Language of document :

Beroep ingesteld op 15 mei 2014 – Klyuyev / Raad

(Zaak T-340/14)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Andriy Klyuyev (Donetsk, Oekraïne) (vertegenwoordiger: R. Gherson, Solicitor)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

besluit 2014/119/GBVB van de Raad van 5 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne, nietig verklaren voor zover dit verzoeker betreft; en

verordening (EU) nr. 208/2014 van de Raad van 5 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne, nietig verklaren voor zover deze verzoeker betreft;

de Raad verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Tot staving van zijn beroep voert verzoeker zes middelen aan.

Eerste middel: artikel 29 VWEU was geen passende rechtsgrondslag voor het bestreden besluit aangezien de klacht tegen verzoeker hem niet heeft geïdentificeerd als een persoon die in de zin van de artikelen 21, lid 2 VEU en 23 VEU de rechtsstaat of de mensenrechten heeft ondermijnd in Oekraïne. Verzoeker betoogt dat wegens de ongeldigheid van het bestreden besluit, de Raad zich niet op artikel 215, lid 2, VWEU kon baseren om de bestreden verordening vast te stellen. Op het ogenblik dat de beperkende maatregelen werden opgelegd, was er volgens verzoeker tegen hem geen sprake van een tenlastelegging of beschuldiging dat zijn activiteiten dreigden de rechtsstaat te ondermijnen of mensenrechten te schenden in Oekraïne.

Tweede middel: de Raad heeft verzoekers recht van verdediging en recht op effectieve rechterlijke bescherming geschonden, daar de grond waarop verzoeker op de lijst is geplaatst een publieke schuldigverklaring vormt voordat de kwestie door een rechterlijke instantie is beoordeeld en verzoeker, ondanks zijn verzoek daartoe aan de Raad, geen enkele bijzondere informatie heeft ontvangen betreffende de in de bestreden maatregelen vermelde redenen voor zijn plaatsing op de lijst van personen, entiteiten en lichamen waarvoor de beperkende maatregelen gelden.

Derde middel: de Raad heeft de plaatsing van verzoeker op de lijst onvoldoende gemotiveerd. Verzoeker betoogt dat de Raad geen details heeft verstrekt over de aard van het gedrag op grond waarvan verzoeker op de lijst is geplaatst. Verder betoogt verzoeker dat de Raad geen details heeft verstrekt over de entiteit die verantwoordelijk is voor de strafprocedure die beweerdelijk tegen hem is ingeleid, noch over de datum waarop deze procedure is ingeleid.

Vierde middel: de Raad heeft onrechtmatig en op onevenredige wijze inbreuk gemaakt op verzoekers grondrecht op eigendom en op zijn goede naam beperkt, daar de beperkende maatregelen niet bij wet zijn vastgesteld en zijn opgelegd zonder passende waarborgen die verzoeker in staat stellen zijn zaak daadwerkelijk voor de Raad toe te lichten.

Vijfde middel: de Raad is uitgegaan van materieel onnauwkeurige feiten en heeft een kennelijke beoordelingsfout gemaakt. Verzoeker betoogt dat volgens de informatie waarover hij beschikt tegen hem geen strafrechtelijke procedure of strafrechtelijk onderzoek loopt in verband met de verduistering van Oekraïense overheidsmiddelen of de illegale overbrenging daarvan buiten Oekraïne.

Zesde middel: de Raad heeft niet de relevantie en geldigheid verzekerd van het bewijs op grond waarvan verzoeker op de lijst is geplaatst, daar hij niet heeft onderzocht of de thans in functie zijnde procureur-generaal van Oekraïne krachtens de grondwet van Oekraïne bevoegd was om een onderzoek tegen verzoeker in te stellen en de Raad niet in aanmerking heeft genomen dat een tegen hem in Oostenrijk ingesteld onderzoek is afgesloten bij gebrek aan bewijs dat verzoeker overheidsmiddelen heeft verduisterd.