Language of document : ECLI:EU:C:2014:2284

ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

14 oktober 2014 (*)

„Hogere voorziening – Gemeenschappelijk visserijbeleid – Vangstquota – Noodmaatregelen van de Commissie – Niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie – Artikel 340, tweede alinea, VWEU – Voorwaarden – Reële en zekere schade”

In de gevoegde zaken C‑12/13 P en C‑13/13 P,

betreffende twee hogere voorzieningen krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 4 januari 2013,

Gérard Buono, wonende te Agde (Frankrijk),

Jean‑Luc Buono, wonende te Agde,

Roger Del Ponte, wonende te Balaruc-les-Bains (Frankrijk),

Serge Antoine Di Rocco, wonende te Sète (Frankrijk),

Jean Gérald Lubrano, wonende te Balaruc-les-Bains,

Jean Lubrano, wonende te Port-Vendres (Frankrijk),

Jean Lucien Lubrano, wonende te Saleilles (Frankrijk),

Fabrice Marin, wonende te Frontignan (Frankrijk),

Robert Marin, wonende te Balaruc-les-Bains,

vertegenwoordigd door A. Arnaud en P.‑O. Koubi-Flotte, avocats (C‑12/13 P),

en

Syndicat des thoniers méditerranéens, gevestigd te Marseille (Frankrijk),

Marc Carreno, wonende te Sète,

Jean‑Louis Donnarel, wonende te Lourmarin (Frankrijk),

Jean‑François Flores, wonende te Sète,

Gérald Jean Lubrano, wonende te Balaruc-les-Bains,

Hervé Marin, wonende te Balaruc-le-Vieux (Frankrijk),

Nicolas Marin, wonende te Frontignan,

Sébastien Marin, wonende te Bouzigues (Frankrijk),

Serge Antoine José Perez, wonende te Sorède (Frankrijk),

vertegenwoordigd door C. Bonnefoi, avocat (C‑13/13 P),

rekwiranten,

andere partij in de procedure:

Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Bouquet en D. Nardi als gemachtigden,

verweerster in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: V. Skouris, president, K. Lenaerts, vicepresident, A. Tizzano, R. Silva de Lapuerta, C. Vajda en S. Rodin, kamerpresidenten, A. Rosas, E. Juhász, A. Borg Barthet, J. Malenovský, E. Levits (rapporteur), J. L. da Cruz Vilaça en F. Biltgen, rechters,

advocaat-generaal: P. Cruz Villalón,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 maart 2014,

het navolgende

Arrest

1        Met hun hogere voorzieningen vorderen Gérard Buono, Jean‑Luc Buono, Roger Del Ponte, Serge Antoine Di Rocco, Jean Gérald Lubrano, Jean Lubrano, Jean Lucien Lubrano, Fabrice Marin en Robert Marin (zaak C‑12/13 P) en de Syndicat des thoniers méditerranéens (hierna: „STM”), Marc Carreno, Jean‑Louis Donnarel, Jean‑François Flores, Gérald Jean Lubrano, Hervé Marin, Nicolas Marin, Sébastien Marin en Serge Antoine José Perez (zaak C‑13/13 P) vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie Syndicat des thoniers méditerranéens e.a./Commissie (T‑574/08, EU:T:2012:583; hierna: „bestreden arrest”), waarbij is verworpen hun beroep tot vergoeding van de schade die zij stellen te hebben geleden ten gevolge van verordening (EG) nr. 530/2008 van de Commissie van 12 juni 2008 tot vaststelling van noodmaatregelen met betrekking tot de visserij op blauwvintonijn door ringzegenvaartuigen in de Atlantische Oceaan, ten oosten van 45° WL, en in de Middellandse Zee (PB L 155, blz. 9).

 Toepasselijke bepalingen

2        Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (PB L 358, blz. 59) heeft tot doel te komen tot een meerjarenaanpak van het visserijbeheer, zodat ervoor wordt gezorgd dat de visserijsector op lange termijn levensvatbaar is.

3        Artikel 7 van verordening nr. 2371/2002, „Noodmaatregelen van de Commissie”, luidt als volgt:

„1.      Indien er bewijs is van een, onmiddellijke actie vereisende, ernstige bedreiging voor de instandhouding van levende aquatische hulpbronnen of voor het mariene ecosysteem als gevolg van visserijactiviteiten, kan de Commissie, op gemotiveerd verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief, beslissen over noodmaatregelen waarvan de geldigheidsduur ten hoogste zes maanden bedraagt. De Commissie kan een nieuw besluit nemen om de maatregelen met ten hoogste zes maanden te verlengen.

2.      De lidstaat deelt het verzoek terzelfder tijd mee aan de Commissie, de overige lidstaten en de betrokken regionale adviesraden. Deze kunnen hun schriftelijke opmerkingen bij de Commissie indienen binnen vijf werkdagen nadat zij het verzoek hebben ontvangen.

