgevat of zonder motivering buiten toepassing zou hebben gelaten.

80.      Vervolgens betekent de vaststelling van het Gerecht in punt 96 van het bestreden arrest dat de weigering van de Emirate National Bank of Dubai om rekwirante nog langer financiële diensten te verlenen waarschijnlijk was te wijten aan de vaststelling van de betrokken beperkende maatregelen en de vrees dat die bank op zijn beurt dergelijke beperkende maatregelen opgelegd zou krijgen, anders dan rekwirante beweert, niet dat die diensten haar zeker ook zouden zijn geweigerd door elke andere bank die zij om uitvoering van haar betalingen had kunnen vragen. Het Gerecht heeft dus zonder zichzelf tegen te spreken in punt 98 van dat arrest vastgesteld dat rekwirante niet had aangetoond dat zij niet in staat was die financiële diensten van een andere bank te verkrijgen. Bovendien blijkt uit de schriftelijke stukken van rekwirante niet dat zij voor het Gerecht heeft aangevoerd dat zij andere bankinstellingen heeft verzocht haar de financiële diensten te verlenen die zij voorheen afnam van de Emirate National Bank of Dubai en dat haar dat is geweigerd. In deze omstandigheden is niet aangetoond dat de vaststelling van het Gerecht voortkomt uit een kennelijke onjuiste opvatting van de feiten of de bewijselementen.

81.      Wat, tot slot, de vaststelling in punt 100 van het bestreden arrest betreft dat rekwirante het bedrag van de schade die zij stelt te hebben geleden niet heeft bewezen, beperkt rekwirante zich nogmaals ertoe zich te beroepen op een onjuiste opvatting van de feiten, hetgeen zij enkel staaft door in het algemeen te stellen dat de sluiting van de betrokken rekeningen haar „onvermijdelijk en ontegenzeglijk” en „volgens de normale loop der dingen” een „aanzienlijke financiële schade” heeft berokkend.(53)

c)      Derde en vierde onderdeel: verschillende onjuiste rechtsopvattingen bij de afwijzing van de vordering tot vergoeding van de schade die rekwirante stelt te hebben geleden door de verbreking van de overeenkomsten en betrekkingen met haar handelspartners

82.      Met het derde en vierde onderdeel van het eerste middel voert rekwirante aan dat het Gerecht artikel 340, tweede alinea, VWEU, artikel 41, lid 3, van het Handvest van de grondrechten, en de beginselen van evenredigheid en billijke beoordeling heeft geschonden door te weigeren haar een vergoeding toe te kennen voor de schade van 2 000 000 EUR die zij zou hebben geleden door de verbreking van de overeenkomsten en handelsbetrekkingen met haar belangrijkste partners, te weten Siemens en Mobarakeh Steel Co. (hierna: „Mobarakeh”). Ook zou de redenering van het Gerecht onlogisch en tegenstrijdig zijn en voortkomen uit een onjuiste opvatting van de feiten en een ontkenning van het bewijs.

83.      Er zij aan herinnerd dat het Gerecht in punt 109 van het bestreden arrest het bestaan heeft erkend van een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen de beëindiging van de handelsbetrekking tussen Siemens en rekwirante en de vaststelling van de beperkende maatregelen jegens haar. In punt 110 van dat arrest, waarin het zich uitspreekt over het bestaan van de schade, stelt het Gerecht, ofschoon het erkent dat de verbreking van betrekkingen met belangrijke leveranciers de activiteiten van een onderneming verstoort, dat een weigering om producten te leveren als zodanig geen schade vormt. Van schade is slechts sprake wanneer die weigering nadelige gevolgen heeft voor de economische resultaten van de betrokken onderneming.

84.      Vervolgens heeft het de verschillende elementen onderzocht die rekwirante heeft aangedragen om aan te tonen dat zij schade had geleden doordat haar Europese leveranciers hun handelsbetrekkingen met haar hadden stopgezet. Die elementen betreffen de opzegging van de overeenkomst met Mobarakeh (punten 112‑117 van het bestreden arrest) en de nadelige gevolgen die dat heeft gehad voor de uitvoering van de overeenkomsten voor de modernisering van de elektrische installatie van de dam in de Eufraat in Syrië (punten 118‑125 van dat arrest) en de bouw van elektriciteitsonderstations te Kunduz (Afghanistan) en Baghlan (Afghanistan) (punten 126‑132 van dat arrest), alsook voor andere buitenlandse projecten (punten 133‑148 van dat arrest).

i)      Opzegging van de overeenkomst met Mobarakeh

85.      Rekwirante heeft voor het Gerecht aangevoerd dat zij door de weigering van Siemens om bepaalde uitrustingen te verzenden niet in staat is geweest haar contractuele verplichtingen na te komen jegens Mobarakeh, die de betrokken overeenkomst heeft opgezegd en rekwirante heeft uitgesloten van toekomstige aanbestedingen. In punt 116 van het bestreden arrest concludeert het Gerecht dat de vaststelling van de beperkende maatregelen jegens rekwirante niet de beslissende en rechtstreekse oorzaak is geweest van de opzegging van die overeenkomst.

