Language of document : ECLI:EU:F:2014:197

ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE (Derde kamer)

10 september 2014 (*)

„Openbare dienst – Tijdelijk functionaris – Niet-verlenging van een overeenkomst voor bepaalde tijd – Personeel van een agentschap – Personeelsvermindering – Meerjarig financieel kader van ESB – Schrapping van twee posten van de lijst van het aantal ambten – Eerbiediging van essentiële formaliteiten – Recht om te worden gehoord – Interne richtsnoeren – Dienstbelang”

In zaak F‑120/13,

betreffende een beroep ingesteld krachtens artikel 270 VWEU,

Sylvia Tzikas, voormalig tijdelijk functionaris van het Europees Spoorwegbureau, wonende te Brussel (België), vertegenwoordigd door S. A. Pappas, advocaat,

verzoekster,

tegen

Europees Spoorwegbureau (ESB), vertegenwoordigd door G. Stärkle, gemachtigde, bijgestaan door B. Wägenbaur, advocaat,

verweerder,

wijst

HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN (Derde kamer),

samengesteld als volgt: S. Van Raepenbusch, president, E. Perillo en J. Svenningsen (rapporteur), rechters,

griffier: X. Lopez Bancalari, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 18 juni 2014,

het navolgende

Arrest

1        Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 12 december 2013, heeft S. Tzikas beroep ingesteld tot nietigverklaring van het besluit van de uitvoerend directeur van het Europees Spoorwegbureau (ESB of hierna: „Bureau”) van 22 maart 2013, waarbij hij verzoekster heeft bevestigd dat haar overeenkomst van tijdelijk functionaris op de daarin voorziene datum, dat wil zeggen op 30 september daaraanvolgend, zou aflopen.

 Toepasselijke bepalingen

 Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie

2        Volgens artikel 2, sub a, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, in de op het geding toepasselijke versie (hierna: „RAP”), wordt als tijdelijk functionaris in de zin van die Regeling beschouwd „[h]et personeelslid, aangesteld om een ambt te vervullen dat is opgenomen in de lijst van het aantal ambten, gevoegd bij de afdeling van de begroting die op iedere instelling betrekking heeft en aan welk ambt de begrotingsautoriteiten een tijdelijk karakter hebben verleend”.

3        Artikel 8, eerste alinea, RAP luidt:

„De tijdelijke functionaris in de zin van artikel 2, [sub] a, kan voor bepaalde of voor onbepaalde tijd worden aangesteld. De overeenkomst van een voor bepaalde tijd aangesteld functionaris kan slechts eenmaal voor bepaalde tijd worden verlengd. Een eventuele verdere verlenging van die aanstelling geschiedt voor onbepaalde tijd.”

4        Artikel 47, sub b‑i, RAP, dat is opgenomen in het hoofdstuk gewijd aan de „[b]eëindiging van de dienst”, bepaalt dat behalve door overlijden de dienst van tijdelijk functionaris eindigt „bij overeenkomsten voor bepaalde tijd [...] op het tijdstip dat in de overeenkomst is bepaald”.

 Verordening nr. 881/2004

5        Volgens artikel 22 van verordening (EG) nr. 881/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 tot oprichting van een Europees Spoorwegbureau (PB L 164, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening nr. 1335/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008, is het Bureau een orgaan van de Unie dat rechtspersoonlijkheid heeft en wordt vertegenwoordigd door zijn uitvoerend directeur.

6        Artikel 24, „Personeel”, van verordening nr. 881/2004 luidt:

„1. Het Statuut van de ambtenaren [van de Europese Unie], de [RAP] en de regels die gezamenlijk door de instellingen [van de Unie] zijn vastgesteld ter uitvoering van genoemd statuut en van genoemde regeling zijn van toepassing op het personeel van het [B]ureau.

2. Onverminderd artikel 26 worden de bevoegdheden die bij voornoemd Statuut en voornoemde regeling aan het bevoegde gezag zijn toegekend betreffende de aanstelling en het sluiten van overeenkomsten, uitgeoefend door het [B]ureau, voor zover dit het eigen personeel van het [B]ureau aangaat.

3. Onverminderd artikel 26, lid 1, bestaat het personeel van het [B]ureau uit:

[...]

–        overige personeelsleden in de zin van de [RAP] voor uitvoerende of secretariaatstaken.

[...]”.

 Besluit van 2 oktober 2008 van ESB

7        Op 2 oktober 2008 heeft de uitvoerend directeur van ESB besluit 150/09.08 vastgesteld betreffende het beleid inzake de verlenging van overeenkomsten van tijdelijk functionarissen bij het Bureau (hierna: „besluit van 2 oktober 2008”). De overwegingen van dat besluit verwijzen met name naar artikel 8, eerste alinea, RAP, naar het meerjarenplan voor het personeelsbeleid dat de raad van bestuur van het Bureau heeft opgesteld en naar artikel 24, lid 3, van verordening nr. 881/2004.

8        Artikel 1 van het besluit van 2 oktober 2008 bepaalt met name dat „[d]e duur van verlenging van de overeenkomsten voor tijdelijk functionarissen in de zin van artikel 24, lid 3, van verordening [...] nr. 881/2004 voor langetermijnposten twee jaar is in het geval van de eerste verlenging; [i]n het geval van een tweede verlenging wordt de overeenkomst een overeenkomst voor onbepaalde tijd”.

9        Volgens artikel 2 van het besluit van 2 oktober 2008 „wordt de functionaris in de gevallen waarin een overeenkomst kan worden verlengd in beginsel zes maanden voor de afloop van zijn overeenkomst door de uitvoerend directeur ervan op de hoogte gesteld of zijn overeenkomst al dan niet zal worden verlengd”.

 Richtsnoeren over de verlenging van overeenkomsten

10      Op 26 november 2008 heeft het hoofd van de eenheid Algemeen Beheer van ESB richtsnoeren vastgesteld over de verlenging van overeenkomsten (hierna: „richtsnoeren”). In deze richtsnoeren wordt eraan herinnerd dat de personeelsleden van het Bureau krachtens het besluit van 2 oktober 2008 in beginsel met een opzegtermijn van zes maanden worden geïnformeerd over de eventuele verlenging van hun overeenkomst. De richtsnoeren beogen de ter zake te volgen procedure te preciseren.

11      Zo wordt in de richtsnoeren aangegeven dat de dienst Personeelszaken van de eenheid Algemeen Beheer (hierna: „dienst Personeelszaken”) het hoofd van de betrokken eenheid ten laatste acht maanden vóór de afloopdatum van de overeenkomst van de betrokken functionaris middels een „formulier nr. 1” op de hoogte zal stellen. Het hoofd van de eenheid herinnert de betrokkene vervolgens aan de afloopdatum van zijn overeenkomst en biedt hem de mogelijkheid om binnen vijf werkdagen na die informatie een onderhoud te hebben waarbij de beoordelaar belast met de opstelling van het loopbaanontwikkelingsrapport van de functionaris (hierna: „LBOR”) betrokken is.

12      Het hoofd van de eenheid stelt vervolgens een nota bij het dossier op, middels een „formulier nr. 2”, met daarin een evaluatie van de ontwikkeling van de post zelf en van de daarmee verbonden taken, met name een advies, dat vooral gebaseerd is op het laatst beschikbare LBOR, over de vraag of de betrokkene geschikt is om die post te blijven vervullen.

13      Op basis van deze informatie vult het hoofd van de eenheid eveneens het voorstel aan dat bij de nota van de dienst Personeelszaken is gevoegd (bijlage bij „formulier nr. 1”) en betrekking heeft op de vraag of de overeenkomst al dan niet zal worden verlengd. Vervolgens moet hij ten laatste zeven maanden voor de afloop van de overeenkomst zijn voorstel en de begeleidende nota voor het dossier voorleggen aan de dienst Personeelszaken. Deze dienst kan commentaar toevoegen aan de nota bij het dossier („formulier nr. 2”), met name over de budgettaire gevolgen van het voorstel en de samenhang daarvan met de bestaande praktijken op het gebied van de verlenging van overeenkomsten binnen het Bureau.

