Language of document : ECLI:EU:F:2014:112

BESCHIKKING VAN DE PRESIDENT VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN VAN DE EUROPESE UNIE

22 mei 2014

Zaak F‑36/14 R

Hartwig Bischoff

tegen

Europese Commissie

„Openbare dienst – Kort geding – Pensionering – Weigering om de periode in actieve dienst te verlengen – Verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging – Verzoek om voorlopige maatregelen – Spoedeisendheid – Geen”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 278 VWEU, artikel 157 EA en artikel 279 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarmee Bischoff vraagt om opschorting van de tenuitvoerlegging van het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag van de Europese Commissie (hierna: „TABG”) van 28 maart 2014, „tezamen” met het besluit van de directeur-generaal van het directoraat-generaal (DG) „Ondernemingen en industrie” van 7 april 2014 tot afwijzing van zijn verzoek om verlenging van de dienst en, dientengevolge, tot bevestiging van zijn ambtshalve pensionering met ingang van 1 juni 2014. Bischoff vraagt eveneens om vaststelling van de voorlopige maatregelen die nodig zijn om hem in dienst te houden.

Beslissing:      Het verzoek in kort geding van Bischoff wordt afgewezen. De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.

Samenvatting

1.      Kort geding – Opschorting van de tenuitvoerlegging – Voorlopige maatregelen – Voorwaarden voor toekenning – Spoedeisendheid – Ernstige en onherstelbare schade – Causaal verband tussen de gestelde schade en de bestreden handeling

(Art. 278 VWEU en art. 279 VWEU; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, art. 102, lid 2)

2.      Vrij verkeer van personen – Werknemers – Begrip – Onderdaan van een lidstaat, in dienst van een internationale organisatie – Daaronder begrepen

(Art. 45 VWEU)

1.      De toekenning van de opschorting van de tenuitvoerlegging van een handeling of van een andere voorlopige maatregel in verband met die handeling is alleen gerechtvaardigd indien er een causaal verband bestaat tussen de betrokken handeling en de gestelde ernstige en onherstelbare schade en, preciezer gezegd, indien die handeling de doorslaggevende grond voor die schade vormt. De in kort geding gevraagde maatregelen moeten immers spoedeisend zijn in die zin dat zij noodzakelijk moeten zijn om ernstige en onherstelbare schade aan de belangen van de verzoeker te voorkomen. Dit is niet het geval bij een maatregel die schade beoogt te voorkomen die niet zou voortvloeien uit de bestreden handeling.

(cf. punt 22)

Referentie:

Hof: 12 februari 2003, Marcuccio/Commissie, C‑399/02 P(R), punt 26

Gerecht van eerste aanleg: 22 december 2011, Al-Chihabi/Raad, T‑593/11 R, punt 16 en aldaar aangehaalde rechtspraak

2.      De ambtenaar van de Europese Unie heeft de hoedanigheid van migrerend werknemer, want een onderdaan van de Unie die in een andere lidstaat dan zijn land van herkomst werkt, verliest niet zijn hoedanigheid van werknemer in de zin van artikel 45, lid 1, VWEU doordat hij een functie bij een internationale organisatie vervult, ook al zijn de voorwaarden voor zijn toelating en verblijf in het land van tewerkstelling speciaal geregeld in een internationale overeenkomst.

Hieruit volgt dat een ambtenaar, die dus de hoedanigheid van werknemer in de zin van het VWEU heeft, na zijn pensionering het recht heeft om binnen de Unie te blijven en te verblijven, zoals voorzien in artikel 45, lid 3, sub d, VWEU en in artikel 17 van richtlijn 2004/38 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221, 68/360, 72/194, 73/148, 75/34, 75/35, 90/364, 90/365 en 93/96.

(cf. punten 24 en 25)

Referentie:

Hof: 16 december 2004, My, C‑293/03, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak

Gerecht van eerste aanleg: 26 februari 2003, Drouvis/Commissie, T‑184/00, punt 70