Language of document : ECLI:EU:C:2014:2227

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

17 september 2014 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Antidumping – Verordening (EG) nr. 661/2008 – Definitief antidumpingrecht op de invoer van ammoniumnitraat uit Rusland – Voorwaarden voor vrijstelling – Artikel 3, lid 1 – Eerste onafhankelijke afnemer in de Unie – Verkrijging van de ammoniumnitraatmeststof via een derde onderneming – Vrijgave van de goederen – Verzoek om de douaneaangiften ongeldig te maken – Besluit 2008/577/EG – Douanewetboek – Artikelen 66 en 220 – Vergissing – Verordening (EEG) nr. 2454/93 – Artikel 251 – Controle achteraf”

In zaak C‑3/13,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tartu ringkonnakohus (Estland) bij beslissing van 27 december 2012, ingekomen bij het Hof op 3 januari 2013, in de procedure

Baltic Agro AS

tegen

Maksu- ja Tolliameti Ida maksu- ja tollikeskus,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: M. Ilešič, kamerpresident, C. G. Fernlund, A. Ó Caoimh (rapporteur), C. Toader en E. Jarašiūnas, rechters,

advocaat-generaal: P. Cruz Villalón,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        de Estse regering, vertegenwoordigd door M. Linntam en N. Grünberg als gemachtigden,

–        de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door S. Boelaert en M. Remmelgas als gemachtigden, bijgestaan door B. Byrne, solicitor, en de G. Berrisch, Rechtsanwalt,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Stobiecka-Kuik, E. Randvere en B.‑R. Killmann als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 3 april 2014,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging en de geldigheid van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1791/2006 van de Raad van 20 november 2006 (PB L 363, blz. 1; hierna: „douanewetboek”), van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 253, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 312/2009 van de Commissie van 16 april 2009 (PB L 98, blz. 3, hierna: „verordening nr. 2454/93”), alsook de uitlegging van artikel 3, lid 1, van verordening (EG) nr. 661/2008 van de Raad van 8 juli 2008 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op ammoniumnitraat van oorsprong uit Rusland naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen, op grond van artikel 11, lid 2, en een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek, op grond van artikel 11, lid 3, van verordening (EG) nr. 384/96 (PB L 185, blz. 1, en rectificatie PB 2009, L 339, blz. 59), van besluit 2008/577/EG van de Commissie van 4 juli 2008 tot aanvaarding van de verbintenissen die zijn aangeboden in het kader van de antidumpingprocedure betreffende ammoniumnitraat van oorsprong uit Rusland en Oekraïne (PB L 185, blz. 43, en rectificatie PB 2009, L 339, blz. 59), van artikel 28 VWEU, van artikel 31 VWEU en van artikel 20 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Baltic Agro AS (hierna: „Baltic Agro”) en de Maksu- ja Tolliameti Ida maksu- ja tollikeskus (belasting‑ en douanedienst – belasting‑ en douanekantoor Oost; hierna: „MTA”) betreffende de antidumpingrechten en de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: „btw”) op invoer van ammoniumnitraat uit Rusland die verzoekster bij een controle achteraf zijn opgelegd.

 Toepasselijke bepalingen

 Douanewetboek

3        Artikel 66 van het douanewetboek bepaalt:

„1.      Op verzoek van de aangever maken de douaneautoriteiten een reeds aanvaarde aangifte ongeldig wanneer de aangever aantoont dat de goederen bij vergissing voor de in deze aangifte genoemde douaneregeling zijn aangegeven of dat, ten gevolge van bijzondere omstandigheden, de plaatsing van de goederen onder de douaneregeling waarvoor zij zijn aangegeven, niet meer gerechtvaardigd is.

Indien de douaneautoriteiten de aangever evenwel in kennis hebben gesteld van hun voornemen de goederen aan een onderzoek te onderwerpen, kan het verzoek tot ongeldigmaking van de aangifte slechts worden aanvaard nadat het onderzoek heeft plaatsgevonden.

2.      Behalve in de volgens de procedure van het Comité vastgestelde gevallen wordt de aangifte niet ongeldig gemaakt nadat de goederen zijn vrijgegeven.

