Language of document : ECLI:EU:F:2014:192

BESCHIKKING VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Derde kamer)

16 juli 2014

Zaak F‑114/13

Robert Klar en Francisco Fernandez Fernandez

tegen

Europese Commissie

„Openbare dienst – Personeelscomité van de Commissie – Centraal comité – Aanwijzing van de leden van de plaatselijke afdeling Luxemburg in het centraal personeelscomité – Terugroeping door de plaatselijke afdeling van één van haar vaste leden in het centraal comité – Weigering van het TABG om de rechtmatigheid van het terugroepingsbesluit te erkennen – Procesbelang – Niet-eerbiediging van de precontentieuze procedure – Te late indiening van de klacht – Kennelijke niet-ontvankelijkheid”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarmee Klar en Fernandez Fernandez vragen om nietigverklaring van het volgens hen niet te dateren besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag van de Europese Commissie (hierna: „TABG”) „houdende weigering om de rechtmatigheid te erkennen van het besluit van het plaatselijk personeelscomité te Luxemburg [(Luxemburg)] tot intrekking van het aan Delgado-Sáez verleende mandaat om dat comité te vertegenwoordigen in het centraal personeelscomité van de Commissie”.

Beslissing:      Het beroep wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Klar en Fernandez Fernandez dragen hun eigen kosten en worden verwezen in de kosten van de Europese Commissie.

Samenvatting

1.      Beroepen van ambtenaren – Procesbelang – Door een plaatselijk personeelscomité verleend mandaat van een lid van het centraal comité – Besluit houdende weigering om de rechtmatigheid van de intrekking van het mandaat te erkennen – Beroep van de leden van het plaatselijk comité – Ontvankelijkheid

(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)

2.      Beroepen van ambtenaren – Bezwarend besluit – Begrip – Besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag ter verzekering van de regelmatigheid van de aanwijzing van de vertegenwoordigers van een lokale afdeling van het personeelscomité van de Commissie in het centraal personeelscomité van die instelling (Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)

1.      Een besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag houdende weigering om de rechtmatigheid te erkennen van een besluit tot intrekking van het door een plaatselijk personeelscomité verleende mandaat van een lid van het centraal comité, dat via zijn voorzitter bestemd is voor het plaatselijk comité en derhalve voor zijn leden, kan afbreuk doen aan de bevoegdheden, met name op het gebied van de aanwijzing van de leden van het centraal comité, van de leden van de plaatselijke comités, die dus een belang hebben om op te komen tegen dat besluit.

(cf. punt 52)

2.      Besluiten die worden genomen in het kader van de op elke instelling rustende verplichting om de regelmatigheid van de verkiezingen en van de daaruit volgende samenstelling van de organen die het personeel vertegenwoordigen te verzekeren, vormen besluiten van die instelling. Ambtenaren en functionarissen die tegen dit soort besluiten beroep willen instellen moeten dus binnen de termijnen voorzien in de artikelen 90 en 91 van het Statuut hun klacht indienen, omdat anders het later ingestelde beroep niet-ontvankelijk wordt.

In het kader van een beroep tegen de weigering van het tot aanstelling bevoegd gezag om de rechtmatigheid te erkennen van een besluit tot intrekking van een mandaat van een vertegenwoordiger in het centraal comité dat is verleend door een plaatselijk personeelscomité van een instelling, vormt een administratief besluit waarbij een lokale afdeling van het personeelscomité van een instelling wordt verzocht om op een bepaalde manier te handelen, een bezwarend besluit waartegen de klacht moet worden ingediend.

(cf. punten 58, 59 en 66)

Referentie:

Hof: arrest de Dapper e.a./Parlement, 54/75, EU:C:1976:127, punt 23

Gerecht van eerste aanleg: arrest Marx Esser en Del Amo Martinez/Parlement, T‑182/94, EU:T:1996:130, punt 34

Gerecht voor ambtenarenzaken: arrest Milella en Campanella/Commissie, F‑71/05, EU:F:2007:184, punt 54