86.      Volgens rekwirante berust die conclusie op een onjuiste opvatting van de brief van 3 september 2011 waarbij Mobarakeh haar de overeenkomst heeft opgezegd. Anders dan rekwirante stelt blijkt uit die brief echter niet dat de vaststelling van de beperkende maatregelen jegens haar de „cruciale en beslissende” reden is geweest voor de beslissing om de overeenkomst op te zeggen, aangezien Mobarakeh veeleer het accent legt op de vertraging die rekwirante had opgelopen bij de nakoming van haar verplichtingen inzake de contractuele leveringstermijn van vijftien maanden die op 15 november 2010 afliep, te weten, zoals het Gerecht in punt 114 van het bestreden arrest benadrukt, meer dan zes maanden vóór de plaatsing van rekwirante op de betrokken lijsten. Het Gerecht heeft de strekking van die brief dus niet onjuist opgevat.(54)

ii)    Verliezen die rekwirante stelt te hebben geleden in het kader van de overeenkomst voor de modernisering van de elektrische installatie van de dam in de Eufraat in Syrië

87.      Rekwirante heeft voor het Gerecht aangevoerd dat zij, omdat haar Europese leveranciers alle handelsbetrekkingen met haar hadden stopgezet, niet in staat is geweest het merendeel van de uitrusting, het toebehoren en de materialen te leveren die noodzakelijk waren voor de modernisering van de elektrische installatie van de dam in de Eufraat in Syrië, waardoor zij schade heeft geleden ten bedrage van ten minste 30 % de van de waarde van het deel van die overeenkomst dat moest worden uitbesteed, te weten 1 425 000 EUR, uit hoofde van de verrichte voorbereidende werkzaamheden en de winstmarge (zie punt 118 van het bestreden arrest). Het Gerecht heeft de uit dien hoofde door rekwirante gevorderde schadevergoeding afgewezen na te hebben vastgesteld dat er geen bewijs was voor, enerzijds, het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de aan de Raad verweten gedraging en de aangevoerde schade (punten 119‑121 van dat arrest) en, anderzijds, de aangevoerde schade (punten 122‑124 van dat arrest).

88.      Wat, in de eerste plaats, het oorzakelijk verband betreft heeft het Gerecht in punt 119 van het bestreden arrest erkend dat uit de door rekwirante overgelegde stukken blijkt dat de aanvang en de planning van de aan rekwirante opgedragen werkzaamheden waren uitgesteld en dat zij toestemming had gekregen om gebruik te maken van „secundaire medecontractanten”. In punt 120 van dat arrest constateerde het Gerecht evenwel dat uit de door rekwirante aangeleverde gegevens niet bleek dat de vertraging die het project had opgelopen en haar beroep op „secundaire medecontractanten” het gevolg waren van de vaststelling van de beperkende maatregelen jegens haar.

89.      Rekwirante betwist die constatering.

90.      Er zij aan herinnerd dat op het gebied van de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie de vraag of er een oorzakelijk verband bestaat tussen het schadeveroorzakende feit en de schade een rechtsvraag vormt die bijgevolg aan het toezicht van het Hof is onderworpen.(55) Dat toezicht kan echter de door het Gerecht verrichte feitelijke vaststellingen en beoordelingen niet in twijfel trekken.(56)

91.      In casu strekt het merendeel van rekwirantes argumenten ertoe de beoordeling van de bewijselementen door het Gerecht in twijfel te trekken, zonder een onjuiste opvatting van die elementen aan te voeren. Die argumenten moeten daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

92.      Wel ontvankelijk is daarentegen de grief, voor zover het Gerecht daarin een onjuiste juridische kwalificatie van de feiten wordt verweten, dat het Gerecht blijk zou hebben gegeven van een onjuiste opvatting door niet op basis van de „geloofwaardigheid”, gelet op de omstandigheden van het geval, van rekwirantes argumenten het bestaan van een oorzakelijk verband te erkennen. Ik merk in dit verband op dat, volgens de rechtspraak, het bestaan van een oorzakelijk verband in de zin van artikel 340, tweede alinea, VWEU wordt aanvaard wanneer er een zeker en rechtstreeks verband bestaat tussen de onrechtmatige handeling van de betrokken instelling en de aangevoerde schade, welk verband door de verzoeker moet worden bewezen.(57) Het Gerecht kan derhalve niet worden verweten zich te hebben beperkt tot het vaststellen van het ontbreken van bewijs voor een dergelijk oorzakelijk verband zonder de „geloofwaardigheid” van rekwirantes argumenten na te gaan. Bovendien kan rekwirante de geloofwaardigheid van haar lezing van de relevante feiten niet aanvoeren om te ondervangen dat zij heeft nagelaten gegevens te verstrekken die het bestaan van een dergelijk oorzakelijk verband rechtens genoegzaam kunnen aantonen.

