Language of document : ECLI:EU:C:2015:29

ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)

22 januari 2015 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 77/388/EEG – Btw – Vrijstellingen – Artikel 13, B, onder b) – Begrip ,vrijgestelde verhuur van onroerende goederen’ – Terbeschikkingstelling, onder bezwarende titel, van een voetbalstadion – Overeenkomst tot terbeschikkingstelling waarbij de eigenaar zich bepaalde rechten en voorrechten voorbehoudt – Verrichten, door de eigenaar, van verschillende diensten die goed zijn voor 80 % van de contractueel overeengekomen vergoeding”

In zaak C‑55/14,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Cour d’appel te Bergen (België) bij beslissing van 31 januari 2014, ingekomen bij het Hof op 5 februari 2014, in de procedure

Régie communale autonome du stade Luc Varenne

tegen

Belgische Staat,

wijst

HET HOF (Negende kamer),

samengesteld als volgt: J. Malenovský, waarnemend president van de Negende kamer, M. Safjan (rapporteur) en A. Prechal, rechters,

advocaat-generaal: P. Cruz Villalón,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Régie communale autonome du stade Luc Varenne, vertegenwoordigd door W. Panis, advocaat,

–        de Belgische regering, vertegenwoordigd door M. Jacobs en J.‑C. Halleux als gemachtigden,

–        de Griekse regering, vertegenwoordigd door I. Bakopoulos en V. Stroumpouli als gemachtigden,

–        de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. Bulterman en M. Gijzen als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Soulay en L. Lozano Palacios als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 13, B, onder b), van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1; hierna: „Zesde richtlijn”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Régie communale autonome du stade Luc Varenne (hierna: „regie”) en de Belgische Staat over de aftrekbaarheid van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: „btw”) op de verkrijging van de installaties van het voetbalstadion Luc Varenne ten bedrage van 1 350 001,79 EUR.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        Artikel 2 van de Zesde richtlijn, dat hoofdstuk II daarvan vormt met als opschrift „Werkingssfeer”, bepaalt:

„Aan de [btw] zijn onderworpen:

1.      de leveringen van goederen en de diensten, welke in het binnenland door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht;

[...]”

4        Artikel 13 van deze richtlijn, „Vrijstellingen in het binnenland”, bepaalt in punt B, „Overige vrijstellingen”:

„Onverminderd andere communautaire bepalingen verlenen de lidstaten vrijstelling voor de onderstaande handelingen, onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de betreffende vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen:

[...]

b)      verpachting en verhuur van onroerende goederen, met uitzondering van:

1.      het verstrekken van accommodatie, als omschreven in de wetgeving der lidstaten, in het hotelbedrijf of in sectoren met een soortgelijke functie, met inbegrip van de verhuuraccommodatie in vakantiekampen of op kampeerterreinen;

2.      verhuur van parkeerruimte voor voertuigen;

3.      verhuur van blijvend geïnstalleerde werktuigen en machines;

4.      verhuur van safeloketten.

De lidstaten kunnen nog andere handelingen van de toepassing van deze vrijstelling uitsluiten;

[...]”

5        De inhoud van de in het vorige punt aangehaalde bepaling van de Zesde richtlijn is praktisch ongewijzigd overgenomen in artikel 135 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1), die een herschikking van de Zesde richtlijn en de achtereenvolgende wijzigingen daarvan is.

6        Artikel 17, lid 2, onder a), van de Zesde richtlijn (thans artikel 168 van richtlijn 2006/112) luidt:

„Voor zover de goederen en diensten worden gebruikt voor belaste handelingen mag de belastingplichtige van de door hem verschuldigde belasting aftrekken:

a)      de [btw], welke in het binnenland verschuldigd of voldaan is voor de hem door een andere belastingplichtige geleverde of te leveren goederen en voor de te zijnen behoeve door een andere belastingplichtige verrichte of te verrichten diensten”.