3.      De ongeldigmaking van de aangifte is niet van invloed op de toepassing van de geldende strafbepalingen.”

4        Artikel 220, lid 2, van dit wetboek preciseert:

„Behalve in de gevallen als bedoeld in artikel 217, lid 1, tweede en derde alinea, wordt niet tot boeking achteraf overgegaan wanneer:

[...]

b)      het wettelijk verschuldigde bedrag aan rechten niet was geboekt, ten gevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken en waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan;

[...]”

 Verordening nr. 2454/93

5        Artikel 251 van verordening nr. 2454/93 luidt als volgt:

„In afwijking van artikel 66, lid 2, van het [douanewetboek] kan de douaneaangifte ongeldig worden gemaakt nadat vrijgave is verleend, onder de hierna volgende voorwaarden:

1)      Wanneer is vastgesteld dat de goederen, in plaats van onder een andere douaneregeling te zijn gebracht, bij vergissing zijn aangegeven voor een douaneregeling die de verplichting tot betaling van de rechten bij invoer inhoudt, maken de douaneautoriteiten de aangifte ongeldig indien het verzoek daartoe wordt ingediend binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de datum van aanvaarding van de aangifte, voor zover:

–        de goederen niet zijn gebruikt onder andere voorwaarden dan die welke gelden voor de douaneregeling waarvoor zij bestemd waren,

–        de goederen op het ogenblik van aangifte waren bestemd om te worden geplaatst onder een andere douaneregeling en zij aan alle voorwaarden daarvoor voldeden, en

–        de goederen onmiddellijk worden aangegeven voor de douaneregeling waarvoor zij in werkelijkheid waren bestemd.

De aangifte tot plaatsing van de goederen onder deze laatste douaneregeling wordt van kracht op de datum van aanvaarding van de ongeldig gemaakte aangifte.

De douaneautoriteiten kunnen in naar behoren gerechtvaardigde uitzonderlijke gevallen toestaan dat de vorengenoemde termijn wordt overschreden.

[...]”

 Verordening nr. 661/2008

6        De punten 159 en 161 van de considerans van verordening nr. 661/2008 zijn in de volgende bewoordingen gesteld:

„(159)      Om de Commissie en de douaneautoriteiten nog beter in staat te stellen effectief toezicht op de naleving van de verbintenissen door de ondernemingen uit te oefenen, moet, wanneer de aanvraag voor het vrije verkeer bij de douaneautoriteit wordt ingediend, de vrijstelling van het antidumpingrecht afhankelijk worden gesteld van i) de overlegging van een verbintenisfactuur, zijnde een handelsfactuur die ten minste de gegevens en de verklaring bevat die in de bijlage zijn vermeld; ii) het feit dat de ingevoerde goederen door de genoemde ondernemingen zijn vervaardigd en verzonden en door hen direct aan de eerste onafhankelijke afnemer in de Gemeenschap zijn gefactureerd, en iii) het feit dat de bij de douane aangegeven en aangeboden goederen exact overeenstemmen met de beschrijving in de verbintenisfactuur. Wanneer niet aan bovenstaande voorwaarden wordt voldaan, is op het ogenblik van de aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer het van toepassing zijnde antidumpingrecht verschuldigd.

      [...]

(161)      Importeurs moeten zich ervan bewust zijn dat op het ogenblik van de aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer een douaneschuld kan ontstaan, zoals beschreven in de overwegingen 159 en 160, ook al heeft de Commissie een verbintenis aanvaard van de fabrikant bij wie zij direct of indirect kopen; zij dienen dit als een normaal handelsrisico aan te merken.”

7        De artikelen 1 en 2 van verordening nr. 661/2008 voorzien in de heffing van definitieve antidumpingrechten – van verschillende hoogte – op ammoniumnitraat en bepaalde meststoffen en op andere ammoniumnitraat bevattende producten uit Rusland.