93.      Wat, in de tweede plaats, de constatering van het Gerecht betreft dat rekwirante geen gegevens heeft verstrekt die het bestaan van de gestelde schade bewijzen, moet worden opgemerkt dat rekwirantes argumenten zich ertoe beperken de beoordeling door het Gerecht van de bewijzen in twijfel te trekken, zonder te stellen dat die gegevens onjuist zijn opgevat. Die argumenten moeten derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.

iii) Schade die rekwirante stelt te hebben geleden in het kader van de overeenkomst voor de bouw van elektriciteitsonderstations te Kunduz en Baghlan

94.      Rekwirante heeft voor het Gerecht aangevoerd dat zij doordat haar Europese leveranciers de handelsbetrekkingen hadden stopgezet, een deel van de machines en de uitrusting die noodzakelijk waren voor de bouw van elektriciteitsonderstations te Kunduz en Baghlan niet heeft kunnen leveren en bijgevolg schade heeft geleden ten bedrage van ten minste 10 % van de waarde van het deel van het project dat moest worden uitbesteed, te weten 729 210,80 EUR.

95.      In de punten 129 tot en met 132 van het bestreden arrest stelt het Gerecht in de eerste plaats vast niet over gegevens te beschikken waaruit blijkt dat de voorwaarden van de overeenkomst voor de bouw van elektriciteitsonderstations te Kunduz en Baghlan na de vaststelling van de beperkende maatregelen jegens rekwirante dienden te worden gewijzigd, met name door een beroep te doen op onderaannemers, in de tweede plaats dat rekwirante niet heeft bewezen dat zij door de annulering van een bestelling bij Siemens de betrokken overeenkomst niet kon uitvoeren zonder een beroep te doen op onderaannemers, en in de derde plaats dat zij evenmin heeft gepreciseerd welk soort schade zij heeft geleden, noch gegevens heeft overgelegd waaruit het bedrag van het beweerdelijk uitbestede deel van die overeenkomst blijkt.

96.      Nagenoeg alle door rekwirante aangevoerde argumenten tegen de hierboven vermelde vaststellingen strekken ertoe de beoordeling door het Gerecht van de feiten en bewijselementen in twijfel te trekken of komen neer op loutere beweringen die veelal op een selectieve lezing van het bestreden arrest zijn gebaseerd.

97.      De enige mijns inziens ontvankelijke grief is die volgens welke het Gerecht de feiten en het bewijs onjuist heeft opgevat door te stellen dat rekwirante niet had bewezen dat zij door de annulering van de bestelling bij Siemens de betrokken overeenkomst niet kon uitvoeren zonder een beroep te doen op onderaannemers. Rekwirante voert in dit verband aan dat het Gerecht had moeten weten dat zij geen producente is en dat zij derhalve afhankelijk is van haar leveranciers en van onderaannemers. Deze grief lijkt mij echter te berusten op een onjuiste lezing van punt 130 van het bestreden arrest. Mijns inziens heeft het Gerecht namelijk niet bedoeld te stellen dat rekwirante de uitrustingen en machines die het voorwerp van de overeenkomst vormden zelf had kunnen produceren, maar dat zij die, indien nodig, van andere leveranciers dan Siemens had kunnen betrekken, bijvoorbeeld van niet-Europese leveranciers, in plaats van de aanvoer ervan uit te besteden aan onderaannemers. De door rekwirante gestelde onjuiste opvatting, de enige grief die zij tegen dit punt van het bestreden arrest heeft opgeworpen, is derhalve niet bewezen.

iv)    Andere gegevens die door het Gerecht zijn beoordeeld in het kader van het onderzoek van de vordering tot vergoeding van de schade die rekwirante stelt te hebben geleden als gevolg van de verbreking van de overeenkomsten en de betrekkingen met haar handelspartners

98.      Rekwirante voert allereerst aan dat het Gerecht, in de punten 133 en volgende van het bestreden arrest, het ontbreken van bewijs heeft vastgesteld voor feiten die het zelf in andere passages van het bestreden arrest bewezen heeft geacht.

99.      Ik merk in dit verband op dat het Gerecht in de hierboven vermelde punten van het bestreden arrest een reeks door rekwirante overgelegde documenten heeft onderzocht en voor elk daarvan heeft vastgesteld dat deze onvoldoende bewijs leverden voor het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de aan de Raad verweten gedraging en de door rekwirante aangevoerde, door het verbreken van de handelsbetrekkingen met haar Europese leveranciers veroorzaakte schade of voor de realiteit van een dergelijke schade. In de punten 88 en 109 van het bestreden arrest, waarnaar rekwirante verwijst, betoogt het Gerecht dat „[rekwirantes betrokkenheid] bij de nucleaire proliferatie gevolgen heeft gehad voor de manier waarop derde entiteiten – die veelal buiten de Unie waren gevestigd – zich jegens haar gedroegen” (punt 88 van dat arrest) en dat „de omstandigheid dat de buiten de Unie gevestigde entiteiten de handelsbetrekkingen hebben stopgezet een onvermijdelijk gevolg [is] van de vaststelling van de beperkende maatregelen” (punt 109 van dat arrest). Deze passages vormen echter, anders dan rekwirante lijkt te beweren, geen erkenning van de realiteit van de door rekwirante aangevoerde schade, en evenmin van het bestaan van een oorzakelijk verband tussen die schade en de beperkende maatregelen. Integendeel, in punt 110 van het bestreden arrest stelt het Gerecht duidelijk dat „een weigering om producten te leveren […] als zodanig geen schade [vormt]”.