 Belgisch recht

7        Artikel 19, § 1, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals van toepassing ten tijde van de feiten in het hoofdgeding (hierna: „WBTW”), luidt:

„Met een dienst verricht onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld, het gebruiken van een tot het bedrijf behorend goed, voor privédoeleinden van de belastingplichtige of van zijn personeel of, meer algemeen, voor andere doeleinden dan deze van de economische activiteit van de belastingplichtige, wanneer voor dat goed recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan.”

8        Artikel 44, § 3, 2°, WBTW voorziet in vrijstelling van de btw voor de volgende handelingen:

„de verpachting, de verhuur en de overdracht van huur van uit hun aard onroerende goederen, alsook het gebruik van dergelijke goederen onder de voorwaarden van artikel 19, § 1, met uitzondering van:

a)      de volgende diensten:

–        de terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen;

–        de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen;

–        het verschaffen van gemeubeld logies in hotels, motels en in inrichtingen waar aan betalende gasten onderdak wordt verleend;

–        de terbeschikkingstelling van plaats om te kamperen;

b)      de onroerende financieringshuur, toegestaan door een onderneming die gespecialiseerd is in onroerende financieringshuur of zogenaamde onroerende leasing, wanneer deze onderneming het gebouw waarop het contract betrekking heeft, opricht, laat oprichten of met voldoening van de belasting verkrijgt en de leasingnemer dit goed huurt om het in de uitoefening van een activiteit van belastingplichtige te gebruiken; de Koning omschrijft de voorwaarden waaraan het contract van onroerende financieringshuur moet voldoen, inzonderheid met betrekking tot de duur van het contract, de aard en de bestemming van de goederen die er het voorwerp van uitmaken, alsmede de rechten en plichten van de leasingnemer;

c)      de verhuur van safeloketten”.

9        Artikel 45, § 1, 1°, WBTW bepaalt:

„Op de belasting die hij verschuldigd is, mag elke belastingplichtige in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van:

1°      belaste handelingen”.

10      Artikel 1 van Koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde bepaalt:

„§ 1      Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 45, §§ 1bis, 2, en 3, [WBTW], brengt de belastingplichtige, onder de voorwaarden gesteld bij de artikelen 2 tot 4 van dit besluit, de belasting in aftrek geheven van de goederen en diensten die hij bestemt voor het verrichten van in artikel 45, § 1, 1° tot 5°, [WBTW] bedoelde handelingen.

Indien de belastingplichtige in de uitoefening van zijn economische activiteit andere handelingen verricht waarvoor geen aanspraak op aftrek bestaat, gedraagt hij zich, voor het vaststellen van de te verrichten aftrek, naar het bepaalde in de artikelen 46 en 48 [WBTW] en 12 tot 21 van dit besluit.

§ 2      Voor aftrek komt in geen geval in aanmerking de belasting geheven van de goederen en diensten die een belastingplichtige bestemt voor privédoeleinden of voor andere doeleinden dan die van zijn economische activiteit.

Wanneer een goed of een dienst bestemd is om gedeeltelijk voor zulke doeleinden te worden gebruikt, is het recht op aftrek naar verhouding van dat gebruik uitgesloten. Die verhouding dient door de belastingplichtige te worden bepaald onder controle van de administratie.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

11      De regie exploiteert het voetbalstadion Luc Varenne. Voor de verkrijging van dat stadion heeft de regie een bedrag van 6 428 579,97 EUR, vermeerderd met 1 350 001,79 EUR aan btw, moeten betalen.

12      Op 25 augustus 2003 heeft de regie met Royal Football Club de Tournai vzw (hierna: „RFCT”) een contract gesloten waarbij RFCT tegen vergoeding de installaties van het voetbalstadion Luc Varenne gebruikt.