8        Artikel 3, leden 1 en 2, van die verordening luidt:

„1.      Ingevoerde goederen die voor het vrije verkeer zijn aangegeven en zijn gefactureerd door ondernemingen waarvan de Commissie verbintenissen heeft aanvaard en wier namen zijn vermeld in besluit 2008/577/EG, zoals die van tijd tot tijd wordt gewijzigd, zijn vrijgesteld van de bij artikel 2 ingestelde antidumpingrechten op voorwaarde dat:

–        de goederen door de genoemde ondernemingen zijn vervaardigd en verzonden en door hen direct aan de eerste onafhankelijke afnemer in de Europese Unie zijn gefactureerd, en

–        de goederen vergezeld gaan van een geldige verbintenisfactuur, zijnde een handelsfactuur die ten minste de gegevens en de verklaring bevat die in de bijlage zijn vermeld, en

–        de goederen die bij de douane worden aangegeven en aangeboden, exact overeenstemmen met de beschrijving in de verbintenisfactuur.

2.      Er ontstaat een douaneschuld op het ogenblik van de aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer:

–        wanneer ten aanzien van de in lid 1 beschreven ingevoerde goederen wordt vastgesteld dat aan een of meer van de in dat lid genoemde voorwaarden niet is voldaan, of

[...]”

 Besluit 2008/577

9        In punt 21 van de considerans van besluit 2008/577 staat te lezen:

„Om de Commissie in staat te stellen effectief toezicht op de naleving van de verbintenissen door de ondernemingen uit te oefenen, zal, wanneer de aanvraag voor het vrije verkeer bij de douaneautoriteit wordt ingediend, de vrijstelling van het antidumpingrecht afhankelijk worden gesteld van i) de overlegging van een verbintenisfactuur die ten minste de gegevens bevat die in de bijlage bij verordening (EG) nr. 661/2008 en de bijlage bij verordening (EG) nr. 662/2008 van de Raad zijn vermeld; ii) het feit dat de ingevoerde goederen door de genoemde ondernemingen zijn vervaardigd en verzonden en door hen direct aan de eerste onafhankelijke afnemer in de Gemeenschap zijn gefactureerd; en iii) het feit dat de bij de douane aangegeven en aangeboden goederen exact overeenstemmen met de beschrijving in de verbintenisfactuur. Wanneer geen verbintenisfactuur wordt overgelegd, of wanneer deze niet in overeenstemming is met het bij de douane aangeboden product, moet het toepasselijke antidumpingrecht worden betaald.”

10      Met dit besluit heeft de Europese Commissie de prijsverbintenissen aanvaard die overeenkomstig artikel 8, lid 1, van verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 1996, L 56, blz. 1) waren aangeboden door de Russische producenten-exporteurs van ammoniumnitraat „JSC Acron [hierna: ‚Acron’], Veliky Novgorod, Rusland, en JSC Dorogobuzh, Dorogobuzh, Rusland, die tot de ‚Acron’ Holding Company behoren”.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

11      In oktober 2009 en januari 2010 heeft de in Estland gevestigde onderneming Baltic Agro 5 000 ton ammoniumnitraatmeststof gekocht en daarvoor een beroep gedaan op een tussenpersoon, de Estse onderneming Magnet Grupp OÜ (hierna: „Magnet Grupp”). Daartoe zijn tussen Acron en Magnet Grupp, enerzijds, en Magnet Grupp en Baltic Agro, anderzijds, verschillende koopovereenkomsten gesloten. Via deze overeenkomsten heeft Acron 10 000 ton ammoniumnitraatmeststof verkocht aan Magnet Grupp en heeft Baltic Agro 5 000 ton van deze goederen gekocht van Magnet Grupp. Volgens deze overeenkomsten was Baltic Agro ermee belast de daarvoor vereiste douaneformaliteiten te verrichten en de btw te betalen.

12      Volgens de verwijzende rechter hebben in januari en februari 2010 twee douane-expediteurs vijf douaneaangiften ingediend voor de invoer van 1 751,5 ton ammoniumnitraatmeststof. In deze aangiften werd opgave gedaan van Baltic Agro als ontvanger van de ingevoerde goederen, en tweemaal van Acron en driemaal van de Letse vervoeronderneming Ventoil SIA als verzenders.

13      Op 1 maart en 23 april 2010 hebben deze douane-expediteurs bij de MTA een verzoek om ongeldigverklaring van die aangiften ingediend, op grond dat Baltic Agro als ontvanger van de goederen was vermeld, in plaats van Magnet Grupp.

14      Op 3 maart 2010 heeft de MTA een controle achteraf van de vijf douaneaangiften verricht om na te gaan of de douanewaarde van de ingevoerde goederen juist was en de invoerrechten correct waren berekend en betaald.