100. Rekwirante voert vervolgens aan dat in „normale omstandigheden” de stopzetting van handelsbetrekkingen door leveranciers van een onderneming „normaliter” schade tot gevolg heeft en, meer in het algemeen, dat beperkende maatregelen worden vastgesteld met het doel de entiteit waarop zij van toepassing zijn maximale economische en financiële schade toe te brengen, hetgeen het Gerecht met name probeert te ontkennen door haar een bewijslast op te leggen waaraan zij onmogelijk kan voldoen.

101. Het is in dit verband zeker waar, zoals het Gerecht zelf erkent in punt 147 van het bestreden arrest, dat beperkende maatregelen ertoe strekken de vrije uitoefening van de economische activiteit van de betrokken entiteiten te beperken teneinde hun gedrag te sturen in een richting die in overeenstemming is met de nagestreefde doelen. Die evidentie betekent echter niet dat kan worden aangenomen dat die maatregelen de persoon waarop zij van toepassing zijn concreet een reële en zekere schade hebben toegebracht en kan die persoon, in het kader van een vordering betreffende de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie, derhalve niet ontslaan van het bewijs van, naast de onrechtmatigheid van de aan de Raad verweten gedraging, de realiteit en de omvang van de aangevoerde schade en het oorzakelijk verband tussen die schade en die gedraging. Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, moet de vraag of er sprake is van reële en zekere schade immers niet in abstracto door de Unierechter worden beoordeeld, maar aan de hand van de precieze feitelijke omstandigheden die kenmerkend zijn voor elk aan hem voorgelegd geval.(58) Bovendien is de Unie volgens artikel 340, tweede alinea, VWEU enkel gehouden de schade te vergoeden die door het gedrag van haar instellingen of door haar personeelsleden is veroorzaakt, hetgeen veronderstelt dat wordt aangetoond dat er een voldoende rechtstreeks verband tussen dat gedrag en de aangevoerde schade bestaat.(59) Voorts blijkt in casu niet dat het Gerecht rekwirante een abnormale of onmogelijke bewijslast heeft opgelegd.

102. Voor het overige strekken rekwirantes argumenten ertoe de beoordeling door het Gerecht van de bewijselementen in twijfel te trekken. Deze argumenten moeten derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.

v)      Grief inzake het verzuim van het Gerecht om de door rekwirante geleden schade billijk te begroten

103. Subsidiair verwijt rekwirante het Gerecht dat het de haar toe te kennen vergoeding voor de schade die het gevolg is van de verbreking van de betrekkingen met haar handelspartners niet ex aequo et bonoheeft begroot op basis van met name de sterke omzetdaling en het massaontslag van haar werknemers, in plaats van elke aanspraak op schadevergoeding van rekwirante integraal af te wijzen.

104. In dit verband volstaat het op te merken dat het Gerecht, in voorkomend geval, slechts verplicht is een dergelijke begroting te maken wanneer rekwirante op zijn minst de realiteit van de aangevoerde schade en het bestaan van een oorzakelijk verband bewijst, hetgeen het Gerecht evenwel, zonder door rekwirante met succes te zijn bestreden, heeft uitgesloten.

105. Voor zover rekwirante verwijst naar delen van haar boekhouding merk ik op dat het Gerecht in het kader van zijn autonome bevoegdheid tot beoordeling van het bewijs in punt 145 van het bestreden arrest heeft vastgesteld dat daaruit weliswaar blijkt dat haar omzet fors is gedaald, doch dat daaruit niet kan worden afgeleid wat de oorzaken van die daling zijn. Daardoor „kan niet worden bepaald of en, in voorkomend geval, in welke mate die daling eerder te wijten is aan de vaststelling en de handhaving van de beperkende maatregelen jegens rekwirante dan aan andere factoren zoals de algemene evolutie van het economische klimaat”.

d)      Conclusie inzake het eerste middel

106. Op basis van het voorgaande moet het eerste middel van de principale hogere voorziening, dat is gericht tegen de afwijzing van de vordering tot vergoeding van de materiële schade die rekwirante stelt te hebben geleden, mijns inziens worden afgewezen.

107. Aangezien uit het voorgaande blijkt dat de voorwaarden die verband houden met de realiteit en de omvang van de schade en/of het oorzakelijk verband tussen die schade en de aan de Raad verweten gedraging voor geen van de door rekwirante in het kader van haar vordering tot vergoeding van materiële schade aangevoerde schadeposten zijn vervuld, kan de vordering van rekwirante die ertoe strekt dat het Hof in het kader van zijn volledige rechtsmacht het bedrag van die schade naar billijkheid bepaalt hoe dan ook niet worden toegewezen.