De Commissie neemt een besluit binnen 15 werkdagen nadat zij het in lid 1 bedoelde verzoek heeft ontvangen.

3.      De noodmaatregelen worden onmiddellijk van kracht. Er wordt kennis van gegeven aan de betrokken lidstaten en zij worden bekendgemaakt in het Publicatieblad.

4.      De betrokken lidstaten kunnen het besluit van de Commissie binnen 10 werkdagen nadat zij de kennisgeving hebben ontvangen, voorleggen aan de Raad.

5.      De Raad kan binnen één maand na de datum van ontvangst van het schrijven waarbij een besluit aan hem is voorgelegd, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een andersluidend besluit nemen.”

4        Artikel 20 van verordening nr. 2371/2002, „Toewijzing van de vangstmogelijkheden”, luidt:

„1.      De Raad beslist met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie over vangstbeperkingen en/of beperkingen van de visserij-inspanning en de verdeling van de vangstmogelijkheden over de lidstaten, en ook over de bij die beperkingen behorende voorwaarden. De vangstmogelijkheden zullen zodanig tussen de lidstaten worden verdeeld dat voor iedere lidstaat de relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten voor elk visbestand of elke visserijtak gewaarborgd is.

2.      Wanneer de Gemeenschap nieuwe vangstmogelijkheden opent, neemt de Raad een besluit over de toewijzing van die mogelijkheden, rekening houdend met de belangen van elke lidstaat.

3.      Elke lidstaat neemt voor de vaartuigen die zijn vlag voeren een besluit betreffende de methode voor de toewijzing van de voor die lidstaat bestemde vangstmogelijkheden, overeenkomstig het Gemeenschapsrecht. Hij stelt de Commissie van de toewijzingsmethode in kennis.

4.      De Raad bepaalt de vangstmogelijkheden die in de communautaire wateren beschikbaar zijn voor derde landen, en wijst die mogelijkheden aan elk derde land toe.

5.      De lidstaten mogen, na kennisgeving aan de Commissie, de aan hen toegewezen vangstmogelijkheden in hun geheel of voor een deel onderling ruilen.”

5        In dat kader is overgegaan tot het vaststellen van verordening (EG) nr. 40/2008 van de Raad van 16 januari 2008 tot vaststelling, voor 2008, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Gemeenschap en, voor vaartuigen van de Gemeenschap, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn, en tot vaststelling van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften (PB L 19, blz. 1).

6        De daarin genoemde beperkingen en hoeveelheden zijn gewijzigd op grond van verordening (EG) nr. 446/2008 van de Commissie van 22 mei 2008 houdende aanpassing, op grond van artikel 21, lid 4, van verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid, van bepaalde quota voor blauwvintonijn in 2008 (PB L 134, blz. 11).

7        Op grond van artikel 7 van verordening nr. 2371/2002 heeft de Commissie op 12 juni 2008 verordening nr. 530/2008 vastgesteld.

8        Punt 6 van de considerans van verordening nr. 530/2008 luidt als volgt:

„Uit de gegevens waarover de Commissie beschikt, en uit de informatie die de inspecteurs van de Commissie tijdens hun missies in de betrokken lidstaten hebben vergaard, blijkt dat ervan moet worden uitgegaan dat de vangstmogelijkheden voor blauwvintonijn in de Atlantische Oceaan, ten oosten van 45° WL, en in de Middellandse Zee, die zijn toegewezen aan ringzegenvaartuigen die de vlag voeren van of zijn geregistreerd in Griekenland, Frankrijk, Italië, Cyprus of Malta, op 16 juni 2008 opgebruikt zullen zijn en dat de vangstmogelijkheden voor hetzelfde bestand die zijn toegewezen aan ringzegenvaartuigen die de vlag voeren van of zijn geregistreerd in Spanje, op 23 juni 2008 opgebruikt zullen zijn.”

9        Artikel 1 van die verordening bepaalt:

„De visserij op blauwvintonijn in de Atlantische Oceaan, ten oosten van 45° WL, en in de Middellandse Zee door ringzegenvaartuigen die de vlag voeren van of zijn geregistreerd in Griekenland, Frankrijk, Italië, Cyprus of Malta, wordt met ingang van 16 juni 2008 verboden.

Met ingang van die datum is het tevens verboden om vis van dat bestand die door die vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, te kooien voor afmesten of voor de viskweek, op een ander vaartuig of voertuig over te laden, of aan te voeren.”

10      Artikel 2 van die verordening luidt als volgt:

„De visserij op blauwvintonijn in de Atlantische Oceaan, ten oosten van 45° WL, en in de Middellandse Zee door ringzegenvaartuigen die de vlag voeren van of zijn geregistreerd in Spanje, wordt met ingang van 23 juni 2008 verboden.