13      De regie heeft het volledige bedrag aan btw over de verkrijging van deze installaties in aftrek gebracht.

14      Naar aanleiding van twee controles op de zetel van de regie in 2004 en 2006 heeft de Belgische belastingadministratie zich op het standpunt gesteld dat de regie voor de toepassing van de btw verschillende soorten handelingen verrichtte, namelijk:

–        aan de btw onderworpen handelingen die recht op aftrek van de betaalde voorbelasting doen ontstaan;

–        handelingen die buiten de werkingssfeer van de btw vallen en die geen recht op aftrek van de betaalde voorbelasting doen ontstaan, zoals de terbeschikkingstelling, gratis en voor niets, van bepaalde installaties van het voetbalstadion Luc Varenne aan RFCT, en

–        van de btw vrijgestelde handelingen waarvoor bijgevolg geen recht op aftrek van de betaalde voorbelasting bestaat.

15      De Belgische belastingadministratie heeft dus gemeend dat de terbeschikkingstelling van bepaalde installaties van dat stadion aan RFCT volgens de bewoordingen van het met de regie gesloten contract moest worden beschouwd als een verhuur van onroerende goederen, die bijgevolg op grond van artikel 44, § 3, 2°, WBTW van de btw moest worden vrijgesteld.

16      In het proces-verbaal van 22 december 2006 heeft de Belgische belastingadministratie opgemerkt dat uit een onderzoek van de activiteiten van de regie volgens de methode van de werkelijke bestemming bleek dat de regie de betaalde voorbelasting voor slechts 36 % in aftrek kon brengen volgens de in artikel 46, § 2, WBTW vervatte pro rata-regel voor de aftrek van de btw.

17      Op 10 januari 2007 heeft de Belgische belastingadministratie de regie een dwangbevel opgelegd tot betaling van de btw voor het deel dat zij ten onrechte had afgetrokken, namelijk een bedrag van 864 001,15 EUR, een geldboete van 86 400 EUR, verwijlsinteresten en moratoire interesten.

18      De regie heeft dat dwangbevel aangevochten voor het Tribunal de première instance te Bergen, dat bij vonnis van 12 mei 2011 heeft geoordeeld dat de terbeschikkingstelling, door de regie, van bepaalde installaties van het voetbalstadion Luc Varenne aan RFCT moest worden aangemerkt als een verhuur van onroerende goederen en dat de belastingadministratie terecht de aftrek van de betaalde voorbelasting had geweigerd. De regie heeft bij de Cour d’appel te Bergen hoger beroep tegen dat vonnis ingesteld.

19      Van oordeel dat voor de beslechting van het bij hem aanhangige geding uitlegging van een aantal bepalingen van de Zesde richtlijn noodzakelijk is, heeft de Cour d’appel te Bergen de behandeling van de zaak geschorst en het Hof om een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vraag:

„Is de terbeschikkingstelling van de installaties van een sportinfrastructuur die uitsluitend voor voetbaldoeleinden wordt gebruikt, waarbij het speelveld van het voetbalstadion (het veld) en de vestiaires voor de spelers en arbiters maximaal 18 dagen per sportseizoen (een sportseizoen loopt vanaf 1 juli van elk kalenderjaar tot en met 30 juni van het volgende jaar) op bepaalde tijdstippen kan worden gebruikt en geëxploiteerd, een verhuur van onroerende goederen die is vrijgesteld in de zin van artikel 13, B, onder b), van de [Zesde richtlijn] [artikel 135, lid 1, onder 1), van richtlijn 2006/112], wanneer degene die het recht van gebruik en exploitatie verleent:

–        andere natuurlijke of rechtspersonen van zijn keuze buiten voormelde 18 dagen volledig vrij dezelfde rechten kan verlenen;

–        te allen tijde recht van toegang tot deze installaties heeft zonder voorgaande toestemming van degene die het recht van gebruik en exploitatie krijgt, met name om zich te vergewissen van het correcte gebruik ervan en zich te behoeden tegen alle schade met als enige voorwaarde het goede verloop van de sportwedstrijden niet te verstoren;

–        bovendien een recht van permanente controle op de toegang tot deze installaties, ook tijdens de periode van gebruik door RFCT behoudt;

–        een vaste vergoeding van 1 750 EUR vraagt per dag gebruik van het speelveld, de vestiaires, het gebruik van de bar, portierdiensten, diensten van toezicht en controle op alle installaties, met dien verstande dat het gevraagde bedrag contractueel het recht van toegang tot het voetbalveld ten belope van 20 % vertegenwoordigt en ten belope van 80 % de tegenprestatie voor verschillende diensten van instandhouding, schoonmaak, onderhoud (maaien, zaaien, enz.) en van aanpassing aan de normen van het speelveld en bijkomende diensten door degene die het recht van gebruik en exploitatie verleent [...]?”

