Language of document : ECLI:EU:C:2015:142

ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)

5 maart 2015 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Fiscale bepalingen – Richtlijn 92/12/EEG – Algemene regeling voor accijnsproducten – Heffing van belasting op smokkelwaar – Goederen die tot verbruik zijn uitgeslagen in een lidstaat en zijn vervoerd naar een andere lidstaat – Bepaling van de bevoegde lidstaat – Recht van de staat van doorvoer om belasting te heffen over die goederen”

In zaak C‑175/14,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Verwaltungsgerichtshof (Oostenrijk) bij beslissing van 28 maart 2014, ingekomen bij het Hof op 10 april 2014, in de procedure

Ralph Prankl

wijst

HET HOF (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: S. Rodin, kamerpresident, M. Berger en F. Biltgen (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: E. Sharpston,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door C. Pesendorfer als gemachtigde,

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en K. Petersen als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Wasmeier en R. Lyal als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 7, leden 1 en 2, en 9, lid 1, van richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (PB L 76, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 92/108/EEG van de Raad van 14 december 1992 (PB L 390, blz. 124; hierna: „richtlijn 92/12”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen R. Prankl, een vrachtwagenchauffeur, en het Zollamt Wien (douanekantoor van Wenen) over het opleggen van een naheffingsaanslag in de tabaksaccijns aan Prankl.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        De vijfde tot en met zevende overweging van richtlijn 92/12 luiden als volgt:

„Overwegende dat elke levering, elk voorhanden hebben met het oog op de levering of elk gebruik voor een zelfstandig bedrijf dan wel voor een publiekrechtelijk orgaan, welke plaatsvindt in een andere lidstaat dan die van de uitslag tot verbruik, aanleiding geeft tot verschuldigdheid van de accijns in die andere lidstaat;

Overwegende dat over door particulieren voor eigen gebruik verkregen en door hen zelf vervoerde accijnsproducten belasting moet worden geheven in de lidstaat van verkrijging;

Overwegende dat de lidstaten met een aantal criteria rekening moeten houden teneinde te kunnen bepalen dat accijnsproducten niet voor eigen gebruik maar voor handelsdoeleinden voorhanden worden gehouden”.

4        Artikel 6 van deze richtlijn luidt:

„1.      De accijns wordt verschuldigd bij de uitslag tot verbruik of bij het constateren van de tekorten die krachtens artikel [14], lid 3, aan accijnzen moeten worden onderworpen.

Als uitslag tot verbruik van accijnsproducten wordt beschouwd:

a)      iedere vorm van onttrekking, ook op onregelmatige wijze, aan een schorsingsregeling;

b)      iedere fabricage, ook op onregelmatige wijze, van deze producten buiten een schorsingsregeling;

c)      elke invoer, ook op onregelmatige wijze, van deze producten, wanneer deze producten niet onder een schorsingsregeling worden geplaatst.

2.      De voorwaarden voor verschuldigdheid en het toe te passen accijnstarief zijn die welke op het tijdstip van verschuldigd worden van kracht zijn in de lidstaat waar de uitslag tot verbruik of het constateren van tekorten plaatsvindt. De accijns wordt geheven en geïnd op de door elke lidstaat vastgestelde wijze, waarbij de lidstaten dezelfde heffings‑ en invorderingsprocedure toepassen op nationale producten en op producten uit andere lidstaten.”

5        Artikel 7, leden 1 tot en met 6, van de richtlijn luidt:

„1.      Indien in een lidstaat reeds tot verbruik uitgeslagen accijnsproducten in een andere lidstaat voor commerciële doeleinden voorhanden worden gehouden, worden de accijnzen geheven in de lidstaat waar deze producten voorhanden worden gehouden.

2.      Hiertoe wordt de accijns, onverminderd artikel 6, indien producten die bij toepassing van artikel 6 reeds in het verbruik zijn gebracht in een lidstaat, daarna in een andere lidstaat worden geleverd of bestemd zijn om in een andere lidstaat te worden geleverd, of in een andere lidstaat worden bestemd voor de behoeften van een bedrijf dat op onafhankelijke wijze een economische activiteit uitoefent of van een publiekrechtelijke instelling, verschuldigd in die andere lidstaat.

