Language of document : ECLI:EU:F:2014:228

ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Derde kamer)

1 oktober 2014

Zaak F‑91/13

DF

tegen

Europese Commissie

„Openbare dienst – Beloning – Ontheemdingstoelage – Reiskosten – Detachering van verzoeker in het land waarvan hij de nationaliteit bezit – Voorwaarde van artikel 4, lid 1, sub b, van bijlage VII bij het Statuut”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarmee DF met name verzoekt om nietigverklaring van het besluit van de Europese Commissie van 20 december 2012 waarbij invordering wordt gelast van de ontheemdingstoelage en de reiskosten die hij gedurende zijn detachering in Duitsland, van 1 september 2009 tot en met 31 augustus 2012, heeft ontvangen, om terugbetaling van de reeds geïnde bedragen, en om toekenning van een schadevergoeding.

Beslissing:      De Europese Commissie wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag van 1 500 EUR aan DF ter vergoeding van zijn immateriële schade. Het beroep wordt verworpen voor het overige. De Europese Commissie zal haar eigen kosten dragen en wordt verwezen in een vierde van de kosten van DF. DF zal drie vierde van zijn eigen kosten dragen.

Samenvatting

1.      Ambtenaren – Beloning – Ontheemdingstoelage – Voorwaarden voor toekenning – Gebruikelijke verblijfplaats buiten de lidstaat van standplaats tijdens de referentieperiode – Referentieperiode – Vaststelling van de datum van verstrijken in het geval van detachering van de ambtenaar – Aanvankelijke datum van indiensttreding

(Ambtenarenstatuut, bijlage VII, art. 4, lid 1, sub b)

2.      Ambtenaren – Terugvordering van het onverschuldigd betaalde – Voorwaarden – Klaarblijkelijke onregelmatigheid van de betaling – Criteria

(Ambtenarenstatuut, art. 85)

3.      Ambtenaren – Beginselen – Rechten van de verdediging – Verplichting om de betrokkene te horen voorafgaand aan de vaststelling van een voor hem bezwarend besluit – Omvang – Schending – Gevolgen

(Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 41, lid 2, sub a)

1.      Wat de voorwaarden betreft voor toekenning van de ontheemdingstoelage in het geval van detachering van de ambtenaar, verstrijkt de in artikel 4, lid 1, sub b, van bijlage VII bij het Statuut bedoelde periode van tien jaar altijd op de oorspronkelijke datum van indiensttreding.

(cf. punt 17)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: arrest Magdalena Fernández/Commissie, T‑90/92, EU:T:1993:78, punt 32

Gerecht voor ambtenarenzaken: arresten B/Commissie, F‑7/06, EU:F:2007:129, punt 39; Cavallaro/Commissie, F‑108/05, EU:F:2007:164, punt 71, en Blais/ECB, F‑6/08, EU:F:2008:160, punt 67

2.      Wat de voorwaarden betreft voor terugvordering van het onverschuldigd betaalde, betekent de in artikel 85 van het Statuut gebezigde uitdrukking „zo voor de hand lag” – die de onregelmatigheid van de betaling kenmerkt – niet dat de ambtenaar die onverschuldigde betalingen ontvangt in het geheel niet hoeft na te denken en niets hoeft te controleren, maar dat terugbetaling verschuldigd is wanneer het gaat om een vergissing die een normaal zorgvuldige ambtenaar, die wordt geacht de regels inzake zijn salaris te kennen, niet ontgaat.

Derhalve kan een normaal zorgvuldige ambtenaar met veel ervaring en een hoge rang niet onkundig zijn van het feit dat de betaling van de ontheemdingstoelage is gekoppeld aan een ontheemding in de zin van artikel 4 van bijlage VII bij het Statuut, van welke ontheemding geen sprake is in het geval van een ambtenaar die is gedetacheerd om functies uit te oefenen in het land waarvan hij de nationaliteit bezit.

Ook wanneer hij wordt geconfronteerd met een weigering van de administratie om schriftelijk te bevestigen hetgeen slechts mondeling is verklaard, dient een normaal zorgvuldige ambtenaar met veel ervaring en een hoge rang de juistheid van deze mondelinge toezeggingen na te gaan, bijvoorbeeld door zich met een schriftelijk verzoek te wenden tot de administratie krachtens artikel 90, lid 1, van het Statuut.

(cf. punten 35, 37 en 38)

Referentie:

Hof: arrest Stempels/Commissie, 310/87, EU:C:1989:9, punt 10, en beschikking Gouvras/Commissie, C‑420/04 P, EU:C:2005:482, punt 59

Gerecht van eerste aanleg: arresten Maslias/Parlement, T‑92/94, EU:T:1996:70, punt 60; Jensen/Commissie, T‑156/96, EU:T:1998:174, punt 63; Barth/Commissie, T‑348/00, EU:T:2001:144, punt 29, en Gussetti/Commissie, T‑312/02, EU:T:2004:102, punt 82

3.      Op grond van artikel 41, lid 2, sub a, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie heeft eenieder het recht te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen.

Wil een schending van het recht om te worden gehoord tot de nietigverklaring van het ontslagbesluit kunnen leiden, dan moet ook nog worden onderzocht of de procedure bij ontbreken van die onregelmatigheid tot een ander resultaat had kunnen leiden.

Wanneer het feit dat de betrokkene niet in de gelegenheid is gesteld om vóór de vaststelling van een besluit tot invordering van onterecht ontvangen bedragen, zijn standpunt kenbaar te maken en een toelichting te verstrekken, geen invloed heeft kunnen hebben op de inhoud ervan, kan de schending van het recht van de betrokkene om te worden gehoord op zich niet de nietigverklaring ervan rechtvaardigen. Dat neemt niet weg dat de administratie daardoor een onrechtmatigheid heeft begaan die een dienstfout vormt welke een schadevergoeding kan rechtvaardigen.

(cf. punten 41‑47)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: arrest CH/Parlement, F‑129/12, EU:F:2013:203, punten 33 en 38