2.      Tweede middel: schending van de motiveringsplicht en het evenredigheidsbeginsel met betrekking tot de vordering tot vergoeding van de door rekwirante geleden immateriële schade

108. Volgens rekwirante is het, door haar onbeduidend geachte, bedrag van 50 000 EUR dat het Gerecht haar uit hoofde van immateriële schade heeft toegekend willekeurig, zonder motivering, en in strijd met het evenredigheidsbeginsel vastgesteld.

109. Wat de grief inzake ontoereikende motivering betreft herinner ik eraan dat, volgens vaste rechtspraak, uit de motivering van een arrest van het Gerecht duidelijk en ondubbelzinnig diens redenering moet blijken, zodat de betrokkenen kennis kunnen nemen van de gronden voor de genomen beslissing en het Hof zijn rechterlijke controle kan uitoefenen.(60) In casu heeft het Gerecht in de punten 86 tot en met 91 van het bestreden arrest, waarvan de inhoud is samengevat in punt 52 hierboven, voldoende duidelijk gemaakt op welke gronden en gegevens het zich heeft gebaseerd bij de vaststelling van het aan rekwirante toe te wijzen bedrag.

110. Wat de grief inzake schending van het evenredigheidsbeginsel betreft slaagt rekwirante er, mijns inziens, niet in met haar argumentatie aan te tonen dat de beoordeling van het Gerecht door een dergelijk gebrek is aangetast.

111. Enerzijds, voor zover zij stelt dat het Gerecht niet voldoende rekening heeft gehouden met de omvang van haar schade en de ernst van de door de Raad begane schendingen, verzoekt zij het Hof in feite om een nieuwe beoordeling van het door het Gerecht vastgestelde bedrag. Volgens vaste rechtspraak is het Gerecht echter, zodra het heeft vastgesteld dat er schade is, bij uitsluiting bevoegd om binnen de grenzen van het petitum te beoordelen hoe zij het best kan worden vergoed.(61)

112. Anderzijds, voor zover zij het Gerecht verwijt te hebben geoordeeld dat de nadelige gevolgen van haar plaatsing op de betrokken lijsten bijna drie jaar hebben geduurd terwijl zij de gevolgen ervan nog altijd ondervindt, volstaat het, net als de Raad, op te merken dat de Unie slechts aansprakelijk kan worden gesteld voor schade die het rechtstreekse gevolg is van door haar organen en personeelsleden begane schendingen. Noch het feit dat, zoals rekwirante betoogt, haar naam op websites nog altijd in verband wordt gebracht met de sancties, noch de schade die daaruit zou voortvloeien kan, als zodanig, worden aangemerkt als een dergelijk rechtstreeks gevolg, aangezien rekwirantes naam op 16 april 2014 van de betrokken lijsten is verwijderd en het arrest waarbij de plaatsing van haar naam op die lijsten nietig is verklaard dateert van 25 november 2014.

113. Om de hiervoor genoemde redenen moet het tweede middel van de principale hogere voorziening mijns inziens worden afgewezen.

3.      Conclusie inzake de principale hogere voorziening

114. Op grond van het voorgaande ben ik van mening dat de principale hogere voorziening in haar geheel moet worden afgewezen.

IV – Conclusie

In het licht van het voorgaande geef ik het Hof in overweging:

–        de principale hogere voorziening van Safa Nicu Sepahan Co. en de incidentele hogere voorziening van de Raad van de Europese Unie in hun geheel af te wijzen, en

–        Safa Nicu Sepahan Co., de Raad van de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland te verwijzen in hun eigen kosten, overeenkomstig artikel 138, leden 2 en 3, en artikel 140, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.


1      Oorspronkelijke taal: Frans.


2      Ik merk op dat de door het Gerecht nietig verklaarde handelingen zijn vastgesteld op grond van artikel 215 VWEU en dus buiten het kader van het Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB). Die handelingen vallen derhalve krachtens artikel 19 VEU onder de algemene bevoegdheid van de Unierechter [zie in die zin de conclusie van advocaat-generaal Wathelet in de zaak Rosneft (C‑72/15, EU:C:2016:381, punt 48)]. Bijgevolg was het Gerecht bevoegd kennis te nemen van de door rekwirante ingestelde vordering tot vergoeding van de door de vaststelling van die handelingen geleden schade, hetgeen overigens noch voor het Gerecht, noch voor het Hof door de Raad is betwist.


3      Besluit van de Raad van 26 juli 2010 betreffende beperkende maatregelen tegen Iran en tot intrekking van Gemeenschappelijk Standpunt 2007/140/GBVB (PB 2010, L 195, blz. 39).


4      Besluit van de Raad van 23 mei 2011 houdende wijziging van besluit 2010/413 (PB 2011, L 136, blz. 65).


5      Verordening van de Raad van 25 oktober 2010 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening nr. 423/2007 (PB 2010, L 281, blz. 1).


6      Verordening van de Raad van 23 mei 2011 houdende uitvoering van verordening nr. 961/2010 (PB 2011, L 136, blz. 26).