14      De dienst Personeelszaken legt het voorstel tezamen met de twee formulieren voor goedkeuring voor aan de uitvoerend directeur, die deze dienst vervolgens op de hoogte zal stellen van zijn besluit door de bijlage bij „formulier nr. 1” aan te vullen. Na ontvangst van het besluit van de uitvoerend directeur en in het geval waarin het besluit de beëindiging van de overeenkomst adviseert, bereidt de dienst Personeelszaken een door de uitvoerend directeur te ondertekenen brief voor waarin de betrokken tijdelijk functionaris wordt herinnerd aan de afloopdatum van zijn overeenkomst.

15      Ten slotte wordt in de richtsnoeren gepreciseerd dat de termijnen uitsluitend moeten worden berekend vanaf de datum waarop de betrokkene een kennisgeving heeft ontvangen of, ten laatste, wanneer die persoon, als zorgvuldig functionaris, kan worden aangemerkt als op de hoogte te zijn van de inhoud van de documenten, welke dat ook zijn, die hem zijn toegezonden.

 Begrotingsstukken

16      Bij besluit van 27 november 2012 heeft de raad van bestuur van ESB de begroting van het Bureau vastgesteld alsmede zijn ondernemingsplan voor 2013. In dat ondernemingsplan werd aangegeven dat ESB op 31 december 2011 in de functiegroep assistenten (AST) tien tijdelijk functionarissen van de rang AST 1 had, dat de begroting van de Unie slechts zeven ambten van die rang toestond en dat het Bureau had besloten dit aantal terug te brengen tot vier.

17      Uit het meerjarenplan voor het personeelsbeleid, voor de periode 2014‑2016 vastgesteld door de raad van bestuur van ESB op 20 maart 2013 („Multi-annual Staff Policy Plan 2014‑2016 for the European Railway Agency”), blijkt dat er op 31 december 2012 42 ambten van de functiegroep AST door tijdelijk functionarissen werden vervuld, dat het aantal ambten van die functiegroep in de goedgekeurde begroting van de Unie voor het jaar 2013 40 was, dat het aantal in de ontwerpbegroting van de Unie voor 2014 39 was en dat het beoogde aantal voor de jaren 2015 en 2016 37 respectievelijk 36 was.

 Aan het geding ten grondslag liggende feiten

18      Verzoekster is door ESB aangesteld als assistente van de rang AST 3 op grond van een overeenkomst voor de duur van vier jaar, namelijk van 1 september 2007 tot en met 31 augustus 2011. Blijkens de brief van 7 mei 2007, die de uitvoerend directeur van ESB haar in zijn hoedanigheid van tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag (hierna: „TAOBG”) heeft gezonden, was deze overeenkomst haar aangeboden overeenkomstig artikel 2, sub a, alsmede de artikelen 8 tot en met 50 RAP.

19      Op 5 mei 2011 werd die overeenkomst middels een door ESB en verzoekster ondertekend aanhangsel verlengd tot en met 30 september 2013.

20      Op haar verzoek werd verzoekster overgeplaatst naar de Financiële dienst van de eenheid Algemeen Beheer bij het Bureau van de uitvoerend directeur („Executive Director’s Office”), dienst Communicatie, van ESB, waar zij met name taken op het gebied van de communicatie zou verrichten. Deze overplaatsing ging in op 16 februari 2012 en ging gepaard met de overdracht van verzoeksters ambt naar de diensten van het directoraat van het Bureau. In het overplaatsingsbesluit van diezelfde dag werd eveneens gepreciseerd dat het om een overplaatsing in het belang van de dienst ging en dat het hoofd van verzoeksters eenheid, in zijn hoedanigheid van haar nieuwe rechtstreekse hiërarchieke meerdere, werd geacht de omschrijving van haar post bij te werken, zodat deze overeenkwam met de functie en taken waarmee zij thans zou worden belast.

 Procedure die tot de vaststelling van het bestreden besluit heeft geleid

21      Op 22 februari 2013 heeft het hoofd van de dienst Personeelszaken een nota aan het hoofd van verzoeksters eenheid gezonden waarin het hem overeenkomstig het besluit van 2 oktober 2008 vroeg om hem zijn advies te doen toekomen, door ten laatste op 15 maart 2013 het op hem betrekking hebbende gedeelte van het bijgevoegde formulier, „Nota bij het dossier”, in te vullen, teneinde de betrokkenen te kunnen informeren over de vraag of verzoeksters overeenkomst, die op 30 september 2013 zou aflopen, al dan niet moest worden verlengd.

22      Tijdens een onderhoud op 14 maart 2013 werd verzoekster door het hoofd van haar eenheid mondeling meegedeeld dat hij niet van plan was om de verlenging van haar overeenkomst te vragen. Volgens verzoekster zou hij hebben uitgelegd dat zij met haar post alleen was overgeplaatst naar de diensten van het directoraat van het Bureau om werkzaamheden op het gebied van de communicatie te verrichten, doch was gebleken dat zij noch over de opleiding noch over de technische capaciteiten beschikte om zich te ontwikkelen in dit ambt, dat thans onder het directoraat van het Bureau viel. Er werd in die context voor de niet-verlenging van haar overeenkomst dus geen melding gemaakt van vereisten van budgettaire aard die de opheffing van de door haar bezette post meebrachten.

23      In haar antwoord op een maatregel tot organisatie van de procesgang zet verzoekster uiteen dat zij gedurende dit onderhoud van zo’n twintig minuten had gesteld dat de omschrijving van haar post na haar overplaatsing naar het directoraat van het Bureau had moeten worden aangepast door het hoofd van haar eenheid, hetgeen hij niet had gedaan. In bovengenoemd antwoord heeft zij derhalve verklaard dat „zij niet begreep waarom haar thans werd verweten dat zij niet over de nodige capaciteiten voor een post op het gebied van de communicatie beschikte, terwijl haar post een post voor financiële en administratieve ondersteuning was”. In dat antwoord verweet zij het hoofd van haar eenheid tevens dat hij haar onvoldoende betrokken had bij de financiële kwesties van de diensten van het directoraat van het Bureau.

24      Het Bureau heeft ter terechtzitting uiteengezet dat de vraag van de verlenging van de overeenkomst aanvankelijk zou worden besproken tijdens een op 13 maart 2013 voorzien onderhoud, maar dat dit onderhoud wegens verzoeksters afwezigheid uiteindelijk niet had plaatsgevonden. In de ochtend van 14 maart 2013 zijn verzoekster en het hoofd van haar eenheid bijeengekomen om deze vraag te bespreken en zijn zij overeengekomen om deze opnieuw in de loop van de dag te bespreken, hetgeen zij ’s avonds hebben gedaan tijdens een onderhoud dat volgens het Bureau ongeveer een uur heeft geduurd.

25      Eveneens op 14 maart 2013 heeft het hoofd van verzoeksters eenheid in de door de dienst Personeelszaken overgelegde nota bij het dossier in de rubriek „Beoordeling van de ontwikkeling van de post zelf en van de daarop betrekking hebbende taken” opgemerkt dat „de door de betrokkene bezette post was gecreëerd om tegemoet te komen aan haar wens om ervaring buiten de financiële sector op te doen”. Daarin werd eveneens gepreciseerd dat „met het oog op de vermindering van posten [van de functiegroep] AST, in het kader van de begroting van de Europese Unie voor 2013 en die van de volgende jaren, alsmede in het belang van het Bureau was besloten om deze post niet te verlengen”. In de rubriek „oordeel over de geschiktheid van de betrokkene om de post te blijven bezetten” heeft hij aangegeven dat „dit wegens de schrapping van de post, niet relevant was”.

26      Bij brief van 22 maart 2013, die verzoekster mede heeft ondertekend op 25 maart daaraanvolgend, heeft de uitvoerend directeur van ESB haar bevestigd dat haar arbeidsovereenkomst „die op [1 oktober] 2007 was begonnen, op 30 [september] 2013 zou aflopen” (hierna: „bestreden besluit”). Op haar bij e-mail van 27 maart 2013 gedane verzoek heeft verzoekster een kopie ontvangen van de nota bij het dossier die bij het voorstel was gevoegd om haar overeenkomst niet te verlengen.

