Language of document : ECLI:EU:F:2013:178

BESCHIKKING VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Eerste kamer)

7 november 2013

Zaak F‑94/12

Luigi Marcuccio

tegen

Europese Commissie

„Openbare dienst – Artikel 34, leden 1 en 6, van het Reglement voor de procesvoering – Binnen de beroepstermijn per fax verzonden verzoekschrift – Handgeschreven handtekening van de advocaat die verschilt van die op het per post verzonden origineel van het verzoekschrift – Overschrijding van de beroepstermijn – Kennelijke niet-ontvankelijkheid”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarmee Marcuccio met name verzoekt om nietigverklaring van het besluit van de Europese Commissie van 23 april 2012 tot afwijzing van zijn klacht van 2 december 2011 en het besluit van 9 september 2011 tot afwijzing van zijn op 30 mei 2011 ingediende klacht, alsmede om betaling van een bedrag van 20 000 EUR ter vergoeding van de schade als gevolg van de schending van de medische geheimhoudingsplicht in het kader van de werkzaamheden van de invaliditeitscommissie, die zich op 27 mei 2005 heeft uitgesproken in de op hem betrekking hebbende invaliditeitsprocedure. De neerlegging per post van het origineel van het verzoekschrift werd voorafgegaan door de verzending per fax, op 10 september 2012, naar de griffie van het Gerecht, van een document dat werd gepresenteerd als de kopie van het per post neergelegde origineel van het verzoekschrift.

Beslissing:      Het beroep wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Marcuccio draagt zijn eigen kosten.

Samenvatting

1.      Gerechtelijke procedure – Inleidend verzoekschrift – Vormvereisten – Handgeschreven handtekening van een advocaat – Wezenlijk voorschrift van strikte toepassing – Geen – Niet-ontvankelijkheid

(Statuut van het Hof van Justitie, art. 19, derde alinea, en 21, eerste alinea, en bijlage I, art. 7, lid 1; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, art. 34, lid 1)

2.      Gerechtelijke procedure – Inleidend verzoekschrift – Vormvereisten – Binnen de beroepstermijn per fax ingediend verzoekschrift – Handgeschreven handtekening van de advocaat die verschilt van die op het per post verzonden origineel van het verzoekschrift – Gevolg – Niet-inaanmerkingneming van de datum van ontvangst van de fax voor de beoordeling of de beroepstermijn in acht is genomen

(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, art. 34; Ambtenarenstatuut, art. 91, lid 3)

1.      Uit de artikelen 19, derde alinea, en 21, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie volgt dat verzoekers zich moeten laten vertegenwoordigen door een daartoe bevoegd persoon, zodat een zaak enkel door middel van een door die persoon ondertekend verzoekschrift rechtsgeldig bij de rechterlijke instanties van de Unie aanhangig kan worden gemaakt. Krachtens artikel 7, lid 1, van bijlage I bij datzelfde Statuut zijn die bepalingen ook van toepassing op de procedure voor het Gerecht voor ambtenarenzaken. Noch in het Statuut van het Hof, noch in het Reglement voor de procesvoering van dat Gerecht is enige afwijking van of uitzondering op die verplichting voorzien.

Met het vereiste van de handgeschreven handtekening van de vertegenwoordiger van de verzoekende partij wordt immers met het oog op de rechtszekerheid de authenticiteit van het verzoekschrift gewaarborgd en het risico uitgesloten dat dit niet het werk is van de daartoe bevoegde advocaat of raadsman. Laatstgenoemde persoon heeft als dienaar van het recht dus de belangrijkste taak, welke hem door het Statuut van het Hof en het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken wordt toebedeeld, aangezien de verzoekende partij door de uitoefening van zijn werkzaamheden toegang kan krijgen tot dat Gerecht. Dat vereiste moet derhalve worden beschouwd als een wezenlijk vormvoorschrift en strikt worden toegepast, met dien verstande dat de niet-inachtneming daarvan tot de niet-ontvankelijkheid van het beroep leidt.

(cf. punten 20 en 21)

Referentie:

Hof: 5 december 1996, Lopes/Hof van Justitie, C‑174/96 P, punt 8 en aldaar aangehaalde rechtspraak

Gerecht van eerste aanleg: 23 mei 2007, Parlement/Eistrup, T‑223/06 P, punten 50‑52

2.      In het kader van geschillen van de openbare dienst van de Unie staat artikel 34 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken voor de indiening van het origineel van processtukken binnen de gestelde termijn niet toe dat de vertegenwoordiger van de betrokken partij twee verschillende handgeschreven handtekeningen plaatst, ook al zijn zij echt, te weten de ene op het per fax aan de griffie van dat Gerecht verzonden document en de andere op het origineel dat per post wordt verzonden of persoonlijk wordt overhandigd aan die griffie.

Indien in deze omstandigheden blijkt dat op het origineel van het stuk dat fysiek ter griffie wordt neergelegd binnen tien dagen nadat een kopie van het origineel per fax is verzonden aan het Gerecht voor ambtenarenzaken, een andere handtekening staat dan op het per fax verzonden document, dan dient te worden vastgesteld dat de griffie van dat Gerecht twee verschillende processtukken heeft ontvangen, elk met een eigen ondertekening, ook al werden beide ondertekeningen door dezelfde persoon geplaatst. Aangezien de toezending van de gefaxte tekst niet voldoet aan de rechtszekerheidsvereisten van artikel 34 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, kan de datum van toezending van het gefaxte document niet in aanmerking worden genomen voor de berekening van de beroepstermijn.

De beroepstermijn wordt overigens bepaald door artikel 91, lid 3, van het Statuut waarvan het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken niet kan afwijken. Het originele verzoekschrift moet dus uiterlijk bij het verstrijken van die termijn zijn opgesteld. In dit verband is de verzending per fax niet alleen een manier om een document toe te zenden, maar ook een manier om aan te tonen dat het originele verzoekschrift dat door de griffie van dat Gerecht buiten de gestelde termijn is ontvangen, reeds binnen de beroepstermijn was opgesteld.

(cf. punten 23‑25)

Referentie:

Hof: 22 september 2011, Bell & Ross BV/BHIM, C‑426/10 P, punten 37‑43

Gerecht voor ambtenarenzaken: 21 februari 2013, Marcuccio/Commissie, F‑113/11, punt 22