7      Besluit van de Raad van 1 december 2011 houdende wijziging van besluit 2010/413 (PB 2011, L 319, blz. 71).


8      Verordening van de Raad van 1 december 2011 houdende uitvoering van verordening (EU) nr. 961/2010 (PB 2011, L 319, blz. 11).


9      Verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening nr. 961/2010 (PB 2012, L 88, blz. 1).


10      Besluit van de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van besluit 2010/413 (PB 2014, L 119, blz. 65).


11      Verordening van de Raad van 16 april 2014 tot uitvoering van verordening nr. 267/2012 (PB 2014, L 119, blz. 1).


12      Het Gerecht stelde vast dat rekwirante niet langer betwistte dat de betrokken vermelding haar betrof en concludeerde dat het eerste middel derhalve niet onderzocht hoefde te worden (punten 23‑25 van het bestreden arrest).


13      Het verzoek tot nietigverklaring van de vermelding van de namen van de „dochterondernemingen” van rekwirante werd daarentegen niet-ontvankelijk verklaard (punten 41‑44 van het bestreden arrest).


14      In de bewoordingen van artikel 174 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof: „[d]e conclusies van de memorie van antwoord strekken tot gehele of gedeeltelijke toewijzing of afwijzing van de hogere voorziening”.


15      Artikel 179 van het Reglement voor de procesvoering bepaalt het volgende: „[w]anneer een incidentele hogere voorziening is ingesteld, kan de rekwirant […] een memorie van antwoord indienen waarvan het voorwerp is beperkt tot de in incidentele hogere voorziening aangevoerde middelen”.


16      Zie punt 29 van de onderhavige conclusie.


17      Zie inter alia arrest van 9 september 2008, FIAMM e.a./Raad en Commissie (C‑120/06 P en C‑121/06 P, EU:C:2008:476, punt 106 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


18      Zie inter alia arresten van 5 maart 1996, Brasserie du pêcheur en Factortame (C‑46/93 en C‑48/93, EU:C:1996:79, punt 51), van 4 juli 2000, Bergaderm en Goupil/Commissie (C‑352/98 P, EU:C:2000:361, punten 41 en 42), van 10 december 2002, Commissie/Camar en Tico (C‑312/00 P, EU:C:2002:736, punt 53) en van 10 juli 2003, Commissie/Fresh Marine (C‑472/00 P, EU:C:2003:399, punt 25).


19      Zie arresten van 5 maart 1996, Brasserie du pêcheur en Factortame (C‑46/93 en C‑48/93, EU:C:1996:79, punt 55), van 4 juli 2000, Bergaderm en Goupil/Commissie (C‑352/98 P, EU:C:2000:361, punt 43), van 10 december 2002, Commissie/Camar en Tico (C‑312/00 P, EU:C:2002:736, punt 54) en van 10 juli 2003, Commissie/Fresh Marine (C‑472/00 P, EU:C:2003:399, punt 26).


20      Zie arresten van 4 juli 2000, Bergaderm en Goupil/Commissie (C‑352/98 P, EU:C:2000:361, punt 44), van 10 december 2002, Commissie/Camar en Tico (C‑312/00 P, EU:C:2002:736, punt 54) en van 10 juli 2003, Commissie/Fresh Marine (C‑472/00 P, EU:C:2003:399, punt 26).


21      Zie arrest van 5 maart 1996, Brasserie du pêcheur en Factortame (C‑46/93 en C‑48/93, EU:C:1996:79, punt 57).


22      Zie punt 38 van het bestreden arrest.


23      Punten 56 en 57 van het bestreden arrest.


24      Zie eveneens punt 58 van het bestreden arrest.


25      Punt 59 van het bestreden arrest. Cursivering van mij.


26      Zie met name arresten van 18 januari 2007, PKK en KNK/Raad (C‑229/05 P, EU:C:2007:32, punten 109‑111), van 29 juni 2010, E en F (C‑550/09, EU:C:2010:382, punt 57), van 21 maart 2012, Fulmen/Raad (T‑439/10 en T‑440/10, EU:T:2012:142, punten 96 en 97), van 13 maart 2012, Melli Bank/Raad (C‑380/09 P, EU:C:2012:137, punt 46), van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi (C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 142) en van 12 december 2006, Organisation des Modjahedines du peuple d’Iran/Raad (T‑228/02, EU:T:2006:384, punt 159). Het is interessant om op te merken dat het Hof in het arrest van 18 februari 2016, Raad/Bank Mellat (C‑176/13 P, EU:C:2016:96) de verplichting van de Raad om de gegrondheid van beperkende maatregelen te staven met informatie en bewijs dat door de Unierechter kan worden getoetst (punten 109‑112) heeft bevestigd, maar heeft gepreciseerd dat de Raad, ten minste wat een eerste plaatsing op een lijst betreft, niet verplicht is de relevantie en de gegrondheid van die elementen te onderzoeken, wanneer die hem zijn verstrekt door een lidstaat of de hoge vertegenwoordiger van de Unie (punten 88‑91).