27      Op 2 april 2013 heeft het hoofd van de dienst Personeelszaken het gedeelte van het formulier betreffende die dienst ondertekend en een streep gezet door de rubriek „Budgettaire gevolgen van het voorstel, samenhang met de bestaande praktijk binnen de organisatie en elke andere noodzakelijk geachte informatie” en dus geen toelichting bij die rubriek gegeven.

28      Op 7 mei 2013 heeft verzoekster op basis van artikel 90, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) een klacht ingediend tegen het bestreden besluit. Ter onderbouwing van die klacht beriep zij zich op de niet-eerbiediging van de procedure door het TAOBG, aangezien het hoofd van haar eenheid „haar niet had geïnformeerd over de aanvang van de procedure van verlenging noch over de mogelijkheid om een gesprek aan te gaan”, het bestaan van een kennelijk onjuiste beoordeling van de noodzaak om haar post te schrappen en van het algemeen belang van het Bureau om haar overeenkomst niet te verlengen, het feit dat in het bestreden besluit geen rekening was gehouden met haar belangen, met name het feit dat haar overeenkomst, in geval van verlenging, zou zijn omgezet in een overeenkomst van onbepaalde tijd.

 Besluit tot afwijzing van de klacht

29      Bij besluit van 5 september 2013 heeft het TAOBG de klacht afgewezen (hierna: „besluit tot afwijzing van de klacht”).

30      In dit verband heeft het TAOBG aangegeven dat het, alvorens zijn argumenten ter beantwoording van verzoekster uiteen te zetten, haar wilde herinneren aan de context waarin het bestreden besluit was genomen. Zo heeft het beklemtoond dat verzoekster op haar verzoek met ingang van 16 februari 2012 met haar ambt was overgeplaatst en dat gezamenlijk was besloten om haar meer taken op het gebied van de communicatie te geven, zodat zij bij ESB verder carrière kon maken. Wegens de aangekondigde hervorming en de budgettaire bezuinigingen, met name op het vlak van personeel, werd het TAOBG geconfronteerd met negatieve vooruitzichten en was het, op verzoek van de Europese Commissie, gedwongen om zijn personeel terug te brengen door drie posten van de functiegroep AST te schrappen.

31      In het besluit tot afwijzing van de klacht werd aangegeven dat deze personeelsvermindering zou worden voortgezet onder toezicht en druk van de Commissie, die in haar advies van 6 maart 2013 over het meerjarenplan voor het personeelsbeleid van ESB voor de periode 2014‑2016 opnieuw van het Bureau had geëist dat het het algemeen beleid van 2 % personeelsvermindering per jaar van de instellingen van de Unie volgt. In deze context heeft het directoraat besloten om twee posten van de functiegroep AST te schrappen en die twee posten te kiezen uit de vijf posten die werden bezet door tijdelijk functionarissen van de functiegroep AST wier aanstellingsovereenkomsten in 2013 afliepen. Het criterium bij die keuze was om posten te kiezen waarvan de schrapping zo min mogelijk gevolgen voor de operationele werking van het Bureau zou hebben en op grond van dat criterium is de keuze van het ESB gevallen op een ambt van de functiegroep AST binnen de eenheid Hulpmiddelen en Ondersteuning en op een ambt op het niveau van de diensten van het directoraat, namelijk het door verzoekster vervulde ambt.

32      In datzelfde besluit preciseerde het TAOBG dat was besloten om verzoeksters post te schrappen en haar aanstellingsovereenkomst niet te verlengen, omdat het hoofd van haar eenheid ervan overtuigd was dat verzoeksters prestatieniveau bij de uitvoering van basistaken op het gebied van de communicatie in een nabije toekomst niet het niveau zou bereiken dat voor een dergelijke post vereist was. Het gaf aan dat dit mondeling aan verzoekster was meegedeeld tijdens haar onderhoud van 14 maart 2013 met haar hiërarchieke meerdere.

33      Het TAOBG voegde hieraan toe dat het om deze redenen van mening was dat verzoeksters overeenkomst niet kon worden verlengd, aangezien deze niet gefinancierd kon worden door de begroting voor 2014 van het Bureau, het niet mogelijk was om nieuwe posten van de functiegroep AST te creëren en er in de nabije toekomst overigens geen andere post van die functiegroep vacant was of zou zijn, zodat het niet mogelijk was om verzoekster over te plaatsen naar een andere eenheid.

34      In antwoord op de door verzoekster in haar klacht aangevoerde argumenten heeft het TAOBG gesteld dat de niet-verlenging van verzoeksters overeenkomst in overeenstemming was met het besluit van 2 oktober 2008, aangezien zij naar behoren, dat wil zeggen zes maanden vóór de beëindiging van haar overeenkomst op de hoogte was gesteld. Met betrekking tot de door verzoekster uitgesproken twijfel over de echtheid van de budgettaire verplichtingen van het Bureau en de opportuniteit van de schrapping van haar post, zoals uiteengezet in de nota bij het dossier betreffende de verlenging van haar overeenkomst, stelt het TAOBG dat de verwijzing naar de vermindering van het aantal posten van de functiegroep AST in de algemene begroting van de Unie voor 2013 en in de twee volgende begrotingsjaren in termen van motivering voor een dergelijke nota voldoende was en dat nadere redenen waren gegeven in de documenten waarnaar in die nota werd verwezen.

35      Met betrekking tot de inaanmerkingneming van verzoeksters belangen heeft het TAOBG eraan herinnerd dat het dienstbelang zwaarder moet wegen dan het belang van de functionaris en dat laatstgenoemd belang de administratie in geen geval kan verhinderen om haar diensten te stroomlijnen indien zij dat nodig acht. Ten slotte heeft het eraan herinnerd dat het Gerecht in punt 167 van het arrest AI/Hof van Justitie (F‑85/10, EU:F:2012:97) had geoordeeld dat „de administratie niet verplicht is om een tijdelijk functionaris wiens prestaties onvoldoende worden geacht, een nieuwe tewerkstelling voor te stellen”.

 Conclusies van partijen

36      Verzoekster verzoekt het Gerecht het bestreden besluit nietig te verklaren en ESB te verwijzen in de kosten.

37      Het Bureau concludeert tot verwerping van het beroep en tot verwijzing van verzoekster in de kosten.

 In rechte

38      Ter onderbouwing van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan: schending van wezenlijke vormvoorschriften, kennelijke beoordelingsfouten en niet-nakoming van de op ESB rustende zorgplicht.

 Eerste middel: schending van wezenlijke vormvoorschriften

 Argumenten van partijen

39      Het eerste middel bestaat uit twee onderdelen. Het eerste heeft betrekking op schending van de rechten van de verdediging, het tweede op schending van een wezenlijk vormvoorschrift die tot een schending van het beginsel van gelijke behandeling heeft geleid.

40      Zich baserend op het arrest Lux/Rekenkamer (129/82 en 274/82, EU:C:1984:391, punt 20) stelt verzoekster in dit verband dat ook al kunnen interne aanwijzingen, zoals het besluit van 2 oktober 2008 en de richtsnoeren, niet worden aangemerkt als rechtsvoorschriften die de administratie onder alle omstandigheden moet eerbiedigen, zij echter niet zonder opgave van geldige redenen daarvan kan afwijken. In casu is het TAOBG dit beginsel niet nagekomen, aangezien het zich niet nauwgezet heeft gehouden aan de procedure die het zichzelf had voorgeschreven. Dit levert niet alleen een schending van het beginsel van gelijke behandeling op, maar eveneens een schending van de rechten van de verdediging.

41      Zij betoogt eveneens dat de dienst Personeelszaken pas op 22 februari 2013 het advies van het hoofd van haar eenheid heeft gevraagd over de vraag of haar overeenkomst verlengd moest worden. Dit is zo’n twintig dagen later dan in de richtsnoeren is voorzien, namelijk dat de procedure van raadpleging ten laatste acht maanden vóór de afloopdatum van de betrokken overeenkomst moet worden ingeleid. Anders dan in de richtsnoeren is voorgeschreven, heeft het TAOBG haar evenmin op de hoogte gesteld van het inleiden van de procedure van verlenging noch van de mogelijkheid om een onderhoud te hebben binnen vijf werkdagen na de aanvang van die procedure.

