Language of document : ECLI:EU:C:2014:172

Zaak C‑61/12

Europese Commissie

tegen

Republiek Litouwen

„Niet-nakoming – Registratie van motorvoertuigen – Artikelen 34 VWEU en 36 VWEU – Richtlijn 70/311/EEG – Richtlijn 2007/46/EG – Rechtsrijdend verkeer in een lidstaat – Verplichting om, voor registratie, een aan de rechterkant geplaatste stuurinrichting van personenauto’s naar de linkerkant te verplaatsen”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 20 maart 2014

1.        Harmonisatie van wetgevingen – Motorvoertuigen – Communautaire typegoedkeuringsprocedure – Stuurinrichtingen van motorvoertuigen – Richtlijnen 2007/46 en 70/311 – Registratie van nieuwe voertuigen met een stuurinrichting aan dezelfde kant als de verkeersrichting – Nationale regeling die voor deze voertuigen voorschrijft dat voor registratie het stuur naar de andere kant moet worden verplaatst – Ontoelaatbaarheid

(Richtlijn 2007/46 van het Europees Parlement en de Raad, art. 4, lid 3; richtlijn 70/311 van de Raad, art. 2 bis)

2.        Vrij verkeer van goederen – Kwantitatieve beperkingen – Maatregelen van gelijke werking – Registratie van voordien in andere lidstaten geregistreerde gebruikte voertuigen met een stuurinrichting aan dezelfde kant als de verkeersrichting – Nationale regeling die voor deze voertuigen voorschrijft dat voor herinschrijving het stuur naar de andere kant moet worden verplaatst – Ontoelaatbaarheid – Rechtvaardiging – Verkeersveiligheid – Evenredigheid – Geen

(Art. 34 VWEU)

1.        Door de registratie op zijn grondgebied van nieuwe personenauto’s met de stuurinrichting aan dezelfde kant als de verkeersrichting afhankelijk te stellen van de verplaatsing van het stuur naar de andere kant, komt een lidstaat de verplichtingen niet na die op hem rusten krachtens artikel 2 bis van richtlijn 70/311 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de stuurinrichtingen van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan, en artikel 4, lid 3, van richtlijn 2007/46 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd.

Stuurinrichtingen van voertuigen vormen het specifieke voorwerp van richtlijn 70/311, waarvan artikel 2 bis voorschrijft dat de lidstaten onder meer de registratie van voertuigen niet mogen verbieden om redenen die verband houden met de stuurinrichtingen van deze voertuigen, indien deze beantwoorden aan de voorschriften van die richtlijn. Het is juist dat richtlijnen 2007/46 en 70/311 verwijzen naar de op het inlichtingenformulier voor de goedkeuring van voertuigen aan te brengen vermelding „kant van het stuur: rechts/links”. Ook moet op het certificaat van overeenstemming worden vermeld dat het voertuig „geschikt” is voor rechts- of linksrijdend verkeer. Deze bepalingen kunnen echter niet zien op fundamentele elementen van de constructie van het voertuig zoals de stuurpositie, maar kunnen slechts betrekking hebben op andere elementen, zoals verlichtings- en ruitenwisinrichtingen of systemen voor indirect zicht van voertuigen. De aanpassingen die kunnen worden vereist, mogen namelijk niet zien op de verplaatsing van de bestuurdersplaats – wat een substantiële ingreep in de constructie van het voertuig zou impliceren, die indruist tegen de bewoordingen en de doelstellingen van richtlijn 70/311 – maar mogen slechts zien op ingrepen met een geringe impact.

Derhalve valt de positie van de bestuurdersplaats, die een wezenlijk bestanddeel van de stuurinrichting van een voertuig vormt, onder de door de richtlijnen 2007/46 en 70/311 ingevoerde harmonisatie, zodat de lidstaten met het oog de registratie van een nieuw voertuig op hun grondgebied niet kunnen verlangen dat de bestuurdersplaats van dat voertuig om veiligheidsredenen naar de andere kant dan de verkeersrichting wordt verplaatst.

(cf. punten 44, 48, 50, 52 en dictum)

2.        Door de registratie op zijn grondgebied van eerder in andere lidstaten geregistreerde gebruikte personenauto’s met de stuurinrichting aan dezelfde kant als de verkeersrichting afhankelijk te stellen van de verplaatsing van het stuur naar de andere kant, komt een lidstaat de krachtens artikel 34 VWEU op hem rustende verplichtingen niet na.

Een dergelijke nationale regeling is een door artikel 34 VWEU verboden maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking, aangezien zij tot gevolg heeft dat de toegang tot de markt wordt belemmerd voor voertuigen die rechtmatig zijn geproduceerd en geregistreerd in andere lidstaten. Zij kan echter worden gerechtvaardigd door dwingende redenen, mits zij geschikt is om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen en niet verder gaat dan ter bereiking van dat doel noodzakelijk is. De noodzaak om de verkeersveiligheid te verzekeren, vormt een dergelijke dwingende reden van algemeen belang die een belemmering van het vrije verkeer van goederen kan rechtvaardigen.

Er bestaan echter middelen en maatregelen die minder ingrijpen in het vrije verkeer van goederen dan de betrokken maatregel, maar toch geschikt zijn om het risico dat samenhangt met het verkeer van voertuigen die het stuur aan dezelfde kant hebben als de verkeersrichting, aanzienlijk te verminderen. De lidstaten beschikken dienaangaande over een beoordelingsmarge om maatregelen op te leggen die naar de heersende stand van de techniek geschikt zijn om te verzekeren dat de bestuurder van een dergelijk voertuig zowel vooraan als achteraan voldoende zicht heeft. Bijgevolg kan niet worden geoordeeld dat de betrokken maatregel noodzakelijk is om het nagestreefde doel te bereiken en is die maatregel niet verenigbaar met het evenredigheidsbeginsel.

(cf. punten 57‑59, 68, 69 en dictum)