27      Punt 38 van het bestreden arrest.


28      Punt 171 van de conclusie in de zaak Raad/Manufacturing Support & Procurement Kala Naft (C‑348/12 P, EU:C:2013:470); zie eveneens de punten 172 en 174 van die conclusie.


29      Punten 109 en 110 van dat arrest.


30      Zie punten 109‑111 van dat arrest.


31      De motivering, die een wezenlijk vormvoorschrift vormt, moet vanzelfsprekend en zoals het Hof meermaals heeft benadrukt, worden onderscheiden van het bewijs van het gestelde gedrag, dat de rechtmatigheid ten gronde van de betrokken handeling betreft en impliceert dat moet worden onderzocht of de in die handeling vermelde feiten juist zijn en op goede gronden zijn aangemerkt als factoren die de toepassing van de beperkende maatregelen ten aanzien van de betrokken persoon rechtvaardigen, zie inter alia arrest van 15 november 2012, Raad/Bamba (C‑417/11 P, EU:C:2012:718, punt 60).


32      Zie punt 57 van dat arrest, mijn cursivering. In hetzelfde punt voegde het Hof daaraan toe dat de mogelijkheid van een dergelijke toetsing noodzakelijk is om een juist evenwicht te kunnen garanderen tussen de aan de vaststelling van de betrokken handelingen ten grondslag liggende vereisten, in casu de bestrijding van internationaal terrorisme en de bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden. In diezelfde lijn had het Hof in het arrest van 3 september 2008, Kadi en Al Barakaat International Foundation/Raad en Commissie (C‑402/05 P en C‑415/05 P, EU:C:2008:461) met name reeds gepreciseerd dat beperkende maatregelen, als die welke tot dat arrest hebben geleid, niet aan elke controle door de Unierechter ontsnappen door het enkele feit dat de handeling waarbij zij zijn uitgevaardigd betrekking heeft op gevoelige onderwerpen, zoals de nationale veiligheid en de bestrijding van terrorisme (zie met name punt 343; zie eveneens punten 281, 326, 350 en 351 van dat arrest).


33      Het betreft het standpunt van de Raad in met name de zaak Raad/Manufacturing Support & Procurement Kala Naft (zie de conclusie van advocaat-generaal Bot in die zaak, C‑348/12 P, EU:C:2013:470, punt 88).


34      Zie inter alia arrest van 4 juli 2000, Bergaderm en Goupil/Commissie (C‑352/98 P, EU:C:2000:361, punt 40).


35      Zie de punten 86 en 87 van het bestreden arrest.


36      Zie met name arresten van 9 juli 1981, Krecké/Commissie (59/80 en 129/80, EU:C:1981:170, punten 73 en 74), van 7 oktober 1985, van der Stijl/Commissie (128/84, EU:C:1985:395, punt 26), van 9 juli 1987, Hochbaum en Rawes/Commissie (44/85, 77/85, 294/85 en 295/85, EU:C:1987:348, punt 22), van 6 juli 1999, Séché/Commissie (T‑112/96 en T‑115/96, EU:T:1999:134, punt 281), van 16 december 2004, De Nicola/EIB (T‑120/01 en T‑300/01, EU:T:2004:367, punt 73) en van 18 september 2015, Wahlström/Frontex (T‑653/13 P, EU:T:2015:652, punten 82‑85).


37      Mijn cursivering.


38      Mijn cursivering. Dezelfde formulering is overgenomen, soms met kleine variaties, in alle ambtenarenzaken waarin het betrokken beginsel is toegepast.


39      Zie bijvoorbeeld arresten van 26 oktober 1993, Caronna/Commissie (T‑59/92, EU:T:1993:91, punt 107) en van 10 juni 2004, François/Commissie (T‑307/01, EU:T:2004:180, punt 110).


40      Zie arresten van 11 oktober 1995, Baltsavias/Commissie (T‑39/93 en T‑553/93, EU:T:1995:177, punt 86) en van 16 juni 2000, C/Raad (T‑84/98, EU:T:2000:156, punt 101).


41      Zie arrest van 24 november 2005, Marcuccio/Commissie (T‑236/02, EU:T:2005:417, punten 234 en 237).


42      Zie in die zin arresten van 7 februari 1990, Culin/Commissie (C‑343/87, EU:C:1990:49, punten 27 en 28) en van 6 juni 2006, Girardot/Commissie (T‑10/02, EU:T:2006:148, punt 131).


43      Zie arresten van 7 februari 1990, Culin/Commissie (C‑343/87, EU:C:1990:49, punten 27 en 28), van 23 maart 2000, Rudolph/Commissie (T‑197/98, EU:T:2000:86, punt 98), van 10 juni 2004, François/Commissie (T‑307/01, EU:T:2004:180, punt 110), van 9 december 2010, Commissie/Strack (T‑526/08 P, EU:T:2010:506, punt 108) en van 2 oktober 2012, Q/Commissie (F‑52/05 RENV, EU:F:2012:139, punt 273).


