Language of document : ECLI:EU:C:2014:2320

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

23 oktober 2014 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Verdrag van Rome inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst – Artikel 4, leden 1, 2, 4 en 5 – Recht dat van toepassing is bij gebreke van een rechtskeuze door de partijen – Commissieovereenkomst voor vervoer – Overeenkomst voor goederenvervoer”

In zaak C‑305/13,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens het Eerste Protocol van 19 december 1988 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, ingediend door de Cour de cassation (Frankrijk) bij beslissing van 22 mei 2013, ingekomen bij het Hof van 4 juni 2013, in de procedure

Haeger & Schmidt GmbH

tegen

Mutuelles du Mans assurances IARD (MMA IARD),

Jacques Lorio,

Dominique Miquel, in zijn hoedanigheid van curator van Safram intercontinental SARL,

Ace Insurance SA NV,

Va Tech JST SA,

Axa Corporate Solutions SA,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: M. Ilešič, kamerpresident, A. Ó Caoimh, C. Toader (rapporteur), E. Jarašiūnas en C. G. Fernlund, rechters,

advocaat-generaal: N. Jääskinen,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Haeger & Schmidt GmbH, vertegenwoordigd door D. Le Prado, avocat,

–        de Franse regering, vertegenwoordigd door J.‑S. Pilczer en D. Colas als gemachtigden,

–        de Griekse regering, vertegenwoordigd door F. Dedousi als gemachtigde,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Wilderspin als gemachtigde,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4, leden 1, 2, 4 en 5, van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980 (PB 1980, L 266, blz. 1; hierna: „Verdrag van Rome”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Haeger & Schmidt GmbH (hierna: „Haeger & Schmidt”), een vennootschap naar Duits recht, en Mutuelles du Mans assurances IARD (MMA IARD), J. Lorio, D. Miquel, in zijn hoedanigheid van curator van Safram intercontinental SARL (hierna: „Safram”), een vennootschap naar Frans recht, Ace Insurance SA NV, Axa Corporate Solutions SA alsmede Va Tech JST SA (hierna: „Va Tech”) over het herstel van de schade die laatstgenoemde vennootschap heeft geleden bij het vervoer van een transformator die zij voor de uitoefening van haar activiteiten had aangekocht.

 Toepasselijke bepalingen

 Verdrag van Rome

3        Artikel 4 van het Verdrag van Rome, met het opschrift „Het recht, dat bij gebreke van een rechtskeuze door partijen toepasselijk is”, bepaalt:

„1.      Voor zover geen keuze overeenkomstig artikel 3 van het op de overeenkomst toepasselijke recht is gedaan, wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst is verbonden. Indien evenwel een deel van de overeenkomst kan worden afgescheiden en dit deel nauwer verbonden is met een ander land, kan hierop bij wijze van uitzondering het recht van dat andere land worden toegepast.

2.      Behoudens het vijfde lid wordt vermoed dat de overeenkomst het nauwst is verbonden met het land waar de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten, op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst haar gewone verblijfplaats, of, wanneer het een vennootschap, vereniging of rechtspersoon betreft, haar hoofdbestuur heeft. Indien de overeenkomst evenwel in de uitoefening van het beroep of het bedrijf van deze partij werd gesloten, is dit het land waar zich haar hoofdvestiging bevindt of, indien de prestatie volgens de overeenkomst door een andere vestiging dan de hoofdvestiging moet worden verricht, het land waar zich deze andere vestiging bevindt.

[...]

4.      Het vermoeden van het tweede lid geldt niet voor de overeenkomst tot vervoer van goederen. Wanneer bij een dergelijke overeenkomst het land waar de vervoerder zijn hoofdvestiging heeft ten tijde van de sluiting, tevens het land is waar de plaats van de inlading of lossing, dan wel de hoofdvestiging van de verzender is gelegen, wordt vermoed dat de overeenkomst het nauwst is verbonden met dat land. Voor de toepassing van dit lid wordt als overeenkomst tot vervoer van goederen beschouwd de bevrachting voor een enkele reis en iedere andere overeenkomst die hoofdzakelijk het vervoer van goederen betreft.