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

20      Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 13, B, onder b), van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de terbeschikkingstelling, onder bezwarende titel, van een voetbalstadion krachtens een contract waarbij de eigenaar zich een aantal rechten en voorrechten voorbehoudt en verschillende diensten verricht, namelijk instandhouding, schoonmaak, onderhoud en aanpassing aan de geldende normen, die goed zijn voor 80 % van de contractuele vergoeding, een „verhuur van onroerende goederen” in de zin van deze bepaling vormt.

21      Volgens vaste rechtspraak bestaat het wezenlijke kenmerk van het begrip „verhuur van onroerende goederen” in de zin van artikel 13, B, onder b), van de Zesde richtlijn erin dat aan de contractant voor een overeengekomen tijdsduur tegen vergoeding het recht wordt verleend om een onroerend goed te gebruiken als ware hij de eigenaar ervan en om ieder ander van het genot van dat recht uit te sluiten. Bij de beoordeling of een bepaalde overeenkomst beantwoordt aan deze definitie, moet rekening worden gehouden met alle eigenschappen van de handeling en met de omstandigheden ervan. Beslissend is dienaangaande de objectieve aard van de betrokken handeling, ongeacht hoe deze door de partijen wordt voorgesteld (arrest MacDonald Resorts, C‑270/09, EU:C:2010:780, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

22      Tevens zij eraan herinnerd dat slechts sprake is van verhuur van een onroerend goed in de zin van artikel 13, B, onder b), van de Zesde richtlijn wanneer is voldaan aan alle kenmerkende voorwaarden voor deze handeling: de eigenaar van een onroerend goed heeft de huurder, tegen betaling van huur en voor een overeengekomen duur, het recht verleend zijn goed te gebruiken en andere personen daarvan uit te sluiten (arrest Medicom en Maison Patrice Alard, C‑210/11 en C‑211/11, EU:C:2013:479, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

23      Artikel 13, B, onder b), van de Zesde richtlijn vormt een afwijking van het algemene beginsel dat btw wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht, en moet dus strikt worden uitgelegd. Deze bepaling kan, wanneer niet is voldaan aan een van de in het vorige punt vermelde voorwaarden, niet naar analogie worden toegepast omdat het gebruik van het betrokken onroerend goed het meest overeenkomt met verhuur in de zin van deze bepaling (zie in die zin arrest Medicom en Maison Patrice Alard, EU:C:2013:479, punt 27).

24      Het is in beginsel de taak van de nationale rechterlijke instanties, die bij uitsluiting bevoegd zijn om de feiten te beoordelen, om gelet op de omstandigheden van elk concreet geval de wezenlijke kenmerken van de betrokken handeling vast te stellen teneinde deze handeling te kwalificeren uit het oogpunt van de Zesde richtlijn (zie met name in die zin arrest Medicom en Maison Patrice Alard, EU:C:2013:479, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

25      Met betrekking tot inzonderheid de kwalificatie van het gebruik van sportinstallaties heeft het Hof reeds opgemerkt dat diensten die verband houden met de beoefening van sport en met lichamelijke opvoeding zoveel mogelijk als één geheel moeten worden beschouwd (arrest Stockholm Lindöpark, C‑150/99, EU:C:2001:34, punt 26).

26      Zo heeft het Hof met betrekking tot de verhuur van een golfterrein gepreciseerd dat aangezien het beheer van een golfterrein niet alleen het passief ter beschikking stellen van een terrein behelst, maar ook met name een groot aantal commerciële activiteiten omvat zoals het toezicht, het beheer en het voortdurende onderhoud door de dienstverrichter alsmede de terbeschikkingstelling van andere installaties, de verhuur van het golfterrein, behoudens zeer bijzondere omstandigheden, niet de overwegende prestatie kan zijn (arrest Stockholm Lindöpark, EU:C:2001:34, punt 26).