Met ingang van die datum is het tevens verboden om vis van dat bestand die door die vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, te kooien voor afmesten of voor de viskweek, op een ander vaartuig of voertuig over te laden, of aan te voeren.”

11      Artikel 3 van verordening nr. 530/2008 luidt:

„1.      Onverminderd het bepaalde in lid 2 mogen marktdeelnemers van de Gemeenschap met ingang van 16 juni 2008 niet meer instemmen met het aanvoeren, het kooien voor afmesten of voor de viskweek, of het overladen in wateren of havens van de Gemeenschap van blauwvintonijn die met ringzegenvaartuigen is gevangen in de Atlantische Oceaan, ten oosten van 45° WL, en in de Middellandse Zee.

2.      Het is tot en met 23 juni 2008 toegestaan om blauwvintonijn die in de Atlantische Oceaan, ten oosten van 45° WL, en in de Middellandse Zee is gevangen met ringzegenvaartuigen die de vlag voeren van of zijn geregistreerd in Spanje, in wateren en havens van de Gemeenschap aan te voeren, te kooien voor afmesten of voor de viskweek en [over] te [laden].”

 Aan het geding ten grondslag liggende feiten

12      Rekwiranten in zaak C‑12/13 P en Marc Carreno, Jean‑Louis Donnarel, Jean‑François Flores, Gérald Jean Lubrano, Hervé Marin, Nicolas Marin, Sébastien Marin en Serge Antoine José Perez, rekwiranten in zaak C‑13/13 P, zijn reders en/of aandeelhouders van ringzegenvaartuigen die onder Franse vlag varen en in de Middellandse Zee tonijn vangen. Zij zijn allen aangesloten bij de STM.

13      De STM, zelf ook rekwirant in zaak C‑13/13 P, is een vakvereniging als bedoeld in boek IV van de Franse Code du travail, waarbij alleen zeelieden uit de tonijnvisserijsector zich kunnen aansluiten.

14      Alle andere rekwiranten dan de STM beschikten voor 2008 over een speciale visvergunning, op grond waarvan zij op blauwvintonijn mochten vissen in de Middellandse Zee en blauwvintonijn uit de Middellandse Zee aan boord mochten hebben, op een ander vaartuig of voertuig over mochten laden, aan mochten voeren en mochten vervoeren, opslaan en verkopen binnen de grenzen van de vangstmogelijkheden die hun waren toegekend in de vorm van individuele quota. Met de vergunning, die was afgegeven door de Franse autoriteiten, mocht worden gevist van 1 april 2008 tot en met 30 juni 2008.

15      Als gevolg van verordening nr. 530/2008, die de visserij op blauwvintonijn in de Middellandse Zee verbood, moesten de andere rekwiranten dan de STM stoppen met vissen op 16 juni 2008 en werden hun visvergunningen ingetrokken.

 Procesverloop voor het Gerecht en bestreden arrest

16      Bij gezamenlijk verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 24 december 2008, hebben verzoekers in eerste aanleg, thans rekwiranten in de zaken C‑12/13 P en C‑13/13 P, een beroep tot schadevergoeding ingesteld dat erop was gericht te doen verklaren dat aan de zijde van de Europese Unie niet-contractuele aansprakelijkheid voor rechtmatig handelen is ingetreden ten gevolge van het vaststellen van verordening nr. 530/2008.

17      Bij beschikking van 25 maart 2010 is de behandeling voor het Gerecht geschorst in afwachting van de einduitspraak van het Hof in de zaak AJD Tuna (C‑221/09) en de ontvankelijkheidsuitspraak van het Gerecht in de zaken Norilsk Nickel Harjavalta en Umicore/Commissie (T‑532/08) en Etimine en Etiproducts/Commissie (T‑539/08).

18      Het Hof heeft in zijn arrest van 17 maart 2011, AJD Tuna (C‑221/09, EU:C:2011:153), voor recht verklaard dat verordening nr. 530/2008 ongeldig was voor zover de daarin op grondslag van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 2371/2002 neergelegde verbodsbepalingen voor ringzegenvissers die de vlag voerden van of waren geregistreerd in Spanje, en marktdeelnemers van de Gemeenschap die met hen overeenkomsten hadden gesloten, in werking waren getreden op 23 juni 2008, terwijl diezelfde verboden voor ringzegenvissers die de vlag voerden van of waren geregistreerd in Griekenland, Frankrijk, Italië, Cyprus of Malta, en marktdeelnemers van de Gemeenschap die met hen overeenkomsten hadden gesloten, in werking waren getreden op 16 juni 2008, zonder dat dit verschil in behandeling objectief werd gerechtvaardigd.

19      Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover dat was ingesteld door de STM, en ongegrond verklaard voor zover dat was ingesteld door de andere rekwiranten.

