Language of document : ECLI:EU:F:2013:142

ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Eerste kamer)

7 oktober 2013

Zaak F‑97/12

Florence Thomé

tegen

Europese Commissie

„Openbare dienst – Algemeen vergelijkend onderzoek – Aankondiging van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/177/10 – Besluit om geslaagde kandidaat niet aan te verwerven – Criteria voor toelaatbaarheid – Universitair diploma”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarmee Thomé in wezen opkomt tegen de weigering van de Europese Commissie om haar aan te werven in het ambt bedoeld in de kennisgeving van vacature COM/2011/218 en vraagt om de Europese Commissie te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding aan haar.

Beslissing:      De besluiten van de Europese Commissie van 11 november 2011 en 5 juni 2012 worden nietig verklaard. De Europese Commissie wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag van 14 000 EUR aan Thomé. Het beroep wordt verworpen voor het overige. De Europese Commissie draagt haar eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van Thomé.

Samenvatting

1.      Beroepen van ambtenaren – Procesbelang – Beroep tegen ingetrokken handeling – Respectieve gevolgen van opheffing en intrekking

(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)

2.      Ambtenaren – Aanwerving – Vergelijkend onderzoek – Vergelijkend onderzoek op grondslag van schriftelijke bewijsstukken en examens – Vereiste van universitaire diploma’s – Begrip universitair diploma – Beoordeling aan de hand van de wettelijke regeling van de staat waar de studie is gevolgd – Beoordelingsbevoegdheid van jury en van tot aanstelling bevoegd gezag – Rechterlijke toetsing – Grenzen

1.      Door de intrekking van een besluit verdwijnt dit met terugwerkende kracht, terwijl een besluit door de opheffing ervan alleen voor de toekomst verdwijnt. Dit betekent dat een beroep gericht tegen een besluit dat vóór de instelling van dat beroep is ingetrokken in beginsel weliswaar geen voorwerp heeft en niet-ontvankelijk moet worden verklaard, doch dat een ambtenaar een belang behoudt om op te komen tegen een besluit dat slechts is opgeheven maar niet is ingetrokken, wanneer de nietigverklaring van dat besluit door het Gerecht op zich rechtsgevolgen kan hebben.

(cf. punt 28)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 14 september 1995, Antillean Rice Mills e.a./Commissie, T‑480/93 en T‑483/93, punt 60

2.      Het is de verantwoordelijkheid van de jury van een vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken en examens om van geval tot geval te beoordelen of de overgelegde diploma’s of de vermelde beroepservaring van elke kandidaat van het niveau zijn dat het Statuut en de betrokken aankondiging van vergelijkend onderzoek verlangen. Bij gebreke van een andersluidende bepaling in hetzij een verordening of richtlijn die van toepassing is op vergelijkende onderzoeken voor aanwerving, hetzij de aankondiging van vergelijkend onderzoek, moet de eis dat men in het bezit moet zijn van een universitair diploma om te kunnen worden toegelaten tot een algemeen vergelijkend onderzoek, noodzakelijkerwijs worden opgevat in de betekenis die daaraan wordt gegeven in de wettelijke regeling van de lidstaat waar de kandidaat de studie heeft gevolgd waarop hij zich beroept.

Wanneer het met name gaat om het verband van het diploma met het gebied van het vergelijkend onderzoek of om de aard en de duur van de vereiste beroepservaring, is de Unierechter van oordeel dat de jury over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt en dat het Gerecht voor ambtenarenzaken slechts moet nagaan of bij de uitoefening van die bevoegdheid geen kennelijke beoordelingsfout is gemaakt.

Gaat het echter om de vraag of het diploma wordt erkend door de wettelijke regeling van de staat waar het is afgegeven dan wel of het, gelet op die wettelijke regeling, voldoet aan het door de aankondiging van vergelijkend onderzoek vereiste niveau, dan is de Unierechter van oordeel dat de uitlegging die de jury van het vergelijkend onderzoek aan de nationale wettelijke regeling geeft, niet onder haar ruime beoordelingsmarge valt, maar dat deze door de Unierechter juist volledig op een beoordelingsfout moet worden gecontroleerd.

Diezelfde beginselen moeten eveneens gelden voor situaties waarin het tot aanstelling bevoegd gezag van mening is dat het diploma van de kandidaat, in tegenstelling tot het eerdere oordeel van de jury van het vergelijkend onderzoek, niet wordt erkend door de wettelijke regeling van de staat waar het is afgegeven of, gelet op die wettelijke regeling, niet voldoet aan het door de aankondiging van vergelijkend onderzoek vereiste niveau. Geen enkele reden rechtvaardigt immers dat de Unierechter zijn toezicht in dat geval beperkt tot alleen een kennelijke beoordelingsfout van de besluiten van het tot aanstelling bevoegd gezag, terwijl de besluiten van de jury op hun beurt volledig op een beoordelingsfout worden gecontroleerd.

(cf. punten 45 en 48‑52)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 28 november 1991, Van Hecken/ESC, T‑158/89, punt 22; 11 februari 1992, Panagiotopoulou/Parlement, T‑16/90, punten 50‑53; 3 maart 1994, Cortes Jimenez e.a./Commissie, T‑82/92, punt 33; 9 december 1999, Alonso Morales/Commissie, T‑299/97, punt 60

Gerecht voor ambtenarenzaken: 30 november 2009, Zangerl-Posselt/Commissie, F‑83/07, punt 51; 20 juni 2012, Cristina/Commissie, F‑83/11, punt 67