27      Weliswaar verschillen de omstandigheden van het hoofdgeding van die welke kenmerkend waren voor de handeling waarover het ging in de zaak die heeft geleid tot het arrest Stockholm Lindöpark (EU:C:2001:34), aangezien het in het hoofdgeding ten eerste gaat om een „collectief” gebruik van de installaties door een club en niet om een individuele toegang voor de spelers, ten tweede dat gebruik herhaaldelijk en voor langere duur en, in de regel, exclusief is tijdens de overeengekomen dagen, en ten derde de taken en de voorrechten van de regie als verhuurder ten dele blijken voort te vloeien uit de noden die eigen zijn aan de exploitatie voor verhuurdoeleinden van sportinstallaties waarvan voor een grote waaier van opleidingen en individuen gebruik kan worden gemaakt.

28      Toch dient te worden aangenomen dat, onder voorbehoud van de – door de verwijzende rechter te verrichten – beoordeling van de feiten, uit de verwijzingsbeslissing geen zeer bijzondere omstandigheden blijken op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat het gebruik van het voetbalstadion de overwegende dienst van de overeengekomen prestatie vormt, waardoor deze prestatie zou kunnen worden aangemerkt als een verhuur van een onroerend goed in de zin van artikel 13, B, onder b), van de Zesde richtlijn.

29      In de omstandigheden van het hoofdgeding blijkt het te gaan om de verrichting, door de regie, van een meer complexe dienst bestaande in het verstrekken van toegang tot de sportinstallaties, waarbij de regie zich belast met het toezicht op, het beheer, het onderhoud en de schoonmaak van deze installaties.

30      Met betrekking tot, ten eerste, het toezicht op de sportinstallaties, zijnde de aan de regie verleende rechten van toegang tot deze installaties en van controle op de toegang, zij opgemerkt dat deze rechten op zich inderdaad niet de kwalificatie van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde handeling als verhuur in de zin van artikel 13, B, onder b), van de Zesde richtlijn kunnen uitsluiten. Dergelijke rechten kunnen gerechtvaardigd zijn ter waarborging dat het gebruik van deze installaties door de huurders niet door derden wordt verstoord. Het Hof heeft immers al gepreciseerd dat het feit dat aan het recht om het gehuurde goed te gebruiken beperkingen zijn gesteld, niet wegneemt dat dit gebruik uitsluitend is ten opzichte van eenieder die niet op grond van de wet of de overeenkomst een recht kan doen gelden ten aanzien van het goed dat het voorwerp van de huurovereenkomst vormt (arrest Temco Europe, C‑284/03, EU:C:2004:730, punt 25).

31      In de omstandigheden van het hoofdgeding blijken het recht van toegang tot de sportinstallaties en het recht van controle op de toegang ertoe niettemin te leiden tot een permanente aanwezigheid van vertegenwoordigers van de regie in deze installaties middels een portierdienst, hetgeen een aanwijzing kan zijn die erop kan duiden dat de rol van de regie actiever is dan bij een verhuur van onroerende goederen in de zin van artikel 13, B, onder b), van de Zesde richtlijn.

32      Met betrekking tot, ten tweede, de verschillende diensten van beheer, onderhoud en schoonmaak, blijkt dat het merendeel van deze diensten effectief noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat de sportinstallaties geschikt zijn voor het beoogde gebruik, namelijk sportmanifestaties en meer concreet voetbalwedstrijden overeenkomstig de toepasselijke sportreglementering.