3.      De accijns is, al naargelang het geval, verschuldigd door de persoon die de levering verricht, die de voor levering bestemde producten voorhanden heeft of door de persoon waar de producten worden bestemd in een andere lidstaat dan die waar de producten reeds in het verbruik zijn gebracht, of door het zelfstandige bedrijf of publiekrechtelijke lichaam.

4.      Het verkeer van de [in lid 1] genoemde producten tussen de grondgebieden van de verschillende lidstaten vindt plaats onder dekking van een geleidedocument, waarin de voornaamste punten van het in artikel 18, lid 1, bedoelde document vermeld staan. De vorm en de inhoud van dit document worden bepaald volgens de procedure van artikel 24 [van deze richtlijn].

5.      De persoon, het bedrijf of het lichaam als bedoeld in lid 3, moet zich aan de onderstaande voorschriften houden:

a)      voorafgaand aan de verzending van de goederen aangifte doen bij de belastingautoriteiten van de lidstaat van bestemming en de betaling van de accijns waarborgen;

b)      de accijns van de lidstaat van bestemming voldoen op de door die lidstaat vastgestelde wijze;

c)      elke controle toelaten waardoor de overheidsdienst van de lidstaat van bestemming zich kan vergewissen van de daadwerkelijke ontvangst van de goederen en van de betaling van de accijns waartoe deze aanleiding geven.

6.      De accijns die in de eerste, in lid 1 bedoelde lidstaat is voldaan, wordt volgens artikel 22, lid 3, teruggegeven.”

6        Artikel 8 van de richtlijn luidt als volgt:

„Voor door particulieren voor eigen behoefte verkregen en door hen zelf vervoerde producten moet de accijns volgens het voor de interne markt geldende beginsel in de lidstaat van verkrijging worden geheven.”

7        Artikel 9, leden 1 en 2, van richtlijn 92/12 bepaalt:

„1.      Onverminderd de artikelen 6, 7 en 8, wordt de accijns verschuldigd wanneer de in een lidstaat tot verbruik uitgeslagen producten in een andere lidstaat voor commerciële doeleinden voorhanden worden gehouden.

In dat geval moet de accijns worden betaald in de lidstaat op het grondgebied waarvan de producten zich bevinden en wordt hij verschuldigd door degene die de producten voorhanden heeft.

2.      Om vast te stellen of de in artikel 8 bedoelde producten voor commerciële doeleinden bestemd zijn, moeten de lidstaten onder andere rekening houden met de volgende punten:

–        de commerciële status en de beweegredenen van degene die de producten voorhanden heeft;

–        de plaats waar deze producten zich bevinden of, in voorkomend geval, de gebruikte wijze van vervoer;

–        elk document betreffende deze producten;

–        de aard van deze producten;

–        de hoeveelheid van deze producten.

[...]”

8        Artikel 10 van deze richtlijn luidt:

„1.      Accijnsproducten die worden gekocht door personen die niet de hoedanigheid van erkend entrepothouder of geregistreerd of niet-geregistreerd bedrijf hebben, en die direct of indirect door de verkoper of voor diens rekening worden verzonden of vervoerd, worden aan accijns onderworpen in de lidstaat van bestemming. Onder ,lidstaat van bestemming’ in de zin van dit artikel wordt verstaan de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer.

2.      Hiertoe wordt in de lidstaat van bestemming de accijns verschuldigd bij de levering van in een lidstaat reeds tot verbruik uitgeslagen accijnsproducten die aanleiding geeft tot verzending of vervoer van deze producten ter bestemming van een in lid 1 bedoelde, in een andere lidstaat gevestigde persoon, en welke producten direct of indirect door de verkoper of voor diens rekening worden verzonden of vervoerd.

3.      De accijns van de lidstaat van bestemming wordt door de verkoper verschuldigd op het tijdstip waarop de levering wordt verricht. De lidstaten kunnen echter bepalingen vaststellen op grond waarvan de accijns moet worden betaald door een fiscaal vertegenwoordiger die niet de geadresseerde van de producten is. Deze fiscaal vertegenwoordiger moet in de lidstaat van bestemming gevestigd zijn en door de belastingautoriteiten van deze lidstaat erkend.

