Language of document : ECLI:EU:C:2014:101

Zaak C‑470/12

Pohotovosť s. r. o.

tegen

Miroslav Vašuta

(verzoek van de Okresný súd Svidník om een prejudiciële beslissing)

„Prejudiciële verwijzing – Consumentenkredietovereenkomst – Oneerlijke bedingen – Richtlijn 93/13/EEG – Gedwongen tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis – Verzoek tot interventie in een tenuitvoerleggingsprocedure – Vereniging voor consumentenbescherming – Nationale wettelijke regeling op grond waarvan een dergelijke interventie niet is toegestaan – Procedurele autonomie van de lidstaten”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Derde kamer) van 27 februari 2014

1.        Gerechtelijke procedure – Mondelinge behandeling – Heropening – Verplichting om de mondelinge procedure te heropenen teneinde de partijen in staat te stellen opmerkingen in te dienen over rechtspunten die zijn opgeworpen in de conclusie van de advocaat-generaal – Geen – Verzoek tot het horen van een persoon die geen partij is in het hoofdgeding – Ontoelaatbaarheid

(Art. 252, tweede alinea, VWEU en 267 VWEU; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 83 en 97, lid 1)

2.        Prejudiciële vragen – Voorlegging aan het Hof – Bevoegdheden van de nationale rechterlijke instanties – Omvang – Hoger beroep tegen een beslissing waarbij prejudiciële verwijzing naar het Hof wordt gelast – Handhaving, wijziging of intrekking van het verzoek om een prejudiciële beslissing – Beoordeling door de verwijzende rechterlijke instantie

(Art. 267 VWEU; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 100)

3.        Bescherming van de consument – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Richtlijn 93/13 – Beroep strekkende tot gedwongen tenuitvoerlegging van een in kracht van gewijsde gegaan arbitraal vonnis – Verplichting voor de executierechter om ambtshalve te onderzoeken of het arbitragebeding oneerlijk is – Omvang

(Richtlijn 93/13 van de Raad, art. 6 en 7)

4.        Bescherming van de consument – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Richtlijn 93/13 – Middelen om een einde te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen – Nationale regeling op grond waarvan het een vereniging voor consumentenbescherming niet is toegestaan te interveniëren aan de zijde van een bepaalde consument in een tegen laatstgenoemde gevoerde procedure van tenuitvoerlegging van een in kracht van gewijsde gegaan arbitraal vonnis – Toelaatbaarheid – Grenzen – Eerbiediging van het gelijkwaardigheidsbeginsel en van het doeltreffendheidsbeginsel – Draagwijdte

(Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 38 en 47; richtlijn 93/13 van de Raad, art. 6, lid 1, 7, leden 1 en 2, en 8)

5.        Prejudiciële vragen – Bevoegdheid van het Hof – Uitlegging van het nationale recht – Daarvan uitgesloten

(Art. 267 VWEU)

1.        Zie de tekst van de beslissing.

(cf. punten 21‑23)

2.        Uit artikel 267 VWEU blijkt dat een prejudiciële procedure slechts kan worden ingeleid indien voor de nationale rechterlijke instantie een geding aanhangig is in het kader waarvan deze een beslissing moet geven waarbij rekening kan worden gehouden met het prejudiciële arrest. Indien de verwijzende rechterlijke instantie het Hof meedeelt dat de aan haar voorgelegde zaak nog steeds aanhangig is, is een dergelijke mededeling voor het Hof bindend en kan zij door partijen in het hoofdgeding niet in twijfel worden getrokken.

