Language of document : ECLI:EU:F:2014:177

ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Eerste kamer)

2 juli 2014

Zaak F‑63/13

Aristidis Psarras

tegen

Agentschap van de Europese Unie voor netwerk- en informatiebeveiliging (Enisa)

„Openbare dienst – Tijdelijk functionaris – Beëindiging van de overeenkomst – Artikel 41, lid 2, sub a, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Recht om te worden gehoord – Immateriële schade – Daaruit volgend onrechtmatig besluit – Buitensporige inbreuk op de rechten van een derde – Ambtshalve veroordeling tot betaling van een schadevergoeding – Niet-uitvoering van een arrest houdende nietigverklaring”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, waarmee Psarras met name vraagt om nietigverklaring van het besluit van het Agentschap van de Europese Unie voor netwerk- en informatiebeveiliging (Enisa; of hierna: „Agentschap”) van 4 september 2012 om zijn overeenkomst van tijdelijk functionaris te beëindigen.

Beslissing:      Het besluit van de uitvoerend directeur van het Agentschap van de Europese Unie voor netwerk- en informatiebeveiliging van 4 september 2012 tot beëindiging van de overeenkomst van tijdelijk functionaris van Psarras wordt nietig verklaard. Het Agentschap van de Europese Unie voor netwerk- en informatiebeveiliging wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag van 40 000 EUR aan Psarras. Het beroep wordt verworpen voor het overige. Het Agentschap van de Europese Unie voor netwerk- en informatiebeveiliging draagt zijn eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van Psarras.

Samenvatting

1.      Ambtenaren – Beginselen – Rechten van de verdediging – Verplichting om de betrokkene vóór de vaststelling van een voor hem bezwarend besluit te horen –Omvang

(Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 41, lid 2)

2.      Beroepen van ambtenaren – Arrest houdende nietigverklaring – Gevolgen – Daaruit volgende nietigverklaring van latere handelingen betreffende derden – Onrechtmatigheid van een besluit tot beëindiging van een aanstellingsovereenkomst – Nietigverklaring die een buitensporige sanctie vormt waardoor inbreuk wordt gemaakt op de rechten van derden – Herstel van de schade door de betaling van een vergoeding

(Art. 340, lid 2, VWEU; Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91; Regeling andere personeelsleden, art. 117)

3.      Beroepen van ambtenaren – Beroep tot schadevergoeding – Nietigverklaring van de bestreden handeling die geen passend herstel van de immateriële schade verzekert – Toekenning van een financiële vergoeding

(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91; Regeling andere personeelsleden, art. 117)

4.      Ambtenaren – Niet-contractuele aansprakelijkheid van de instellingen – Niet-nakoming van de verplichting tot uitvoering van een arrest houdende nietigverklaring – Dienstfout die op zich immateriële schade kan veroorzaken

(Art. 266 VWEU en art. 340, lid 2, VWEU)

1.      Volgens artikel 41, lid 2, sub a, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie heeft eenieder het recht om te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen, met name een besluit tot beëindiging van zijn overeenkomst.

Daar de kern van het fundamentele recht om te worden gehoord bestaat in het bieden van de mogelijkheid aan eenieder om zijn standpunt uiteen te zetten over een voor hem ongunstige maatregel, impliceert de inhoud van dit fundamentele recht dat de betrokkene de mogelijkheid heeft om het betrokken besluitvormingsproces te beïnvloeden, waardoor kan worden gewaarborgd dat het te nemen besluit geen materiële fouten bevat en het resultaat is van een juiste afweging van het dienstbelang en het persoonlijk belang van de betrokkene.