De lidstaat waar de verkoper gevestigd is, moet zich ervan vergewissen dat de verkoper zich houdt aan de onderstaande voorschriften:

–        voorafgaand aan de verzending van de producten de betaling van de accijns waarborgen onder de voorwaarden die de lidstaat van bestemming heeft vastgesteld, en na aankomst van de producten voor de betaling van de accijns zorgen;

–        een administratie voeren van de leveringen van de producten.

4.      In het in lid 2 bedoelde geval wordt de accijns die in de eerste lidstaat is voldaan, teruggegeven volgens artikel 22, lid 4.

5.      De lidstaten kunnen, met inachtneming van het Gemeenschapsrecht, specifieke voorschriften ter uitvoering van deze bepaling vaststellen voor accijnsproducten die vallen onder een bijzondere nationale distributieregeling die verenigbaar is met het Verdrag.”

9        Artikel 20 van de richtlijn, dat is opgenomen in titel III („Verkeer”), bepaalt:

„1.      Wanneer tijdens het verkeer een onregelmatigheid of een overtreding is begaan waardoor de accijns verschuldigd wordt, moet de accijns worden betaald in de lidstaat waar de onregelmatigheid of de overtreding is begaan, en wel door de natuurlijke of rechtspersoon die een zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de accijns volgens artikel 15, lid 3, zulks onverminderd de instelling van strafvorderingen.

Wanneer de accijns wordt ingevorderd in een andere lidstaat dan die van vertrek, stelt de lidstaat die de invordering verricht, de bevoegde autoriteiten van het land van vertrek daarvan in kennis.

2.      Wanneer tijdens het verkeer een overtreding of een onregelmatigheid is geconstateerd zonder dat kan worden vastgesteld waar zij is begaan, wordt zij geacht te zijn begaan in de lidstaat waarin zij is geconstateerd.

3.      Onverminderd artikel 6, lid 2, wordt, wanneer de accijnsproducten niet op de plaats van bestemming aankomen en niet kan worden vastgesteld waar de overtreding of de onregelmatigheid is begaan, deze overtreding of onregelmatigheid geacht te zijn begaan in de lidstaat van vertrek; deze vordert de accijns in tegen het op de datum van verzending van de producten geldende tarief [...]. De lidstaten treffen de nodige maatregelen om op te treden tegen overtredingen of onregelmatigheden en doeltreffende straffen op te leggen.

4.      Indien vóór het verstrijken van een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de datum van opstelling van het geleidedocument wordt vastgesteld in welke lidstaat de overtreding of de onregelmatigheid daadwerkelijk werd begaan, wordt de accijns door deze lidstaat ingevorderd tegen het op de datum van verzending [van de goederen] geldende tarief. In dat geval wordt de aanvankelijk geheven accijns teruggegeven zodra het bewijs van deze invordering is geleverd.”

10      Artikel 22 van richtlijn 92/12, dat is opgenomen in titel IV („Teruggaaf”), luidt:

„1.      Voor de tot verbruik uitgeslagen accijnsproducten kan in daarvoor in aanmerking komende gevallen en op verzoek van een bedrijf in het kader van de bedrijfsuitoefening de accijns worden teruggegeven door de belastingautoriteiten van de lidstaat waarin de uitslag tot verbruik heeft plaatsgevonden, wanneer die producten niet bestemd zijn om in die lidstaat te worden verbruikt.

Het staat de lidstaten evenwel vrij niet in te gaan op dit verzoek om teruggaaf wanneer het niet voldoet aan de regelmatigheidscriteria die zij vaststellen.

2.      Voor de toepassing van lid 1 gelden onderstaande bepalingen:

a)      de afzender moet vóór de verzending van de goederen bij de bevoegde autoriteiten van zijn lidstaat een verzoek om teruggaaf indienen en naar behoren aantonen dat de accijns is voldaan. De bevoegde autoriteiten kunnen echter niet de teruggaaf weigeren enkel en alleen omdat het door diezelfde autoriteiten opgestelde document waaruit de oorspronkelijke betaling blijkt, niet is overgelegd;

b)      het verkeer van de onder a) bedoelde goederen geschiedt overeenkomstig titel III;

c)      de afzender legt de bevoegde autoriteiten van zijn lidstaat het terug te zenden exemplaar van het onder b) bedoelde document voor, dat naar behoren door de geadresseerde van aantekeningen is voorzien en dat vergezeld moet gaan van een document waaruit blijkt dat betaling van de accijns is verzekerd in de lidstaat van verbruik, of dat voorzien moet zijn van de vermelding van:

–        het adres van het betrokken kantoor van de belastingautoriteiten van de lidstaat van bestemming;

–        de datum van aanvaarding van de aangifte door dit kantoor alsmede het referentie‑ of registratienummer van de aangifte;

d)      voor de accijnsproducten die in een lidstaat tot verbruik zijn uitgeslagen en uit dien hoofde voorzien zijn van een fiscaal merkteken of een herkenningsteken van die lidstaat, kan de accijns die moet worden betaald bij de belastingautoriteiten van de lidstaat welke deze fiscale merktekens of herkenningstekens heeft afgegeven, worden teruggegeven, voor zover de vernietiging van deze tekens geconstateerd wordt door de belastingautoriteiten van de lidstaat die ze heeft afgegeven.

3.      In de in artikel 7 bedoelde gevallen moet de lidstaat van vertrek de voldane accijns enkel teruggeven indien de accijns reeds in de lidstaat van bestemming is voldaan volgens de procedure van artikel 7, lid 5.

Het staat de lidstaten evenwel vrij niet in te gaan op dit verzoek om teruggaaf wanneer het niet voldoet aan de regelmatigheidscriteria die zij vaststellen.

4.      In de in artikel 10 bedoelde gevallen moet de lidstaat van vertrek, op verzoek van de verkoper, de door hem voldane accijns teruggeven indien de verkoper de procedures van artikel 10, lid 3, heeft gevolgd.

Het staat de lidstaten evenwel vrij niet in te gaan op dit verzoek om teruggaaf wanneer het niet voldoet aan de regelmatigheidscriteria die zij vaststellen.

In de gevallen waarin de verkoper de hoedanigheid van erkend entrepothouder bezit, kunnen de lidstaten bepalen dat de teruggaafprocedure vereenvoudigd wordt.

5.      De belastingautoriteiten van elke lidstaat stellen de procedures en de wijze van controle vast die gelden voor teruggaven op hun eigen grondgebied. De lidstaten zorgen ervoor dat de teruggaaf van de accijns niet hoger is dan het daadwerkelijk voldane bedrag.”

 Oostenrijks recht

11      § 27, leden 1 en 2, van het Tabaksteuergesetz 1995 (wet betreffende de accijns op tabak van 1995, BGBl. 704/1994; hierna: „TabStG”) luidt als volgt:

„1.      Indien tabaksproducten voor commerciële doeleinden uit het vrije verkeer van een lidstaat worden ontvangen, ontstaat de belastingschuld op het moment waarop de afnemer

1.      de tabaksproducten in het belastinggebied in ontvangst neemt of

2.      de buiten het belastinggebied in ontvangst genomen tabaksproducten het belastinggebied binnenbrengt of laat binnenbrengen.

De afnemer is tot voldoening van de accijns gehouden. Ontvangst door een publiekrechtelijke instelling wordt gelijkgesteld met ontvangst voor commerciële doeleinden.

2.      Indien tabaksproducten in andere dan de in lid 1 genoemde gevallen uit het vrije verkeer van een lidstaat het belastinggebied worden binnengebracht, ontstaat de belastingschuld op het moment waarop deze producten voor het eerst in het belastinggebied voor commerciële doeleinden in bewaring worden gehouden of worden gebruikt. Diegene die ze in bewaring houdt of gebruikt, is tot voldoening van de accijns gehouden.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

12      Tussen april en oktober 2005 heeft Prankl in opdracht van een in Oostenrijk woonachtige persoon 12 650 000 sigaretten van Hongarije naar het Verenigd Koninkrijk vervoerd. Deze door onbekenden in het douanegebied van de Europese Unie binnengesmokkelde sigaretten werden geleidelijk in vijf vrachtwagenritten door onder andere Oostenrijk naar hun bestemming gebracht. Zij waren verstopt tussen de lading die in de vrachtbrief als de gehele lading stond vermeld. In het Verenigd Koninkrijk werden de sigaretten in vier gevallen door onbekenden uit de vrachtwagen geladen en in één geval door de Britse autoriteiten in beslag genomen.