 Procesverloop voor het Hof en conclusies van partijen

20      Bij beschikking van de president van het Hof van 26 februari 2013 zijn de zaken C‑12/13 P en C‑13/13 P overeenkomstig artikel 54 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en voor het arrest.

21      Rekwiranten in zaak C‑12/13 P verzoeken het Hof:

–        het bestreden arrest te vernietigen;

–        een uitspraak ten gronde te doen en de Commissie uit hoofde van haar niet-contractuele aansprakelijkheid te veroordelen tot betaling van:

–        1 523 588,94 EUR aan Gérard Buono en Jean‑Luc Buono,

–        1 068 600 EUR aan Roger Del Ponte,

–        1 094 800 EUR aan Serge Antoine Di Rocco,

–        855 628,20 EUR aan Jean Gérald Lubrano,

–        1 523 588,94 EUR aan Jean Lubrano en Jean Lucien Lubrano,

–        865 784,59 EUR aan Fabrice Marin en Robert Marin, en

–        subsidiair, het bestreden arrest te vernietigen en de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht.

22      Rekwiranten in zaak C‑13/13 P verzoeken het Hof:

–        de STM in haar beroep ontvankelijk te verklaren;

–        het bestreden arrest te vernietigen;

–        de Commissie uit hoofde van haar niet-contractuele aansprakelijkheid te veroordelen tot betaling van de in het verzoekschrift gevraagde schadevergoedingen, en

–        de Commissie te verwijzen in de kosten.

23      De Commissie verzoekt het Hof:

–        de hogere voorzieningen af te wijzen;

–        subsidiair, het beroep wegens niet‑contractuele aansprakelijkheid te verwerpen, en

–        rekwiranten te verwijzen in de kosten van de hogere voorzieningen en in die van de procedure in eerste aanleg.

 Verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling

24      De mondelinge behandeling is op 20 maart 2014 gesloten nadat de advocaat-generaal conclusie had genomen, waarna rekwiranten in zaak C‑13/13 P bij brief van 24 maart 2014, ingekomen ter griffie van het Hof op 25 maart 2014, hebben verzocht om de mondelinge behandeling te heropenen.

25      Zij hebben in het bijzonder aangevoerd dat de conclusie van de advocaat-generaal is gebaseerd op een argument waarover de partijen hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen, namelijk of verordening nr. 530/2008 wel of niet rechtmatig is, en voorts dat er een nieuw feit is dat van beslissende invloed kan zijn voor de beslissing van het Hof, namelijk dat de Commissie niet heeft gereageerd en geen maatregelen heeft getroffen om de discriminatie op te heffen die aanleiding is voor de ongeldigheid van verordening nr. 530/2008.

26      Dienaangaande moet in herinnering worden geroepen dat het Hof krachtens artikel 83 van zijn Reglement voor de procesvoering in elke stand van het geding, de advocaat-generaal gehoord, de heropening van de mondelinge behandeling kan gelasten, met name wanneer het zich onvoldoende voorgelicht acht, wanneer een partij na afsluiting van deze behandeling een nieuw feit aanbrengt dat van beslissende invloed kan zijn voor de beslissing van het Hof, of wanneer een zaak moet worden beslecht op grond van een argument waarover de partijen of de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde belanghebbenden hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen (zie arresten Pohotovosť, C‑470/12, EU:C:2014:101, punt 21, en Emerging Markets Series of DFA Investment Trust Company, C‑190/12, EU:C:2014:249, punt 20).

27      Voorts heeft de advocaat-generaal krachtens artikel 252, tweede alinea, VWEU tot taak in het openbaar in volkomen onpartijdigheid en onafhankelijkheid met redenen omklede conclusies te nemen aangaande zaken waarin hij overeenkomstig het Statuut van het Hof moet optreden. Het Hof is noch door de conclusie van de advocaat-generaal, noch door de motivering op grond waarvan hij tot die conclusie komt, gebonden (arrest Commissie e.a./Kadi, C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punten 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28      In casu is het Hof, de advocaat-generaal gehoord, van oordeel dat het voldoende voorgelicht is om uitspraak te doen, dat bij de onderhavige zaken geen sprake is van beslechting op grond van argumenten waarover de partijen hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen, en dat het door rekwiranten genoemde nieuwe feit niet van beslissende invloed is voor de beslissing van het Hof. Derhalve bestaat geen aanleiding om het verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling toe te wijzen.

 Hogere voorzieningen

 Eerste middel in zaak C‑13/13 P

 Argumenten van partijen

29      Met hun eerste middel betogen rekwiranten in zaak C‑13/13 P dat het Gerecht door te oordelen dat de STM niet procesbevoegd was, blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting van de in de stukken vermelde gegevens. Volgens hen blijkt uit een volledig onderzoek van die gegevens dat de STM een eigen procesbelang had en op grond daarvan vergoeding mocht vragen van de door haar geleden schade.