15      Op 31 mei 2010 heeft de MTA op basis van de controle achteraf twee belastingheffingen vastgesteld waarbij Baltic Agro betaling van de douanerechten en de btw over de ingevoerde goederen werd gelast, op grond dat de bij artikel 3, lid 1, van verordening nr. 661/2008 voor de vrijstelling van de douanerechten gestelde voorwaarden niet waren vervuld, aangezien Baltic Agro niet de eerste onafhankelijke afnemer in de Europese Unie was.

16      Baltic Agro heeft bij de Tartu halduskohus (Administratieve rechtbank te Tartu) beroep tot nietigverklaring van deze heffingsberichten ingesteld en aangevoerd dat het feit dat zij de betrokken meststof via een onderneming als tussenpersoon had ingevoerd, geen rol speelde op fiscaal gebied.

17      Op 25 april 2011 heeft de Tartu halduskohus dit beroep afgewezen omdat zij van oordeel was dat Baltic Agro geen aanspraak kon maken op de vrijstelling van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 661/2008 aangezien deze onderneming de ingevoerde goederen niet rechtstreeks van de producent had verkregen.

18      Op 25 mei 2011 heeft Baltic Agro hoger beroep ingesteld bij de Tartu ringkonnakohus (Beroepshof te Tartu) en gevorderd dat de beslissing van de Tartu halduskohus werd vernietigd.

19      De verwijzende rechter vraagt zich af of Baltic Agro, die niet de eerste onafhankelijke afnemer in de Unie is, zich op de bij artikel 3, lid 1, van verordening nr. 661/2008 vastgestelde vrijstelling van de antidumpingrechten kan beroepen. Deze rechter vraagt zich dienaangaande af of, teneinde voor deze vrijstelling in aanmerking te komen, de eerste afnemer en de invoerder steeds dezelfde personen dienen te zijn.

20      De verwijzende rechter heeft eveneens twijfels over de gevolgen van een onjuiste douaneaangifte. Hij vraagt zich in dit verband af of het feit dat de douaneautoriteit de aangiften heeft aanvaard of tot een controle achteraf is overgegaan nadat verzoekster in het hoofdgeding een verzoek om ongeldigverklaring van deze aangiften had ingediend, er niet op wijst dat sprake is van een vergissing van deze autoriteit die ertoe leidt dat voormelde verzoekster aanspraak kan maken op toepassing van artikel 220, lid 2, sub b, van het douanewetboek, welke bepaling toestaat dat aangiften zoals die in het hoofdgeding ongeldig worden gemaakt.

21      Ten slotte vraagt de verwijzende rechter zich af of het feit dat de goederen in de Unie zijn ingevoerd via een derde onderneming, te weten Magnet Grupp, geen ongelijkheid voor de wet oplevert, aangezien een importeur die geen beroep op een dergelijke tussenpersoon doet, wel de in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 661/2008 vastgestelde vrijstelling van antidumpingrechten verkrijgt. Volgens de verwijzende rechter is die behandeling niet evenredig en creëert deze een ongelijkheid tussen twee importeurs die zich in dezelfde situatie bevinden, wat in strijd is met het recht van de Unie en met name onverenigbaar is met artikel 20 van het Handvest.

22      In die omstandigheden heeft de Tartu ringkonnakohus de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moet artikel 3, lid 1, van verordening nr. 661/2008 [...] aldus worden uitgelegd dat de importeur en de eerste onafhankelijke afnemer in de [Unie] steeds dezelfde persoon dienen te zijn?

2)      Moet artikel 3, lid 1, van verordening nr. 661/2008 [...], juncto besluit 2008/577 [...], aldus worden uitgelegd dat de vrijstelling van het antidumpingrecht enkel geldt voor een dergelijke eerste onafhankelijke afnemer in de [Unie] die de aan te geven waren niet vóór de aangifte heeft doorverkocht?