13      Op 11 april 2011 heeft het Zollamt Wien aan Prankl een naheffingsaanslag in de tabaksaccijns opgelegd ten bedrage van 1 249 820 EUR op de grond dat hij de betrokken sigaretten had ontvangen en naar Oostenrijk had overgebracht.

14      Prankl is in beroep gegaan. Ter ondersteuning van zijn beroep heeft hij aangevoerd dat hij door een derde was ingehuurd om de sigaretten illegaal van Hongarije naar het Verenigd Koninkrijk te vervoeren. Hij wees erop dat hij slechts een ondergeschikte positie innam in de hiërarchie van de organisatie die de grootschalige sigarettensmokkel had opgezet en waarvoor hij de ritten had uitgevoerd. Bovendien was hij niet op de hoogte van het aantal sigaretten dat zich in de door hem bestuurde vrachtwagen bevond en was hij evenmin bekend met de plannen voor de verkoop daarvan. Voorts had hij als eenvoudige vrachtenwagenchauffeur economisch geen beschikkingsrecht over die sigaretten, zodat hij niet kon worden aangemerkt als afnemer in de zin van § 27 TabStG. Ook heeft hij de betrokken sigaretten niet in Oostenrijk in de handel gebracht en valt de enkele „doorvoer” van tabaksproducten door Oostenrijk niet onder die bepaling.

15      De Unabhängiger Finanzsenat (onafhankelijke belastingkamer) heeft op grond van § 27, lid 2, TabStG de naheffingsaanslag in de tabaksaccijns en de hoogte daarvan bevestigd. Prankl was weliswaar niet de afnemer van de betrokken sigaretten, maar was op de hoogte van het feit dat de transporten illegaal waren en heeft overigens een vergoeding voor de transporten ontvangen. Als chauffeur van de vrachtwagen waarmee de sigaretten zijn vervoerd, heeft Prankl deze voor het eerst in het Oostenrijkse belastinggebied voor commerciële doeleinden in bewaring gehad, zodat hij in Oostenrijk tabaksaccijns verschuldigd is.

16      Het Verwaltungsgerichtshof, de hogere bestuursrechter tot wie Prankl zich heeft gewend om de uitspraak van de Unabhängiger Finanzsenat aan te vechten, vraagt zich af of richtlijn 92/12, en in het bijzonder artikel 7, zich niet verzet tegen het oordeel waartoe de Unabhängiger Finanzsenat op grond van de nationale wettelijke regeling was gekomen. Dat bij een transport als het in het hoofdgeding aan de orde zijnde transport accijns moet worden betaald in elke lidstaat van doorvoer, verdraagt zich volgens deze rechter immers niet met het systeem van deze richtlijn dat voor commerciële doeleinden voorhanden gehouden accijnsproducten worden belast in de lidstaat van bestemming.

17      Het Hof heeft reeds geoordeeld dat de Uniewetgever van de voorkoming van dubbele heffing geen absoluut beginsel heeft gemaakt (arrest BATIG, C‑374/06, EU:C:2007:788). Niettemin moet dat oordeel volgens de verwijzende rechter worden geplaatst tegen de achtergrond van de feiten die ten grondslag liggen aan die zaak, waarin de accijnsproducten illegaal tot verbruik waren uitgeslagen in een andere lidstaat dan de lidstaat waarvan de fiscale merktekens reeds waren aangebracht.

18      Daarop heeft het Verwaltungsgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Moeten de artikelen 7, leden 1 en 2, en 9, lid 1, van richtlijn 92/12 aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen nationale bepalingen op grond waarvan de accijns [...] over accijnsproducten [...] die in een (eerste) lidstaat tot verbruik zijn uitgeslagen en zonder dekking van een geleidedocument in de zin van artikel 7, lid 4, van deze richtlijn over land door een of meer lidstaten [van doorvoer] naar een andere lidstaat (lidstaat van bestemming) zijn vervoerd om daar te worden verkocht, ook wordt geheven in de lidstaat van doorvoer?”