5.      Het tweede lid vindt geen toepassing indien niet kan worden vastgesteld welke de kenmerkende prestatie is. De vermoedens van het tweede, derde en vierde lid gelden niet wanneer uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de overeenkomst nauwer is verbonden met een ander land.”

 Verordening (EG) nr. 593/2008

4        Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (PB L 177, blz. 6) heeft het Verdrag van Rome van 1980 vervangen. Ingevolge artikel 28 is deze verordening van toepassing op overeenkomsten die na 17 december 2009 zijn gesloten.

5        In punt 20 van de considerans van deze verordening heet het:

„Indien de overeenkomst een kennelijk nauwere band heeft met een ander land dan bedoeld in artikel 4, leden 1 en 2, bepaalt een ontsnappingsclausule bevat in deze bepalingen dat het recht van dat andere land moet worden toegepast. Om vast te stellen welk land dit is, moet onder meer acht worden geslagen op de vraag of de desbetreffende overeenkomst zeer nauw verbonden is met een of meer andere overeenkomsten.”

6        Punt 22 van de considerans van deze verordening is als volgt geformuleerd:

„Ten aanzien van de uitlegging van overeenkomsten voor het vervoer van goederen worden geen inhoudelijke wijzigingen overwogen met betrekking tot artikel 4, lid 4, derde zin, van het Verdrag van Rome. Bijgevolg moeten bevrachting voor een enkele reis en iedere andere overeenkomst, die hoofdzakelijk het vervoer van goederen betreft, als overeenkomsten voor het vervoer van goederen worden behandeld. [...]”

7        Artikel 5 van verordening nr. 593/2008, met het opschrift „Vervoerovereenkomsten”, luidt:

„1.      Indien de partijen voor de overeenkomst voor het vervoer van goederen geen rechtskeuze overeenkomstig artikel 3 hebben gemaakt, wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waar de vervoerder zijn gewone verblijfplaats heeft, mits de plaats van ontvangst of de plaats van aflevering of de gewone verblijfplaats van de verzender ook in dat land is gelegen. Indien niet aan deze voorwaarden is voldaan, wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waar de plaats van aflevering, als door de partijen overeengekomen, is gelegen.

[...]

3.      Indien uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de overeenkomst, bij gebreke van een rechtskeuze, een kennelijk nauwere band heeft met een ander dan het in lid 1 of lid 2 bedoelde land, is het recht van dat andere land van toepassing.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

8        Volgens een op 24 december 2002 gesloten overeenkomst heeft Va Tech, een vennootschap naar Frans recht met zetel te Lyon (Frankrijk), Safram, gevestigd te Dechy (Frankrijk), als hoofdcommissionair de organisatie toevertrouwd van het vervoer van een uit de Verenigde Staten afkomstige transformator vanaf de haven van Antwerpen (België) naar Lyon.

9        Safram heeft, handelend in eigen naam maar voor rekening van Va Tech, een tweede commissieovereenkomst ondertekend met Haeger & Schmidt, met zetel te Duisburg (Duitsland) om deze transformator via binnenscheepvaart te vervoeren. Haeger & Schmidt heeft daartoe een beroep gedaan op J. Lorio, een te Douai (Frankrijk) gevestigde vervoerder die eigenaar is van het binnenschip El-Diablo, dat in België was geregistreerd.

10      Tijdens het inladen in Antwerpen op 23 januari 2003 is de transformator in het ruim verschoven zodat het binnenschip is gekapseisd en met zijn lading is gezonken.

