Language of document : ECLI:EU:F:2013:198

ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Eerste kamer)

12 december 2013

Zaak F‑68/12

Giorgio Lebedef

tegen

Europese Commissie

„Openbare dienst – Ambtenaren – Beoordelingsrapport – Beoordelingsronde 2010 – Verzoek om nietigverklaring van het beoordelingsrapport – Verzoek om nietigverklaring van het aantal toegekende bevorderingspunten”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarmee Lebedef verzoekt om nietigverklaring van het beoordelingsrapport voor de periode van 1 januari tot en met 31 december 2010, en meer bepaald van het prestatieniveau en van het aantal bevorderingspunten dat hem vervolgens is toegekend.

Beslissing:      Het beroep wordt verworpen. Lebedef zal zijn eigen kosten dragen en wordt verwezen in de kosten van de Europese Commissie.

Samenvatting

1.      Ambtenaren – Beoordeling – Beoordelingsrapport – Beoordelingsbevoegdheid van de beoordelaars – Rechterlijke toetsing – Grenzen

(Ambtenarenstatuut, art. 43)

2.      Ambtenaren – Tuchtregeling – Sanctie – Terugzetting in rang – Begrip – Verlaging van het aantal tijdens opeenvolgende beoordelingsronden verkregen bevorderingspunten – Daaronder begrepen

(Ambtenarenstatuut, art. 43 en 86, en bijlage IX, art. 9)

1.      De beoordelaars beschikken over een ruime beoordelingsbevoegdheid bij de beoordeling van het werk van de ambtenaren die zij moeten beoordelen. Bij zijn rechterlijke toetsing van de inhoud van de beoordelingsrapporten beperkt de Unierechter zich dus ertoe te controleren of de procedure een regelmatig verloop heeft gekend, de feiten materieel juist zijn en er geen sprake is van kennelijke beoordelingsfouten of van misbruik van bevoegdheid. Het staat immers niet aan het Gerecht voor ambtenarenzaken de juistheid van de beoordeling door de administratie van de beroepsbekwaamheden van een ambtenaar te onderzoeken, wanneer die beoordeling complexe waardeoordelen inhoudt die naar hun aard niet vatbaar zijn voor objectieve toetsing.

(cf. punt 53)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: 29 september 2011, Kimman/Commissie, F‑74/10, punt 89

2.      De verlaging van het aantal bevorderingspunten dat tijdens opeenvolgende beoordelingsronden is verkregen door een ambtenaar tegen wie een besluit is genomen tot terugzetting in rang, is het gevolg van dat besluit, en vormt geen extra sanctie. Indien namelijk het vóór het besluit tot terugzetting in rang bestaande aantal bevorderingspunten zou blijven behouden, dan zou dit tot gevolg hebben dat de betrokken ambtenaar een grotere kans zou hebben dan zijn collega’s op een snelle bevordering in de volgende rang, hetgeen in strijd zou zijn met het beginsel van gelijke behandeling, dat impliceert dat alle ambtenaren die in eenzelfde rang zijn bevorderd, bij gelijke verdiensten, dezelfde kansen op bevordering dienen te hebben. Om diezelfde redenen kan de ambtenaar zich er niet op beroepen dat hij zijn anciënniteit heeft behouden. Een tegenovergestelde constatering zou erop neerkomen dat de sanctie van de terugzetting, althans gedeeltelijk, teniet zou worden gedaan.

(cf. punt 63)