42      Door verzoekster niet op de hoogte te stellen van de mogelijkheid van een gesprek met het hoofd van haar eenheid alsmede, indien nodig, met haar beoordelaar, die in casu datzelfde hoofd was, heeft het TAOBG zich schuldig gemaakt aan schending van verzoeksters recht om te worden gehoord en om haar argumenten over de niet-verlenging van haar overeenkomst naar voren te brengen.

43      Overigens heeft het TAOBG zich in casu eveneens schuldig gemaakt aan een „substantiële schending van de procedure”, doordat de dienst Personeelszaken, die de nota bij het dossier heeft afgerond door deze op 2 april 2013 te ondertekenen, niet is geraadpleegd vóór de vaststelling van het bestreden besluit op 22 maart daaraan voorafgaande. In het licht van de voorschriften van de richtsnoeren vormt dit een onregelmatigheid, aangezien de uitvoerend directeur wordt geacht om een besluit over de eventuele verlenging van de overeenkomst te nemen, met name gelet op de opmerkingen van de dienst Personeelszaken, welke nu juist ontbraken. Deze schending heeft in casu een bijzondere omvang, aangezien het bestreden besluit voornamelijk is gebaseerd op budgettaire redenen die het noodzakelijk maakten om posten te schrappen. Indien de procedure was geëerbiedigd, had het bestreden besluit wezenlijk anders kunnen zijn.

44      ESB concludeert tot afwijzing van het middel, met name omdat, ten eerste, verzoekster in casu in elk geval zes maanden vóór de afloop van haar overeenkomst op de hoogte was gesteld van het besluit om deze niet te verlengen, hetgeen in overeenstemming is met het besluit van 2 oktober 2008. Ten tweede stelt het met betrekking tot de richtsnoeren in wezen dat deze alleen bedoeld zijn voor gevallen waarin het mogelijk is om de betrokken overeenkomst te verlengen, hetgeen niet het geval is wanneer de betrokken post, zoals in deze zaak, om budgettaire redenen moet worden geschrapt.

 Beoordeling door het Gerecht

–       Algemene overwegingen

45      In het kader van haar eerste middel verwijt verzoekster het Bureau in wezen schending van haar recht om te worden gehoord vóór de vaststelling van het bestreden besluit en niet-eerbiediging van de procedure die het zelf heeft ingevoerd teneinde de eerbiediging van dat recht te waarborgen.

46      Dienaangaande moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat de RAP, met name artikel 47 ervan, niet voorziet in een specifieke procedure die het mogelijk beoogt te maken dat een tijdelijk functionaris die voor bepaalde tijd is aangesteld naar behoren wordt gehoord voordat het besluit wordt genomen om die overeenkomst niet te verlengen, welk besluit, door zijn inhoud, een ongunstige invloed kan hebben op de professionele en persoonlijke situatie van de betrokkene.

47      Nu daarover niets is opgenomen in de statutaire teksten, kan een instelling of agentschap echter voorzien in interne procedures en modaliteiten om de tijdelijk functionaris te kunnen horen voordat over zijn verdere aanstelling wordt beslist, met name door de vaststelling van interne richtsnoeren, voor zover het gebruik van die bevoegdheid niet tot gevolg heeft dat wordt afgeweken van een uitdrukkelijke regel van het Statuut of de RAP (zie in die zin arresten Schneider/Commissie, T‑54/92, EU:T:1994:283, punt 19, en Petrilli/Commissie, F‑98/07, EU:F:2009:7, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

48      Op een gebied waarop de instelling of het agentschap op grond van het Statuut over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt kunnen dergelijke interne richtsnoeren de vorm hebben van een besluit dat aan alle personeelsleden wordt meegedeeld en dat de betrokken ambtenaren en functionarissen een gelijke behandeling beoogt te garanderen. Wanneer een instelling of agentschap een dergelijk besluit vaststelt, moet het als zodanig worden aangemerkt als een indicatieve gedragsregel die de administratie zichzelf oplegt en waarvan zij zonder opgave van redenen niet kan afwijken, omdat anders het beginsel van gelijke behandeling wordt geschonden (zie in die zin arresten Louwage/Commissie, 148/73, EU:C:1974:7, punt 12; Lux/Rekenkamer, EU:C:1984:391, punt 20, en Monaco/Parlement, T‑92/96, EU:T:1997:105, punt 46; zie, voor de beoordeling van het personeel, arrest Bernard/Europol, F‑99/07 en F‑45/08, EU:F:2009:84, punt 79 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

49      In casu vormen de richtsnoeren, waarin regels zijn opgenomen voor de procedure die moet worden gevolgd voor de verlenging van overeenkomsten van tijdelijk functionaris bij ESB, een interne richtlijn in de zin van de bovenvermelde rechtspraak, zodat moet worden vastgesteld dat ESB, door te bepalen dat de betrokkenen in beginsel zes maanden vóór de afloop van hun overeenkomst worden geïnformeerd en door regels te geven voor de procedure die de diensten van het Bureau moeten volgen en die voorziet in de mogelijkheid dat de betrokkenen hun standpunt kenbaar maken, met de vaststelling van het besluit van 2 oktober 2008 en de interne richtsnoeren, zijn functionarissen het recht heeft gegeven om te worden gehoord over de opportuniteit om hun aanstellingsovereenkomst voor bepaalde tijd te verlengen.

50      In elk geval voorziet artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, sinds zijn inwerkingtreding, op 1 december 2009, als handeling die op grond van artikel 6 VEU dezelfde juridische waarde als de verdragen heeft, uitdrukkelijk in het fundamentele recht van eenieder „om te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen”. Op grond van artikel 51 van het Handvest richt artikel 41 zich rechtstreeks tot de instellingen en organen van de Unie, die dat artikel dus binnen de in artikel 52 van het Handvest aangegeven grenzen moeten toepassen en eerbiedigen.

51      Aan de hand van al deze overwegingen moet het eerste middel worden onderzocht.

–       Eerste onderdeel: schending van de rechten van de verdediging

52      Om te beginnen moet worden opgemerkt dat verzoekster, zoals zij met name ter terechtzitting heeft erkend, kennis had van de inhoud van het besluit van 2 oktober 2008 en van de richtsnoeren, krachtens welke de procedure van verlenging van haar overeenkomst op 5 mei 2011 had plaatsgevonden.

53      Met betrekking tot de vraag of het Bureau zich in casu volledig heeft gehouden aan de richtsnoeren die met name het onderhoud regelen tussen het Bureau en de betrokken functionaris over de mogelijkheden om zijn overeenkomst te verlengen, blijkt uit het dossier en de debatten ter terechtzitting dat verzoekster tijdens het onderhoud met het hoofd van haar eenheid op 14 maart 2013 op de hoogte was gesteld van de redenen waarom hij van plan was het TAOBG niet voor te stellen om haar overeenkomst te verlengen, namelijk, althans volgens verzoeksters woorden, dat haar prestaties niet voldeden aan de vereisten van de door haar bezette post (zie in die zin arrest Bianchi/ETF, F‑38/06, EU:F:2007:117, punt 66).

54      Wat de redenen betreft die het hoofd van haar eenheid aanvankelijk ten grondslag had gelegd aan zijn voorstel aan het TAOBG, moet worden opgemerkt dat, zelfs al heeft laatstgenoemde die aanvullende redenen uiteindelijk overgenomen in het bestreden besluit en in het besluit tot afwijzing van de klacht, verzoekster erkent dat zij zich op 14 maart 2013 daarover heeft onderhouden met het hoofd van haar eenheid en dus de gelegenheid heeft gehad om op te komen tegen zijn opvatting van de kwaliteit van haar prestaties en de waarschijnlijkheid dat deze zich in de toekomst konden verbeteren teneinde aan de behoeften van het Bureau te voldoen. Zij heeft dus daadwerkelijk de gelegenheid gehad om haar hiërarchieke meerdere haar standpunt kenbaar te maken voordat het TAOBG, op voorstel van die meerdere, het bestreden besluit heeft genomen.