11      Va Tech heeft bij het Tribunal de commerce te Douai een schadevordering ingesteld tegen de vennootschappen Safram en Haeger & Schmidt, waarbij laatstgenoemde vennootschap Lorio, als vervoerder, en zijn verzekeraar, Mutuelles du Mans assurances IARD (MMA IARD), met maatschappelijke zetel in Frankrijk, in vrijwaring heeft geroepen.

12      Het Tribunal de commerce te Douai heeft deze schadevordering bij vonnis van 23 juni 2010 toegewezen. Deze rechter was immers van oordeel dat alleen het Franse recht van toepassing was op de betrokken overeenkomsten, en hij heeft de vennootschappen Safram en Haeger & Schmidt als vervoerscommissionairs aansprakelijk gesteld voor de op 23 januari 2003 ontstane schade.

13      Haeger & Schmidt heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

14      Bij arrest van 2 oktober 2011 heeft de Cour d’appel te Douai dit vonnis bevestigd en Haeger & Schmidt veroordeeld tot betaling aan de verzekeraars Axa Corporate Solutions SA en Ace Insurance SA NV, die in de rechten van Va Tech waren gesubrogeerd, van een schadevergoeding van 285 659,64 EUR, te vermeerderen met de wettelijke rente. Een schuldvordering voor ditzelfde bedrag werd opgenomen in het passief van Safram, die ondertussen failliet was verklaard. De Cour d’appel te Douai was van oordeel dat het Franse recht van toepassing was op de contractuele verhouding tussen de diverse betrokken vennootschappen en dat, wat Safram en Haeger & Schmidt betreft, het Duitse recht niet van toepassing was op een overeenkomst voor goederenvervoer, in de zin van artikel 4, lid 4, van het Verdrag van Rome, die is gesloten door een Franse vennootschap met maatschappelijke zetel in Frankrijk voor rekening van een andere Franse vennootschap, wanneer ook de plaats van de lossing in Frankrijk is gelegen.

15      Haeger & Schmidt heeft hogere voorziening bij de Cour de cassation ingesteld en voert daarbij één enkel middel aan, te weten onjuiste bepaling van het op het geding toepasselijke recht. Zij voert aan dat zij de kenmerkende prestatie van de tussen de partijen gesloten commissieovereenkomst voor vervoer heeft verricht en in Duitsland is gevestigd. Volgens haar mocht de Cour d’appel te Douai op grond van artikel 4, lid 5, van het Verdrag van Rome pas het Franse recht toepassen na een onderzoek van het verband tussen de overeenkomst en enerzijds de Bondsrepubliek Duitsland, dat ingevolge het in artikel 4, lid 2, van dit Verdrag neergelegde algemene vermoeden van bevoegdheid het land is waarvan het recht toepasselijk blijkt te zijn, en anderzijds de Franse Republiek, teneinde op basis van alle omstandigheden van het aanhangige geding uit te maken met welk land de overeenkomst het nauwst verbonden is in de zin van artikel 4, lid 5, van dit Verdrag.

16      Daarom heeft de Cour de cassation de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Kan de commissieovereenkomst voor vervoer, waarbij een committent een commissionair, handelend in eigen naam en op eigen verantwoordelijkheid, de organisatie toevertrouwt van een goederenvervoer die de commissionair door een of meerdere vervoerders voor rekening van de committent doet uitvoeren, hoofdzakelijk een vervoer van goederen betreffen in de zin van artikel 4, lid 4, laatste zin, van het Verdrag van Rome [...], en zo ja, onder welke voorwaarden?