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

19      Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 7, leden 1 en 2, en 9, lid 1, van richtlijn 92/12 aldus moeten worden uitgelegd dat wanneer in een lidstaat binnengesmokkelde accijnsgoederen zonder het in artikel 7, lid 4, van die richtlijn genoemde geleidedocument worden vervoerd naar een andere lidstaat en daar door de bevoegde autoriteiten worden ontdekt, de lidstaten van doorvoer ook accijns mogen heffen van de chauffeur van de vrachtwagen die het vervoer heeft uitgevoerd, omdat hij de goederen op hun grondgebied voor commerciële doeleinden voorhanden heeft gehad.

20      Om te beginnen moet erop worden gewezen dat richtlijn 92/12 een aantal regels beoogt in te voeren met betrekking tot het voorhanden hebben en het verkeer van accijnsproducten en de controles daarop, met name om te garanderen dat de verschuldigdheid van de accijns in alle lidstaten identiek is geregeld. Met deze harmonisatie kan in beginsel dubbele belasting in de betrekkingen tussen lidstaten worden vermeden (arresten Scandic Distilleries, C‑663/11, EU:C:2013:347, punten 22 en 23, en Gross, C‑165/13, EU:C:2014:2042, punt 17).

21      Tevens moet in herinnering worden geroepen dat artikel 7, leden 1 en 2, van richtlijn 92/12 de algemene regel vaststelt dat over een in een lidstaat tot verbruik uitgeslagen accijnsproduct dat in een andere lidstaat voor commerciële doeleinden voorhanden wordt gehouden, accijns wordt geheven in de tweede lidstaat. De plaats waar de accijns verschuldigd wordt, is dus de lidstaat van bestemming van het product en niet de plaats waar het tot verbruik is uitgeslagen (arrest Meiland Azewijn, C‑292/02, EU:C:2004:499, punt 35).

22      De uitlegging dat in beginsel slechts in één lidstaat, namelijk die van bestemming en verbruik van het betrokken product, accijns wordt geheven, vindt overigens bevestiging in artikel 22 van richtlijn 92/12, dat onder bepaalde voorwaarden voorziet in teruggaaf van de in een andere lidstaat betaalde accijns (arrest Scandic Distilleries, EU:C:2013:347, punt 24).

23      Het is juist dat noch artikel 7, leden 1 en 2, noch artikel 9, lid 1, van richtlijn 92/12 expliciet uitsluit dat in een lidstaat waardoor smokkelwaar is vervoerd, accijns wordt geheven, ook al bevindt de smokkelwaar zich niet meer op het grondgebied van die staat en is zij in de lidstaat van bestemming aangekomen.

24      Het Hof heeft evenwel geoordeeld dat wanneer onregelmatig in de Unie binnengebrachte producten voor commerciële doeleinden voorhanden worden gehouden, zoals het geval is bij de in het hoofdgeding aan de orde zijnde goederen, uit artikel 6, lid 1, juncto artikel 7, lid 1, van die richtlijn volgt dat de autoriteiten van de lidstaat waar de producten zijn ontdekt, bevoegd zijn om de accijns te innen (arrest Dansk Transport og Logistik, C‑230/08, EU:C:2010:231, punt 114, en beschikking Febetra, C‑333/11, EU:C:2012:134, punt 41). In het hoofdgeding zijn dat de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk.

25      Slechts in het geval dat de betrokken producten niet voor commerciële doeleinden voorhanden worden gehouden, blijft daarentegen de lidstaat van vertrek overeenkomstig artikel 6 van richtlijn 92/12 bevoegd om de accijns te innen, ook al zijn de onregelmatig binnengebrachte producten pas later door de autoriteiten van een andere lidstaat ontdekt (zie in die zin arrest Dansk Transport og Logistik, EU:C:2010:231, punt 115, en beschikking Febetra, EU:C:2012:134, punt 42).

26      Vastgesteld moet dan ook worden dat de lidstaten van doorvoer, net als de lidstaat van vertrek, niet bevoegd zijn om de accijns te innen wanneer dergelijke producten worden ontdekt door de autoriteiten van een andere lidstaat en daar voor commerciële doeleinden voorhanden worden gehouden.

27      Er kan immers niet op goede gronden staande worden gehouden dat de Uniewetgever meer belang heeft willen hechten aan de preventie van misbruik en fraude door algemeen toe te staan dat bij illegaal vervoer van accijnsproducten alle lidstaten van doorvoer accijns heffen.