Bovendien ligt, wanneer tegen de verwijzingsbeslissing hoger beroep is ingesteld, overeenkomstig artikel 267 VWEU de verantwoordelijkheid voor de beoordeling van de relevantie en de noodzaak van de prejudiciële vraag in beginsel uitsluitend bij de rechterlijke instantie die de prejudiciële verwijzing gelast, onder voorbehoud van de beperkte toetsing door het Hof. Derhalve staat het aan die rechterlijke instantie om de consequenties te trekken uit een arrest in hoger beroep tegen de beslissing waarbij de prejudiciële verwijzing is gelast, en met name om te beslissen of haar verzoek om een prejudiciële beslissing moet worden gehandhaafd, gewijzigd dan wel ingetrokken. Daaruit volgt dat het Hof zich, ook omwille van de duidelijkheid en de rechtszekerheid, gebonden moet achten aan de beslissing waarbij de prejudiciële verwijzing is gelast, zolang deze niet is ingetrokken of gewijzigd door de rechterlijke instantie die haar heeft genomen, en dat alleen laatstbedoelde rechterlijke instantie over een dergelijke intrekking of wijziging kan beslissen. Slechts indien de rechterlijke instantie in hoger beroep overeenkomstig het toepasselijke nationale procesrecht zou beslissen om de weigering van de verwijzende rechterlijke instantie om kennis te nemen van het feit dat de verzoekende partij in het hoofdgeding afstand van instantie heeft gedaan, te vernietigen en de intrekking van het door de verwijzende rechterlijke instantie ingediende prejudiciële verzoek te gelasten, zou het Hof kunnen overwegen om consequenties te trekken uit die beslissing, en de zaak eventueel te schrappen van de rol van het Hof, na in voorkomend geval de opmerkingen van de verwijzende rechterlijke instantie hierover te hebben ingewonnen.

(cf. punten 28, 30‑33)

3.        Zie de tekst van de beslissing.

(cf. punten 39‑42)

4.        Richtlijn 93/13 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, met name de artikelen 6, lid 1, 7, lid 1, en 8 van deze richtlijn, junctis de artikelen 38 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan het een vereniging voor consumentenbescherming niet is toegestaan te interveniëren aan de zijde van een bepaalde consument in een tegen laatstgenoemde gevoerde procedure tot tenuitvoerlegging van een in kracht van gewijsde gegaan arbitraal vonnis.

Noch richtlijn 93/13, noch de daaropvolgende richtlijnen, die de regeling inzake consumentenbescherming vervolledigen, bevatten immers bepalingen die de rol regelen welke aan verenigingen voor consumentenbescherming in individuele gedingen waarbij een consument is betrokken, kan of moet worden toegekend. Derhalve regelt richtlijn 93/13 niet of dergelijke verenigingen gerechtigd zouden moeten zijn om in het kader van dergelijke individuele gedingen te worden toegelaten tot interventie aan de zijde van de consument. Hieruit volgt dat bij gebreke van Unieregelgeving inzake de mogelijkheid voor verenigingen voor consumentenbescherming om te interveniëren in individuele gedingen waarbij consumenten zijn betrokken, het een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat is om – krachtens het beginsel van procedurele autonomie – dergelijke regelgeving vast te stellen, op voorwaarde evenwel dat deze niet ongunstiger is dan de voorwaarden die gelden voor vergelijkbare, onder het nationale recht vallende situaties (gelijkwaardigheidsbeginsel), en zij de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maakt (doeltreffendheidsbeginsel).

Aangezien richtlijn 93/13 geen bepaling bevat die voorziet in een recht voor verenigingen voor consumentenbescherming om te interveniëren in individuele gedingen waarbij consumenten zijn betrokken, kan artikel 38 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, volgens hetwelk in het beleid van de Unie zorg wordt gedragen voor een hoog niveau van consumentenbescherming, op zichzelf, niet verplichten tot een uitlegging van deze richtlijn in die zin dat daarin dit recht van interventie wordt erkend.

Bovendien kan, aangezien richtlijn 93/13 de nationale rechter aan wie een geding is voorgelegd waarbij een verkoper en een consument betrokken zijn, verplicht om – buiten de partijen bij de overeenkomst om – positief in te grijpen, niet worden geoordeeld dat de weigering om een vereniging toe te laten tot interventie aan de zijde van een bepaalde consument, een schending vormt van het recht van die consument of vereniging op een doeltreffende voorziening in rechte zoals door artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie wordt gegarandeerd.

(cf. punten 45, 46, 52‑54, 57 en dictum)

5.        Zie de tekst van de beslissing.

(cf. punten 59, 60)