Language of document : ECLI:EU:F:2013:151

ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Eerste kamer)

17 oktober 2013

Zaak F‑69/11

BF

tegen

Rekenkamer van de Europese Unie

„Openbare dienst – Procedure voor de voorziening in een ambt van directeur – Rapport van voorselectiecomité – Motivering – Ontbreken – Onrechtmatigheid van aanstellingsbesluit – Voorwaarden”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarmee BF, de verzoekende partij, vraagt om, kort samengevat, nietigverklaring van het besluit van de Rekenkamer van de Europese Unie van 18 november 2010 tot aanstelling van Z in het ambt van directeur Personeelszaken en van het besluit van de Rekenkamer van diezelfde dag tot afwijzing van zijn sollicitatie naar dat ambt, alsmede vergoeding van de geleden materiële en immateriële schade.

Beslissing:      De besluiten van de Rekenkamer van de Europese Unie van 18 november 2010 tot aanstelling van Z in het ambt van directeur Personeelszaken en tot afwijzing van de sollicitatie van BF naar dat ambt worden nietig verklaard. Er behoeft geen uitspraak te worden gedaan over het verzoek van de Rekenkamer van de Europese Unie om de bijlagen A 7 en A 11 bij het verzoekschrift uit het dossier te verwijderen. Het beroep wordt verworpen voor het overige. De Rekenkamer van de Europese Unie draagt haar eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van BF.

Samenvatting

1.      Ambtenaren – Aanwerving – Procedure voor de voorziening in een ambt van directeur – Vergelijking van verdiensten van sollicitanten – Beoordelingsbevoegdheid van administratie – Grenzen – Eerbiediging van de voorwaarden in de kennisgeving van vacature en van de gedragsregels die voor de uitoefening van die bevoegdheid zijn vastgesteld – Rechterlijke toetsing – Grenzen

(Ambtenarenstatuut, art. 29, lid 2)

2.      Ambtenaren – Aanwerving – Procedure voor de voorziening in een ambt van directeur – Rapport van voorselectiecomité – Motiveringsplicht – Omvang

(Ambtenarenstatuut, art. 29, lid 2)

3.      Ambtenaren – Aanwerving – Procedure voor de voorziening in een ambt van directeur – Rapport van voorselectiecomité aangetast door procedurele onregelmatigheid – Gevolgen

1.      De ruime beoordelingsbevoegdheid waarover het tot aanstelling bevoegd gezag beschikt bij de vergelijking van de verdiensten van de personen die hebben gesolliciteerd naar vacante ambten moet, met name wanneer het te vervullen ambt tot de hoogste rangen van de administratie behoort, zoals het ambt van directeur bij de Rekenkamer, worden uitgeoefend met eerbiediging van alle relevante voorschriften, dat wil zeggen niet alleen van de kennisgeving van aanwerving, maar eveneens van de eventuele gedragsregels die het gezag zich heeft gesteld voor de uitoefening van zijn beoordelingsbevoegdheid, zoals interne richtsnoeren op het gebied van de aanwerving. Die interne regels maken dus deel uit van het rechtskader waarvan het tot aanstelling bevoegd gezag, op straffe van schending van het beginsel van gelijke behandeling, bij de uitoefening van zijn ruime beoordelingsbevoegdheid niet kan afwijken zonder aan te geven waarom het dat heeft gedaan. In die context beperkt het toezicht van het Gerecht over de uitoefening van de ruime bevoegdheden waarop dat bevoegde gezag zich kan beroepen zich dus voornamelijk tot het nagaan of dat gezag, na afloop van een procedure die geen onregelmatigheden vertoont, binnen aanvaardbare grenzen is gebleven en zijn beoordelingsbevoegdheid bij de vergelijking van de verdiensten van de kandidaten niet kennelijk onjuist heeft gebruikt of voor andere doeleinden dan die waarvoor die bevoegdheid hem is verleend.

(cf. punten 40 en 41)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 22 maart 1995, Kotzonis/ESC, T‑586/93, punt 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 25 oktober 2005, Fardoom en Reinard/Commissie, T‑43/04, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak

Gerecht voor ambtenarenzaken: 22 oktober 2008, Tzirani/Commissie, F‑46/07, punt 67; 30 januari 2013, Wahlström/Frontex, F‑87/11, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak

2.      In het kader van een procedure voor de vervulling van een ambt van directeur kan de motivering van het rapport dat het voorselectiecomité het tot aanstelling bevoegd gezag moet voorleggen volgens de bewoordingen van de interne procedureregels die een „met redenen omkleed rapport” verlangen, niet slechts bestaan in het vermelden van de naam van de gekozen kandidaat of kandidaten en een vermelding van de omstandigheid of het advies van het voorselectiecomité al dan niet unaniem is vastgesteld of in een herhaling van de procedure en de gevolgde beoordelingscriteria. Het moet alle beoordelingselementen bevatten die nodig zijn om dat gezag in staat te stellen om na afloop van de voorselectieprocedure zijn ruime bevoegdheden op het gebied van de aanstelling correct uit te oefenen, met volledige inachtneming van de regels en voorwaarden die het zichzelf vrijwillig heeft gesteld en waardoor het de beoordeling van het voorselectiecomité van de gekozen kandidaten kan begrijpen en vervolgens zelf, na een vergelijking, de kandidaat kan kiezen die het meest geschikt is voor de uitoefening van de in de kennisgeving van aanwerving bedoelde functie.

Zeer korte mondelinge aanwijzingen die de voorzitter van het voorselectiecomité tijdens zijn mondelinge presentatie heeft gegeven kunnen in geen geval een vervanging vormen voor een schriftelijk rapport waarin een minimum aan feitelijke elementen wordt vermeld die het mogelijk maken om met de nodige objectiviteit onderscheid te maken en te beslissen welke van de door het voorselectiecomité voorgestelde kandidaten moet worden gekozen.

(cf. punten 44 en 52)

Referentie:

Hof: 23 september 2004, Hectors/Parlement, C‑150/03 P, punten 46 en 48‑50

Gerecht van eerste aanleg: 20 februari 2002, Roman Parra/Commissie, T‑117/01, punten 31 en 32; 18 september 2003, Pappas/Comité van de Regio’s, T‑73/01, punt 60

3.      Een procedurele onregelmatigheid moet worden bestraft met de nietigverklaring van het bestreden besluit indien vaststaat dat deze de inhoud van dat besluit heeft kunnen beïnvloeden. Het ontbreken van motivering van een rapport van het voorselectiecomité, terwijl dat comité volgens de interne procedureregels een met redenen omkleed advies aan het tot aanstelling bevoegd gezag moet voorleggen, vormt een kenmerkende onregelmatigheid van de aanwervingsprocedure.

(cf. punt 62)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 16 december 1993, Moat/Commissie, T‑58/92, punt 63; Pappas/Comité van de Regio’s, reeds aangehaald, punt 71