28      Aan deze uitlegging doet niet af dat het Hof in punt 57 van het arrest BATIG (EU:C:2007:788) van oordeel was dat de Uniewetgever meer belang heeft gehecht aan de preventie van misbruik en fraude dan aan het beginsel van heffing in één enkele lidstaat. Zoals uit de eerste zin van dat punt blijkt, is dit oordeel immers gegeven in het licht van het specifieke feitencomplex van de zaak die heeft geleid tot dat arrest en die betrekking had op een onregelmatige onttrekking aan de schorsingsregeling als gevolg van de diefstal van producten waarop in de lidstaat van vertrek fiscale merktekens waren aangebracht. In die zaak kon de lidstaat die de fiscale merktekens had afgegeven, niet vaststellen of ze waren vernietigd. Om die reden moest over die producten niet alleen in de lidstaat waar ze tot verbruik zijn uitgeslagen, maar ook in de lidstaat van bestemming en verbruik, waarvan de fiscale merktekens reeds waren aangebracht, accijns worden betaald.

29      Anders dan in de zaak die heeft geleid tot het arrest BATIG (EU:C:2007:788), waren op de in het hoofdgeding aan de orde zijnde goederen geen fiscale merktekens aangebracht en zijn die goederen niet verdwenen tussen het vertrekpunt van het vervoer en de lidstaat van bestemming. Zoals de Europese Commissie heeft opgemerkt, is een heffing van accijns in de lidstaten van doorvoer, welke heffing tot een meervoudige heffing kan leiden, dus niet noodzakelijk om misbruik en fraude te voorkomen, aangezien zowel de lidstaat van invoer als de lidstaat van bestemming bekend is en vaststaat dat de goederen in de lidstaat van bestemming zijn afgeleverd.

30      Aan deze uitlegging doet evenmin af dat bij illegaal vervoer het ontstaan van de verschuldigdheid van de accijns wordt bepaald op de in artikel 9, lid 1, van richtlijn 92/12 vastgestelde wijze.

31      Ongeacht de vraag of artikel 9, lid 1, van richtlijn 92/12, zoals de Duitse regering stelt, kan worden aangemerkt als een vangnetbepaling die van toepassing is wanneer bij illegaal vervoer accijnsproducten voor commerciële doeleinden voorhanden werden gehouden zonder dat een bestelling of levering daaraan ten grondslag lag, is het immers voldoende erop te wijzen dat in een situatie als die van het hoofdgeding de accijns verschuldigd is geworden in de lidstaat van bestemming, waar de betrokken goederen daadwerkelijk zijn uitgeslagen tot verbruik, en dat het blijkens punt 29 van het onderhavige arrest niet noodzakelijk is dat in een andere lidstaat of zelfs in meerdere andere lidstaten accijns wordt geheven om misbruik en fraude te voorkomen.

32      Gelet op al het voorgaande moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat de artikelen 7, leden 1 en 2, en 9, lid 1, van richtlijn 92/12 aldus moeten worden uitgelegd dat wanneer in een lidstaat binnengesmokkelde accijnsgoederen zonder het in artikel 7, lid 4, van die richtlijn genoemde geleidedocument worden vervoerd naar een andere lidstaat en daar door de bevoegde autoriteiten worden ontdekt, het de lidstaten van doorvoer niet is toegestaan ook accijns te heffen van de chauffeur van de vrachtwagen die het vervoer heeft uitgevoerd, omdat hij de goederen op hun grondgebied voor commerciële doeleinden voorhanden heeft gehad.

 Kosten

33      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:

De artikelen 7, leden 1 en 2, en 9, lid 1, van richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, zoals gewijzigd bij richtlijn 92/108/EEG van de Raad van 14 december 1992, moeten aldus worden uitgelegd dat wanneer in een lidstaat binnengesmokkelde accijnsgoederen zonder het in artikel 7, lid 4, van die richtlijn genoemde geleidedocument worden vervoerd naar een andere lidstaat en daar door de bevoegde autoriteiten worden ontdekt, het de lidstaten van doorvoer niet is toegestaan ook accijns te heffen van de chauffeur van de vrachtwagen die het vervoer heeft uitgevoerd, omdat hij de goederen op hun grondgebied voor commerciële doeleinden voorhanden heeft gehad.

ondertekeningen


* Procestaal: Duits.