2)      Moeten, indien de commissieovereenkomst voor vervoer kan worden geacht een overeenkomst voor goederenvervoer te zijn in de zin van artikel 4, lid 4, [van dit Verdrag] maar het in deze bepaling neergelegde bijzondere vermoeden tot vaststelling van het toepasselijke recht niet opgaat wegens het ontbreken van de door die bepaling vereiste overeenstemming, de bewoordingen van de eerste zin van die bepaling, volgens welke het algemene vermoeden van artikel 4, lid 2, niet opgaat voor de overeenkomst voor goederenvervoer, aldus worden uitgelegd dat de rechter het toepasselijke recht dient te bepalen, niet op basis van dit kennelijk niet-toepasselijke vermoeden, maar op basis van het in artikel 4, lid 1, neergelegde algemene beginsel tot bepaling van het toepasselijke recht, namelijk door het land te bepalen waarmee de overeenkomst het nauwst verbonden is, zonder daarbij bijzondere aandacht te schenken aan de vestigingsplaats van de partij die de kenmerkende prestatie van de overeenkomst verricht?

3)      Is het, in de veronderstelling dat op de commissieovereenkomst voor vervoer het algemene vermoeden van artikel 4, lid 2, van toepassing is, toegestaan, in het geval waarin de oorspronkelijke opdrachtgever een overeenkomst heeft gesloten met een eerste commissionair, in wiens plaats vervolgens een tweede commissionair is getreden, het op de contractuele relatie tussen de opdrachtgever en deze tweede commissionair toepasselijke recht te bepalen op basis van de plaats waar de eerste commissionair is gevestigd, waarbij het aldus bepaalde recht van het land wordt beschouwd als zijnde in zijn geheel van toepassing op de vervoerscommissieverrichting?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste vraag

17      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 4, lid 4, laatste zin, van het Verdrag van Rome aldus moet worden uitgelegd dat het van toepassing is op een commissieovereenkomst voor vervoer en zo ja, onder welke voorwaarden een commissieovereenkomst voor vervoer kan worden beschouwd als een overeenkomst voor goederenvervoer.

18      Vooraf zij van meet af aan eraan herinnerd dat, bij gebreke van een keuze door de partijen, artikel 4 van dit Verdrag aangeeft op basis van welke aanknopingscriteria de rechter moet bepalen welk recht van toepassing is op iedere categorie van overeenkomsten (zie arrest ICF, C‑133/08, EU:C:2009:617, punt 25).

19      Dit artikel 4 is gebaseerd op het in lid 1 daarvan opgenomen algemene beginsel dat voor de aanknoping van een overeenkomst bij een nationaal recht moet worden vastgesteld met welk land zij „het nauwst is verbonden” (zie arrest ICF, EU:C:2009:617, punt 26).

20      De toepassing van dit algemene beginsel wordt evenwel aan banden gelegd door de vermoedens van artikel 4, leden 2 tot en met 4, van het Verdrag van Rome.

21      In het bijzonder bevat artikel 4, lid 2, een algemeen vermoeden dat erin bestaat dat als aanknopingscriterium wordt genomen de verblijfplaats van de partij bij de overeenkomst die de kenmerkende prestatie verricht.

22      De eerste twee zinnen van artikel 4, lid 4, van het Verdrag van Rome geven uiting aan de specificiteit van de overeenkomst voor goederenvervoer, waarvoor – althans in een grensoverschrijdende context – moeilijk een aanknoping kan worden gevonden met het land van de verblijfplaats van de partij bij de overeenkomst die de kenmerkende prestatie verricht, aangezien bij een dergelijke overeenkomst, die hoofdzakelijk het vervoer van goederen betreft, de gewone verblijfplaats van de vervoerder geen objectief aanknopingspunt met deze overeenkomst vertoont. De tweede zin van dat lid 4 bevat dus een uitputtende opsomming van de specifieke aanknopingscriteria die gelden om te bepalen welk recht van toepassing is op overeenkomsten voor goederenvervoer.

23      Lid 5 van datzelfde artikel 4 bevat een uitzonderingsbepaling op basis waarvan deze vermoedens kunnen worden geacht niet te gelden wanneer uit het geheel van de omstandigheden blijkt dat de overeenkomst nauwer verbonden is met een ander land (zie in die zin arrest ICF, EU:C:2009:617, punt 27).