55      Het Bureau dient er echter voor te zorgen dat de betrokken functionaris in het kader van de uitvoering van de richtsnoeren duidelijk wordt geïnformeerd over het doel van het onderhoud met zijn meerderen, zodat hij naar behoren zijn standpunt kenbaar kan maken voordat een voor hem ongunstig besluit over de afloop van zijn aanstellingsovereenkomst wordt genomen. Zelfs al schrijven de richtsnoeren voor het onderhoud tussen de hiërarchieke meerdere en de betrokken functionaris dus niet de schriftelijk vorm voor en kan informatie over het doel van het onderhoud dus mondeling worden gegeven en voortvloeien uit de context waarin het heeft plaatsgevonden, een schriftelijke uitnodiging van de betrokkene kan geschikter blijken.

56      Op dit punt betoogt verzoekster dat zij na afloop van haar onderhoud van 14 maart 2013 dat pas ’s avonds laat en uitsluitend op haar initiatief heeft plaatsgevonden, niet ervan op de hoogte was gesteld dat de procedure voor de verlenging van haar overeenkomst was ingeleid.

57      Dienaangaande moet eraan worden herinnerd dat verzoekster tijdens dat onderhoud heeft erkend kennis te hebben van het besluit van 2 oktober 2008 en van de richtsnoeren, en dit temeer daar haar overeenkomst op 5 mei 2011 krachtens diezelfde richtsnoeren reeds was verlengd. In deze omstandigheden is het niet erg waarschijnlijk dat zij zich na afloop van haar onderhoud van 14 maart 2013 niet heeft gerealiseerd dat de procedure voor de verlenging van haar overeenkomst was ingeleid. Voorts kan de omstandigheid dat het onderhoud laat heeft plaatsgevonden niet afdoen aan het feit dat zij daadwerkelijk de mogelijkheid heeft gehad om naar behoren opmerkingen bij het hoofd van haar eenheid te maken, met name over het niveau van haar prestaties op het werk alsmede over de tot haar ambt behorende taken, voordat het hoofd van de eenheid zijn voorstel voor de verlenging van haar overeenkomst aan het TAOBG zond.

58      Voorts moest verzoekster wel op de hoogte zijn van de omstandigheid dat zij, indien zij dat wenste, over de uitdrukkelijk in de richtsnoeren voorziene mogelijkheid beschikte om na het onderhoud van 14 maart 2013 om voortzetting te vragen van de dialoog met het hoofd van haar eenheid, in zijn hoedanigheid van beoordelaar, en eventueel met zijn hiërarchieke meerdere. Ook al wordt niet betwist dat het hoofd van de eenheid op 15 maart 2013 verlof heeft genomen, niets verhinderde verzoekster om, na kennis te hebben genomen van zijn standpunt over hetgeen met haar overeenkomst moest gebeuren, haar belangen opnieuw te verdedigen, met name door bij de uitvoerend directeur, in zijn hoedanigheid van TAOBG die het bestreden besluit zou vaststellen, schriftelijke of mondelinge opmerkingen in te dienen teneinde hem ervan te overtuigen om niet het voorstel van het hoofd van de eenheid te volgen.

59      Hieraan moet worden toegevoegd dat er acht dagen liggen tussen de datum van verzoeksters onderhoud met het hoofd van haar eenheid en de datum waarop het bestreden besluit is genomen. In de loop van die periode had verzoekster nog steeds de mogelijkheid om haar standpunt schriftelijk aan te vullen (zie naar analogie arresten Sopropé, C‑349/07, EU:C:2008:746, punten 49‑52, en Kamino International Logistics, C‑129/13, EU:C:2014:2041, punt 33).

60      Overigens bevestigt de inhoud van verzoeksters klacht dat zij het bestreden besluit, ondanks de bondigheid van de motivering van de redenen voor de vaststelling ervan, goed heeft begrepen, hetgeen bevestigt dat zij naar behoren was geïnformeerd over de redenen waarom het hoofd van haar eenheid had besloten om niet de verlenging van haar overeenkomst te vragen (zie in die zin arrest Solberg/EWDD, F‑124/12, EU:F:2013:157, punt 34).

61      Uit het voorgaande volgt dat het Bureau zich in casu niet schuldig heeft gemaakt aan schending van verzoeksters recht om vóór de vaststelling van het bestreden besluit te worden gehoord, temeer daar dit besluit geen betrekking heeft op de beëindiging van een overeenkomst voor bepaalde tijd, maar op de eventuele verlenging van een dergelijke overeenkomst (zie, met betrekking tot de reikwijdte van het recht om te worden gehoord naargelang de aard van het bezwarend besluit, arrest Bui Van/Commissie, T‑491/08 P, EU:T:2010:191, punten 75‑77).

62      Maar zelfs indien er wel sprake was van een schending van de rechten van verdediging, dan nog verlangt de rechtspraak voor de aanvaarding van het middel in elk geval dat de procedure zonder die onregelmatigheid een andere uitkomst had kunnen hebben (arrest Wunenburger/Commissie, T‑246/04 en T‑71/05, EU:T:2007:34, punt 149 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

63      In dit verband merkt het Gerecht ten overvloede op dat verzoekster in haar klacht aanvullende argumenten heeft aangevoerd waarop het TAOBG heeft geantwoord door het bestreden besluit te bevestigen om redenen die hoofdzakelijk verband houden met budgettaire eisen. Zelfs al had verzoekster dus daadwerkelijk gebruikgemaakt van de haar geboden mogelijkheid om een uitvoeriger gesprek met haar chefs te vragen en had zij dus de mogelijkheid gehad om diezelfde argumenten aan te voeren vóór de vaststelling van het bestreden besluit, dan nog had de procedure geen andere uitkomst gehad.

64      Gelet op het voorgaande moet het eerste onderdeel van het eerste middel worden afgewezen.

–       Tweede onderdeel: schending van een essentieel vormvereiste die tot een schending van het beginsel van gelijke behandeling heeft geleid

65      Om te beginnen moet worden vastgesteld dat de in de richtsnoeren opgenomen termijnen voornamelijk bedoeld zijn om, zoals in het besluit van 2 oktober 2008 is vastgesteld, ervoor te zorgen dat het Bureau zorgvuldig te werk gaat, zodat de tijdelijk functionaris wiens overeenkomst binnenkort afloopt ten minste zes maanden vóór die afloopdatum wordt geïnformeerd over de eventuele verlenging daarvan en daarover dus tijdig een besluit wordt genomen, met name om de betrokkene niet te overvallen en hem eventueel de mogelijkheid te geven het nodige te doen om werk te vinden en een eventuele verhuizing te organiseren van zijn standplaats naar een andere lidstaat dan die waarin het Bureau is gevestigd.

66      Bovendien blijkt uit het opschrift van de rubrieken die het hoofd van de eenheid moet invullen dat de in de richtsnoeren voorziene procedure vóór alles tot doel heeft zijn advies te krijgen over de vraag of er ontwikkeling zit in de bij de betrokken post behorende taken en of de tijdelijk functionaris die deze post bezet, met name gelet op de wijze waarop hij daarvoor zijn taken heeft verricht, hetgeen in een LBOR is vastgelegd, het verdient om door ESB in die post te blijven aangesteld, waardoor de verlenging van zijn overeenkomst gerechtvaardigd is. Zoals ESB terecht beklemtoont, moet aan de hand van de in die procedure verzamelde informatie worden bepaald of de functionaris wiens aanstellingsovereenkomst afloopt, aangesteld moet of kan blijven in dat ambt, hetgeen echter noodzakelijkerwijs veronderstelt dat dit ambt voor de toekomst in de begroting is opgenomen op de lijst van het aantal ambten van het Bureau.

