Language of document : ECLI:EU:F:2014:189

BESCHIKKING VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Tweede kamer)

10 juli 2014

Zaak F‑22/13

Mátyás Tamás Mészáros

tegen

Europese Commissie

„Openbare dienst – Vergelijkend onderzoek – Aankondiging van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/207/11 – Geslaagde van het vergelijkend onderzoek die op de reservelijst is geplaatst – Verificatie door het TABG van de voorwaarden voor deelneming aan een vergelijkend onderzoek van de rang AD 7 – Kortere beroepservaring dan de vereiste minimumduur – Kennelijke beoordelingsfout van de jury – Intrekking van het aanstellingsaanbod door het TABG – Gebonden bevoegdheid van het TABG”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarmee Mészáros vraagt om nietigverklaring van het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag van de Europese Commissie (hierna: „TABG”) van 26 september 2012 waarbij is geweigerd om hem op basis van de reservelijst van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/207/11 aan te werven bij het Europees Bureau voor Statistiek van de Europese Unie (Eurostat) en hij op de hoogte is gesteld van het plan om te vragen om in de gegevensbank van het Europees Bureau voor Personeelsselectie (EPSO) een commentaar op te nemen om de instellingen van de Europese Unie ervan op de hoogte te stellen dat hij niet voldeed aan de door dat vergelijkend onderzoek vereiste minimumduur van de beroepservaring om op basis van dat vergelijkend onderzoek te kunnen worden aangeworven als administrateur (AD) in de rang AD 7.

Beslissing:      Het beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard. De Europese Commissie draagt haar eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van Mészáros.

Samenvatting

1.      Ambtenaren – Vergelijkend onderzoek – Jury – Opstelling van de reservelijst – Controle van de regelmatigheid door het tot aanstelling bevoegd gezag – Vaststelling van een kennelijke beoordelingsfout – Gevolg – Weigering om geslaagde van het vergelijkend onderzoek aan te stellen

(Ambtenarenstatuut, art. 30; bijlage III, art. 5)

2.      Ambtenaren – Vergelijkend onderzoek – Vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken en examens – Toelatingsvoorwaarden – Beroepservaring – Begrip – Studieperiodes – Daarvan uitgesloten – Werkzaamheden uitgeoefend als zelfstandige of in een vrij beroep – Daaronder begrepen – Voorwaarde

(Ambtenarenstatuut, bijlage III, art. 5)

3.      Ambtenaren – Vergelijkend onderzoek – Toelatingsvoorwaarden – Bepaling door de aankondiging van het vergelijkend onderzoek – Vereiste van een beroepservaring met een minimumduur – Vereiste dat moet worden uitgelegd als een vereiste dat in termen van arbeidstijd overeenkomt met een voltijds activiteit

(Ambtenarenstatuut, art. 5, lid 3)

4.      Beroepen van ambtenaren – Bezwarend besluit – Begrip – Arbeidsaanbod – Voorbereidende handeling – Daarvan uitgesloten

(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)

5.      Ambtenaren – Vergelijkend onderzoek – Organisatie – Twee afzonderlijke, maar samenhangende vergelijkende onderzoeken die betrekking hebben op aanwerving in verschillende rangen – Mogelijkheid om een geslaagde van het vergelijkend onderzoek van de hogere rang te herindelen bij het vergelijkend onderzoek van de lagere rang zonder dat hij de examens daarvan heeft afgelegd – Daarvan uitgesloten

(Ambtenarenstatuut, art. 31, lid 1)

1.      Het tot aanstelling bevoegd gezag is weliswaar niet bevoegd om een besluit van een jury van een vergelijkend onderzoek nietig te verklaren of te wijzigen, maar het mag in de uitoefening van zijn eigen bevoegdheden geen onwettige besluiten nemen. Het kan dan ook niet gebonden zijn aan jurybesluiten waarvan de onwettigheid zijn eigen besluiten zou kunnen aantasten. Om die reden moet dat gezag voordat het een persoon als ambtenaar aanstelt controleren of hij aan de daartoe vereiste voorwaarden voldoet. Wanneer de jury een kandidaat ten onrechte tot een vergelijkend onderzoek toelaat en hem vervolgens op de reservelijst plaatst, dient het tot aanstelling bevoegd gezag bij een met redenen omkleed besluit, aan de hand waarvan de Unierechter de gegrondheid ervan kan beoordelen, de aanstelling van deze kandidaat te weigeren.

In het kader van de controle die het over de regelmatigheid van de jurybesluiten uitoefent, moet dat gezag dus slechts nagaan of de jury bij de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid geen kennelijke fout heeft gemaakt. Indien het van mening is dat een kandidaat ten onrechte tot deelneming is toegelaten, moet het gezag weigeren om de persoon wiens naam als gevolg van een kennelijke beoordelingsfout voorkomt op de reservelijst als ambtenaar op proef aan te stellen, zonder echter over de mogelijkheid te beschikken, de jury te vragen die lijst te wijzigen, aangezien dit een inmenging van de administratie in de werkzaamheden van een jury zou vormen die niet strookt met de onafhankelijkheid van die jury.