30      Rekwiranten in zaak C‑13/13 P bestrijden de materiële juistheid van de door het Gerecht in punt 23 van het bestreden arrest gedane vaststelling dat de STM haar schade niet had onderbouwd, en verwijzen hierbij naar hun op twee vragen van het Gerecht gegeven schriftelijke antwoorden waaruit blijkt dat de immateriële schade van de STM de aantasting van het imago van de werkzaamheden van haar leden betreft.

31      Voorts bestrijden rekwiranten in zaak C‑13/13 P niet het oordeel van het Gerecht in punt 24 van het bestreden arrest dat de STM geen cessionaris van een door haar leden overgedragen recht op vergoeding is, maar voeren zij aan dat de STM naar Frans recht als vakvereniging het algemeen belang behartigt, zodat zij namens zichzelf en namens haar leden kan optreden.

32      De Commissie is het niet eens met de argumenten die rekwiranten in zaak C‑13/13 P ter ondersteuning van hun eerste middel hebben aangevoerd. In haar memorie van antwoord wijst zij erop dat de redenering van het Gerecht de weergave vormt van het onduidelijke betoog van de STM.

 Beoordeling door het Hof

33      Volgens artikel 21 van het Statuut van het Hof en artikel 44 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht dient het verzoekschrift met name het onderwerp van het geschil, de conclusies en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen te bevatten.

34      Wil een beroep tot schadevergoeding aan de hierboven genoemde eisen voldoen, dan moet de rekwirant in zijn verzoekschrift aangeven op welke middelen hij zijn vordering doet steunen en, in het bijzonder, wat de aard is van de schade die hij stelt te hebben geleden, en waardoor deze schade is veroorzaakt (beschikking TAO/AFI/Commissie, C‑322/91, EU:C:1992:495, punt 13).

35      Een verzoek tot toekenning van een niet nader gepreciseerde schadevergoeding, waarvan het onderwerp niet is omschreven en waarvoor een uiteenzetting van de aangevoerde middelen ontbreekt, moet evenwel niet-ontvankelijk worden geacht (arrest Zuckerfabrik Schöppenstedt/Raad, 5/71, EU:C:1971:116, punten 8 en 9).

36      Het verzoekschrift in eerste aanleg bevatte geen nadere omschrijving van de aard van de schade die de STM stelt te hebben geleden.

37      De door de STM beweerdelijk geleden schade wordt slechts vermeld in het deel van het verzoekschrift dat de conclusies van rekwiranten in eerste aanleg bevat, namelijk in de vorm van een verzoek tot toekenning van een forfaitaire vergoeding van 30 000 EUR voor geleden immateriële schade, welke vergoeding zou worden gebruikt voor programma’s die gericht zijn op informatieverstrekking aan de leden van de STM.

38      Zoals het Gerecht in punt 22 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, heeft de STM in haar verzoekschrift dus geen nadere omschrijving gegeven van de aard van de schade die werd aangevoerd in het licht van de aan de Commissie verweten gedraging, en evenmin – ook niet grofweg – van de begroting van die schade. Bovendien is de omstandigheid dat de vergoeding van 30 000 EUR gebruikt zou worden voor informatieverstrekking aan de leden van de STM, niet relevant voor het bepalen van de aard of omvang van de gestelde schade, aangezien zij slechts ziet op het gebruik dat van de schadevergoeding zou worden gemaakt, en niet op de omvang van de gestelde schade.

39      Hieruit volgt dat het door de STM ingestelde beroep tot schadevergoeding in ieder geval niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat het niet voldeed aan de in artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht gestelde eisen, en dat niet behoeft te worden ingegaan op de vraag of het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het beroep, voor zover dat door de STM was ingesteld, niet-ontvankelijk te verklaren vanwege het ontbreken van procesbevoegdheid aan de zijde van de STM.

 Derde middel in zaak C‑12/13 P en derde en vierde middel in zaak C‑13/13 P

 Argumenten van partijen

40      Met hun derde middel stellen rekwiranten in zaak C‑12/13 P dat het bestreden arrest een onjuiste rechtsopvatting bevat doordat het Gerecht niet heeft erkend dat in het Unierecht algemeen sprake is van niet-contractuele aansprakelijkheid voor rechtmatig handelen.

41      Met hun derde en vierde middel, die moeten worden beschouwd als één enkel middel, betogen rekwiranten in zaak C‑13/13 P dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting doordat het in de punten 82 tot en met 88 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat de gestelde schade niet abnormaal was omdat geen sprake was van overschrijding van de grenzen van de aan de visserij verbonden economische risico’s.