24      Op basis van deze overwegingen dient, teneinde de eerste vraag van de verwijzende rechter te beantwoorden, thans de derde zin van artikel 4, lid 4, van het Verdrag van Rome te worden onderzocht. Daarin is bepaald dat „als overeenkomst tot vervoer van goederen [worden] beschouwd de bevrachting voor een enkele reis en iedere andere overeenkomst die hoofdzakelijk het vervoer van goederen betreft”.

25      Aangaande de uitdrukking „als overeenkomst tot vervoer van goederen [worden] beschouwd” en de voorwaarden waaronder een andere overeenkomst als een overeenkomst voor goederenvervoer kan worden beschouwd, zij eraan herinnerd dat het een en het ander dient te worden uitgemaakt volgens eenvormige en autonome criteria teneinde de volle werking van het Verdrag van Rome te verzekeren, gelet op de doelstellingen die daarmee worden nagestreefd (zie naar analogie arrest Koelzsch, C‑29/10, EU:C:2011:151, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

26      Tevens zij eraan herinnerd dat het Hof in de punten 32 tot en met 34 van het arrest ICF (EU:C:2009:617) deze laatste zin van dat artikel 4, lid 4, reeds aldus heeft uitgelegd dat deze zin het mogelijk maakt andere overeenkomsten gelijk te stellen met overeenkomsten voor goederenvervoer, aangezien een van de doelstellingen van die bepaling erin bestaat de toepassing van de tweede zin van dat lid 4 uit te breiden tot overeenkomsten die, hoewel zij naar nationaal recht als bevrachtingsovereenkomsten zijn gekwalificeerd, hoofdzakelijk het vervoer van goederen betreffen. Om vast te stellen of dit laatste het geval is, moet worden gekeken naar het doel van de contractuele verhouding en bijgevolg naar alle verplichtingen van de partij die de kenmerkende prestatie verricht.

27      Hetzelfde geldt voor de commissieovereenkomst voor vervoer, die een onderscheiden overeenkomst is met als kenmerkende prestatie de organisatie van het goederenvervoer. Aangezien de commissieovereenkomst voor vervoer niet hoofdzakelijk het vervoer van de goederen als zodanig betreft, kan zij niet als een overeenkomst voor goederenvervoer worden beschouwd.

28      Wanneer evenwel rekening wordt gehouden met het doel van de contractuele verhouding, de daadwerkelijk verrichte prestatie en alle verplichtingen van de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten, en niet zozeer met de door partijen aan de overeenkomst gegeven kwalificatie, is het mogelijk dat een commissieovereenkomst voor vervoer betrekking blijkt te hebben op de specificiteit van een vervoersovereenkomst zoals vermeld in punt 22 van dit arrest, indien zij hoofdzakelijk de uitvoering van het vervoer als zodanig betreft.

29      In het hoofdgeding blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de eerste twee overeenkomsten die zijn gesloten, enerzijds, tussen Va Tech en Safram en, anderzijds, tussen Safram en Haeger & Schmidt door de verwijzende rechter als commissieovereenkomsten voor vervoer zijn gekwalificeerd. Voor de uitvoering van het vervoer van de transformator per binnenschip heeft Haeger & Schmidt een vervoersovereenkomst gesloten met Lorio, eigenaar van het binnenschip El-Diablo, dat tijdens het laden van het goed is gekapseisd.

30      Tevens blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de overeenkomst tussen Safram en Haeger & Schmidt hoofdzakelijk „de algehele organisatie van het vervoer en niet louter de wettelijke vertegenwoordiging van de opdrachtgever” betrof, waarbij Haeger & Schmidt als tussenpersoon handelde op eigen verantwoordelijkheid en in eigen naam, doch voor rekening van de opdrachtgever, teneinde de voor het vervoer van de betrokken transformator nodige handelingen te verrichten.

