Language of document : ECLI:EU:F:2013:202

ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Eerste kamer)

12 december 2013

Zaak F‑22/12

Mark Hall

tegen

Europese Commissie

en

Europese Politieacademie (Cepol)

„Openbare dienst – Bezoldiging – Gezinstoelagen – Toelage voor een kind ten laste – Schooltoelage – Kinderen van verzoekers echtgenote die niet bij echtpaar wonen – Toekenningsvoorwaarden”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarmee Hall verzoekt om nietigverklaring van het impliciete besluit van 25 maart 2011 en het expliciete besluit van 11 juli 2011 van de Europese Commissie tot afwijzing van zijn verzoek om toekenning van de toelage voor een kind ten laste en van de schooltoelage ten behoeve van de drie kinderen van zijn echtgenote voor de periode gedurende welke zij nog op de Filipijnen woonden, en om vergoeding van de materiële en immateriële schade als gevolg van de niet-betaling van deze toelagen.

Beslissing:      Het beroep wordt, voor zover het is gericht tegen de Europese Politieacademie, niet-ontvankelijk verklaard. Het impliciete besluit van 25 maart 2011 en het expliciete besluit van 11 juli 2011 van de Europese Commissie tot afwijzing van het verzoek om toekenning van de toelage voor een kind ten laste en van de schooltoelage ten behoeve van de drie kinderen van de echtgenote van Hall voor de periode gedurende welke zij nog op de Filipijnen woonden, worden nietig verklaard. Het tegen de Europese Commissie gerichte beroep wordt verworpen voor het overige. De Europese Commissie draagt haar eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van Hall. Hall wordt verwezen in de kosten van de Europese Politieacademie.

Samenvatting

Ambtenaren – Bezoldiging – Gezinstoelagen – Toelage voor een kind ten laste – Voorwaarden voor toekenning – Daadwerkelijk onderhoud – Gebonden bevoegdheid van de administratie

(Ambtenarenstatuut, bijlage VII, art. 2)

De leden 3 en 5 van artikel 2 van bijlage VII bij het Statuut betreffen de gevallen waarin het recht op de toelage voor een kind ten laste van de ambtenaar automatisch ontstaat doordat in die bepalingen wordt verondersteld dat het daarin bedoelde kind, enkel vanwege het feit dat het minderjarig, studerend, ziek of invalide is, daadwerkelijk ten laste van die ambtenaar komt. Hieruit volgt overigens niet dat de instelling zou zijn ontslagen van de verplichting om na te gaan of aan de in artikel 2, lid 2, van bijlage VII bij het Statuut gestelde voorwaarde dat het kind daadwerkelijk door de ambtenaar wordt onderhouden, is voldaan. Enkel wanneer aan die voorwaarde is voldaan, kan worden aangenomen dat de bevoegdheid van het tot aanstelling bevoegde gezag, in de drie in artikel 2, lid 3, sub a en b, en lid 5 van voornoemde bijlage bedoelde gevallen, gebonden is. Een minderjarig kind kan immers niet worden beschouwd als een kind ten laste van de betrokken ambtenaar, en geen aanspraak geven op de toelage voor een kind ten laste, wanneer een andere publieke of particuliere persoon volledig voorziet in het daadwerkelijke onderhoud van dat kind.

(cf. punten 39‑41)

Referentie:

Hof: 28 november 1991, Schwedler/Parlement, C‑132/90 P, punten 19‑24; 7 mei 1992, Raad/Brems, C‑70/91 P, punt 5

Gerecht van eerste aanleg: 11 juli 2000, Skrzypek/Commissie, T‑134/99, punt 66