42      De Commissie is het niet eens met alle in deze middelen aangevoerde argumenten.

 Beoordeling door het Hof

43      Vaststaat dat bij de huidige stand van het Unierecht op basis van een vergelijkend onderzoek van de rechtsordes van de lidstaten geen stelsel van niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie wegens rechtmatige uitoefening van haar activiteiten van normatieve aard kan worden erkend (zie arrest FIAMM e.a./Raad en Commissie, C‑120/06 P en C‑121/06 P, EU:C:2008:476, punten 175 en 179).

44      Het Gerecht heeft geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 69 tot en met 73 van het bestreden arrest zijn oordeel te baseren op die rechtspraak en door in punt 76 van dat arrest te oordelen dat bij de beoordeling van het middel betreffende niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie wegens rechtmatig handelen moest worden uitgegaan van genoemde rechtspraak.

45      Hieruit volgt dat het derde middel van rekwiranten in zaak C‑12/13 P ongegrond is.

46      Wat het derde en het vierde middel van rekwiranten in zaak C‑13/13 P betreft, is het Gerecht ingeval het beginsel van niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie voor rechtmatig handelen zou moeten worden erkend in het Unierecht, in de punten 77 tot en met 87 van het bestreden arrest, ten overvloede, nagegaan of inderdaad sprake is van abnormale en bijzondere schade (zie in die zin arrest Dorsch Consult/Raad en Commissie, C‑237/98 P, EU:C:2000:321, punten 18 en 19).

47      Het is vaste rechtspraak dat in hogere voorziening, zodra een van de door het Gerecht uitgesproken overwegingen het dictum van zijn arrest voldoende onderbouwt, de tekortkomingen die aan een andere in het betrokken arrest voorkomende overweging kleven, geen invloed kunnen hebben op het dictum, zodat het middel dat hierop is gegrond, geen doel treft en moet worden verworpen (arrest Commissie/CAS Succhi di Frutta, C‑496/99 P, EU:C:2004:236, punt 68).

48      Het derde en het vierde middel van rekwiranten in zaak C‑13/13 P treffen dus geen doel, aangezien zij zijn gericht tegen een ten overvloede gegeven overweging van het bestreden arrest.

 Tweede middel in zaak C‑13/13 P

 Argumenten van partijen

49      Met hun tweede middel betogen rekwiranten in zaak C‑13/13 P dat verordening nr. 530/2008 ook na het arrest AJD Tuna (EU:C:2011:153) nog steeds een voornamelijk rechtmatige handeling is die slechts ten dele ongeldig is verklaard, namelijk wat betreft de datum van inwerkingtreding ervan voor ringzegenvissers die de vlag voeren van of zijn geregistreerd in Griekenland, Frankrijk, Italië, Cyprus of Malta, en marktdeelnemers van de Unie die met hen overeenkomsten hebben gesloten.

50      De Commissie, die erop wijst dat dit middel is gericht tegen punten van het bestreden arrest die betrekking hebben op andere verzoekers in eerste aanleg dan die welke thans rekwiranten in zaak C‑13/13 P zijn, meent dat het middel gegrond is en dat het arrest AJD Tuna (EU:C:2011:153) dus geen nieuw feit in de zin van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht is.

51      In het bijzonder is de Commissie van mening dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het door verzoekers in eerste aanleg, thans rekwiranten in zaak C‑12/13 P, aangevoerde middel betreffende niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie wegens onrechtmatig handelen ontvankelijk te verklaren, aangezien, zoals uit de bewoordingen van het arrest AJD Tuna (EU:C:2011:153) blijkt, het Hof verordening nr. 530/2008 slechts ongeldig heeft verklaard voor zover de daarin neergelegde verbodsbepalingen voor ringzegenvissers die de vlag voeren van of zijn geregistreerd in Spanje, en marktdeelnemers van de Unie die met hen overeenkomsten hebben gesloten, in werking zijn getreden op 23 juni 2008, terwijl diezelfde verboden voor ringzegenvissers die de vlag voeren van of zijn geregistreerd in Griekenland, Frankrijk, Italië, Cyprus of Malta, en marktdeelnemers van de Unie die met hen overeenkomsten hebben gesloten, in werking zijn getreden op 16 juni 2008. Voorts hadden verzoekers in eerste aanleg volgens de Commissie uiteraard een beroep tot vergoeding van de schade die voortvloeit uit een onrechtmatige handeling van de Unie, kunnen instellen, ook al zou er geen arrest zijn geweest waarbij die handeling ongeldig is verklaard.