31      Het is de taak van de verwijzende rechter om bij het onderzoek van alle aan het hoofdgeding eigen omstandigheden, te weten de contractuele bepalingen die de economische en commerciële realiteit van de verhouding tussen de partijen weergeven en het doel van artikel 4, lid 4, van het Verdrag van Rome, uit te maken of en in welke mate de betrokken commissieovereenkomst voor vervoer hoofdzakelijk het eigenlijke vervoer van het betrokken goed betrof.

32      Gelet op voorgaande overwegingen dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 4, lid 4, laatste zin, van het Verdrag van Rome aldus moet worden uitgelegd dat deze bepaling enkel van toepassing is op een commissieovereenkomst voor vervoer wanneer de overeenkomst hoofdzakelijk het eigenlijke vervoer van het betrokken goed betreft, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.

 Tweede vraag

33      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het recht dat van toepassing is op een overeenkomst voor goederenvervoer, wanneer dit niet kan worden bepaald op grond van de tweede zin van artikel 4, lid 4, van het Verdrag van Rome, moet worden bepaald aan de hand van de algemene regel van lid 1 van dat artikel of van het algemene vermoeden van lid 2 van datzelfde artikel.

34      Volgens de rechtspraak van het Hof moet de nationale rechter steeds op basis van de vermoedens van artikel 4, leden 2 tot en met 4, van dit Verdrag, die beantwoorden aan het algemene vereiste van voorzienbaarheid van het recht en dus van rechtszekerheid in de contractuele verhoudingen, bepalen welke recht van toepassing is (zie in die zin arrest ICF, EU:C:2009:617, punt 62).

35      Bijgevolg dient te worden nagegaan of de mogelijkerwijs vastgestelde niet-toepasselijkheid van het vermoeden van artikel 4, lid 4, van het Verdrag van Rome ertoe leidt dat geen toepassing kan worden gemaakt van het algemene vermoeden van lid 2 van datzelfde artikel en dus de algemene regel van lid 1 van datzelfde artikel moet worden toegepast.

36      Ingevolge artikel 4, lid 4, eerste zin, van dit Verdrag geldt het vermoeden van lid 2 van datzelfde artikel niet voor de overeenkomst voor goederenvervoer. Ingevolge lid 4, tweede zin, van dat artikel wordt de overeenkomst voor goederenvervoer beheerst door het recht van het land waarin de hoofdvestiging van de vervoerder is gelegen ten tijde van de sluiting van de overeenkomst indien de plaats van de inlading of lossing van de goederen dan wel de hoofdvestiging van de verzender in datzelfde land is gelegen.

37      Dat artikel 4 bepaalt dus uitdrukkelijk dat het vermoeden van lid 2 ervan niet geldt voor de overeenkomst voor goederenvervoer. Bovendien noemt dit artikel meerdere specifieke aanknopingscriteria aan de hand waarvan kan worden bepaald welk recht op deze categorie van overeenkomsten van toepassing is, waarbij de vestigingsplaats van de vervoerder niet wordt geacht op zich voldoende te zijn.

38      Gelet daarop zou het in strijd zijn met zowel de bewoordingen als de logica van artikel 4, lid 4, van het Verdrag van Rome om het vermoeden van lid 2 van dat artikel toe te passen op een overeenkomst als in het hoofdgeding indien bij gebreke van overeenstemming van de criteria van de tweede zin van dat lid 4 vaststaat dat het vermoeden van dat lid niet kan worden toegepast.

39      Bovendien strookt de uit het vorige punt voortvloeiende uitlegging ook met de bewoordingen van de conflictregels inzake overeenkomsten voor goederenvervoer van verordening nr. 593/2008, die ratione temporis echter niet op het hoofdgeding van toepassing is. Ingevolge artikel 5 van deze verordening is het immers uitgesloten om bij gebreke van overeenstemming van de daarin bepaalde aanknopingscriteria het recht van het land waarin de vervoerder zijn gewone verblijfplaats heeft toe te passen op deze categorie overeenkomsten en in dat geval is, zoals daarin uitdrukkelijk is voorgeschreven, het recht van toepassing van het land waar de plaats van aflevering, als door de partijen overeengekomen, is gelegen.