3)      Moet artikel 66 van [...] het [...] douanewetboek, juncto artikel 251 van verordening nr. 2454/93 [...] en de andere procedurevoorschriften betreffende nadien aan de douaneaangifte aangebrachte wijzigingen, aldus worden uitgelegd dat wanneer bij de invoer van goederen niet de juiste ontvanger in de aangifte is vermeld, de aangifte op verzoek ook ná de vrijgave van de goederen ongeldig moet kunnen worden gemaakt en de vermelding van de ontvanger moet kunnen worden verbeterd, ingeval de in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 661/2008 [...] bedoelde vrijstelling had moeten worden toegepast indien de juiste ontvanger zou zijn vermeld, of dient artikel 220, lid 2, sub b, van [...] het [...] douanewetboek in die omstandigheden aldus te worden uitgelegd dat de douaneautoriteiten in dat geval niet tot boeking achteraf mogen overgaan?

4)      Indien beide [in de derde vraag] geformuleerde vragen ontkennend moeten worden beantwoord, is het dan verenigbaar met artikel 20 van het Handvest [...], juncto artikel 28, lid 1, VWEU en artikel 31 VWEU, dat artikel 66 van [...] het [...] douanewetboek, juncto artikel 251 van verordening nr. 2454/93 [...] en de andere procedurevoorschriften betreffende nadien aan de douaneaangifte aangebrachte wijzigingen, niet toestaat dat een aangifte op verzoek ook na de vrijgave van de goederen ongeldig wordt gemaakt en de vermelding van de ontvanger wordt verbeterd, ingeval de in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 661/2008 [...] bedoelde vrijstelling had moeten worden toegepast indien de juiste ontvanger zou zijn vermeld?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste en tweede vraag

23      Met zijn eerste en tweede vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 1, van verordening nr. 661/2008 aldus moet worden uitgelegd dat een in een lidstaat gevestigde onderneming die ammoniumnitraat van Russische oorsprong heeft gekocht via een andere, eveneens in een lidstaat gevestigde onderneming teneinde deze goederen in de Unie in te voeren, als de eerste onafhankelijke afnemer in de Unie in de zin van deze bepaling kan worden beschouwd en dus aanspraak kan maken op de vrijstelling van het definitief antidumpingrecht die bij deze verordening is vastgesteld voor dit ammoniumnitraat.

24      Om te beginnen moet erop worden gewezen dat slechts onder bepaalde voorwaarden vrijstelling van antidumpingrechten kan worden verleend, in specifiek daartoe vastgestelde gevallen, en toekenning van vrijstelling derhalve een uitzondering op de gewone antidumpingrechtenregeling vormt. Bepalingen die in een dergelijke vrijstelling voorzien, moeten dan ook strikt worden uitgelegd (zie, naar analogie, arresten Söhl & Söhlke, C‑48/98, EU:C:1999:548, punt 52, en Isaac International, C‑371/09, EU:C:2010:458, punt 42).

25      Volgens artikel 3, lid 1, van verordening nr. 661/2008 komen ingevoerde goederen waarvoor de Commissie verbintenissen heeft aanvaard, in aanmerking voor vrijstelling voor zover deze goederen voldoen aan de bij bedoeld artikel 3 vastgestelde, cumulatief te vervullen voorwaarden. Ten eerste moeten de goederen door de ondernemingen-exporteurs zijn vervaardigd en verzonden en door hen rechtstreeks aan de eerste onafhankelijke afnemer in de Europese Unie zijn gefactureerd. Artikel 3, lid 1, eerste streepje, van deze verordening verlangt dienaangaande uitdrukkelijk – door het woord „direct” te gebruiken – dat sprake is van een nauwe band tussen de onderneming die instaat voor de vervaardiging, de verzending en de facturering van de ingevoerde goederen en de eerste onafhankelijke afnemer in de Unie.

26      Ten tweede dienen de ingevoerde goederen waarvoor aanspraak op vrijstelling wordt gemaakt, vergezeld te gaan van een geldige verbintenisfactuur, dat wil zeggen een handelsfactuur die minstens de gegevens en de verklaring bevat die in de bijlage bij verordening nr. 661/2008 zijn opgenomen.

27      Ten derde moeten de goederen die bij de douane worden aangegeven en aangeboden, exact overeenstemmen met de beschrijving in de verbintenisfactuur en aldus aan de in het vorige punt vermelde vereisten beantwoorden.

28      Bovendien preciseert artikel 3, lid 2, van deze verordening dat er op het ogenblik van de aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer een douaneschuld ontstaat wanneer ten aanzien van de in lid 1 van dit artikel beschreven ingevoerde goederen wordt vastgesteld dat niet aan een of meer van de in dat lid genoemde voorwaarden is voldaan.