 Beoordeling door het Hof

52      Wat in de eerste plaats de ontvankelijkheid betreft van het tweede middel dat rekwiranten in zaak C‑13/13 P hebben aangevoerd, heeft het Hof reeds geoordeeld dat wanneer het Gerecht twee zaken heeft gevoegd en één arrest heeft gewezen waarin wordt ingegaan op alle middelen die de partijen bij de procedure voor het Gerecht hebben aangevoerd, elk van deze partijen kritiek kan uiten op de redeneringen betreffende middelen die voor het Gerecht slechts zijn aangevoerd door de verzoeker in de andere zaak (arrest ISD Polska e.a./Commissie, C‑369/09 P, EU:C:2011:175, punt 85 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

53      In het onderhavige geval was bij het Gerecht aanvankelijk slechts één zaak in behandeling, maar kan door het feit dat verzoekers tijdens de schriftelijke behandeling zijn onderverdeeld in twee groepen, waarvan de ene groep – die van verzoekers in eerste aanleg, thans rekwiranten in zaak C‑12/13 P – een nieuw middel heeft voorgedragen, de hierboven genoemde rechtspraak naar analogie worden toegepast.

54      Hieruit volgt dat het tweede door rekwiranten in zaak C‑13/13 P aangevoerde middel dat gericht is tegen het antwoord van het Gerecht op een middel dat is voorgedragen door verzoekers in eerste aanleg, thans rekwiranten in zaak C‑12/13 P, ontvankelijk is.

55      Wat in de tweede plaats de gegrondheid betreft van het tweede middel dat rekwiranten in zaak C‑13/13 P hebben aangevoerd, dient in herinnering te worden gebracht dat artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht verbiedt dat in de loop van het geding nieuwe middelen worden voorgedragen, tenzij deze steunen op gegevens, rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken.

56      Aangezien, zoals in punt 18 van het onderhavige arrest is aangeven, het Hof in het arrest AJD Tuna (EU:C:2011:153) voor recht heeft verklaard dat verordening nr. 530/2008 ongeldig was, heeft het Gerecht in casu partijen bij het geding verzocht zich schriftelijk uit te spreken over de gevolgen van dat arrest. In hun antwoord hebben verzoekers in eerste aanleg, thans rekwiranten in zaak C‑12/13 P, het middel aangevoerd dat sprake is van niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie wegens onrechtmatig handelen. In het bijzonder hebben zij gesteld dat de omstandigheid dat onder Spaanse vlag varende ringzegenvissers tot 23 juni 2008 mochten vissen, terwijl ringzegenvissers die onder de vlag van Griekenland, Frankrijk, Italië, Cyprus of Malta voeren, moesten stoppen met vissen op 16 juni 2008, voor hen heeft geleid tot schade die reëel en zeker is en ziet op het deel van hun quotum voor 2008 dat zij niet hebben kunnen vangen en verkopen.

57      Om te beginnen moet erop worden gewezen dat het Gerecht in de punten 48 en 49 van het bestreden arrest van oordeel was dat verzoekers in eerste aanleg, thans rekwiranten in zaak C‑12/13 P, een middel hadden aangevoerd dat niet was voorgedragen in het inleidend verzoekschrift en dat dus een nieuw middel in de zin van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht was.

58      Aangaande de ontvankelijkheid van dat middel heeft het Gerecht in de punten 53 en 54 van het bestreden arrest geoordeeld dat het arrest AJD Tuna (EU:C:2011:153), dat door het Hof is gewezen nadat beroep was ingesteld, moest worden aangemerkt als een gegeven dat het voordragen van een nieuw middel mogelijk maakt, aangezien door dat arrest de bij de indiening van het verzoekschrift bestaande rechtstoestand is gewijzigd. Het Gerecht heeft immers vastgesteld dat ingevolge het arrest AJD Tuna (EU:C:2011:153) verordening nr. 530/2008 geheel ongeldig is verklaard en geen uit het vermoeden van rechtmatigheid voortvloeiende rechtsgevolgen meer heeft.

59      In het onderhavige geval gaat het Gerecht echter uit van een onjuiste lezing van het arrest AJD Tuna (EU:C:2011:153). Met name volgt uit de punten 105 tot en met 108 van dat arrest dat de Commissie het non-discriminatiebeginsel heeft geschonden door alleen voor onder Spaanse vlag varende ringzegenvissers tot 23 juni 2008 te wachten met de inwerkingtreding van het vangstverbod, zonder voor die langere periode een objectieve rechtvaardiging te geven. Uit dit oordeel van het Hof blijkt dus dat in het arrest AJD Tuna (EU:C:2011:153), in welk arrest alle andere middelen tot ongeldigverklaring van verordening nr. 530/2008 zijn verworpen, de verordening slechts ongeldig is verklaard voor zover onder Spaanse vlag varende ringzegenvissers een week langer mochten vissen, terwijl de datum van het verbod voor andere ringzegenvissers, namelijk 16 juni 2008, bleef gelden.

