Language of document : ECLI:EU:F:2013:201

ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Eerste kamer)

12 december 2013

Zaak F‑142/11

Erik Simpson

tegen

Raad van de Europese Unie

„Openbare dienst – Bevordering – Besluit om verzoeker niet te bevorderen naar de rang AD 9 nadat deze was geslaagd voor een vergelijkend onderzoek van de rang AD 9 – Gelijke behandeling”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarmee Simpson, enerzijds, nietigverklaring vordert van het besluit van de Raad van de Europese Unie van 9 december 2010 houdende afwijzing van zijn verzoek tot bevordering naar rang AD 9, dat hij had ingediend nadat hij was geslaagd voor algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/AD/113/07, georganiseerd voor de aanwerving van eenheidshoofden van rang AD 9 op het gebied van vertaling, en van het besluit van 7 oktober 2011 houdende afwijzing van zijn klacht, en, anderzijds, veroordeling van de Raad tot vergoeding van de geleden schade.

Beslissing:      Het besluit van de Raad van de Europese Unie van 9 december 2010 wordt nietig verklaard. Het beroep wordt verworpen voor het overige. De Raad van de Europese Unie draagt zijn eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van Simpson.

Samenvatting

1.      Ambtenaren – Bezwarend besluit – Motiveringsplicht – Omvang – Beoordeling in concreto

(Ambtenarenstatuut, art. 25)

2.      Ambtenaren – Bezwarend besluit – Verplichting tot motivering uiterlijk bij de afwijzing van de klacht – Omvang – Ontoereikende motivering – Regularisering tijdens de contentieuze procedure – Grenzen

(Ambtenarenstatuut, art. 25 en 90, lid 2)

1.      De in artikel 25 van het Statuut opgenomen motiveringsplicht heeft tot doel, enerzijds, de betrokkene de gegevens te verstrekken die hij nodig heeft om te kunnen beoordelen of het door de administratie genomen besluit gegrond is en of het zin heeft beroep bij het Gerecht in stellen, en, anderzijds, het Gerecht in staat te stellen zijn toetsing te verrichten. De omvang van deze plicht moet worden beoordeeld aan de hand van de concrete omstandigheden, met name met de inhoud van het besluit, de aard van de aangevoerde redenen en het belang dat de adressaat bij het verkrijgen van een toelichting kan hebben. Wanneer de afwijzing van een verzoek tot bevordering in wezen enkel wordt gemotiveerd met een eenvoudige verwijzing naar het dienstbelang, zonder enige nadere toelichting, kan een dergelijke motivering het Gerecht immers niet in staat stellen zijn toezicht uit te oefenen.

(cf. punten 21 en 26)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 6 oktober 2004, Vicente-Nuñez/Commissie, T‑294/02, punt 94

2.      Het gebrek aan motivering van een bezwarend besluit kan niet worden gedekt door toelichtingen die door de administratie zijn verstrekt nadat een beroep in rechte is ingesteld. Bovendien is evenmin aanvaardbaar dat een instelling de gronden van een door haar genomen besluit naderhand wijzigt, bijvoorbeeld door dit te doen steunen op andere dan de oorspronkelijk aangevoerde bepalingen. Een dergelijke stap zou een instelling immers kunnen brengen tot het schenden van haar verplichting om haar besluiten te motiveren, welke verplichting voortvloeit uit artikel 25, lid 2, juncto artikel 90, lid 2, van het Statuut en tot doel heeft, enerzijds, de betrokkene de gegevens te verstrekken die hij nodig heeft om te kunnen beoordelen of het door de administratie genomen besluit gegrond is en of het zin heeft om beroep bij het Gerecht in stellen, en, anderzijds, het Gerecht in staat te stellen zijn toezicht uit te oefenen.

Een ontoereikende motivering in het kader van de precontentieuze procedure kan daarentegen geen rechtvaardiging opleveren voor de nietigverklaring van het besluit, wanneer het tot aanstelling bevoegd gezag in de loop van het geding aanvullende preciseringen geeft, met dien verstande evenwel dat de instelling haar aanvankelijke onjuiste motivering niet door een volledig nieuwe mag vervangen.

(cf. punten 27‑29)

Referentie:

Hof: 26 november 1981, Michel/Parlement, 195/80, punt 22; 30 mei 1984, Picciolo/Parlement, 111/83, punt 22; 7 februari 1990, Culin/Commissie, C‑343/87, punt 15

Gerecht van eerste aanleg: 12 februari 1992, Volger/Parlement, T‑52/90, punt 40; 3 maart 1993, Vela Palacios/ESC, T‑25/92, punten 26 en 27; 9 januari 1996, Bitha/Commissie, T‑23/95, punt 30; 17 februari 1998, Maccaferri/Commissie, T‑56/96, punt 38; 12 december 2002, Morello/Commissie, T‑338/00 en T‑376/00, punt 55; 29 september 2005, Napoli Buzzanca/Commissie, T‑218/02, punt 63