67      Voorts moet worden herinnerd aan de rechtspraak dat wanneer de in de richtsnoeren voorziene indicatieve termijnen niet zijn geëerbiedigd, die onregelmatigheid daarnaast ook nog gevolgen moet kunnen hebben gehad voor de inhoud van het bestreden besluit (arrest Wunenburger/Commissie, EU:T:2007:34, punt 149 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

68      Wat in de eerste plaats de omstandigheid betreft dat de procedure voor de verlenging van haar overeenkomst pas op 22 februari 2013 is ingeleid, dat wil zeggen zo’n twintig dagen later dan de in de richtsnoeren voorziene vervaldatum, toont verzoekster niet aan in hoeverre die vertraging van invloed is geweest op de inhoud van het bestreden besluit.

69      Wat in de tweede plaats de omstandigheid betreft dat de dienst Personeelszaken pas na de vaststelling van het bestreden besluit om advies is gevraagd, blijkt uit de richtsnoeren dat de raadpleging van die dienst niet tot doel heeft de verdiensten van de betrokken functionaris te beoordelen noch de opportuniteit, vanuit het belang van het Bureau gezien, om zijn overeenkomst te verlengen. In de richtsnoeren wordt immers alleen gezegd dat de dienst Personeelszaken opmerkingen aan de nota bij het dossier „kan” toevoegen, met name over de budgettaire gevolgen van het voorstel van het hoofd van de eenheid en de samenhang van dat voorstel met de bestaande praktijken op het gebied van de verlenging van overeenkomsten binnen het Bureau. In een geval als het onderhavige kon de dienst Personeelszaken dus geen enkele opmerking maken in de kantlijn van een voorstel voor een besluit dat nu juist geen enkel budgettair gevolg kon hebben in de afdeling Kosten van de begroting van het Bureau voor het komende jaar en overigens overeenstemde met de schrapping van een post door de begrotingsautoriteit. Voorts wijst niets erop dat indien de dienst Personeelszaken vóór de vaststelling van het bestreden besluit het voor hem bestemde gedeelte van het formulier had ingevuld, hij een opmerking zou hebben gemaakt.

70      In een situatie als die van de onderhavige zaak, waarin het betrokken ambt moet worden geschrapt, zijn de budgettaire gevolgen, in termen van kosten voor de begroting voor administratieve uitgaven van het Bureau, van een voorstel om de overeenkomst van tijdelijk functionaris van de functionaris die dat ambt vervult niet te verlengen immers in feite neutraal, zoals ESB ook stelt, aangezien dat besluit slechts bevestigt dat geen gebruik wordt gemaakt van kredieten die voor het volgende begrotingsjaar zijn ingetrokken. Zelfs al was de dienst Personeelszaken eventueel ingeschakeld binnen de in de richtsnoeren genoemde indicatieve termijnen, dan nog had dit geen gevolgen kunnen hebben voor de inhoud en, dientengevolge, de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

71      In de derde plaats moet het argument ontleend aan het feit dat het TAOBG het beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden, worden afgewezen, aangezien ten eerste het TAOBG de redenen heeft uiteengezet waarom het zich niet nauwgezet heeft gehouden aan de procedure en de in de richtsnoeren genoemde indicatieve termijnen, namelijk budgettaire redenen en redenen verband houdende met de schrapping van de post, en, ten tweede, de overeenkomst van een functionaris die zich in een vergelijkbare situatie als die van verzoekster bevindt eveneens op de voorziene termijn is afgelopen.

72      Uit het bovenstaande volgt dat het tweede onderdeel en, derhalve, het eerste middel moeten worden afgewezen.

 Tweede middel: kennelijke beoordelingsfouten

 Argumenten van partijen

73      Verzoekster stelt om te beginnen dat het TAOBG, met zijn stelling dat de door haar bezette post alleen was gecreëerd om haar in staat te stellen ervaring buiten het financiële gebied op te doen, een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt, aangezien verzoeksters overplaatsing, die op haar verzoek heeft plaatsgevonden, eveneens en vooral tot doel had om de eenheid waar zij het laatst was tewerkgesteld de mogelijkheid te geven gebruik te maken van haar bekwaamheden op financieel gebied. Verzoekster betwist dus dat de schrapping van haar post een keuze is geweest die de minste operationele invloed op de functionering van het Bureau kon hebben.

74      Verzoekster betwist eveneens dat het TAOBG verplicht was om haar post te schrappen teneinde te kunnen voldoen aan de doelstellingen vastgelegd in de budgettaire en financiële standpunten. Zij merkt op dat het Bureau in zijn begroting voor 2013 de vorming van twee posten van administrateurs had voorzien en bekritiseert het feit dat het streven om drie posten te verminderen, alleen gevolgen had voor posten van de functiegroep AST. Voorts heeft de Commissie in haar advies over het meerjarenplan voor het personeelsbeleid voor de periode 2014‑2016 weliswaar gepleit voor een personeelsvermindering van 2 %, doch zij heeft ook benadrukt dat er sprake was van een verslechtering van het bezettingspercentage van de in het ondernemingsplan voorziene posten, aangezien slechts in 139 van de 144 posten binnen het Bureau was voorzien. Aangezien ESB sinds 2010 tussen vier en zes posten had waarin niet was voorzien, had het TAOBG er ook voor kunnen kiezen om één van die posten te schrappen en niet die van verzoekster. Ten slotte betrof de door de budgettaire eisen verlangde schrapping posten van de rang AST 1 en AST 2. Aangezien zij een post van de rang AST 3 bezette, en zelfs AST 4 op 6 september 2013, had haar post niet moeten worden geschrapt.

75      Voorts stelt zij dat de uitvoerend directeur niet op eigen initiatief het ondernemingsplan van het Bureau kon wijzigen, waarin voor elk begrotingsjaar het aantal toegestane posten per functiegroep en per rang is vastgelegd. Alleen de raad van bestuur van het Bureau was immers daartoe bevoegd.

76      ESB concludeert tot afwijzing van dit middel.

 Beoordeling door het Gerecht

77      Er zij aan herinnerd dat het besluit om een overeenkomst van tijdelijk functionaris voor bepaalde tijd al dan niet te verlengen onder de ruime beoordelingsbevoegdheid van het TAOBG ter zake valt, zodat de toetsing door de Unierechter van de rechtmatigheid van dat besluit zich moet beperken tot de vraag of de motiveringsplicht is nagekomen dan wel of er bij de beoordeling van het dienstbelang door het TAOBG geen sprake is geweest van een kennelijk onjuiste beoordeling of van misbruik van bevoegdheid (zie arrest Bianchi/ETF, EU:F:2007:117, punten 92 en 93 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

78      Een fout kan alleen als een kennelijke fout worden aangemerkt wanneer deze gemakkelijk te herkennen en te ontdekken is aan de hand van criteria waarvan de wetgever de uitoefening door de administratie van haar beoordelingsbevoegdheid afhankelijk heeft willen stellen. De vaststelling dat de administratie bij de beoordeling van de feiten een kennelijke fout heeft gemaakt die de nietigverklaring van het op basis van die beoordeling vastgestelde besluit kan rechtvaardigen, veronderstelt dus dat het bewijsmateriaal, dat door de verzoeker geleverd moet worden, voldoende is om de beoordelingen van de administratie hun plausibiliteit te ontnemen. Met andere woorden, het middel ontleend aan een kennelijke fout moet worden afgewezen wanneer de betrokken beoordeling, ondanks de door de verzoeker aangevoerde elementen, nog steeds gerechtvaardigd en samenhangend kan worden geacht (zie arrest AI/Hof van Justitie, EU:F:2012:97, punt 153 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

79      Ofschoon het bestreden besluit in casu niet uitdrukkelijk aangeeft waarom het TAOBG heeft besloten om verzoeksters overeenkomst niet te verlengen, zij eraan herinnerd dat, gelet op het evoluerende karakter van de precontentieuze procedure, het de motivering in het besluit tot afwijzing van de klacht is die in aanmerking moet worden genomen bij het onderzoek van de rechtmatigheid van het oorspronkelijke bezwarende besluit, daar deze motivering wordt geacht samen te vallen met laatstgenoemd besluit (arrest Mocová/Commissie, F‑41/11, EU:F:2012:82, punt 21), en dat het TAOBG, wanneer het een besluit betreft om een overeenkomst van een tijdelijk functionaris niet te verlengen, in het stadium van de klacht de motivering van dat besluit nog kan wijzigen of vervangen, hetgeen het in casu heeft gedaan (zie arrest Mocová/Commissie, T‑347/12 P, EU:T:2014:268, punten 33‑46).