60      Hieruit volgt dat, anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, het arrest AJD Tuna (EU:C:2011:153) geen nieuw gegeven rechtens was waarvan eerst in de loop van de behandeling voor het Gerecht is gebleken, aangezien verordening nr. 530/2008 slechts ongeldig is verklaard voor zover daarin sprake is van een gunstiger behandeling van onder Spaanse vlag varende ringzegenvissers. Nu het vangstverbod voor ringzegenvissers die voeren onder de vlag van Griekenland, Frankrijk, Italië, Cyprus of Malta bleef gelden, houdt dat arrest immers slechts een bevestiging in van een rechtstoestand die verzoekers in eerste aanleg, thans rekwiranten in zaak C‑12/13 P, bekend was toen zij hun beroep instelden.

61      Gelet op het voorgaande heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het arrest AJD Tuna (EU:C:2011:153) een nieuw gegeven rechtens was dat het voordragen van een nieuw middel in de loop van het geding mogelijk maakte.

62      Er zij evenwel aan herinnerd dat wanneer blijkt dat de motivering van een arrest van het Gerecht in strijd is met het Unierecht, maar het dictum op andere rechtsgronden gerechtvaardigd voorkomt, dit niet betekent dat het arrest moet worden vernietigd (zie in die zin arresten FIAMM e.a./Raad en Commissie, EU:C:2008:476, punt 187, en Diputación Foral de Vizcaya/Commissie, C‑465/09 P–C 470/09 P, EU:C:2011:372, punt 171).

63      In casu heeft het Gerecht weliswaar blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het door verzoekers in eerste aanleg, thans rekwiranten in zaak C‑12/13 P, aangevoerde middel betreffende niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie wegens onrechtmatig handelen ontvankelijk te verklaren, maar dit betekent niet dat het bestreden arrest moet worden vernietigd, aangezien het Gerecht dat middel in de punten 55 tot en met 66 van het bestreden arrest in ieder geval ongegrond heeft verklaard.

64      Gelet op het voorgaande kan het tweede middel dat rekwiranten in zaak C‑13/13 P hebben aangevoerd, ofschoon het gegrond is, geen doel treffen (zie in die zin arresten Ojha/Commissie, C‑294/95 P, EU:C:1996:434, punt 52, en FIAMM e.a./Raad en Commissie, EU:C:2008:476, punt 189).

 Eerste en tweede middel in zaak C‑12/13 P

 Argumenten van partijen

65      Met hun eerste middel stellen rekwiranten in zaak C‑12/13 P dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie wegens onrechtmatig handelen, doordat het in de punten 61 tot en met 66 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat de gestelde schade niet reëel en zeker was.

66      Met hun tweede middel voeren rekwiranten in zaak C‑12/13 P aan dat het Gerecht tevens blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting bij zijn beoordeling of de gestelde schade reëel en zeker was, doordat het niet heeft vastgesteld dat dit voortvloeide uit de aantasting van het eigendomsrecht en de vrije uitoefening van beroepsactiviteiten.

67      De Commissie betoogt dat die middelen niet-ontvankelijk en in ieder geval ongegrond zijn.

 Beoordeling door het Hof

68      Zoals blijkt uit punt 64 van het onderhavige arrest, heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het door verzoekers in eerste aanleg, thans rekwiranten in zaak C‑12/13 P, in de loop van de procedure in eerste aanleg aangevoerde middel betreffende niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie wegens onrechtmatig handelen ontvankelijk te verklaren.

69      Hieruit volgt dat aangezien dat middel niet-ontvankelijk moest worden verklaard, het eerste en het tweede middel van rekwiranten in zaak C‑12/13 P niet kunnen slagen voor zover zij betrekking hebben op de inhoudelijke beoordeling van dat middel door het Gerecht.

70      Gelet op al het voorgaande worden de door rekwiranten in de zaken C‑12/13 P en C‑13/13 P ingestelde hogere voorzieningen afgewezen in hun geheel.

 Kosten

71      Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is. Volgens artikel 138, lid 1, van dit Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien rekwiranten in de zaken C‑12/13 P en C‑13/13 P in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.

Het Hof (Grote kamer) verklaart:

1)      De hogere voorzieningen in de zaken C‑12/13 P en C‑13/13 P worden afgewezen.

2)      Gérard Buono, Jean‑Luc Buono, Roger Del Ponte, Serge Antoine Di Rocco, Jean Gérald Lubrano, Jean Lubrano, Jean Lucien Lubrano, Fabrice Marin en Robert Marin worden verwezen in de kosten in zaak C‑12/13 P en de Syndicat des thoniers méditerranéens, Marc Carreno, Jean‑Louis Donnarel, Jean‑François Flores, Gérald Jean Lubrano, Hervé Marin, Nicolas Marin, Sébastien Marin en Serge Antoine José Perez worden verwezen in de kosten in zaak C‑13/13 P.

ondertekeningen


* Procestaal: Frans.