29      Artikel 3 van verordening nr. 661/2008 dient te worden gelezen tegen de achtergrond van punt 159 van de considerans van deze verordening, waarin erop wordt gewezen dat de vrijstelling van het antidumpingrecht afhankelijk wordt gesteld van de in dat artikel vastgestelde voorwaarden, teneinde de Commissie en de douaneautoriteiten in staat te stellen effectief toezicht op de naleving van de verbintenissen door de ondernemingen uit te oefenen wanneer de aanvraag voor het vrije verkeer bij de douaneautoriteit wordt ingediend. Wanneer niet aan die voorwaarden is voldaan, is bijgevolg op het ogenblik van de aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer het van toepassing zijnde antidumpingrecht verschuldigd.

30      Voorts zijn de door artikel 3, lid 1, van verordening nr. 661/2008 gestelde vereisten, gelezen in samenhang met voornoemd punt van de considerans, zoals de advocaat-generaal in punt 33 van zijn conclusie heeft opgemerkt, ingegeven door overwegingen die verband houden met de controle – zowel door de Commissie als door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten – van de naleving door de producenten-exporteurs van de door hen aangegane prijsverbintenissen.

31      Zoals uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt, zijn de in het hoofdgeding aan de orde zijnde goederen door Acron evenwel niet direct aan Baltic Agro gefactureerd en verzonden, aangezien deze laatste de goederen enerzijds niet rechtstreeks heeft gekocht van Acron, de onderneming waarvan de prijsverbintenis door de Commissie bij verordening nr. 661/2008 is aanvaard, en die anderzijds slechts een gedeelte van de door Acron aan Magnet Grupp verkochte goederen heeft gekocht, ook al is Baltic Agro in de douaneaangiften als ontvangster van alle door Acron verkochte goederen vermeld. In die omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de eerste voorwaarde van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 661/2008 vervuld is, zodat de door deze verordening ingevoerde vrijstelling van het antidumpingrecht niet van toepassing is.

32      Gelet op wat voorafgaat, dient op de eerste en de tweede voorgelegde prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, van verordening nr. 661/2008 aldus moet worden uitgelegd dat een in een lidstaat gevestigde onderneming die via een andere, eveneens in een lidstaat gevestigde onderneming ammoniumnitraat van Russische oorsprong heeft gekocht om deze goederen in de Unie in te voeren, niet als de eerste onafhankelijke afnemer in de Unie in de zin van deze bepaling kan worden aangemerkt en dus niet in aanmerking komt voor de vrijstelling van het definitieve antidumpingrecht dat bij deze verordening voor dit ammoniumnitraat is vastgesteld.

 Derde vraag

33      Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 66 en 220, lid 2, sub b, van het douanewetboek aldus moeten worden uitgelegd dat zij er zich tegen verzetten dat de douaneautoriteit tot boeking achteraf van een antidumpingrecht overgaat wanneer, zoals in de omstandigheden in het hoofdgeding, de verzoeken om ongeldigverklaring van de douaneaangiften zijn ingediend op grond dat de daarin opgenomen vermelding van de ontvanger onjuist was en deze autoriteit die aangiften heeft aanvaard of een onderzoek heeft verricht nadat zij die verzoeken had ontvangen.

34      In de eerste plaats moet eraan worden herinnerd dat artikel 66 van het douanewetboek bepaalt dat een verzoek tot het ongeldig maken van een douaneaangifte kan worden aanvaard wanneer de aangever aantoont dat de goederen bij vergissing voor de in deze aangifte genoemde douaneregeling zijn aangegeven of dat de plaatsing van de goederen onder de douaneregeling waarvoor zij zijn aangegeven, niet meer gerechtvaardigd is. Volgens dit artikel kan deze aangifte na de vrijgave van de goederen enkel nog in beperkte gevallen ongeldig worden gemaakt, met name in die welke zijn opgesomd in artikel 251 van verordening nr. 2454/93.

35      In de tweede plaats preciseert artikel 220, lid 2, sub b, van dit wetboek dat geen boeking achteraf van de uit een douaneschuld voortvloeiende rechten kan worden verricht wanneer het wettelijk verschuldigde bedrag aan rechten niet was geboekt ten gevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken en waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld.