80      Dit gezegd zijnde stelt het Gerecht met betrekking tot de door ESB genoemde budgettaire redenen allereerst vast dat, zoals met name blijkt uit het bij het verzoekschrift gevoegde advies van de Commissie van 6 maart 2013 aan het Bureau, laatstgenoemde ambten diende te schrappen om de „doelstelling van 2 %” te bereiken en dat aangezien verzoeksters betoog slechts de echtheid van dat doel ter discussie stelt, door op te komen tegen de aard en de omvang van de budgettaire eisen die ter zake aan het Bureau werden gesteld, hieruit niet blijkt dat ESB een kennelijk fout heeft gemaakt bij de beoordeling van die verplichting om posten te schrappen.

81      Voorts moet eraan worden herinnerd dat de organisatie en het functioneren van de dienst tot de uitsluitende bevoegdheid van de instelling behoren en dat het hiërarchisch gezag, zoals in casu de uitvoerend directeur van ESB, als enige verantwoordelijk is voor de organisatie van de diensten. Alleen dat gezag dient de behoeften van de dienst te beoordelen en het hem ter beschikking staande personeel dienovereenkomstig tewerk te stellen (arresten Labeyrie/Commissie, 16/67, EU:C:1968:37, blz. 445; Geist/Commissie, 61/76, EU:C:1977:127, punt 38; Pitrone/Commissie, T‑46/89, EU:T:1990:62, punt 60, en Cesaratto/Parlement, T‑108/96, EU:T:1997:115, punt 48).

82      De instellingen en agentschappen van de Unie genieten eveneens vrijheid bij de inrichting van hun administratieve eenheden, waarbij zij rekening kunnen houden met allerlei factoren, zoals de aard en omvang van de hun opgedragen werkzaamheden en de budgettaire mogelijkheden (arresten Bellardi-Ricci e.a./Commissie, 178/80, EU:C:1981:310, punt 19; Scheuer/Commissie, T‑108/89, EU:T:1990:45, punt 41; Sebastiani/Parlement, T‑163/89, EU:T:1991:49, punt 33, en Lacruz Bassols/Hof van Justitie, T‑109/92, EU:T:1994:16, punt 88). Deze vrijheid impliceert de vrijheid om ambten te schrappen en de toewijzing van werkzaamheden te wijzigen, met het oog op een grotere efficiëntie bij de organisatie van de werkzaamheden of om te voldoen aan door de politieke instanties van de Unie gestelde budgettaire eisen om posten te schrappen, evenals de bevoegdheid om werkzaamheden die eerder werden uitgevoerd door degene die het geschrapte ambt bezette opnieuw toe te wijzen, zonder dat die schrapping noodzakelijkerwijs afhangt van de voorwaarde dat alle werkzaamheden worden uitgevoerd door minder personen dan vóór de reorganisatie. Een schrapping van een ambt impliceert overigens niet noodzakelijkerwijs dat de bij dat ambt behorende werkzaamheden verloren gaan (arrest Cesaratto/Parlement, EU:T:1997:115, punten 49‑51).

83      Bijgevolg is het TAOBG, door om dwingende budgettaire redenen te beslissen om twee posten van assistent te schrappen in plaats van posten van administrateur, en door van de vijf posten van assistent die werden bezet door tijdelijke functionarissen wier overeenkomsten in de loop van 2013 zouden aflopen, de door verzoekster bezette post te kiezen als één van de posten waarvan de schrapping de minste operationele gevolgen had, binnen de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid ter zake is gebleven (zie in die zin arrest Karatzoglou/AER, T‑471/04, EU:T:2008:540, punt 59).

84      Wat de vermeende onbevoegdheid van de uitvoerend directeur betreft om het ondernemingsplan van het Bureau te wijzigen, welke overigens niet in de precontentieuze fase was aangevoerd, toont verzoekster niet aan waarom de uitvoerend directeur met de vaststelling van het bestreden besluit een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt.

85      Met betrekking tot het bij het verzoekschrift gevoegde besluit tot overplaatsing van 16 februari 2012 moet ten slotte worden opgemerkt dat uit dat besluit uitdrukkelijk blijkt dat het in het dienstbelang is genomen. Volgens vaste rechtspraak impliceert het dienstbelang dat eveneens rekening wordt gehouden met de persoonlijke wensen van de betrokkenen, aangezien het dienstbelang en de persoonlijke situatie van de functionaris onlosmakelijk verbonden zijn (zie in die zin arrest Ridolfi/Commissie, F‑3/09, EU:F:2009:162, punt 47). Het is juist dat ESB in het besluit tot afwijzing van de klacht heeft aangegeven dat het overplaatsingsbesluit was genomen op verzoek van verzoekster, waarschijnlijk met het oog op vereenvoudiging en teneinde te beklemtonen dat verzoekster als gevolg van de door haar gevraagde overplaatsing was tewerkgesteld in een post die thans moest worden geschrapt.

86      Verzoekster legt echter niet uit waarom de vermelding, in het besluit tot afwijzing van de klacht, van de omstandigheid dat zij degene was geweest die had gevraagd om te worden overgeplaatst naar een ambt dat thans werd geschrapt, een kennelijke beoordelingsfout vormt noch waarom die vergissing in verband met het overplaatsingsbesluit van 16 februari 2012, waarvan de rechtmatigheid in casu niet wordt betwist, van invloed kan zijn geweest op het bestreden besluit en op het besluit tot afwijzing van de klacht, die een ander voorwerp hadden, namelijk de niet-verlenging van haar overeenkomst van tijdelijk functionaris.

87      In elk geval blijkt uit het besluit tot afwijzing van de klacht dat het TAOBG aan zijn besluit om de overeenkomst niet te verlengen voornamelijk redenen van budgettaire aard ten grondslag heeft gelegd en dat het slechts in tweede instantie heeft verwezen naar de kwaliteit van verzoeksters prestaties. Zelfs al had verzoekster in het kader van haar ambt bij het Bureau van de uitvoerend directeur meer financieel en administratief ondersteunende werkzaamheden uitgevoerd, welke zij volgens haar zeggen beter beheerst en die als zodanig nog steeds werden genoemd in haar werkomschrijving en door het hoofd van haar eenheid nog niet waren gewijzigd in werkzaamheden op het gebied van de communicatie, dit is niet van invloed geweest op de mogelijkheid voor het TAOBG om te beslissen, zoals het ook heeft gedaan, om de door verzoekster bezette post te schrappen op grond dat die schrapping de minste operationele gevolgen voor het functioneren van het Bureau had.

88      Uit de voorgaande overwegingen volgt dat het tweede middel moet worden afgewezen.

 Derde middel: niet-nakoming van de op ESB rustende zorgplicht

 Argumenten van partijen

89      Ter onderbouwing van de niet-nakoming door het TAOBG van zijn zorgplicht jegens haar en ofschoon zij erkent dat het dienstbelang zwaarder weegt dan dat van de ambtenaar, betoogt verzoekster dat haar belang ten minste op het moment van het besluit om haar overeenkomst niet te verlengen in aanmerking had moeten worden genomen. Zij is eveneens verbijsterd over de verwijzing, in het besluit tot afwijzing van haar klacht, naar het arrest AI/Hof van Justitie (EU:F:2012:97), aangezien zij het TAOBG geen redenen tot ontevredenheid heeft gegeven, hetgeen wordt bevestigd door de omstandigheid dat zij in september 2013 is bevorderd. Zij concludeert dat het TAOBG, door de niet-verlenging van haar overeenkomst uitsluitend te baseren op het verdwijnen van haar post, zonder zelfs maar haar verdiensten als tijdelijk functionaris te onderzoeken of de mogelijkheid om haar in een andere post tewerk te stellen, zijn zorgplicht niet is nagekomen, daar het geen rekening heeft gehouden met haar belangen.