33      Bijgevolg dient te worden aangenomen dat de daartoe vereiste installaties middels de aangeboden dienst van onderhoud en aanpassing aan de geldende normen ter beschikking van RFCT worden gesteld in een staat die het gebruik ervan voor de overeengekomen doeleinden mogelijk maakt, en dat het verstrekken van de toegang tot deze installaties voor dit precieze doeleinde de kenmerkende dienst van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde prestatie vormt (zie met name naar analogie arrest Part Service, C‑425/06, EU:C:2008:108, punten 51 en 52; Field Fisher Waterhouse, C‑392/11, EU:C:2012:597, punt 23, en RR Donnely Global Turnkey Solutions Poland, C‑155/12, EU:C:2013:434, punt 22).

34      In dit verband vormt ook de economische waarde van de verschillende verrichte diensten, die volgens de verwijzingsbeslissing goed zijn voor 80 % van de contractueel overeengekomen vergoeding, een aanwijzing op basis waarvan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde prestatie in haar geheel kan worden aangemerkt als een dienst in plaats van als een verhuur van een onroerend goed in de zin van artikel 13, B, onder b), van de Zesde richtlijn.

35      Het is evenwel de taak van de verwijzende rechter om te oordelen of alle door de regie aangeboden diensten effectief noodzakelijk zijn om toegang tot de sportinstallaties te verlenen voor de contractueel overeengekomen doeleinden, namelijk uitsluitend voetbaldoeleinden.

36      Met betrekking tot, ten slotte, de duur van het genot van het betrokken goed, die een wezenlijk bestanddeel van een huurovereenkomst vormt, zij eraan herinnerd dat het Hof reeds heeft vastgesteld dat de duur van het genot van een golfterrein beperkt kan zijn (arrest Stockholm Lindöpark, EU:C:2001:34, punt 27).

37      Voorts blijkt uit de rechtspraak dat dit genot in beginsel niet louter incidenteel en tijdelijk moet zijn (zie in de zin arrest Leichenich, C‑532/11, EU:C:2012:720, punt 24).

38      In de omstandigheden van het hoofdgeding bedraagt de contractueel overeengekomen duur van het genot van de terbeschikkingstelling maximaal 18 speeldagen tijdens het voetbalseizoen en is deze duur dus a priori niet verwaarloosbaar. Niettemin moet de verwijzende rechter uitmaken of gelet op alle omstandigheden de overeengekomen duur veeleer toch als incidenteel en tijdelijk te beschouwen is, hetgeen een extra aanwijzing zou vormen die erop duidt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde prestatie in haar geheel moet worden aangemerkt als een dienst in plaats van als een verhuur van een onroerend goed. In deze context dient met name te worden nagegaan of, zoals de Belgische regering aanvoert, de daadwerkelijke terbeschikkingstelling van de installaties van het voetbalstadion Luc Varenne aan RFCT verder gaat dan de letter van de overeenkomst en minder gelinkt is aan welbepaalde tijdstippen dan wel of, zoals de regie stelt, het daadwerkelijke genot uitsluitend tot de voetbalwedstrijden beperkt is.

39      Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 13, B, onder b), van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de terbeschikkingstelling, onder bezwarende titel, van een voetbalstadion krachtens een overeenkomst waarbij de eigenaar zich bepaalde rechten en voorrechten voorbehoudt en verschillende diensten verstrekt, namelijk instandhouding, schoonmaak, onderhoud en aanpassing aan de geldende normen, die goed zijn voor 80 % van de contractuele vergoeding, in beginsel geen „verhuur van onroerende goederen” in de zin van deze bepaling vormt. Dit dient de verwijzende rechter na te gaan.

 Kosten

40      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:

Artikel 13, B, onder b), van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag moet aldus worden uitgelegd dat de terbeschikkingstelling, onder bezwarende titel, van een voetbalstadion krachtens een overeenkomst waarbij de eigenaar zich bepaalde rechten en voorrechten voorbehoudt en verschillende diensten verstrekt, namelijk instandhouding, schoonmaak, onderhoud en aanpassing aan de geldende normen, die goed zijn voor 80 % van de contractuele vergoeding, in beginsel geen „verhuur van onroerende goederen” in de zin van deze bepaling vormt. Dit dient de verwijzende rechter na te gaan.

ondertekeningen


* Procestaal: Frans.