40      Wanneer niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 4, lid 4, tweede zin, van het Verdrag van Rome, moet de nationale rechter bijgevolg niet aan de hand van het – definitief buiten toepassing zijnde – vermoeden van lid 2 van datzelfde artikel het op de overeenkomst toepasselijke recht bepalen, doch op basis van het algemene beginsel tot bepaling van het toepasselijke recht dat is vervat in artikel 4, lid 1, eerste zin, dat wil zeggen door vast te stellen met welk land de overeenkomst het nauwst verbonden is.

41      In haar schriftelijke opmerkingen heeft de Franse regering terecht gesteld dat in zoverre de nationale rechter op grond van artikel 4, lid 5, van dit Verdrag het recht van het land waarmee de overeenkomst het nauwst verbonden is moet toepassen en geen toepassing mag maken van het toepasselijke recht dat is bepaald aan de hand van de vermoedens van de leden 2 tot en met 4 van datzelfde artikel, hij a fortiori het recht moet toepassen van het land waarmee de betrokken overeenkomst het nauwst verbonden is, zoals is bepaald in dat artikel 4, lid 1, wanneer aan de hand van lid 4 niet kan worden bepaald welk recht van toepassing is op een overeenkomst voor goederenvervoer (zie in die zin arrest ICF, EU:C:2009:617, punten 63 en 64).

42      Gelet op een en ander dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 4, lid 4, van het Verdrag van Rome aldus moet worden uitgelegd dat het recht dat van toepassing is op een overeenkomst voor goederenvervoer, wanneer dit niet kan worden bepaald op grond van de tweede zin van deze bepaling, moet worden bepaald aan de hand van de algemene regel van lid 1 van dat artikel, dat wil zeggen dat deze overeenkomst wordt beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst verbonden is.

 Derde vraag

43      Vooraf dient, gezien het antwoord op de eerste vraag, te worden verduidelijkt dat de derde vraag slechts aan de orde is in de veronderstelling dat de verwijzende rechter gelet op de omstandigheden van de zaak zou vaststellen dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst niet kan worden gelijkgesteld met een vervoersovereenkomst en derhalve het algemene vermoeden van artikel 4, lid 2, van het Verdrag van Rome voor deze overeenkomst niet geldt.

44      Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 4, lid 2, van het Verdrag van Rome aldus moet worden uitgelegd dat het de nationale rechter toestaat het recht te bepalen dat van toepassing is op de contractuele betrekkingen als die in het hoofdgeding, waarbij een tweede commissionair, met zetel in een andere lidstaat, in de plaats is getreden van de eerste commissionair-vervoerder, uitsluitend op basis van de vestigingsplaats van de hoofdcommissionair.

45      Zoals in punt 22 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, wordt op grond van artikel 4, lid 2, vermoed dat de overeenkomst het nauwst verbonden is met het land waar de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten, op het tijdstip van het sluiten van deze overeenkomst haar gewone verblijfplaats, haar hoofdbestuur, haar hoofdvestiging of een andere vestiging heeft die de prestatie moet verrichten.

46      Wanneer het gaat om een overeenkomst die onder artikel 4, lid 2, van het Verdrag van Rome valt en het mogelijk is de kenmerkende prestatie ervan te bepalen, moet de nationale rechter bijgevolg in eerste instantie het toepasselijke recht bepalen op basis van de specifieke aanknopingscriteria van dat lid 2, zoals in punt 35 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht (zie in die zin arrest ICF, EU:C:2009:617, punt 62).

47      Zoals blijkt uit zowel de bewoordingen van artikel 4, lid 2, van het Verdrag van Rome, waarin uitdrukkelijk voorbehoud wordt gemaakt met betrekking tot de toepassing van lid 5 van dat artikel, als de rechtspraak van het Hof, kan dit vermoeden buiten toepassing worden gelaten wanneer is voldaan aan de voorwaarden van dat lid 5 (zie in die zin arrest ICF, EU:C:2009:617, punten 63 en 64).