44      Zie punt 70 van dat arrest.


45      Anders dan in het bestreden arrest heeft het Gerecht in het arrest van 18 februari 2016, Jannatian/Raad (T‑328/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:86, punten 62‑66) na het beoordelen van alle omstandigheden van het geval, in de motivering ten overvloede vastgesteld dat de nietigverklaring de volledige door de verzoeker geleden immateriële schade genoegzaam herstelde.


46      Rekwirante verwijst naar de punten 88, 109, 145 en 147 van het bestreden arrest.


47      Zie inter alia arrest van 9 september 2008, FIAMM e.a./Raad en Commissie (C‑120/06 P en C‑121/06 P, EU:C:2008:476, punt 106 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


48      Zie arresten van 16 september 1997, Blackspur DIY e.a./Raad en Commissie (C‑362/95 P, EU:C:1997:401, punt 31) en van 16 juli 2009, SELEX Sistemi Integrati/Commissie (C‑481/07 P, niet gepubliceerd, EU:C:2009:461, punt 36).


49      Zie arresten van 21 mei 1976, Roquette frères/Commissie (26/74, EU:C:1976:69, punten 22 en 23) en van 16 september 1997, Blackspur DIY e.a./Raad en Commissie (C‑362/95 P, EU:C:1997:401, punt 31).


50      Zie inter alia arrest van 3 december 2015, PP Nature-Balance Lizenz/Commissie (C‑82/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2015:796, punten 26 en 27).


51      Zie inter alia arrest van 18 juli 2007, Industrias Químicas del Vallés/Commissie (C‑326/05 P, EU:C:2007:443, punten 60 en 63).


52      Wat met name de bewijslast van rekwirante inzake de verwachte winstmarge betreft herinner ik eraan dat, wanneer de waarde van gederfde inkomsten en dus de waarde van hypothetische economische transacties dient te worden bepaald, het voor de verzoekende partij moeilijk of zelfs onmogelijk kan zijn om de schade die zij stelt te hebben geleden, exact te becijferen. Dat stelt rekwirante evenwel niet volledig vrij van de verplichting om de aangevoerde schade te bewijzen. De waarde van de gederfde inkomsten vormt immers weliswaar noodzakelijkerwijs een hypothetische waarde die dient te worden geschat voor zover zij niet met zekerheid kan worden berekend, maar dit neemt niet weg dat de gegevens waarop deze schatting is gebaseerd kunnen – en in de mate van het mogelijke moeten – worden bewezen door de partij die zich hierop beroept (zie arrest van 28 april 2010, BST/Commissie, T‑452/05, EU:T:2010:167, punten 167 en 168).


53      Rekwirante wijst eveneens op de sterke daling van haar omzet en rentabiliteit, alsook op het ontslag van een groot aantal werknemers en andere onvoorziene kosten.


54      Ofschoon rekwirante geen grief inzake een onjuiste kwalificatie van de feiten heeft geformuleerd tegen de vaststelling van het Gerecht dat er geen oorzakelijk verband was aangetoond tussen de aan de Raad verweten gedraging en de ontbinding van de overeenkomst met Mobarakeh, herinner ik er toch aan dat, volgens de rechtspraak, rechtstreekse schade die schade is welke het gevolg is van het onrechtmatig handelen van de aansprakelijke persoon en niet afhangt van andere, positieve dan wel negatieve oorzaken [zie de conclusie van advocaat-generaal Trabucchi in de zaak Compagnie Continentale France/Raad (C‑169/73, EU:C:1974:32, punt 4)], aangezien de verweten gedraging de beslissende oorzaak moet zijn van de schade (zie beschikking van 31 maart 2011, Mauerhofer/Commissie, C‑433/10 P, niet gepubliceerd, EU:C:2011:204, punt 127).


55      Arrest van 16 juli 2009, Commissie/Schneider Electric (C‑440/07 P, EU:C:2009:459, punt 192).


56      Arrest van 16 juli 2009, Commissie/Schneider Electric (C‑440/07 P, EU:C:2009:459, punt 193).


57      Arrest van 30 januari 1992, Finsider e.a./Commissie (C‑363/88 en C‑364/88, EU:C:1992:44, punten 24 en 25).


58      Zie arrest van 15 juni 2000, Dorsch Consult/Raad en Commissie (C‑237/98 P, EU:C:2000:321, punt 25).


59      Zie arresten van 19 mei 1982, Dumortier e.a./Raad (64/76, 113/76, 167/78, 239/78, 27/79, 28/79 en 45/79, EU:C:1982:184, punt 21), van 18 maart 2010, Trubowest Handel en Makarov/Raad en Commissie (C‑419/08 P, EU:C:2010:147, punt 53) en van 10 mei 2006, Galileo International Technology e.a./Commissie (T‑279/03, EU:T:2006:121, punt 130 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


60      Zie inter alia arrest van 8 mei 2013, Eni/Commissie (C‑508/11 P, EU:C:2013:289, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


61      Zie arrest van 1 juni 1994, Commissie/Brazzelli Lualdi e.a. (C‑136/92 P, EU:C:1994:211, punt 66).