36      In casu blijkt echter uit geen enkel in de stukken opgenomen gegeven dat de artikelen 66 en 220, lid 2, sub b, van het douanewetboek in de omstandigheden van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde zaak van toepassing zijn.

37      Wat artikel 66 van het douanewetboek betreft, blijkt immers dat Baltic Agro niet heeft aangevoerd – en zelfs niet heeft beweerd – dat de goederen per vergissing zijn aangegeven onder de douaneregeling die is vermeld in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde douaneaangiften. Zoals de advocaat-generaal in de punten 46 en 47 van zijn conclusie heeft aangegeven, kan artikel 66 van douanewetboek in die omstandigheden niet worden toegepast.

38      Wat artikel 220, lid 2, sub b, van dit wetboek betreft, moet worden onderstreept dat in het hoofdgeding op basis van geen enkel gegeven in de aan het Hof overgelegde stukken kan worden afgeleid dat de vermelding door de douane-expediteurs in hun douaneaangiften van Baltic Agro als afneemster of het feit dat deze aangiften zijn aanvaard dan wel aan een onderzoek zijn onderworpen nadat een verzoek om ongeldigverklaring daarvan was ingediend, een vergissing van de douaneautoriteit vormt.

39      Zelfs indien deze elementen een vergissing zouden opleveren op basis waarvan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde douaneaangiften ongeldig kunnen worden gemaakt, moet hoe dan ook worden beklemtoond dat Baltic Agro op basis van die omstandigheden geen aanspraak kan maken op de bij verordening nr. 661/2008 ingestelde vrijstelling van het antidumpingrecht aangezien deze onderneming, zoals uit punt 31 van het onderhavige arrest blijkt, nog steeds niet de bij artikel 3 van deze verordening gestelde voorwaarden zou vervullen om als de eerste onafhankelijke afnemer in de Unie te kunnen worden beschouwd.

40      In die omstandigheden dient op de derde vraag te worden geantwoord dat de artikelen 66 en 220, lid 2, sub b, van het douanewetboek aldus moeten worden uitgelegd dat zij er zich niet tegen verzetten dat een douaneautoriteit tot boeking achteraf van een antidumpingrecht overgaat wanneer, zoals in de omstandigheden in het hoofdgeding, verzoeken om de douaneaangiften ongeldig te maken zijn ingediend op grond dat de daarin opgenomen vermelding van de ontvanger onjuist was en deze autoriteit die aangiften heeft aanvaard of een onderzoek heeft verricht nadat zij die verzoeken had ontvangen.

 Vierde vraag

41      Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 66 van het douanewetboek en artikel 251 van verordening nr. 2454/93 met de in artikel 20 van het Handvest vastgelegde grondrecht van gelijkheid voor de wet stroken ingeval voornoemde bepalingen van het douanewetboek en verordening nr. 2454/93 in het kader van het in de artikelen 28 VWEU en 31 VWEU genoemde gemeenschappelijke douanetarief niet de mogelijkheid bieden om een onjuiste douaneaangifte op verzoek ongeldig te maken en aldus vrijstelling van het antidumpingrecht te verlenen aan de afnemer die aanspraak daarop had kunnen maken indien deze vergissing niet was gebeurd.

42      De verwijzende rechter merkt in dit verband op dat, indien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde bepalingen van het douanewetboek en van verordening nr. 661/2008 niet toestaan dat de douaneaangifte wordt vernietigd teneinde de vermelding van de ontvanger van de betrokken goederen te verbeteren en aldus Magnet Grupp beletten om zich te beroepen op de vrijstelling van het antidumpingrecht waar zij zonder die vergissing aanspraak op had kunnen maken, de vraag rijst of het grondrecht van gelijkheid voor de wet is geschonden, aangezien de twee ondernemingen in het hoofdgeding, die zich in wezen in dezelfde situatie bevinden, dan niet op dezelfde wijze zouden zijn behandeld.