90      Het ESB concludeert tot afwijzing van het middel en betwist dat het niet de mogelijkheid heeft onderzocht om verzoekster in een andere post tewerk te stellen, aangezien de uitvoerend directeur dat juist wel heeft onderzocht, maar had vastgesteld dat er in de nabije toekomst geen posten van de functiegroep AST zouden worden gecreëerd en dat het evenmin mogelijk was om verzoekster in haar oude ambt terug te plaatsen. Hiermee is de uitvoerend directeur verder gegaan dan de verplichtingen voortvloeiende uit het arrest AI/Hof van Justitie (EU:F:2012:97). In elk geval toont verzoekster niet aan welke functies beschikbaar zouden zijn geweest bij het Bureau om haar overeenkomst in casu voor onbepaalde tijd te kunnen verlengen.

 Beoordeling door het Gerecht

91      Opgemerkt zij dat artikel 8 RAP weliswaar voorziet in de mogelijkheid om een overeenkomst van een tijdelijk functionaris te verlengen, doch dat het hierbij niet om een recht gaat, maar om een mogelijkheid die ter beoordeling van het bevoegde gezag staat. Volgens reeds eerder genoemde vaste rechtspraak beschikken de instellingen van de Unie immers over een ruime beoordelingsbevoegdheid om bij de organisatie van hun diensten, van de hun toevertrouwde taken uit te gaan en met het oog daarop het hun ter beschikking staande personeel tewerk te stellen, met dien verstande evenwel dat die tewerkstelling in het belang van de dienst moet zijn (arresten Nebe/Commissie, 176/82, EU:C:1983:214, punt 18; Lux/Rekenkamer, 69/83, EU:C:1984:225, punt 17, en Potamianos/Commissie, T‑160/04, EU:T:2008:438, punt 30).

92      Anders dan voor ambtenaren het geval is, bestaat er voor de tijdelijk functionaris die voor bepaalde tijd is aangesteld en wiens overeenkomst afloopt, geen recht van voorrang op grond waarvan hij bij beëindiging van zijn aanstelling kan worden herplaatst in elk ander ambt van dezelfde functiegroep dat vacant wordt of is gecreëerd in de instelling of het agentschap waarbij hij werkzaam was (zie in die zin arrest ETF/Michel, T‑108/11 P, EU:T:2013:625, point 88).

93      Op grond van de zorgplicht dient het bevoegd gezag bij de beoordeling van het belang van de dienst met het oog op de vaststelling van een besluit over de eventuele verlenging van een overeenkomst van tijdelijk functionaris voor bepaalde tijd echter rekening te houden met alle elementen die zijn besluit kunnen beïnvloeden, met name het belang van de betrokken functionaris. De inaanmerkingneming van het persoonlijk belang van laatstgenoemde kan echter niet zo ver gaan dat het dat gezag verboden wordt een overeenkomst voor bepaalde tijd niet te verlengen wanneer het belang van de dienst dit vereist, ook al verzet die functionaris zich hiertegen (arrest Klug/EMEA, F‑35/07, EU:F:2008:150, punt 79). Bovendien moet in het geval van agentschappen rekening worden gehouden met de bijzondere context waarbinnen agentschappen van de Unie in het algemeen opereren, welke met name wordt gekenmerkt door het feit dat zij over een beperkt aantal personeelsleden beschikken en door bijzondere operationele verplichtingen (zie in die zin arrest ETF/Schuerings, T‑107/11 P, EU:T:2013:624, punten 97 en 100).

94      In casu blijkt uit het bestreden besluit formeel niet de motivering op basis waarvan het is genomen. Uit het besluit tot afwijzing van de klacht blijkt echter dat het TAOBG zich wel bewust is geweest van verzoeksters belang bij de verlenging van haar overeenkomst, in casu voor onbepaalde tijd. Met het oog daarop heeft het uiteengezet dat het geen mogelijkheid had om verzoekster tewerk te stellen in een ander vacant ambt of in een ambt dat in de nabije toekomst vacant zou worden.

95      Bovendien kan het TAOBG in een context waarin de instellingen en agentschappen van de Unie op grond van algemene politieke eisen hun personeel geleidelijk en jaarlijks moeten terugbrengen, geen niet-nakoming van het zorgbeginsel worden verweten doordat het, wegens de schrapping van posten in zijn begroting, waaronder de door de betrokkene bezette post, verzoeksters overeenkomst niet voor onbepaalde tijd heeft verlengd.

96      Dit geldt temeer daar de staat van dienst van de betrokken functionaris in geen geval deel uitmaakt van de bijzondere verdiensten bij de uitvoering van de laatstelijk toegewezen taken. Uit de rechtspraak waarop het TAOBG zich in het besluit tot afwijzing van de klacht, zij het ook subsidiair, heeft beroepen, volgt immers dat de inaanmerkingneming van het persoonlijk belang van een functionaris wiens beroepsbekwaamheden ontoereikend zijn geacht, niet zo ver kan gaan dat het het bevoegde gezag verboden wordt om zijn overeenkomst voor bepaalde tijd, ondanks het verzet van die functionaris, niet te verlengen wanneer het dienstbelang dit vereist (arresten Klug/EMEA, EU:F:2008:150, punt 79; AI/Hof van Justitie, EU:F:2012:97, punten 167 en 168, en Solberg/EWDD, EU:F:2013:157, punt 45).

97      Ook al kunnen de beoordelingen in verzoeksters LBOR over 2012 niet in aanmerking worden genomen, aangezien dit na de vaststelling van het bestreden besluit is opgesteld, uit de door het Bureau verstrekte stukken blijkt dat verzoeksters prestaties van geen bijzondere verdiensten getuigden, ja zelfs niet beantwoordden aan hetgeen haar hiërarchieke meerdere van haar verwachtte. De omstandigheid dat verzoeksters staat van dienst niet een van de meest bevredigende was, kon dus, zoals het Bureau betoogt, naast de in punt 83 van dit arrest uiteengezette reden een extra reden zijn om de door haar bezette post aan te merken als één van de twee posten die wegens budgettaire eisen moest worden geschrapt en dus om de niet-verlenging van haar overeenkomst te rechtvaardigen.

98      Uit het voorgaande volgt dat het derde middel moet worden afgewezen.

99      Daar geen van de drie door verzoekster aangevoerde middelen is aanvaard, moet het beroep worden verworpen.

 Kosten

100    Volgens artikel 87, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij, onverminderd de overige bepalingen van het achtste hoofdstuk van de tweede titel van dat Reglement, in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Volgens artikel 88 van dat Reglement kan een partij echter, ook wanneer zij in het gelijk wordt gesteld, ten dele of zelfs volledig in de kosten worden verwezen, indien dit gerechtvaardigd lijkt wegens haar houding, daaronder begrepen haar houding vóór het instellen van het beroep, met name indien door haar toedoen aan de wederpartij kosten zijn opgekomen die naar het oordeel van het Gerecht nodeloos of vexatoir zijn veroorzaakt.

101    Uit de rechtsoverwegingen van dit arrest volgt dat verzoekster in het ongelijk is gesteld. Bovendien heeft ESB in zijn conclusies uitdrukkelijk gevraagd om verzoekster te verwijzen in de kosten. De omstandigheden van de onderhavige zaak rechtvaardigen echter de toepassing van de bepalingen van artikel 88 van het Reglement voor de procesvoering, aangezien het Bureau in de procedure voor de verlenging van verzoeksters overeenkomst zorgvuldiger en transparanter had kunnen zijn. Derhalve moet worden beslist dat ESB zijn eigen kosten zal dragen alsmede de helft van verzoeksters kosten.

HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN (Derde kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het beroep wordt verworpen.

2)      Het Europees Spoorwegbureau draagt zijn eigen kosten en wordt verwezen in de helft van de kosten van Tzikas.

3)      Tzikas draagt de helft van haar eigen kosten.


Van Raepenbusch

Perillo

Svenningsen

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 10 september 2014.

De griffier

 

      De president

W. Hakenberg

 

      S. Van Raepenbusch


* Procestaal: Frans.