48      Uit het voorgaande volgt dat de rechter in tweede instantie moet nagaan of gelet op alle omstandigheden van het bij hem aanhangige geding dient te worden afgestapt van de oplossing waartoe hij is gekomen krachtens dat lid 2. Daartoe moet hij de banden vergelijken die bestaan tussen de overeenkomst en, enerzijds, het land waar de partij die de kenmerkende prestatie verricht op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst haar gewone verblijfplaats heeft, en, anderzijds, een ander land waarmee deze overeenkomst nauw verbonden is.

49      De verwijzende rechter moet immers een algehele beoordeling maken van alle objectieve elementen die kenmerkend zijn voor de contractuele verhouding en uitmaken welk element of welke elementen volgens hem van het grootste belang zijn (zie naar analogie arrest Schlecker, C‑64/12, EU:C:2013:551, punt 40). Zoals de Commissie heeft benadrukt, moet onder de belangrijke aanknopingselementen met name rekening worden gehouden met het bestaan van een nauwe band tussen de betrokken overeenkomst en een of meerdere andere overeenkomsten die eventueel deel uitmaken van dezelfde reeks van opeenvolgende overeenkomsten, alsmede met de plaats van aflevering van de goederen.

50      Deze uitlegging vindt ook steun in punt 20 van de considerans van verordening nr. 593/2008, waarin het bestaan van een reeks van opeenvolgende overeenkomsten die verbonden zijn met de betrokken overeenkomst, uitdrukkelijk als relevant aanknopingscriterium wordt genoemd.

51      Gelet op voorgaande overwegingen dient op de derde vraag te worden geantwoord dat artikel 4, lid 2, van het Verdrag van Rome aldus moet worden uitgelegd dat ingeval wordt aangevoerd dat een overeenkomst nauwer is verbonden met een ander land dan het land waarvan het recht is aangewezen op basis van het vermoeden van dat lid, de nationale rechter de banden moet vergelijken tussen deze overeenkomst en, enerzijds, het land waarvan het recht is aangewezen op basis van het vermoeden en, anderzijds, het andere betrokken land. Daarbij moet de nationale rechter rekening houden met alle omstandigheden, daaronder begrepen het bestaan van andere overeenkomsten die met de betrokken overeenkomst verbonden zijn.

 Kosten

52      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 4, lid 4, laatste zin, van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980, moet aldus worden uitgelegd dat deze bepaling enkel van toepassing is op een commissieovereenkomst voor vervoer wanneer de overeenkomst hoofdzakelijk het eigenlijke vervoer van het betrokken goed betreft, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.

2)      Artikel 4, lid 4, van dit Verdrag moet aldus worden uitgelegd dat het recht dat van toepassing is op een overeenkomst voor goederenvervoer, wanneer dit niet kan worden bepaald op grond van de tweede zin van deze bepaling, moet worden bepaald aan de hand van de algemene regel van lid 1 van dat artikel, dat wil zeggen dat deze overeenkomst wordt beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst verbonden is.

3)      Artikel 4, lid 2, van dit Verdrag moet aldus worden uitgelegd dat ingeval wordt aangevoerd dat een overeenkomst nauwer is verbonden met een ander land dan het land waarvan het recht is aangewezen op basis van het vermoeden van dat lid, de nationale rechter de banden moet vergelijken tussen deze overeenkomst en, enerzijds, het land waarvan het recht is aangewezen op basis van het vermoeden en, anderzijds, het andere betrokken land. Daarbij moet de nationale rechter rekening houden met alle omstandigheden, daaronder begrepen het bestaan van andere overeenkomsten die met de betrokken overeenkomst verbonden zijn.

ondertekeningen


* Procestaal: Frans.