43      Zoals evenwel in punt 38 van het onderhavige arrest is geconstateerd, is in het hoofdgeding geenszins sprake van een vergissing op basis waarvan de douaneaangiften ongeldig kunnen worden gemaakt. Aldus moet in herinnering worden geroepen dat de verplichting om juiste informatie in de douaneaangifte te verstrekken, op de aangever rust. Deze verplichting is het loutere uitvloeisel van het beginsel dat de douaneaangifte onherroepelijk wordt zodra zij is aanvaard, aangezien uitzonderingen op dit beginsel in het desbetreffende recht van de Unie strikt zijn geregeld (arrest DP grup, C‑138/10, EU:C:2011:587, punten 39‑41).

44      Tevens moet worden vastgesteld dat een onderneming die de vereisten van artikel 3 van verordening nr. 661/2008 heeft nageleefd en naar behoren een douaneaangifte heeft ingevuld om voor vrijstelling van het antidumpingrecht in aanmerking te kunnen komen, zich niet in een vergelijkbare situatie bevindt als een onderneming die deze vereisten niet in acht heeft genomen.

45      Bovendien, gesteld al dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde douaneaangiften correct zouden zijn ingevuld, zou Baltic Agro, zoals in de punten 31 en 39 van dit arrest is uiteengezet, nog geen aanspraak op de vrijstelling van het antidumpingrecht kunnen maken aangezien zij hoe dan ook niet aan de voorwaarden van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 661/2008 voldoet.

46      Bijgevolg dient op de vierde vraag te worden geantwoord dat artikel 66 van het douanewetboek en artikel 251 van verordening nr. 2454/93 in overeenstemming zijn met het in artikel 20 van het Handvest vastgelegde grondrecht van gelijkheid voor de wet ingeval voornoemde bepalingen van het douanewetboek en van verordening nr. 2454/93 in het kader van het in de artikelen 28 VWEU en 31 VWEU genoemde gemeenschappelijke douanetarief niet de mogelijkheid bieden om een onjuiste douaneaangifte op verzoek ongeldig te maken en aldus vrijstelling van het antidumpingrecht te verlenen aan de ontvanger die aanspraak daarop had kunnen maken indien deze vergissing niet was gebeurd.

 Kosten

47      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 3, lid 1, van verordening (EG) nr. 661/2008 van de Raad van 8 juli 2008 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op ammoniumnitraat van oorsprong uit Rusland naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen, op grond van artikel 11, lid 2, en een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek, op grond van artikel 11, lid 3, van verordening (EG) nr. 384/96, moet aldus worden uitgelegd dat een in een lidstaat gevestigde onderneming die via een andere, eveneens in een lidstaat gevestigde onderneming ammoniumnitraat van Russische oorsprong heeft gekocht om deze goederen in de Unie in te voeren, niet als de eerste onafhankelijke afnemer in de Unie in de zin van deze bepaling kan worden aangemerkt en dus niet in aanmerking komt voor de vrijstelling van het definitieve antidumpingrecht dat bij deze verordening voor dit ammoniumnitraat is vastgesteld.

2)      De artikelen 66 en 220, lid 2, sub b, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1791/2006 van de Raad van 20 november 2006, moeten aldus worden uitgelegd dat zij er zich niet tegen verzetten dat een douaneautoriteit tot boeking achteraf van een antidumpingrecht overgaat wanneer, zoals in de omstandigheden in het hoofdgeding, verzoeken om de douaneaangiften ongeldig te maken zijn ingediend op grond dat de daarin opgenomen vermelding van de ontvanger onjuist was en deze autoriteit die aangiften heeft aanvaard of een onderzoek heeft verricht nadat zij die verzoeken had ontvangen.

3)      Artikel 66 van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1791/2006, en artikel 251 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 312/2009 van de Commissie van 16 april 2009, zijn in overeenstemming met het in artikel 20 van het Handvest vastgelegde grondrecht van gelijkheid voor de wet ingeval voornoemde bepalingen van het douanewetboek en van verordening nr. 2454/93 in het kader van het in de artikelen 28 VWEU en 31 VWEU genoemde gemeenschappelijke douanetarief niet de mogelijkheid bieden om een onjuiste douaneaangifte op verzoek ongeldig te maken en aldus vrijstelling van het antidumpingrecht te verlenen aan de ontvanger die aanspraak daarop had kunnen maken indien deze vergissing niet was gebeurd.

ondertekeningen


* Procestaal: Ests.