(cf. punten 34, 35 en 41)

Referentie:

Gerecht van de Europese Unie: arrest Marcuccio/Commissie, T‑236/02, EU:T:2011:465, punt 115

Gerecht voor ambtenarenzaken: arrest CH/Parlement, F‑129/12, EU:F:2013:203, punten 33 en 34

2.      Wanneer het herstel van de situatie vóór de nietig verklaarde handeling de nietigverklaring meebrengt van latere handelingen die derden betreffen, wordt die daaruit voortvloeiende nietigverklaring echter alleen uitgesproken indien deze, met name gelet op de aard van de onrechtmatigheid en het dienstbelang, niet buitensporig is.

Blijkt uit de vergelijking van de betrokken belangen echter dat het dienstbelang en het belang van derden zich verzetten tegen de daaruit volgende nietigverklaring van besluiten zoals een aanstellingsbesluit, dan kan de Unierechter, teneinde in het belang van de verzoeker een nuttige werking van het arrest houdende nietigverklaring te verzekeren, gebruikmaken van de volledige rechtsmacht waarover hij in gedingen met een geldelijk karakter beschikt en de verwerende instelling zelfs ambtshalve veroordelen tot betaling van een schadevergoeding. Is het bezwarend besluit een besluit tot beëindiging van een aanstellingsovereenkomst waarvan de nietigverklaring zou leiden tot de nietigverklaring van een later besluit tot aanstelling van een derde, dan vormt de toekenning van een vergoeding voor de immateriële schade van een ontslagen persoon de vorm van herstel die het best aansluit bij zowel de belangen van de verzoeker als de vereisten van de dienst.

(cf. punten 46 en 47)

Referentie:

Hof: arrest Oberthür/Commissie, 24/79, EU:C:1980:145, punten 11, 13 en 14

Gerecht van eerste aanleg: arresten Kotzonis/ESC, T‑586/93, EU:T:1995:54, punt 108; Wenk/Commissie, T‑159/96, EU:T:1998:86, punt 122, en Girardot/Commissie, T‑10/02, EU:T:2004:94, punten 85 en 89

3.      De nietigverklaring van een onrechtmatige handeling kan op zich een passend en in beginsel afdoend herstel vormen van de immateriële schade die deze handeling kan hebben veroorzaakt, tenzij de verzoeker aantoont dat hij immateriële schade heeft geleden die kan worden losgekoppeld van de aan de nietigverklaring ten grondslag liggende onrechtmatigheid en door die nietigverklaring niet volledig kan worden hersteld.

Wanneer het belang van het besluit, de aard van de onrechtmatigheid, namelijk de schending van artikel 41, lid 2, sub a, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en de omstandigheden waarin de onrechtmatigheid heeft plaatsgevonden een toestand van ernstige onzekerheid en ongerustheid meebrengen, kan de nietigverklaring van het besluit op zich geen passend en toereikend herstel van de immateriële schade vormen.

(cf. punten 54 en 55)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: arrest CH/Parlement, EU:F:2013:203, punt 64

4.      Het orgaan waarvan de nietig verklaarde handeling afkomstig is schendt artikel 266 VWEU en maakt een dienstfout als gevolg waarvan het aansprakelijk kan worden gesteld, wanneer het niet de geringste maatregel ter uitvoering van het arrest houdende nietigverklaring vaststelt en zelfs niet de minste poging onderneemt om met de verzoeker tot een regeling te komen. De niet-uitvoering van een arrest houdende nietigverklaring vormt een schending van het vertrouwen dat elke justitiabele moet hebben in het rechtsstelsel van de Unie, dat met name gebaseerd is op de eerbiediging van de beslissingen van de Unierechter en op zich, los van elke materiële schade die daaruit kan voortvloeien, immateriële schade veroorzaakt voor de partij die bij een arrest in het gelijk is gesteld.

(cf. punten 60 en 63)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: arresten Hautem/EIB, T‑11/00, EU:T:2000:295, punt 51, en C/Commissie, T‑166/04, EU:T:2007:24, punten 49 en 52

Gerecht voor ambtenarenzaken: arrest C en F/Commissie, F‑44/06 en F‑94/06, EU:F:2007:66, punt 69