Een fout kan overigens alleen als een kennelijke fout worden aangemerkt wanneer deze gemakkelijk te herkennen is aan de hand van de criteria waarvan de wetgever de uitoefening van de beslissingsbevoegdheid van de administratie afhankelijk heeft willen stellen. Om vast te stellen dat er sprake is van een kennelijke fout bij de beoordeling van de feiten die de nietigverklaring van een besluit kan rechtvaardigen, moet dus worden aangetoond dat de beoordelingen in het bestreden besluit niet plausibel zijn. Met andere woorden, er kan geen sprake zijn van een kennelijke fout indien die beoordeling juist of geldig kan worden geacht.

(cf. punten 48‑50 en 52)

Referentie:

Hof: arresten Schwiering/Rekenkamer, 142/85, EU:C:1986:405, punten 19 en 20, en Parlement/Hanning, C‑345/90 P, EU:C:1992:79, punt 22

Gerecht van eerste aanleg: arrest Luxem/Commissie, T‑306/04, EU:T:2005:326, punten 22 en 24

Gerecht voor ambtenarenzaken: arresten Pascual-García/Commissie, F‑145/06, EU:F:2008:65, punt 55, en Eklund/Commissie, F‑57/11, EU:F:2012:145, punten 49‑51

2.      Tenzij in een aankondiging van vergelijkend onderzoek anders wordt bepaald, vormen studieperiodes geen periodes die in aanmerking kunnen worden genomen als na het diploma opgedane beroepservaring, en dit ongeacht het niveau van die studie, aangezien een studie tot de verwerving van kennis en niet van bekwaamheden leidt.

Periodes gedurende welke de kandidaat zowel heeft gewerkt als gestudeerd kunnen weliswaar in aanmerking worden genomen, maar in een dergelijke situatie is het het verrichte werk dat telt als beroepservaring, zonder dat de gelijktijdige studie, die daarnaast werd gevolgd, zich hiertegen verzet.

Wat activiteiten betreft die als zelfstandige of in het kader van een vrij beroep zijn uitgeoefend, volstaat een loutere verwijzing naar academische publicaties niet om aan te tonen dat er daadwerkelijk sprake is van die beroepservaring. Voor dergelijke beroepsactiviteiten kunnen facturen of opdrachtbonnen die een specificatie van de uitgeoefende werkzaamheden geven dan wel elk ander officieel en relevant stuk als bewijs gelden.

(cf. punten 57‑59)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: arrest Wolf/Commissie, T‑101/96, EU:T:1997:171, punt 71

Gerecht voor ambtenarenzaken: arresten Pascual-García/Commissie, EU:F:2008:65, punt 66, en Eklund/Commissie, EU:F:2012:145, punt 54

3.      In het kader van haar beoordeling of de beroepservaring van een kandidaat voldoet aan de minimumduur die in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek als toelatingsvoorwaarde wordt gesteld, mag een jury van een vergelijkend onderzoek een periode die in deeltijd bij een werkgever is vervuld alleen in aanmerking nemen in termen van in voltijd verricht werk.

(cf. punt 64)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: arrest Giulietti/Commissie, T‑293/03, EU:T:2006:37, punt 71

Gerecht voor ambtenarenzaken: beschikking Klopfer/Commissie, F‑118/05, EU:F:2006:137, punt 35

4.      Een aan een kandidaat gedaan werkaanbod met het oog op zijn aanstelling als ambtenaar op proef, vormt een voorbereidende handeling, namelijk een intentieverklaring die eventueel vergezeld gaat van verzoeken om inlichtingen en doet dus geen rechten ontstaan.

(cf. punt 73)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: arrest Eklund/Commissie, EU:F:2012:145, punt 66

5.      Wanneer het twee vergelijkende onderzoeken betreft die gelijktijdig worden georganiseerd met het oog op de aanwerving in verschillende rangen, hangt de inhoud van de examens die in het Assessment Centre van het Europees Bureau voor personeelsselectie (EPSO) worden georganiseerd noodzakelijkerwijs af van de rang waarvoor de kandidaat zich aanmeldt, zodat zonder schending van het beginsel van gelijke behandeling niet kan worden aangenomen dat een kandidaat die is geslaagd voor de examens van een vergelijkend onderzoek met het oog op de aanwerving van ambtenaren van een hogere rang noodzakelijkerwijs zou zijn geslaagd voor de examens van een ander vergelijkend onderzoek dat betrekking heeft op de aanwerving van ambtenaren van een lagere rang. In deze omstandigheden kan de herindeling van een kandidaat van het ene in het andere vergelijkend onderzoek alleen regelmatig geschieden vóór het verloop van de examens van het vergelijkend onderzoek waarvoor de kandidaat opnieuw wordt ingedeeld. De administratie geeft dus geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting wanneer zij stelt dat een kandidaat die voor de examens van het vergelijkend onderzoek van de rang AD 7 is geslaagd niet automatisch kan worden heringedeeld in het vergelijkend onderzoek van de rang AD 5, ofschoon het om een vergelijkend onderzoek van een lagere rang gaat, aangezien die kandidaat niet daadwerkelijk heeft deelgenomen aan de examens van het vergelijkend onderzoek van de rang AD 5.

(cf. punt 76)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: arrest Demeneix/Commissie, F‑96/12, EU:F:2013:52, punt 64